about
Toon menu
Opinie

Kritiek op nieuwe wetgeving sociale zekerheid voor kunstenaars

Het collectief 'State of the Art' roept minister van Werk Monica De Coninck (SP.A) en minister van Sociale Zaken Laurette Onkelinx (PS) op om de wetten betreffende de kunstenaars te herzien. "Door de nieuwe aanpassingen van de wet van 31 december dreigen de werkomstandigheden voor kunstenaars er op achteruit te gaan", stelt het collectief.
donderdag 30 januari 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Wij hebben de aanpassingen van de wet gelezen rond de sociale zekerheid voor kunstenaars die als werknemer te werk gaan en ook de aanpassingen van de hiermee verbonden werkloosheidsreglementering.

In de eerste plaats juichen wij een aantal aanpassingen toe. De voorbije jaren bestond verwarring bij de RVA door een slechte afstemming tussen de wetten van de sociale zekerheid en de werkloosheid en tegenstrijdigheden in een aantal specifieke wetsartikels met betrekking tot de werkloosheid. Veel kunstenaars zijn dan ook vragende partij om deze tegenstrijdigheden in de wetgeving op te heffen.

De regering doet voor haar aanpassingen aan de wetgeving vooral beroep op het advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR) van 17 juli 2012. Dat advies roept op tot een afstemming tussen de wetten van de sociale zekerheid en de werkloosheid. Tot zover gaan wij akkoord.

Met dit schrijven willen wij echter jullie aandacht vestigen op onze bedenkingen rond twee concrete aanpassingen in de wet betreffende de sociale zekerheid en één aanpassing in de wet betreffende de werkloosheid.

1. Het advies van de NAR stelt dat er misbruik zou bestaan en wil hiervoor een aanpassing doorvoeren van het artikel 1bis. Dat artikel stelt op dit moment dat alle kunstenaars, die in opdracht en tegen betaling artistieke prestaties leveren, zonder een band van ondergeschiktheid aan een werkgever en zonder een arbeidscontract, ook moeten kunnen genieten van de bescherming van de sociale zekerheid voor werknemers.

Volgens de NAR zouden vele kunstenaars een beroep doen op het uitoefenen van artistieke prestaties volgens artikel 1bis, zonder dat er een opdrachtgever zou bestaan en dat zou een probleem zijn.

Wij zijn echter van mening dat het onterecht is om hier van een misbruik te spreken. Vele kunstactiviteiten zijn prestaties in opdracht en van korte duur, zonder ondergeschiktheid aan een werkgever en zonder opgemaakt arbeidscontract. Om deze redenen kregen kunstenaars in het verleden geen toegang tot de sociale zekerheid.

Kunstenaars die zich het zelfstandige statuut niet konden veroorloven, waren genoodzaakt in het 'zwart' te werken. In 1969 werden de podiumkunsten opgenomen in de wetgeving rond de sociale zekerheid van de werknemers en de overige kunsten pas in 2003.

Dat steeds meer kunstenaars hun activiteiten aangeven via artikel 1bis kan in de eerste plaats een succes worden genoemd. Wij maken ons zorgen, omdat de wetsaanpassing inzake artikel 1bis de opdrachtgever voortaan gelijk zal stellen aan een werkgever. Meestal zijn opdrachtgevers niet eenduidig.

Een kunstenaar krijgt bijvoorbeeld de opdracht van een andere kunstenaar om deel te nemen aan een performance, die in opdracht gebeurt van een tentoonstellingsorganisator, die een opdracht uitvoert voor een cultureel centrum, dat een opdracht ontving van een stadsfestival. Wie is hier dan de werkgever?

De meeste opdrachtgevers kunnen zich niet de hele administratie als werkgever op de hals halen, om iemand voor een paar uur aan het werk te stellen. De aanpassing riskeert daarom ook de zin van artikel 1bis onderuit te halen. Wij stellen voor om de vorige regeling te behouden, waarbij degene die betaalt ook de opdrachtgever wordt.

2. Om verder 'misbruik' te voorkomen, raadt hetzelfde advies van de NAR ook de invoering van een 'kunstenaarsvisum' aan, gekoppeld aan artikel 1bis.

Het onderzoek dat eind jaren 1990 werd verricht door een platform van kunstenaars en juristen rond artikel 1bis, blijft evenwel actueel. Het heeft toen na overleg met de wetgevers de bewuste keuze gemaakt voor een mutuele solidariteit en om kunstenaars mee op te nemen in de bestaande algemene sociale zekerheid van de werknemers, en niet om een aparte solidariteitskas op te richten exclusief voor kunstenaars.

In die optiek werd het voorstel van een 'beroepskaart' tijdens de onderhandelingen eind jaren 1990 verworpen. Ze kozen ervoor een ruim begrip van 'artistieke activiteiten' in de wetgeving voor sociale zekerheid op te nemen.

Het begrippenkader van de bestaande wet gaat uit van een niet-exhaustieve lijst: "creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie".

Het 'kunstenaarsvisum' voor artikel 1bis zal de kunstenaars afzonderen als een aparte groep in het socialezekerheidsstelsel. Ook de bewijslast wordt in het wetsvoorstel nu bij de kunstenaar gelegd. Maar hoe beslissen we dat deze kunsten wel en deze kunsten niet kunnen? Wat bijvoorbeeld met multimediale, interdisciplinaire, sociaal-artistieke of andere cross-over-praktijken? Hoe wordt een artistieke van een niet-artistieke bijdrage onderscheiden in eenzelfde creatieproces?

