Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

Met coöperaties de economie heroveren? Over het volkskapitalisme als politieke illusie

Dirk Barrez heeft een nieuw boek uit, over coöperaties. Zonder afbreuk te willen doen aan de research waarop het boek steunt, is een waarschuwing op zijn plaats: de politieke boodschap die met de publiciteit rond de lancering van het boek wordt meegegeven, is een gevaarlijke illusie.
maandag 27 januari 2014

Met coöperaties kunnen we de economie “heroveren”, zo luidt de ondertitel. De uitgever stelt, in een presentatie van het boek: “Barrez besluit dat deze bedrijven, waar werknemers de baas zijn, ons uit het desastreuze financieel kapitalisme kunnen helpen.” Het is een standpunt dat met kracht moet worden verworpen, willen we ons kompas gericht houden op het centrale doel: de vervanging van het dog-eat-dog kapitalisme door een rationelere, rechtvaardigere, gelukkigere samenleving die ook moeder aarde koestert in plaats van leeg te roven.

Let wel: ik heb niks tegen samenwerkingsverbanden in de consumptie- of productiesfeer waarmee de mens probeert meer greep op zijn leven te krijgen. Initiatieven gaande van voedselteams over LETS-verbanden en boerenmarkten tot samenaankoopinitiatieven en cohousing, het is allemaal prima. Alles wat mensen samenbrengt en de grootste negatieve effecten van het kapitalisme wegwerkt, wie zou daar iets op tegen kunnen hebben?

Maar de idee dat coöperaties een valabel vehikel zijn om greep te krijgen op de essentiële aspecten van ons leven, te beginnen met de economie, is een illusie. (Dat geldt ook voor andere vormen van volkskapitalisme, zoals het Duitse model van Mitbestimmung, maar dit terzijde) Wereldwijd zijn meer dan 1 miljard mensen lid van een coöperatie, en de 300 grootste coöperaties hebben een omzet van 2.000 miljard dollar, wat zo veel is als het bruto binnenlands product van Canada. (Cijfers in Walter Lotens, “De nieuwe coöperatie”, een boek dat in 2013 bij Lannoo verscheen). Maar dat succes brengt zelfs nog geen krasje aan op de kapitalistische hegemonie over de wereldeconomie. En de geschiedenis van de afgelopen 200 jaar toont ook aan dat pogingen in die zin mislukken.

Utopisch socialisme

De coöperatieve gedachte vond opgang in de jaren ’20 en ’30 van de 19de eeuw, toen de gevolgen van het opkomende kapitalisme voor de mens duidelijk werden: hoge werkloosheid, verpaupering en vreselijke arbeidsomstandigheden. Toen vluchtten een aantal denkers in een romantisch socialisme. Zij bedachten utopische schema’s. Kon het ook anders? In die tijd stonden vakbonden nog in de kinderschoenen, was er van arbeiderspartijen nog geen sprake en stond de politieke strijd op een laag pitje.

Een van die idealisten was Robert Owen (1771-1858), een Britse kapitalist. Hij stichtte coöperatieve dorpen waar arbeid en bezit gemeenschappelijke zaken werden. De Fransman Fourier (1772-1837) bepleitte de stichting van “phalanstères”: communes van enkele honderden tot enkele duizenden mensen. Louis Blanc (1811-1882) kwam op voor ‘voortbrengstcoöperaties’ of ‘sociale ateliers’: hij droomde ervan dat zij zich langzaam zouden uitbreiden en uiteindelijk de gehele economie zouden inpalmen. Blanc profiteerde van de Franse revolutie van 1848 om enkele van die werkplaatsen op te richten, maar een lang leven waren die niet beschoren. Een andere Fransman, Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865), verdedigde eveneens de oprichting van coöperatieven. Zijn politieke invloed was sterk tussen 1850 en 1870, een periode van politieke neergang, na de mislukking van de revoluties van 1848.

In “Het communistisch manifest” maakten Karl Marx en Friedrich Engels (1848) brandhout van de coöperatieve denkbeelden van Owen en Fourier en co. Lezer, zet je even schrap: “De betekenis van het utopische socialisme en communisme staat in omgekeerde verhouding tot de historische ontwikkeling. In de mate dat de klassenstrijd scherper wordt en zich ontwikkelt, verliest deze manier om zich op denkbeeldige wijze erboven te verheffen alle praktische waarde, alle theoretische rechtvaardiging.

Hoewel de oorspronkelijke bedenkers van deze stelsels in menig opzicht revolutionair waren, toch zijn de sekten die hun leerlingen vormen steeds reactionair. Want die volgelingen houden tegenover de historische ontwikkeling van het proletariaat hardnekkig vast aan de oude zienswijzen van hun meesters. Zij proberen dus – en op dat punt zijn zij consequent – de klassenstrijd weer af te stompen en de tegenstellingen te verzoenen.

Zij blijven dromen van de uitvoering, als experiment, van hun maatschappelijke utopieën: de stichting van geïsoleerde phalanstères, de creatie van home-kolonies, de oprichting van een klein Ikarië als het Nieuwe Jeruzalem in zakformaat. En voor de bouw van al deze luchtkastelen moeten zij een beroep doen op de harten en de portefeuilles van de burgerlijke filantropen. (…) Zij bestrijden (…) hardnekkig elke politieke actie van de arbeidersklasse, want dergelijke actie kan volgens hen alleen voortkomen uit een blind ongeloof in het nieuwe evangelie.”

Misschien wekken Marx en Engels argwaan? Ook liberalen waardeerden de conservatieve kant van coöperaties, als een glijmiddel om arbeiders met de sociaal-economische ordening te verzoenen. “Coöperatieve ondernemingen zijn de beste remedie tegen de gevaren en vergissingen van het socialisme’, schreef de Franse liberale politicus Auguste Casimir-Perier in 1864. (Citaat in W. Lotens, “De nieuwe coöperatie”)

Kortom: de coöperatieve gedachte maakt opgeld in periodes van politieke regressie; wanneer de wil bij een ‘verlichte’ minderheid om de samenleving te veranderen sterk is maar er (schijnbaar) geen sociale instrumenten voorhanden zijn om dat te doen. Op dat moment plooit men zich terug, op zijn vereniging, op zijn buurt, op zijn stad, … op een coöperatie. Vandaag is dat niet anders.

