about
Toon menu

Heibel in Antiracismeland – alweer

dinsdag 23 mei 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

In Links Van De Kerk legde ik uit hoe in de vroege jaren 1990 de linkerzijde uiteengespeeld werd rond het thema van racisme. Het verhaal kan snel worden samengevat. Na de electorale doorbraak van het Vlaams Blok op 24 november 1991 kreeg de linkse antiracistische actie meteen vorm. Het burgerplatform Charta 91, de massa-organisatie Hand in Hand, en het meer gefocuste Objectief 479917 namen daarbij het voortouw, en een concreet resultaat daarvan was het Cordon Sanitaire.

Die actie was nodig, want sinds de opstart van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid in 1989 (als respons op het succes van Vlaams Blok bij de lokale verkiezingen van 1988) lieten politieke partijen, en zelfs vakbonden, het thema liefst in handen van Koninklijk Commissaris Paula D’Hondt – die het op haar eentje wel zou regelen, en wel door middel van wat nu nog steeds als ‘integratiebeleid’ bekend staat. Racisme zou verdwijnen wanneer de vreemdeling wat minder vreemd zou worden. Racisme, zo luidde het, was deels een ‘normale’ reactie van de autochtoon (een man, doorgaans, met een lager opleidingsniveau) op het afwijkende gedrag van de allochtoon (een moslim, om preciezer te zijn) en deze laatste moest er maar voor zorgen dat zulk gedrag gecorrigeerd werd. Die visie op racisme drong binnen in alle klassieke partijen, en een kordate antiracistische politieke strategie werd ontweken. Meer nog: de scores van het Vlaams Blok waren verleidelijk, en zowat alle partijen namen delen van de Vlaams Blok visie over. Racisme was toen al relatief, en het overheidsinstrumentarium voor de strijd tegen racisme en discriminatie was van bij aanvang krachteloos.

Van die drie bewegingen was Objectief 479917 de meest radicale. Objectief kwam voort uit de PVDA en had een helder doel: evenveel handtekeningen ophalen als het Blok stemmen had gekregen (497917) voor een wetsvoorstel van AGALEV-parlementslid Cécile Harnie dat stemrecht aan allochtone burgers zou toekennen. Op die manier zou het tweederangs burgerschap verdwijnen, zouden allochtonen én autochtonen simpelweg ‘gelijk zijn voor de wet’, en zou een electoraat ontstaan onder zij die tot dan toe wel het voorwerp van beleid waren, maar er geen enkele inspraak in hadden.

Ik deelde die doelstelling, net zoals een goede driekwart miljoen Belgen die de petitie uiteindelijk ondertekenden. Dat bepleiten was echter een hele klus. Want zowat de gehele gematigde linkerzijde, aangevoerd door onder andere Etienne Vermeersch, schaarde zich achter het plan van Paula D’Hondt (of, althans, de figuur D’Hondt), zag stemrecht voor allochonen als de rode loper voor Filip Dewinter richting Wetstraat 16, en bepleitte een behoedzame politiek van de kleine stapjes en de ‘bewustmaking’, eerder dan een politiek van grote sprongen en confrontatie. Vanzelfsprekend vertrouwde men ook de PVDA niet – communisten die gelijkheid prediken was iets vreemds.

Er ontstond zo een jarenlange strijd onder linkse antiracisme-activisten. Die strijd was bitter en schiep reputaties, bondgenootschappen en vijandschappen die tot vandaag doorleven. Het effect was dat het migratiebeleid, incluis het beleid tegen racisme, effectief het monopolie werd van centrumrechts, en dat links niet de geringste invloed had (en zelfs vermeed) op dit politieke speelveld. Links had zichzelf verlamd als antiracistische kracht. Stemrecht kwam er pas in de 21ste eeuw als een gevolg van een EU-beslissing, en het Cordon Sanitaire hield Dewinter en co weliswaar weg van de uitvoerende macht – wat goed was – maar vormde geen dam tegen hun gedachtegoed. Luister vandaag naar De Wever, Homans, Demir, Francken en Jambon, en je merkt dat het Vlaams Blok één van de meest invloedrijke politieke formaties uit de vaderlandse geschiedenis is geweest.

xxxxx

Laat me de zaak nog wat scherper stellen. We leven anno 2017 in een staat die op zowat alle niveau’s bestuurd wordt door de erfgenamen van het Vlaams Blok van weleer. Standpunten zoals ‘racisme is relatief’, ‘ophouden met janken en de kansen grijpen die onze samenleving biedt’, ‘Afghanen zijn zeer moeilijk te integreren in onze samenleving’, ‘criminele illegalen’, ‘de import van armoede’ en zo meer zijn nu mainstream geworden; meer nog, ze vormen de basis voor beleid. En dit is een fenomenale nederlaag voor links als antiracistische kracht.

