Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

De vier vragen van Kant: 2. Wat moet ik doen? (Kerstboodschap 2018)

Voor een lezing, in een reeks onder de diepzinnige maar toch ook enigszins dubbelzinnige titel ‘zin op zondag’ in de Krook in Gent (op 25 november 2018), moest ik spreken over ‘mijn denken en inspiratiebronnen’ aan de hand van de vier vragen van Kant, te weten wat kan ik kennen, wat moet ik doen, wat mag ik hopen, wat is de mens. Het antwoord op de eerste vraag was al te lezen op mijn blog naar aanleiding van de lezing. Hier mijn antwoord op de tweede vraag, als kerstboodschap aan de mensen van goede wil.
maandag 24 december 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Imannuel Kant (1724-1804). Bron: Wikimedia Commons

In de tuin van De Blauwe Schuit, een eertijds beroemde bruine kroeg in Leuven, stond een Ginkgo Biloba, de Chinese boom van goed en kwaad, met zijn fraaie tweelobbige bladeren. Misschien is het daarom dat ik op een avond in april 1981, gezeten aan de toog, de volgende slagzin pende op een bierviltje (die een van de drie basisstellingen werd in Het boek der openingen): ‘Over het goede: Men kan de wereld niet verbeteren zonder hem af te schaffen. De wereld verbeteren betekent zijn afschaffing tegengaan’.

Grote megafoon in het Parlement, kunstwerk van Sven t'Jolle, snapshot auteur.

Het is (alweer) een paradox, zoveel is zeker. Men kan de wereld niet verbeteren, zonder hem denkbeeldig op te heffen in wat Nietzsche Hinterwelten noemde, een andere gedroomde wereld, die de negatie is van de slechte bestaande wereld. Maar het is wel degelijk met deze wereld en met bestaande mensen dat we de wereld moeten verbeteren. De droom van een nieuwe mens is altijd al een gevaarlijke droom gebleken.

Nu is het tweede lid, de afschaffing van de wereld tegengaan, actueler dan ooit. Dus dat hoeft intussen nauwelijks een betoog. Vandaag de dag heeft deze uitdrukking een nieuwe actualiteit gekregen, omdat het catastrofale in de geschiedenis weliswaar alomtegenwoordig is, maar nu, op dit moment, is de situatie toch allesomvattend, transcendentaal.

We beleven op dit eigenste moment de vijfde grote uitsterving, the fifth great extinction, sinds er leven op aarde is. Gecombineerd met de klimaatsverandering die nog maar begonnen is en de migratie onder druk van de bevolkingsexplosie, de globalisering én die klimaatsverandering, is deze vijfde uitsterving epochaal, bijna een soort van transcendentale horizon van ons doen en laten.

Het besef van de kosmische dimensie van ons handelen, zowel op het micro-politieke als op het macro-politieke niveau, van onze kleinste dagelijkse handelingen tot de globale groeilogica van het technokapitalisme, verleent deze slogan een nieuwe pregnantie en urgentie. Dat is wat we moeten doen: de kosmische dimensie van al ons doen en laten beseffen en ernaar leven. No more business as usual! De ramp is dat niemand er uit kan of wil, zowel op de schaal van het individuele gedrag (denk aan vliegtuigreizen), als op de macroschaal van de klimaatconferenties (Katowice is de naam van een catastrofe op zich).

‘Pessimisme in de theorie, optimisme in de praktijk’, mijn nieuwe basiscredo, is stukken directer en duidelijker. Het verbindt het kennen met het doen, de theorie met de praktijk, het ware met het goede. (Vele mensen hebben mij erop gewezen dat die slogan van Gramsci is, zeer vereerd, maar ik heb hem alleen gevonden. Daarenboven zegt Gramsci iets totaal anders, of iets dat toch wezenlijk verschilt. Hij zegt, in zijn Prison NotebooksI am a pessimist of the intellect, but an optimist of the will.’ Dat is iets heel anders, want het veronderstelt een bewustzijnsfilosofie. Het intellect zit in het hoofd, ergens, en de wil, ik zou het niet goed weten, maar die wordt traditioneel gesitueerd in de hartstreek. Daar kunnen we toch niets mee? Theorie en praktijk echter, dat kan je om zo te zeggen, vastpakken zonder subjectfilosofie. Trouwens, het aforisme zou van Romain Roland zijn, en zo citeren we natuurlijk altijd ergens iemand anders. De oorsprong van dat soort inzichten is vaak anoniem, en eigenlijk doet het er niet zoveel toe. Maar in deze vorm is hij wel degelijk van mij. Check it out on the internet.) Ik hoop dat hij binnenkort weer in zijn volle 15 meter breedte zal schitteren aan de lange gebogen muur van het Kaaitheaterfoyer. Wit op wit.