Vooruit

Coöperaties hebben, vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw, hun nut bewezen bij de uitbouw van arbeidersorganisaties. Bakkerijen, drukkerijen, feestzalen, winkels, volksapotheken,…: zij hielpen de cohesie van de beweging versterken en onafhankelijker maken van de wisselvalligheden van het kapitalisme, wat geen luxe was in periodes van crisis en op momenten van strijd (bij stakingen, lock-outs).

De Gentse coöperatie Vooruit was een pionier. Het is geen toeval dat haar wortels in de crisis van 1875-76 lagen, toen de broodprijs door het dak schoot. Brood was een hoofdbestanddeel van de voeding van arbeiders. Arbeiders richtten prompt een bakkerij op, “De Vrije Bakkers”. Enkele jaren later stichtten enkele “vrije bakkers” rond Edward Anseele de Vooruit, weldra gevolgd door gelijkaardige initiatieven in Brussel (“La Maison du Peuple”), Antwerpen (“de Werker”), Leuven (“De Proletaar”) of Luik (“Le Populaire”).

Al in 1887, in de periode dat Vooruit een explosieve groei kende, waarschuwde de socialist Louis Bertrand dat coöperaties nooit de economie zouden kunnen overnemen. Anders gezegd: er is politieke actie nodig om het kapitalisme te bestrijden. Twee jaar eerder had hij in De Zwaan op de Grote Markt van Brussel aan de doopvont van de Belgische Werkliedenpartij/Parti Ouvrier Belge gestaan.

Het was een heldere opvatting, die gaandeweg werd weggedrukt wegens het succes van de coöperaties van de socialistische beweging: het Maison du Peuple van Brussel zag de jaarlijkse broodproductie stijgen van 45.000 stuks in 1895 naar 11 miljoen in 1913. Het rijtje coöperatieven van de beweging groeide aan: een vlas- en katoenspinnerij, een warenhuis met bijhuizen, een brouwerij en zelfs een vissersvloot zagen het licht. De bloei van de coöperaties gaf voedsel aan een pragmatische visie: coöperaties zijn “burchten van het socialisme” die geleidelijk aan de economie zouden overnemen om uiteindelijk het kapitalisme op de knieën te krijgen.

Die reformistische visie werd natuurlijk aangemoedigd door de bureaucraten van de groeiende beweging. Edward Anseele, die de beweging autoritair leidde, snoefde dat de coöperaties “de bourgeoismaatschappij met aardappelen en broden bombarderen”. Stoere taal, die een politieke capitulatie voor het kapitalisme moest verhullen.

Het Charter van Quaregnon, dat de BWP in 1894 had aangenomen, en waarin als eerste beginsel werd gesteld dat “de rijkdommen in het algemeen en de voortbrengstmiddelen in het bijzonder (…) natuurlijke bestanddelen of de vrucht van de handen- of de hoofdarbeid van vorige generaties en van de huidige generatie” zijn en dus “gemeenschappelijk erfgoed van het mensdom” zijn, was tot pure retoriek verworden. (Dat het Charter van Quaregnon ook in de twintigste eeuw niet veel meer waard werd geacht dan het papier waarop het stond neergeschreven, moge wel blijken uit het feit dat de Sp.a van Bruno Tobback pas op 8 juni 2013 op een congres de tijd vond om er officieel afscheid van te nemen…)

Bank van de Arbeid

Vanaf 1911 droomde Edward Anseele van een eigen bank. Hij spiegelde de lezers van de krant Vooruit voor dat die bank hen tot op de drempel van het socialistische paradijs zou brengen: “De kleine mensen van België hebben minstens 800 miljoen bij de Spaarkas van de Staat gedeponeerd. Als wij verstandig zijn en die 800 miljoen aan het kapitalistische spaarwezen onttrekken om ze toe te vertrouwen aan een nationale arbeidsbank, om handel te drijven, om fabrieken te kopen, werkhuizen, mijnen, gronden, visserssloepen, dan zullen binnen enkele jaren de arbeiders van België zakendoen voor honderden miljoenen, ze zullen miljoenen per jaar verdienen en tienduizenden arbeiders, arbeidsters en hun kinderen van de kapitalistische onderdrukking bevrijden. In minder dan één generatie zullen ze meester worden over een groot deel van de handel, de nijverheid en het bankwezen.” (Citaat, in “Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?”, Kritak, 1977)

Kort nadien werd de Bank van de Arbeid als naamloze vennootschap gesticht, met de Vooruit als belangrijkste aandeelhouder. De kapitalistische logica zou evenwel Anseeles droom in gruzelementen slaan: tijdens het interbellum duwde de Grote Depressie en een bankencrisis de bank de afgrond in. Met de andere coöperaties van de socialistische en de christelijke arbeidersbeweging ging het al niet veel beter: ze verdwenen bijna allemaal of werden door grotere kapitalistische groepen opgeslokt. Namen als Het Volk, Vooruit en Volksgazet (kranten), Ultra Montes (reisbureau) of Codep en Bacob (banken) klinken als echo’s van een ver verleden. En dan nog gezwegen over Arco, de coöperatie van het ACW, die samen met Dexia ten onder ging.

