about
Toon menu

Palestijnse dorpen weggepest voor Israëlisch toerisme

Israël ondermijnt de levensomstandigheden van een aantal Palestijnse dorpen op de Westelijke Jordaanoever. Die liggen in een gebied dat ze willen omvormen tot een archeologische site voor toerisme, aldus Human Rights Watch in een recent rapport.
woensdag 5 februari 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Toerisme in bezet gebied

Israël wil een dorp op de bezette Westelijke Jordaanoever ontruimen om er een toeristische trekpleister van te maken. Het gaat over het dorp Nabi Samwil (‘profeet Samuel’) dat op de bezette westelijke Jordaanoever ligt maar sinds 2007 van de rest van de Westelijke Jordaanoever wordt afgesneden door de scheidingsmuur die Israël in bezet gebied heeft gebouwd.

Reeds in 1967 bezette het Israëlische leger dit dorp en vernietigde het meerdere gebouwen zonder de bewoners enige waarschuwing te geven. Het dorp bevindt zich op enkele kilometers ten noordwesten van Jeruzalem. In 1995 kreeg het dorp het Israëlisch statuut van ‘Nationaal Park’. Israël gebruikte dat statuut vervolgens als legitimering voor het verbieden van elke heropbouw in Nabi Samwil. In een nationaal park mag immers niet worden gebouwd.  De meeste inwoners krijgen van de Israëlische overheid ook geen toestemming om naar Israël te reizen, zelfs niet om te gaan werken.

In 2013 kondigde Israël plannen aan om het dorp om te vormen tot een archeologische site. Die toekomstige site zou vooral bestemd zijn om het toerisme in de regio aan te wakkeren. Tot op heden kregen de inwoners van Nabi Samwil geen inspraak in die beslissing

Schendingen van het internationaal recht

Sinds december 2013 houden inwoners wekelijkse protesten tegen deze plannen. Volgens het ontwerp van de Israëlische militaire ‘civiele administratie’ , komt er een nieuwe weg, een parkeerplaats en tal van gebouwen die het toeristen makkelijk moeten maken om de site te bezoeken. Eén van de Israëli’s die het project leiden waarschuwde de inwoners dat deze aanhoudende protesten verregaande gevolgen kunnen hebben. Iedereen die mee protesteert zal namelijk niet op de toekomstige toeristische site mogen werken.

De Israëlische overheid heeft nog steeds geen enkele wettelijke basis kunnen geven voor de verjaging van de lokale bevolking uit hun huizen. Volgens internationale verdragsregels kan dit enkel om twee redenen én slechts op tijdelijke basis, namelijk als daar een militaire noodzaak toe bestaat en/of ter bescherming van de bevolking zelf.

De grenspost en alle andere vrijheidsberovende maatregelen die Israël oplegt aan de 250 bewoners van Nabi Samwil, maakt het hen zeer moeilijk om zich te verplaatsen. Reizen naar een andere plaats op de Westelijke Jordaanoever is een tijdrovende bezigheid en beperkt hun kansen op werk.

Archeologische opgravingen in eigen huis

Tegelijkertijd erkent Israël de inwoners alleen als Palestijnse inwoners van de Westelijke Jordaanover. Daardoor kunnen ze niet reizen naar of werken in Israël zonder een speciaal visum. Daarbovenop dwarsboomt het leger alle pogingen van de inwoners om zelf inkomsten te genereren. Het leger verhindert systematisch de bouw van kleine winkels die op eigen kracht bezoekers willen lokken naar de historische site.

Emek Shaveh, een Israëlische organisatie voor de bescherming van historisch erfgoed, verklaarde in 2013: “ Zowel in de Joodse, de Christenlijke als de Moslimtraditie, wordt Nabi Samwil als de begraafplaats van de profeet Samuel aanzien. De plaats waar nu een lokale moskee staat, was in de Byzantijnse periode een Christelijke site.” De organisatie is het niet eens met de plannen van de Israëlische overheid ter plaatse. Die zou te bruut omgaan met het erfgoed van alle religies op die plaats.

Human Rights Watch sprak met twee inwoners van het dorp. Die zeiden dat ze in het dorp alleen mogen werken voor de Israëlische archeologen. Ze moeten onder meer opgravingen doen in hun eigen huizen die vernietigd werden in 1971. Er werken tien Palestijnen uit Sabil Samwil op de site, vier daarvan zijn zelf geboren in diezelfde vernietigde huizen.