Deze beide slagzinnen tekenen voor mij de ethico-politieke horizon van al mijn doen en laten. Maar daarmee hebben we onze vraag nog niet beantwoord, of toch niet helemaal. Wat moet ik doen? Voor mij is moraal persoonlijk, privé. Ik ben nogal libertijns bijvoorbeeld, dus een erg losse, brede moraal.

Mijn meester in deze is Hillel (ik schreef een stukje over deze rabbi die leefde kort voor Christus, en die zich sterk maakte dat je de Thora moest kunnen uitleggen staande op een been, opgenomen in van de grote woorden en de kleine dingen, deel twee van het boek der verbazing): ‘doe een ander niet aan wat je zelf niet wilt dat de ander jou aandoet, dat is de hele Thora, ga en leer’. Minimalistisch maar magnifiek, voor Christus en zoveel eeuwen later Kant er ook op kwamen. Hillel’s moraal is tegelijk maximalistisch en minimalistisch. Het gaat om de essentie, de rest is conventie. Bijvoorbeeld #MeToo? Consenting adults is all you need. Twee dingen: toestemmende (en) volwassenen, al de rest is quatsch.

Maar als het gaat over ethico-politieke kwesties, die de openbaarheid, het samenleven aangaan, daar ben ik streng in de leer. Gerechtigheid! Rechtvaardigheid is heilig. ‘Zalig zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden’. Er is inderdaad iets religieus aan het rechtvaardigheidsgevoel voor mij. Ook aan het activisme dat eruit voortvloeit. Verdomde plicht.

Wat moet ik doen? De wereld verbeteren! De stad, de politiek, het ecosysteem. Activisme zit niet in mijn genen, maar de wereld schreeuwt om engagement. Een bestaan zonder engagement is voor mij ondenkbaar.

Dat heb ik van mijn voorbeelden. Mijn moeder, een paar leraars, Sartre, Foucault, Edward Saïd. Mijn moeder is een geëngageerde christen. Sartre: een figuur die niet alleen filosofische boeken schreef, maar ook romans en toneelstukken en dan ook nog eens op een ton ging staan om de arbeiders van Renault toe te spreken, dat was voor mij als jongeling echt wel een rolmodel. Of Foucault die niet alleen schreef over gevangenissen maar zich ook inzette voor gevangenen.

Saïds boekje Representations of the intellectual is mij zeer dierbaar. Voor hem is de intellectueel een publieke intellectueel (of geen intellectueel). De publieke intellectueel moet de waarheid in het gezicht van de machthebbers slingeren (speaking the truth to power), moet zich tegelijk impartieel opstellen en zich toch associëren met onderdrukten.

Concreet: het is geen goed idee om zichzelf voor te stellen als pro-Palestijns (ik heb niets met de PLO, laat staan Hamas), maar het gaat erom dat we moeten opkomen tegen de continue etnische zuivering en de apartheidspolitiek van Israël. Bijvoorbeeld door de Leuvense universiteit te overtuigen dat een onderzoek doen in samenwerking met de Israëlische politie echt niet kan.

Na twee jaar actie voeren, waarbij activisten en academici samenwerkten, is dat ook gelukt. Dat voorbeeld geeft een interessant aspect van activisme weer: je moet altijd proberen om globaal te denken, maar lokaal te ageren, dat is de enige manier om echt iets te doen bewegen. 

Vandaag de dag komt het erop aan om onrecht en business as usual van de kapitalistische groeilogica tegelijk te bevechten. Het samendenken en realiseren van globale gerechtigheid en ecologische transitie is dé brainbreaker van deze tijd. 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.