Vandaag staat de politieke en syndicale strijd op nationaal en internationaal niveau op een laag pitje. De verleiding is dan groot om via een shortcut het probleem “weg te denken”, met basisinitiatieven, in onze buurt, onze stad. Maar hoe goed bedoeld en hoe goed die initiatieven ook zijn – ze brengen mensen bij elkaar, wat het begin van elke verandering is –, acties in de marge van de samenleving kunnen nooit het moeilijke, harde politieke werk vervangen: de uitbouw van een nationale en uiteindelijk internationale beweging die zich tot doel stelt de macht van het kapitaal te breken en een democratische planeconomie uit te bouwen. Akkoord: vandaag staan we op dat vlak nergens en een perspectief is er niet onmiddellijk. Maar dat ontslaat ons niet van de plicht te zeggen waar het op staat: geloven dat coöperaties het kapitalisme kunnen overwinnen, of zelfs maar de grootste kwalen ervan kunnen wegwerken, is jezelf en anderen zand in de ogen strooien.

Hellend vlak

Wanneer je “het volkskapitalisme” als politieke strategie omarmt, zoals Dirk Barrez doet, dan kom je op een hellend vlak terecht. In april 2013 presenteerde Barrez in het tijdschrift Sampol coöperatieve ondernemingen nog als een derde poot van de economie, “naast performante privébedrijven en een trits publieke goederen”. Let wel: hij heeft het over “een trits publieke goederen”: van overheidsbedrijven is in zijn model geen sprake meer, want die worden door de coöperatieve sector opgeslorpt. In dat artikel roemt hij coöperaties als “een sterke extra troef om de vele crises te keren”. Een stoutmoedige bewering, maar vandaag gaat hij nog verder.

Nu heet het dat coöperaties de economie zelf kunnen veroveren. Is Barrez beneveld door het initiële succes van NewB, dat op een algemene vergadering, op 6 juli 2013, kon vaststellen dat 43.000 mensen achter de idee staan om een coöperatieve bank op te richten? Nogmaals, bij parenthese: ik ben niet gekant tegen NewB. Maar ik stel wél dat de politieke idee dat NewB een begin van een alternatief voor het huidige financieel-bancaire bestel zou zijn een zinsbegoocheling is. Evenmin toont het initiële succes van NewB het potentieel van coöperaties aan, maar wel hoe diep het wantrouwen en hoe groot de woede is over de kapitalistische praktijken: niet minder, maar ook niet meer. Of NewB een succes wordt – meer zelfs, of het initiatief überhaupt uit de steigers komt – , zal nog moeten blijken.

Hoe dan ook: wie politieke actie inruilt voor een omarming van het volkskapitalisme, belandt, voor hij het beseft, aan de andere kant van de barricade. In De Morgen van 25 januari 2014 antwoordt Barrez, nav. de publicatie van zijn boek, op de vraag waarom er toch zoveel coöperaties overkop gaan. Dit is zijn antwoord: “Als ideologie en politiek ondernemingen beginnen te domineren, kan het snel mislopen. Vele traditionele coöperaties zijn ten onder gegaan omdat syndicale en politieke verzuchtingen voorrang kregen op de ondernemingsgeest. Ik werd onlangs herinnerd aan een uitspraak van de socialistische vakbondsleider Georges Debunne. Hij vond coöperaties maar een ‘raar beest’. Maar een coöperatie is in de eerste plaats een onderneming, die net als andere bedrijven winst moet maken.” (Mijn cursivering) Een verhelderende uitspraak, die de vertegenwoordigers van het VBO en Unizo als muziek in de oren zal klinken.

Op de evidente vraag van de journalist wat het verschil tussen een coöperatie en een gewoon bedrijf dan wel is, antwoordt Barrez: “Financiële winst is niet het ultieme doel. De behoeften van de coöperanten en de lange termijn tellen. Coöperaties draaien niet mee in de zotternijen van het financiële kapitalisme, dat enkel geïnteresseerd is in geldgewin en superwinsten.”

Winst maken is dus niet het “ultieme”, maar wel het eerste doel. Op middellange termijn kan dat maar wanneer je op een erg laag, beperkt niveau actief bent. Zodra je groeit, en je dus iets produceert waarvoor een échte markt (een koopkrachtige vraag) bestaat, duiken er kapitalistische concurrenten op. Dan wordt je coöperatie meer en meer blootgesteld aan de marktwetten en de concurrentielogica, wat van de noodzaak om de productiviteit op te drijven een ijzeren wet en van het dictum “grow or die” een niet te ontkomen eis maken.

En voor je het goed en wel beseft, zit je in een survival of the fittest, en de eerste slachtoffers zijn dan doorgaans de rechten en verworvenheden van de werknemers. De vele faillissementen van coöperaties in de afgelopen eeuw getuigen daarvan. Als je samenwerkingsverband van “lilliputterskapitalisten” (de term staat in het boek van W. Lotens) al niet wordt opgegeten door grotere concerns, zoals voortdurend gebeurt met bvb. succesvolle spin-offs die in High Tech Valleys rond de universiteiten zijn ontstaan.

Een besluit. Coöperaties brengen mensen samen en dat verdient lof en steun. Ik denk dan vooral aan initiatieven zoals vzw De Roma, die met subsidies en crowdfunding meebouwt aan het sociaal weefsel in Borgerhout. Of aan productiecoöperaties rond progressieve organisaties of doelstellingen, zoals uitgeverij EPO of de nieuwssites De Wereld Morgen en Apache. En ik denk dan natuurlijk ook aan pogingen om jobs te redden, wanneer arbeiders hun failliete bedrijf in zelfbeheer overnemen. In het algemeen zijn illusies in het maatschappijveranderend potentieel van coöperaties echter uit den boze. Je bestrijdt het kapitalisme niet door het op zijn terrein te beconcurreren.

Het “volkskapitalisme” als hedendaagse ideologie is een capitulatie voor het alomtegenwoordige neoliberale eenheidsdenken. Als politieke stroming komt het neer op een plekje zoeken in de poriën van het kapitalistische lichaam. Het creëert illusies en leidt aandacht en energie af van de uitbouw van een politieke tegenmacht die fundamenteel van nationale en op termijn ook van internationale aard moet zijn, want het kapitalisme is een internationaal systeem.