Maakt een meer ondersteunende rol in een creatieproces, zoals bijvoorbeeld die van een dramaturg, een tentoonstellingsmaker, enzovoorts, deel uit van de kunsten?

Welke activiteit valt binnen 'werk' en welke niet? Dat zijn allemaal vragen die zeer moeilijk te beantwoorden zijn vanuit het standpunt van de kunstpraktijken. Een te enge definitie van kunstactiviteiten zal verwarring stichten.

Het is onmogelijk voor een ministerie van werk om een duidelijke lijn te trekken voor de grote verscheidenheid aan enkelvoudige kunstpraktijken. Daarom lijkt ons een bewijslast over de activiteiten van een kunstenaar een onmogelijke taak.

Tegelijk zal hierdoor ook de uitvoering van de controlerende rol op het verlenen van visa voor de toegang tot artikel 1bis, die de wet nu aan de reeds bestaande adviescommissie kunstenaars toeschrijft, moeilijk uitvoerbaar zijn.

De invoering van een 'kunstenaarsvisum' zal een ontmoedigend effect hebben voor artikel 1bis. Wordt de kunstenaar dan eerder aangemoedigd om in de toekomst te werken met contracten van artistiek uitzendwerk via SBKs? Deze arbeidscontracten veronderstellen echter dat er wel een band van ondergeschiktheid bestaat tussen kunstenaar en werkgever. Dit zou de autonomie van sommige kunstenaars in het gedrang kunnen brengen.

3. Een sociaalzekerheidsstelsel zou zichzelf in stand moeten houden. Misbruik zou zo goed als uitgesloten moeten zijn, want enkel zij die bijdragen leveren, kunnen, eens in moeilijkheden, ook terugvallen op de solidariteit van de sociale zekerheid. Momenteel kunnen echter enkel kunstenaars die voldoende bijdragen hebben betaald aan het socialezekerheidsstelsel, ten volle een beroep doen op deze solidariteit.

Men vergeet soms dat de solidariteit tussen de verschillende werknemers één is waaraan de kunstenaars zelf ook bijdragen. Het barema in de werkloosheidswetgeving voor kunstenaars bijvoorbeeld wordt nu berekend op basis van de accumulatie van een totaal bedrag dat overeenstemt met het minimuminkomen van 312 werkdagen.

Deze cachetregel hanteert specifieke berekeningsformules voor het behalen van het recht op werkloosheidsuitkeringen die ook bestaan voor de prestaties van houthakkers en huisarbeiders. De barema's ervan liggen nu relatief hoog, maar worden nog verhoogd in de nieuwe wet.

Een groot aantal kunstenaars draagt bovendien bij aan de sociale zekerheid zonder het barema te halen van de solidariteit van de werkloosheid. Met sommige parameters wordt nu geen rekening gehouden bij het opstellen van dit barema. Bijvoorbeeld, in de kunsten zijn ook veel vaste werknemers aan de slag. Dit zou mee in rekening kunnen worden gebracht.

De adviescommissie kunstenaars zou de bestaande berekeningsformules kunnen evalueren zodat de sociale zekerheid voor kunstenaars wordt geoptimaliseerd. Ze zouden in navolging hiervan ook kunnen bemiddelen opdat zoveel mogelijk kunstenaars in de solidariteit van de sociale zekerheid kunnen worden opgenomen zonder dat dit het socialezekerheidsstelsel in gevaar brengt.

De verhoging van het barema in de wet van de werkloosheid riskeert nu dan ook zwart werk te stimuleren.

De politieke wereld vraagt nu aan de kunstwereld om te bepalen wie er voortaan wel en wie niet tot de kunsten behoort. We weigeren om op een vraag in te gaan die kunstpraktijken wil reduceren en stellen daarom voor om het veronderstelde misbruik binnen het geheel van de tijdelijke werknemers te bekijken.

Wij zijn ervan overtuigd dat een mogelijk misbruik van artikel 1bis voor kunstenaars te maken heeft met een discriminatie tussen de verschillende tijdelijke werknemers.

De huidige werkomstandigheden evolueren op zo'n manier, dat steeds meer werknemers verplicht worden om prestaties van korte duur te verrichten, niet langer een duidelijke werkgever hebben of zonder arbeidscontracten aan de slag gaan.

De praktijk van wetenschappelijke onderzoekers, thuisverzorgers, lesgevers, enz … is heel anders dan die van kunstenaars, maar hun arbeidsomstandigheden zijn vaak vergelijkbaar.

Het lijkt ons daarom zinvoller om te pleiten voor de uitbreiding van de sociale zekerheid naar alle werknemers die in gelijkaardige werkomstandigheden als de kunstenaars aan de slag gaan.

Iets vergelijkbaar met artikel 1bis voor kunstenaars, dat nu enkel bestaat in het recht voor sociale zekerheid, zou hiervoor in de toekomst in het arbeidsrecht kunnen worden opgenomen. Dit zou tegelijk het door de NAR vermeende misbruik kunnen oplossen.

State of the Arts

State of the Arts is een kunstenaarscollectief.

Onderteken de petitie hier