In de vroege jaren 1990 was de inzet van de strijd het afwenden van een dreigende dijkbreuk van extreemrechts; vandaag is de inzet het terugdrijven van extreemrechts racisme uit het centrum, het opkuisen van de schade van de dijkbreuk. En die schade is enorm. Racisme als basishouding is immers genormaliseerd – we leven effectief in een wij-zij samenleving – en discriminaties allerhande zijn nu, een kwarteeuw later, voorzien van enorme lagen van rechtvaardigingen en rationaliseringen. Wie de cyclische ‘debatten’ over de hoofddoek volgt (en ik doe dat al een kwarteeuw lang) merkt hoe zelfs bij bijzonder ruimdenkende mensen er een laag van ‘vanzelfsprekende’ weerstand is ontstaan, die ideologisch is en dogmatisch: wat de hoofddoek dragende vrouw er zelf van denkt is van nul en generlei waarde, want wij hebben hierover ons Groot Gelijk. Ik lees het meest pijnlijke neokoloniale paternalisme over dit soort thema’s in teksten van mensen die ik voor het overige hoog inschat. En ik zie ook een kwarteeuw later nog steeds geen toegenomen zucht naar kennis en begrip. De idiote verzinsels en veralgemeningen die in 1991 uit de monden van Karel Dillen, Filip Dewinter en Gerolf Annemans rolden, komen nu uit de monden van linkse intellectuelen. Er is doorheen het gehele spectrum ook een toegenomen radicalisering waar te nemen in alle kampen, en die heeft van het speelveld een mijnenveld gemaakt.

Dit is de situatie die moet worden aangepakt door al wie zich tegen racisme wil inzetten. Ze is vele malen slechter dan die van een kwarteeuw terug. Het intense verbale geweld dat we al een tijdje meemaken, telkens van, over of met Dyab Abou Jahjah en z’n Mouvement X, is er een symptoom van. Er was nog niet zo lang geleden een heftige botsing tussen Mouvement X en Hart boven Hard, waarbij de eerste de laatste benoemde als een bende blanke middenklasse pseudo-antiracisten die ten gronde dus racisten zijn, en er is nu onlangs de rel over het zogenaamde ‘spreekrecht’ dat door de organisatoren van de anti-Trump betoging van 24 mei 2017 ontzegd was aan Abou Jahjah. In beide gevallen regent het wederzijdse beledigingen, en ik begrijp niet echt goed hoe men een antiracistisch programma kan bouwen op basis van een onderscheid tussen ‘blank’ en ‘niet-blank’ antiracisme (waarbij het eerste uiteraard niet authentiek is, het tweede wel).

xxxxx

Wat ik wél weet is dat ik, na een kwarteeuw, geen zin heb om mijn blank, mannelijk, middenklasse, hoog-opgeleid, heterosexueel en middelbare-leeftijd antiracisme apologetisch te verklaren aan antiracisten die andere sociologische kenmerken dragen. In het boekje Antiracisme (1994) definieerden Jef Verschueren en ik racisme als volgt:

“Racisme is elke daad van uitsluiting op basis van kenmerken van het slachtoffer die worden gezien als bepalend voor zijn of haar groepsgebonden identiteit” (p. 53)

Tegen dat beest vecht ik, niet omdat ikzelf systematisch het slachtoffer ben geweest van racisme, maar wel om principiële redenen van gelijkheid en gelijkwaardigheid. Ik vecht er tegen met de middelen die ik ervoor ter beschikking heb. Tot die middelen behoren de “kenmerken die worden gezien als bepalend voor mijn groepsgebonden identiteit” – het feit, dus, dat ik man ben, blank, hoog opgeleid, heterosexueel, van middelbare leeftijd, vrijzinnig en behorend tot de middenklasse. Wie die middelen van de hand wijst, die speelt ze ook uit handen en moet verder met wat nog rest.

Wat dat betreft heb ik de lessen getrokken uit het verleden. Ik was gedurende vele jaren beslist één van de meest uitgesproken stemmen in het debat over racisme. Ik bepleitte met zeer veel inzet standpunten die door slechts een kleine minderheid werden gedeeld. Maar ik deed dat niet vanuit een houding die de anderen – die mijn standpunten niet onderschreven – veroordeelde. Ik wilde die anderen uiteraard overtuigen, maar wanneer dat niet lukte was het agree to disagree en moesten we op zoek naar een basis voor gemeenschappelijke actie. Zoals boven gezegd: dat is destijds niet gelukt, want de inhoudelijke verschillen vermengden zich met brokjes (vaak illusoire) ‘machtspolitiek’ en persoonlijke gevoeligheden. Zowat iedereen – ik incluis – ging met grote regelmaat in de fout, zocht de gezelligheid van het sectarisme op wanneer er daarbuiten heel veel werk te doen was, genoot van het applaus zowel als van het slachtofferschap bij boegeroep, en maakten van een scheet al snel een donderslag. Het besef van mijn eigen fouten in dat proces, en dus van mijn eigen bijdrage aan het falen van dat proces, heeft ervoor gezorgd dat ik geen enkele vorm van leiderschap of gezag in dit veld meer nastreef.

Antiracisme zal in dit land niet snel een massabeweging worden, althans niet in z’n radicale en compromisloze vormen. De kans daarvoor is in de jaren 1990 vergooid. Men zal het dus moeten doen met een relatief kleine groep hardnekkige mensen die bereid zijn tot samenwerken ook al lijkt die samenwerking op een nederlaag. Heibel in Antiracismeland zou best uitgesteld worden tot wanneer dit land effectief een Antiracismeland is. Nu is het een racistische samenleving, met diepe en ver vertakte wortels en met een uitdeinende cultuur van systematische discriminatie. De concrete diagnose daarvan kan, en zal, verschillen van organisatie tot organisatie, zelfs van individu tot individu. Men kan zich vanzelfsprekend onledig houden met het bestrijden van afwijkende concrete diagnoses, terwijl de patiënt stervende is. De les uit het verleden is: doe dat niet.