Een tegenmacht die uitgaat van de aanname dat de vrije markt geen natuurwet is. Een beweging die de spelers in de sleutelsectoren (banken, communicatie en energie) uit de klauwen van de concurrentie en de liberalisering haalt en er overheidsbedrijven onder controle van de werknemers van maakt. Een tegenmacht die als finaal doel een einde wil stellen aan een persvers systeem waarin 85 mensen even veel hebben als de armste helft van de wereldbevolking. Een systeem dat lijdt aan een fundamentele, onoplosbare contradictie, want het kapitalisme is een fundamenteel anarchistische productiewijze waarvan de interne dynamiek, door de zweepslag van de concurrentie, gericht is op groei, terwijl de aarde eindig is.

Ludo De Witte is socioloog, auteur van Crisis in Kongo (1996), De moord op Lumumba (1999) en Wie is bang voor moslims? (2004).

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

13 reacties

  • door Robrecht Vanderbeeken op maandag 27 januari 2014

    In de cultuursector is het idee van de coöperatieve populair, het zou om een progressieve evolutie gaan. Kunstencentrum Vooruit plant bijvoorbeeld naar haar aloude traditie de overstap naar een coöperatieve.

    Maar dat impliceert dan wel een 'privatisering' want een evolutie van een publieke kunstinstelling naar een private instelling. Dat is dus de omgekeerde richting in vergelijking met andere coöperatieven die van de vrije markt naar een vermaatschappelijking toe willen werken.

    Gevolg: de wetten van de markt en het consumentisme primeren, de kassa moet draaien, ook al wil de artistieke ploeg het in alle kleuren over transitie hebben. Het businessmodel en de artistiek visie kunnen moeilijk anders dan botsen. (Een cultuurhuis als spiegel van onze maatschappij dus: de clash tussen de harde economische feiten versus de maatschappelijke intenties)

  • door danielverhoeven op maandag 27 januari 2014

    Wie beheert de economie? Dit is de centrale vraag, die ook moet gesteld worden bij coöperaties. De Rochdale principes, overgenomen door ICA zijn hierover duidelijk:

    ''Co-operatives are democratic organizations controlled by their members, who actively participate in setting their policies and making decisions. Men and women serving as elected representatives are accountable to the membership. In primary co-operatives members have equal voting rights (one member, one vote) and co-operatives at other levels are also organised in a democratic manner."

    Vandaag - nu we beschikking hebben over voldoende electronische middelen - kan dat alleen maar een directe democratische controle zijn. Die was er niet bij de Bank van de Arbeid, die tussen haakjes niet eens de juridische vorm van een coöperatie had, het was een NV. Vanaf 1910 werden belangrijke coöperaties van de socialistische beweging omgevormd tot NV's, zo ook hun textielfabriek.

    Anseele ging inderdaad de strijd aan met het kapitalisme en dat is de ondergang geweest van de socialistische coöperaties.

    De vraag wie de economie controlleert op een democratische manier is ook niet beantwoord door onze vrienden Marxisten. Hoe het afgelopen is met de dictatuur van het proletariaat weten we intussen.

    Ik heb het boek van Dirk Barrez wel al besteld maar nog niet kunnen lezen, ik weet dus niet in hoeverre hij dat probleem aanpakt. De coöperatieve beweging is slechts een onderdeel van de vernieuwing die we nu zien ter linkerzijde. Even belangrijk zijn: de beweging om de 'commons' terug in het leven te roepen, de P2P beweging, de lokale munten etc.

    Gemeenschappellijk kenmerk van al die bewegingen is een gedecentraliseerd beheer. Horizontale structuren ipv verticale. Dat vind ik niet terug in deze kritiek. Wie deze tendens mist sluit aan bij links uit het verleden een links zonder toekomst.

  • door Wout op maandag 27 januari 2014

    Deels hebt u gelijk. En ik geloof dat ik wel nog argumenten kan vinden om de stelling tegen te gaan dat coöperaties de oplossing zijn. Want er kan weinig op gezegd worden, en u zegt het wel mooi (mag best worden gezegd): "Als politieke stroming komt het neer op een plekje zoeken in de poriën van het kapitalistische lichaam". Maar handel is er nodig. En we moeten zorgen voor een economie op mensenmaat. Pak die twee elementen samen en ik denk, ik ben verre van een specialist, dat de manier die het meest aanleunt bij de beste oplossing coöperatieven zijn. Het is volgens mij zoals bij de politiek. Je moet niet zozeer kijken naar de beste oplossing, wel naar de minst slechte

  • door Staf op maandag 27 januari 2014

    Voor mij kan een cooperatie een goed compromis zijn tussen een onderneming volledig geleid door de kapitaalhebbenden of volledig door de staat. Beide hebben aangetoond verre van ideaal te zijn. Auteur van het artikel lijkt eerder van mening te zijn dat een staatsgeleide economie beter is. Daarin kan ik hem niet volgen, de macht van het geld wordt enkel vervangen door de macht van de (gecorrumpeerde) politiek. Alles hangt natuurlijk van de statuten af, wie de cooperanten zijn en hoeveel invloed ze hebben. Op dit moment sta ik bv. nog 100% achter NewB.

  • door Thomas DM op maandag 27 januari 2014

    Mijn vraag aan de auteur is: wat is het echte alternatief dan voor het kapitalisme? Een staatsgeleide planeconomie? - En op welke manier zou dit democratischer zijn? Wie heeft het er voor het zeggen op de werkvloer? - Wie beslist wie/of iemand een activiteit mag opstarten? Of zijn er enkel staatsbedrijven? - En waarom zou een staatseconomie dan beter werken (= op welke manier zou het de uitwassen van het kapitalisme te niet doen?) Met citaten van filosofen van 100 jaar geleden ben ik niet direct overtuigd, eerlijk gezegd. Zó helderziend waren ze toch ook niet (veel van hun inzichten mogen dan nu nog relevant zijn - wat betreft de problemen; de oplossingen zullen we toch vandaag zelf moeten bedenken, vrees ik)

    Ik ben overtuigd dat coöperatieven veel toekomst hebben. Maar misschien moeten we af van coöperatieven waar een raad van bestuur verkozen door de coöperanten personeel aanwerft en het bedrijf runt zoals gelijk ander bedrijf. Misschien moeten we naar veel meer kleinere coöperatieve bedrijven met werkende vennoten. Meer verantwoordelijkheid geven aan werknemers. Het zorgt voor meer voldoening. Iedereen zelfstandig. Geen mogelijkheid meer om je weg te steken achter een baas of een werknemer.