Meerdere dorpen in hetzelfde geval

Er lopen verschillende zaken bij het opperste gerecht in Israël waarin het leger een wettelijke basis zoekt voor het ontvolken van Palestijnse dorpen. Net als voor het dorp Nabi Samwil zijn archeologische vonsten de aanleiding voor het ontvolken van de dorpen Susiya en Khirbet Zanuta.

In een ander geval besteedde de Israëlische overheid deze werkzaamheden uit aan een lokale groep kolonisten. In Silwan, in de buurt van Oost-Jeruzalem, heeft de groepering genaamd ‘Elad’ Palestijnen uit hun huizen verdreven met dezelfde intentie, namelijk het ‘vrijmaken’ van een historisch belangrijke site.

Zowel Israël als Palestina ratificeerden het ‘Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict’ van Den Haag, dat in 1954 werd opgesteld door de VN. Die stelt dat een bezetter er voor moet zorgen dat het bezette land zo goed mogelijk zijn cultureel erfgoed kan beschermen en bewaren. Israël ontzegt daarentegen de Palestijnse Autoriteit elke toegang tot de betrokken dorpen Nabi Samwil, Susiya, Khirbet Zanuta en Silwan.

De vierde Conventie van Genève van 1949 verbiedt Israël de levensomstandigheden van de Palestijnen zodanig te ondermijnen dat ze genoodzaakt worden om weg te trekken. ‘Met opzet geweld gebruiken met als enige doel mensen geen andere keuze te geven dan verhuizen’, is een schending van dit verdrag. Overtredingen van dit verdrag zijn oorlogsmisdaden.

Systematische pesterijen

Sarah Leah Whitson, directeur  van Human Rights Watch in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is niet te spreken over de manier waarop de Israëli’s te werk gaan. “Israël misbruikt archeologie en bescherming van cultureel erfgoed als een middel om de Palestijnen te verdrijven uit hun dorpen.” Het Israëlisch leger past systematisch tactieken toe die het maatschappelijk leven in de betrokken dorpen ontwricht.

Human Rights somt een aantal voorbeelden op van dergelijke praktijken. Op 1 maart 2013 diende de lokale ngo Machsom Watch een klacht in bij Human Rights Watch. Volgens hen zou op 24 februari 2014 een Israëlische grenspatrouille het dorp zijn binnen gereden rond 7 uur ’s ochtends. Daarna zouden ze alle kinderen op straat hebben verzameld waar ze 90 minuten stil moesten blijven staan, om daarna te vertrekken zonder iemand te ondervragen.

In een andere klacht staat dat op 25 december 2013 Israëlische strijdkrachten zes tieners arresteerden zonder een arrestatiebevel of huiszoekingsbevel voor te leggen. Ze betichten de zes jongemannen van inbraak in militaire voertuigen, zonder daarbij de exacte details te vermelden. De zes werden overgebracht naar Ofer, een militaire gevangenis op de Westelijke Jordaanoever. Op 31 december werden ze vrijgelaten op borg (148 euro per persoon).

Het Israëlische leger weigert ook de uitbreiding van de lokale school. Het beval de vernietiging van een verplaatsbaar klaslokaal, dat het dorp had gekregen van de Jordaanse koningin Noor. Dit lokaal heeft een oppervlak van zo’n twintig vierkante meter en is het onderkomen van het eerste tot het vierde leerjaar. Ook de speelplaats en de afsluting die de school afschermt van de openbare weg moest er aan geloven, zo vernam Human Rights Watch van de directeur van de school.

Etnische zuiveringen

Het VN-Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD) stelde in 2007 reeds dat deze Israëlische beleidmaatregelen, “een etnische groep viseren, vooral door het optrekken van een muur, de beperking van doorgang en het  opleggen van reisbeperkingen op basis van een visum. Deze maatregelen hebben een directe impact op de mensenrechten van Palestijnen, vooral hun recht om zich vrij te bewegen en hun recht op gezondheid, onderwijs en familie.”

Dit is een samenvatting van een deel van het rapport, lees het volledige rapport van Human Rights Watch hier.

Vertaling David Marijn Eeckhout