  • door Oikos op maandag 27 januari 2014

    Met heel veel plezier deze recensie gelezen: inhoudelijk onderbouwd, met een rijke historische lijn, en intellectueel uitdagend. Op één punt gaat de kritische analyse over in een niet onderbouwd besluit: ik citeer: "acties in de marge van de samenleving kunnen nooit het moeilijke, harde politieke werk vervangen: de uitbouw van een nationale en uiteindelijk internationale beweging die zich tot doel stelt de macht van het kapitaal te breken en een democratische planeconomie uit te bouwen". Ik ben het helemaal eens met de noodzaak van het harde politieke werk, maar of dat moet uitmonden in een planeconomie, daar ben ik nog niet zo zeker van. Wel ben ik intellectueel benieuwd hoe voorstanders zo'n planeconomie, in de 21ste eeuw, zouden invullen en vormgeven.

    • door Robrecht Vanderbeeken op dinsdag 28 januari 2014

      Als je 'grenzen aan de groei' wil, toch de doelstelling van Oikos, is hard politiek werk toch onvermijdelijk? ,Je gaat dat niet voor niets krijgen en dan moet je de anarchie van de markt breken. De kracht van een planeconomie is voor ecologen bijvoorbeeld dat je, in principe, gestuurd een omslag kan maken naar een meer milieu-vriendelijke economie, zonder te moeten rekening houden met alle eigenbelangen (en winstmarges) van baron Pierre en ceo Pauline, etc. Zonder planeconomie in de 21ste eeuw kan je het milieu niet redden. cf. De mythe van de groene economie.

    • door danielverhoeven op dinsdag 28 januari 2014

      In Kerala (Indische deelstaat) wordt geëxperimenteerd met participatieve planning. Top-down centraal geleide economieën hoeven geen verantwoording af te leggen aan de bevolking en zijn dus per definitie ondemocratisch. Aan dit euvel probeert de participatieve planning tegemoet te komen. Het ligt in dezelfde lijn als participatief budgetteren. Voor een evaluatie zie bvb http://www.sasanet.org/documents/Case%20Studies/Participatory%20Planning%20Kerala%20Case%20Study.pdf

      • door Robrecht Vanderbeeken op dinsdag 28 januari 2014

        klopt, maar je moet natuurlijk voor een radicale democratie gaan en van daaruit een planeconomie mogelijk maken. Naomi Klein komt binnenkort met een nieuw boek waarin zij de catastrofe van de klimaatverandering als noodzakelijk gegeven ziet om tot een sociaal-economische strijd over te gaan. Dat is ook wat 'transitie' onvermijdelijk zal moeten doen: een alternatief voor het kapitalisme mogelijk maken, genre (echt) socialisme of de barbarij.

  • door ziffi57 op dinsdag 28 januari 2014

    Wellicht ?? is het model van de coöperatie nog niet zo ver dat het als meest passende model / middel geaccepteerd kan worden, maar aan de coöperatieve beweging in al haar verschijningsvormen valt niet meer te ontkomen. Zie o.a. Ecopower en zie ook The Co-operative (17 miljoen leden/deelnemers). http://www.co-operative.coop/join-the-revolution/our-blog/clean-energy-revolution/community-energy-revolution-takes-a-leap-nearer/ Met coöperatieve groet, Jos van Wegen

  • door Piet De Pauw op dinsdag 28 januari 2014

    Ludo De Witte is socioloog ...en schrijft over economie. Cooperaties zijn gewoonweg een variant van aandeelhouderschap: ieder 1 aandeel ipv een grote aandeelhouder die het voor het zeggen heeft. Cooperaties wijzigen niets aan het kapitalisme. Uit het betoog van Ludo De Witte kan ik niet afleiden waarom dit zou moeten bestreden worden. Ik ken geen beter alternatief.

    • door Staf op donderdag 30 januari 2014

      "Cooperaties wijzigen niets aan het kapitalisme."

      Ze doen dat wel, en je haalt het belangrijkste verschil al aan. Kapitalisme is het recht van de sterkste; hij die het meeste kapitaal heeft, heeft het voor het zeggen wat van een cooperatie met honderden of duizenden cooperanten met elk 1 stem moeilijk kan gezegd worden. Vooral voor wat ik consumentencooperaties noem waar de klant van een dienst ook de cooperant is, is dit een hele andere manier van werken. De cooperanten bouwen met hun kapitaal een bedrijf dat voor hun de beste services kan aanbieden. Dit is totaal verschillend aan puur kapitalisme waar kapitaal wordt gebruikt om bedrijven op te zetten die producten en diensten aanbieden met als doel om zoveel mogelijk winst te genereren voor de investeerders.

  • door Erik Demeester op woensdag 5 februari 2014

    Dit schreven we al in de september editie van Vonk. Binnenkort publiceren we ook een recensie van het boek van Dirk Barrez.

    Coöperatieven doen de laatste maanden veel inkt vloeien in België. Sommigen zijn immers overtuigd dat coöperatief ondernemen een remedie vormt voor de huidige crisis. Een soort (nieuwe) derde weg, ergens tussen de overheden en klassieke kapitalistische ondernemingen in. Carine Neven, algemeen secretaris van het ACW Limburg pleit ‘voor coöperatieve solidariteit als antwoord na Ford’. Ze ging op zoek naar ideeën tijdens een studiereis naar het stadje Mondragon, in Spaans Baskenland, het uitstalraam van de moderne coöperatieve economie. Binnenkort wordt met de steun van een deel van het middenveld en de vakbonden ook de coöperatieve bank ‘New B’ boven de doopvont gehouden. Dirk Barrez wijdde een lange reeks artikels aan het thema in De Wereld Morgen. Allemaal zijn ze oprecht op zoek naar een alternatief op het lijdzaam toezien hoe de kapitalistische crisis banen en bedrijven vernietigt. Ook de sp.a heeft het over de ‘coöperatieve economie’ in haar nieuwe beginselverklaring. De Financial Times en ArcelorMittal durfden dit jaar zelfs een prijs uit te reiken voor ‘Boldness in Business’ aan de Baskische coöperatieven van Mondragon. ‘A new model for success’ schrijft de krant van de Britse financiers. Zij proberen ons (opnieuw) te overtuigen dat kapitalisme met een ‘menselijk’ gezicht mogelijk is.

    De bepleiters van coöperaties beweren dat deze bedrijven beter stand hebben gehouden tijdens de crisis dan andere kapitalistische bedrijfsvormen zoals de naamloze vennootschap. Ze staan wereldwijd in voor veel meer banen dan de multinationals (100 miljoen) en ze tellen 1 miljard leden die op een of andere manier mede-eigenaar zijn van hun bedrijf. Ook zouden deze ondernemingen vrouw -en natuurvriendelijker zijn en veel meer oog hebben voor de rechten van de werknemers. Managers verdienden er geen fortuinen en ze maken uiteindelijk ook nog winst.

    In dit bedrijfsmodel zouden ‘oude’ tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid verzoend worden. ‘Het gaat coöperaties – zoals elke onderneming – om handel drijven en geld verdienen op de markt, maar hun kapitaal staat ten dienste van de mensen in en rond de onderneming, en niet andersom’ schrijft minister Freya Van Den Bossche bij haar toelichting voor een beleidsdag over hetzelfde onderwerp.

    Dit is een belangrijke discussie voor de arbeidersbeweging. Wat zijn de wetmatigheden van de kapitalistische economie, is het mogelijk ze onder controle te krijgen of zelfs te overstijgen via de coöperatieve economie?

    Het eerste wat we duidelijk moeten maken is dat het begrip coöperatieve verschillende, soms zeer verschillende, ladingen kan dekken. Zo zijn er bijvoorbeeld de coöperatieven van de textielarbeiders in Argentinië, opgericht na de economische ineenstorting in 2002. Zij legden zich niet neer bij de sluiting van hun bedrijf, organiseerden zich collectief, bezetten hun bedrijf, traden het heilige kapitalistische eigendomsrecht met de voeten en probeerden de activiteit weer op te krikken. Zo stelden ze het kapitalisme in vraag. Ze toonden in de praktijk aan dat er geproduceerd kan worden zonder bazen.

    Dan heb je de landbouwcoöperatieven in Frankrijk, waar 9 van de 10 landbouwers bij zijn aangesloten, of de financiële coöperatieven in India die volledig opgaan in het financieel kapitalisme. Vele kleine coöperatieven overleven enkel als onderaannemer van grote kapitalistische ondernemingen. Sommige coöperatieven hebben het licht gezien in het kielzog van sociale strijd en zijn verbonden met de arbeiders -of boerenbeweging, vele anderen zijn slechts distributieondernemingen van georganiseerde consumenten. Sommige coöperatieven maken deel uit van een poging (socialistisch, revolutionair of andere) tot verandering van de maatschappij. Anderen (het grootste aantal) stellen zich geen enkel sociaal doel. Bijna allemaal maken ze integraal deel uit van het bestaande economische en financiële systeem en stellen het ook niet in vraag. De gemeenschappelijke noemer van al deze bedrijven duidt op het feit dat ze formeel in handen zijn van de ‘aandeelhouders-werknemers’.

    In de moderne productie onder het kapitalisme kan geen enkel segment van de economie, geen enkel individueel bedrijf ontsnappen aan de arbeidsdeling. Geen enkel bedrijf - ook een multinational niet – heeft van het begin tot het einde controle over elk aspect van haar productie. Geen enkel bedrijf kan op zichzelf produceren omdat het afhankelijk is van de productie en de organisatie van het geheel van de kapitalistische economie. Geen enkel deel van de productie kan zich als dusdanig isoleren van de rest van de economie. Coöperatieve ondernemingen zijn om te overleven en competitief te zijn dus verplicht zich af te stemmen op de belangen van de markt. In een omgeving van kapitalistische crisis betekent dit bovendien dat de aandeelhouders-werknemers moeten overgaan tot zelfuitbuiting (langere werkdagen, lagere lonen enz.) om te overleven. Zelfs afdankingen zijn niet uit den boze om te voorkomen niet kopje onder te gaan. Het is waar dat in een coöperatieve er geen sprake meer is van een individuele kapitalist. Maar er is wel sprake van de ontwikkeling van een mentaliteit van kleine eigenaar onder de werknemers-aandeelhouders, een verdunning van het klassenbewustzijn. Het risico is reëel dat de ‘medewerkers’ gaan denken en handelen, niet als individuele kapitalist, maar als collectieve kapitalist. In het geval dat er in een bepaalde sector of productiesegment niet één maar meerdere bedrijven (of zelfs coöperatieven) actief zijn komen ze met elkaar in concurrentie. Het is dus een kwestie van ‘aanpassen of verdwijnen’. Zo nemen coöperatieve ondernemingen meer en meer praktijken over van klassieke kapitalistische ondernemingen om de concurrentie aan te kunnen.

    Het risico is ook dat men andere arbeiders en bedienden steeds meer als concurrenten gaat zien en minder als deel van dezelfde sociale klasse. Zo wordt de solidariteit ondermijnd. Wanneer coöperatieven zich veralgemenen lopen we het risico dat de arbeidersbeweging zich meer en meer gaat opdelen, atomiseren en onderling met mekaar in concurrentie gaat treden. In een vrije markteconomie verdrukken de efficiënte coöperatieven dan de minder performante coöperatieven. Het doel van de maatschappijverandering verplaatst zich daarbij naar de achtergrond. De prioriteit is immers het hoofd boven water houden. De politieke horizon van de strijd wordt zodoende vernauwd tot economisch overleven op de kapitalistische markt. Zo worden coöperatieven een doel op zich en geen middel tot bredere maatschappelijke emancipatie.

    Het enorme voordeel van de coöperatieven is natuurlijk wel dat ze bewijzen dat er geen individuele kapitalisten nodig zijn om de economie te runnen. De werknemers kunnen zelf hun bedrijven leiden, dat is al meermaals bewezen. Maar het is volgens ons verkeerd te denken dat de coöperatieve onderneming een alternatief is voor de naamloze vennootschap of de individuele kapitalist zolang er niet volledig met het kapitalisme gebroken wordt. Veel beter is de strijd aan te gaan voor de onteigening van het kapitalistische eigendom en het te vervangen door een democratisch geplande en genationaliseerde economie. De grote hefbomen van de economie komen dan in het bezit van heel de maatschappij, in het bijzonder van de werkende klasse. Bedrijven komen dan onder arbeiderscontrole en zelfbeheer van het eigen personeel maar komen via een centraal plan ook onder controle van de meerderheid van de bevolking. De overschotten worden dan besteed aan de noden die de maatschappij op een democratische manier collectief bepaalt.

    Kader 1

    Mondragon, het is niet alles goud wat er blinkt...

    ‘Mondragon Cooperation’ wordt aanzien als een succesvol voorbeeld van het coöperativisme. Mondragon is een reusachtige coöperatieve in Baskenland. Sinds haar oprichting is het uitgegroeid tot een ware multinational met 83.000 werknemers over de hele wereld. Mondragon ontplooit een brede waaier aan activiteiten in bouw, industrie, onderzoek, handel en zelfs in de financiële sector. Slechts de helft van het personeel is ook aandeelhouder. Ja, Mondragon maakt ook winst. ‘We maken deel uit van de markt, we zijn in competitie in de kapitalistische wereld en het enige verschil is hoe we en waarom wij zaken doen. We moeten competitief zijn, we moeten efficiënt zijn, we leveren kwaliteitsproducten…en we moeten ook winstgevend zijn. In deze zin zijn we niet verschillend van andere bedrijven’, vertelt Txema Gisasola, een van de bedrijfsleiders van Mondragon.

    Zoveel is duidelijk: Mondragon en de aandeelhouders-werknemers onderwerpen zich volledig aan de wetten van de markt, de zoektocht naar winstgevendheid (binnen het kapitalisme), productiviteit en competitiviteit.

    In het tijdschrift Le Mouton Noir (Quebec) legt een andere bedrijfsleider de gevolgen van de huidige economische crisis uit op het bedrijf. “José Luis Lafuente geeft toe dat de groep op dezelfde markt speelt als de anderen. We hebben ook loonsverminderingen moeten doorvoeren, het personeelsbestand verminderen, de winsten verminderen, onze activiteiten meer concentreren en de investeringen verminderen”. In 2008 werden 7000 banen geschrapt bij Mondragon.

    Verder in het artikel analyseert de auteur: “de arbeiders die we ontmoeten en die voor het bedrijf Elorio werken, beschrijven een zeer moeilijke sociaal economische situatie waarin Mondragon meer wordt gezien als een verdoken kapitalisme. De groei van de beweging heeft er voor gezorgd dat de besluitvorming onttrokken werd aan de basis. Dit heeft tot gevolg dat in de dagdagelijkse werking de beheerspraktijken gelijkaardig zijn aan die van de traditionele industrieën.” Ook zijn er meer en meer klachten over de groei van de loonspanning in het bedrijf (t.t.z. het verschil tussen het laagste en het laagste loon) die haaks komt te staan op de filosofie van de coöperatieve. Dit verklaart ook waarom in 2012 voor het eerst sinds lang de arbeiders van Mondragon samen met andere bedrijven deelnamen aan de algemene staking in Baskenland.

    Eroski is de grootwarenhuisketen van Mondragon Corporation. Van de 40.000 personeelsleden zijn er slechts 8000 aandeelhouder. Dit betekent dat de 32.000 andere werknemers worden aangeworven/uitgebuit door de 8000 anderen. De ‘aandeelhouders- medewerkers’ ontwikkelen het bewustzijn van een kleine eigenaar. Het bewustzijn eigen aan een loontrekkende arbeider of bediende gaat op die manier sterk achteruit. Zo denken ze verschillende belangen te hebben van de rest van de arbeidersklasse. Toen in de sector van de groothandel de strijd voor de 35-urenweek losbarstte, stemden de ‘werknemers-medewerkers’ in een merendeel van de Eroski winkels om niet deel te nemen aan de staking. Ze gaven zo te kennen niet bereid te zijn hun werkomstandigheden en deze van hun collega’s die geen aandeelhouders zijn te verbeteren.

    Het personeel is er opgedeeld in ‘medewerkers’, ‘aspirant medewerkers’, ‘tijdelijke’ of ‘zelfstandige’. De ‘medewerkers’ hebben meer rechten (zij hebben kapitaal aangebracht…) dan de anderen die zich lager op de hiërarchische ladder bevinden. Veel tijdelijken worden aangeworven met kortetermijncontracten en voor slechts 20 à 30 uur per week. In de Galicische afdeling van Eroski voerden de vakbonden actie tegen de eenzijdige verandering van de uurroosters en tegen afdankingen. Ze hebben het over de ‘bedrijfsdictatuur’. De directie probeert er ook de betaling van overuren te vermijden. Hun lonen liggen 10 à 15 procent onder het gemiddelde loon in de sector ondanks de 18,65 miljoen euro winst die de groep heeft genoteerd in Galicië. Op andere plaatsen zien we gelijkaardige conflicten ontstaan in de groep. Dit zijn conflicten eigen aan een kapitalistische onderneming. Dit type bedrijven vormt dus niet echt een alternatief volgens ons.

    Kader 2

    De Belgische ervaring; ‘het kapitalisme te lijf met brood en aardappelen’.

    In ons land kent de coöperatieve beweging haar opgang in de 19de eeuw. Binnen de arbeidersbeweging kan ze rekenen op een grote aanhang. De crisis van de jaren zeventig en de invoer van goedkoop Amerikaans graan vormen de voedingsbodem voor de coöperatieve productie en distributie van brood, het hoofdbestanddeel van de voeding van de arbeidersklasse. Wevers brengen startkapitaal samen en beginnen brood te bakken. In 1879 bakken ze meer dan 240.000 broden. Snel komt het tot een breuk tussen de pragmatici die de coöperatieve buiten de politiek willen houden en de socialisten die met de bakkerijen de strijd van de arbeidersklasse materieel willen ondersteunen. De socialistische coöperatieve Vooruit wordt opgericht in 1880 onder leiding van Edward Anseele. De bedoeling is het voeren van socialistische propaganda en de politieke organisatie van de arbeidersklasse te stimuleren. Het bakken van brood was dus geen doel op zich. Snel werd het aanbod ook uitgebreid naar kruidenierswaren, kledingstukken, schoenen, kolen enz. Ook volksapotheken werden geopend. Tegen 1914 beschikte Vooruit over een klein imperium met twee grote gebouwen, een grootwarenhuis, vier bijhuizen, een ledersnijderij, een schoenfabriek, drie schoenwinkels, een broodfabriek, een centrale opslagplaats, 23 kruidenierswinkels, 7 apotheken, een brouwerij, een cichoreifabriek, een spinnerij en zelfs een weverij. Deze laatste nam in 1910 het statuut aan van een naamloze vennootschap. De Vooruit werd op deze manier de basis van waaruit de Gentse arbeidersklasse zich begon te organiseren. Snel kreeg het navolging in alle industriesteden. De coöperatieven bloeiden in het hele land. Ziekenfondsen werden opgericht en de eerste verzekering voor de werkmens, de Prévoyance Sociale, werd beschikbaar. Ze dienden om de dagelijkse noden van de arbeidersklasse te lenigen en vormden ook de financiële en organisatorische ruggengraat van het socialisme in België. De zwakheid lag in het feit dat al deze organisaties de belangen van de arbeider enkel als consument of als zieke behartigden. Ook was hun eerste doel de bescherming van de arbeidersklasse tegen de gevolgen van het kapitalisme. Zo werd de beweging sterk defensief georiënteerd. Naarmate het succes van al deze organisaties toenam begonnen sommige socialistische leiders de coöperatieven te zien als een speerpunt voor de omverwerping van het kapitalisme. Zo ontstond het waanidee dat het mogelijk was het kapitalisme op eigen terrein te bevechten met ‘rode bedrijven’. Wat er gebeurde was net het omgekeerde. Via de coöperatie sijpelde de kapitalistische gedachten binnen in de socialistische beweging. Sommige coöperatieven werden onder impuls van Anseele omgevormd tot regelrechte naamloze vennootschappen. In 1911 werd ook het plan opgevat om een bank op te richten. De Gentenaar Anseele zag het als volgt: ‘De kleine mensen hebben minstens 800 miljoen aan het kapitalistische spaarwezen onttrokken om ze toe te vertrouwen aan een nationale arbeidsbank om handel te drijven, om fabrieken, werkhuizen, mijnen, gronden, vissersloepen, etc. te kopen. Dan zouden binnen enkele jaren de arbeiders van België zaken doen voor honderden miljoenen, ze zouden miljoenen per jaar verdienen en tienduizenden arbeiders, arbeidsters en hun kinderen van de kapitalistische onderdrukking bevrijden. In minder dan één generatie zouden ze meester worden over een groot gedeelte van de handel, de nijverheid en het bankwezen’.

    Meer en meer werden kapitalistische beheersmethodes ingevoerd, een bureaucratie van beheerders, zaakvoerders en vrijgestelden bloeide. Zij stonden meer en meer weigerachtig tegenover acties en bewegingen die het voortbestaan van hun organisaties in gevaar brachten. Ze werden behoudsgezind en oefenden een ‘matigende’ invloed uit op het beleid van de BWP. Op politiek vlak vormden zij de groep in de arbeidersbeweging die voorstander was van de geleidelijke machtsovername via het parlement en van regeringsdeelname met burgerlijke partijen.

    Na de Eerste Wereldoorlog groeiden vooral de verbruikerscoöperatieven verder aan. In 1930 telden ze 1 miljoen leden. De mutualiteiten telden 800.000 leden. De winsten werden niet individueel uitgekeerd maar belegd in sociale werken. Via de gevoerde sociale politiek geraakten deze organisaties verweven met de burgerlijke staat. Hiervoor ontvingen ze ook overheidsgeld. Productiecoöperatieven werden omgevormd tot NV’s met een meerderheidsparticipatie van de Vooruit en de Bank van de Arbeid. Niet alleen het beheer werd meer en meer kapitalistisch van aard. Ook de sociale verhoudingen werden steeds meer op kapitalistische leest geschoeid. Loonschalen werden ingevoerd, managers die met socialisme niets te maken hadden, werden binnen gehaald. In sommige van deze bedrijven werd in overleg met de vakbond de achturenwet overtreden. Het ging zelfs zo ver dat de Bank van de Arbeid een katoenplantage aankocht in Congo, de Belgische kolonie. Samengevat: de coöperatieve economie opgevat als een middel om het kapitalisme te verdringen had het omgekeerde effect. De arbeidersbeweging werd aangetast door de kapitalistische mentaliteit en praktijken.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties