about
Toon menu

Paul Verhaeghe: Nieuwe beroepsziektes en (gebrek aan) solidariteit

Op de Dag van het Socialisme op 2 november 2013 gaf hoogleraar psychotherapie Paul Verhaeghe aan UGent, een lezing over hoe het neoliberalisme ons ziek maakt. Hij vergeleek o.a. stress gerelateerde aandoeningen met de stoflong en de loodvergiftiging van weleer. Lees hier een uitgebreide versie van deze lezing die hij een dag voordien bracht op de bijeenkomst van de Nederlandse Gezondheidsraad in Utrecht.
maandag 4 november 2013

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

In deze tijden van ‘meten is weten’ steek ik van wal met wat cijfers. Binnen de EU kunnen we een ranglijstje opstellen van de ziektes met de grootste impact op levensduur en kwaliteit. Op nummer een staan de cardiovasculaire aandoeningen, met 22,9 procent, op nummer twee de neuropsychiatrische aandoeningen met 19,5 procent, en pas op nummer drie de kankers, met 11,4 procent (Bertollini, 2012, p.41). In het EU-rapport wordt gewezen op de verbijsterende toename van depressie en ruimer, van mentale stoornissen.

Dit is, op zijn zachtst uitgedrukt, vreemd. Onze levensduur en levenskwaliteit zijn nog nooit zo hoog geweest als vandaag. Bovendien leven wij zonder twijfel in een van de veiligste regio’s ter wereld, hebben we nog nooit in onze geschiedenis zoveel kwaliteitsvol onderwijs en gezondheidszorg gehad voor ongeveer iedereen, en nog nooit waren de openbare voorzieningen zo goed.

Die vaststellingen zijn voor heel wat mensen een reden om een veroordeling uit te spreken over de groep die uit de boot valt. Al die depressievelingen, dat zijn toch zeurderige types die hun verantwoordelijkheid niet kunnen of willen dragen; erger nog, het zijn ronduit profiteurs die ons systeem om zeep aan het helpen zijn. Daarbij volgt dan de vaststelling dat onze gezondheidszorg stilletjes aan onbetaalbaar wordt, dat een drastische besparing meer dan noodzakelijk is, en dat we die het best kunnen realiseren door die profiteurs uit het systeem te gooien. Een recent onderzoek uitgevoerd in opdracht van de socialistische ziekenbond toont aan dat een op de drie Vlamingen in die richting begint te denken.

Ziekte is een zaak van het individu en schaadt ‘onze’ economie

Deze redenering berust op een impliciete, en alleen al daardoor des te belangrijkere aanname. Gezond zijn of ziek zijn is een zaak van het individu. Het is dan ook zijn of haar verantwoordelijkheid. De organisatie van onze gezondheidszorg sluit daar grotendeels bij aan, in die zin dat het accent op de individuele patiënt ligt en op het curatieve.

Deze aanname is ondertussen een politieke overtuiging geworden, met verregaande implicaties voor het denken over en het organiseren van zorg. Als ziekte een zaak van het individu is, dan gaat alle aandacht noodzakelijkerwijs naar de behandeling van het individu en naar diens eigen aandeel in de eigen ziekte. Verzorgt hij zijn lichaam wel, eet en drinkt hij gezond, slaapt hij voldoende, enzovoort. Kortom: neemt hij zijn verantwoordelijkheid wel?

De volgende stap is een beschuldiging: als iemand ziek wordt, dan heeft dat te maken met een verkeerde levensstijl, in combinatie met te weinig inzet en karakter. Meer nog: als er teveel dergelijke patiënten komen, dan wordt dat zelfs een bedreiging voor onze maatschappij. Begrijp: voor ‘onze’ economie; het is een teken aan de wand dat in het hedendaags politiek vertoog maatschappij en economie zo ongeveer synoniem geworden zijn. Waarbij ‘economie’ staat voor een neoliberale aanpak, met alle accent op ‘groei’ en ‘zuurstof voor de bedrijven’.

Ter illustratie van deze beschuldiging citeer ik een uitspraak van EU-commissaris Borg, in vertaling: “Roken vermindert de productiviteit, het schaadt de economie. Ik ga binnenkort naar Griekenland, waar 40% van de mensen roken. Dat is een kostenfactor waarover gepraat moet worden.”[1] Een paar maand vroeger konden wij in Vlaanderen in De Standaard het volgende lezen: “Zelfdoding kost Vlaanderen 600 miljoen euro per jaar, wat een ernstige bedreiging vormt voor onze economie” (21 januari 2012, De Standaard). En nog een paar jaar vroeger werd in de UK door de London School of Economics een pleidooi gehouden voor psychotherapie, niet uit bezorgdheid voor de patiënten, wel omdat het toegenomen aantal depressies een bedreiging voor de Britse economie vormt.[2]

De boodschap is duidelijk; ziekte en gezondheid zijn een individuele verantwoordelijkheid, waarbij ‘de maatschappij’ – begrijp, opnieuw, de economie, opnieuw, in een neoliberale versie – het slachtoffer dreigt te worden. Deze aanname, die gezondheid reduceert tot een zaak van het individu, is fundamenteel fout en getuigt van een verregaande blindheid omdat men voor de hand liggende verbanden weigert te zien.

Psychologie en psychiatrie versterken de individualisering

Dit is helaas ook ten zeerste het geval in mijn vakgebied, de psychiatrie en de klinische psychologie – op een dusdanige manier dat ik mij bij tijd en wijlen beschaamd voel tot deze beroepsgroep te behoren. De bevestiging gebeurt op een subtiele manier, met name door systematisch dingen weg te laten, waardoor de indruk ontstaat dat de huidige theorie en praktijk een correcte, wetenschappelijke weergave van de werkelijkheid is.

Wat er weggelaten wordt, is de impact van de sociaal-economische omgeving, zowel in de theorievorming, als in de behandeling als bij het onderzoek. Dit is zo belangrijk dat ik niet anders kan dan er even op in te gaan.

Voor alle duidelijkheid: er is meer dan voldoende bewijs dat de omgeving een doorslaggevende rol speelt bij het ontstaan van psychologische en psychiatrische moeilijkheden. Veel meer bewijs dan voor genetische of biologische oorzaken. Het tragische is dat de main stream opvatting die redenering omkeert, getuige een citaat komende uit het reeds geciteerde rapport van de London School of Economics: “Crippling depression and chronic anxiety are the biggest causes of misery in Britain today” (LSE, 2006: 1, geciteerd in M.Boyle, 2011). Merk op: causes – ze worden niet als gevolgen beschouwd. Nog een stap verder en de slechte sociale omstandigheden waarin die mensen zich bevinden, worden begrepen als een gevolg van hun mentale stoornis, terwijl er veel meer bewijs is voor de omgekeerde redenering. Met name dat die mentale moeilijkheden een gevolg zijn van abominabele sociaal-economische omstandigheden.

De manier waarop psychiatrie en psychologie de impact van de sociale omgeving weglaten, heeft alles te maken met een bepaald taalgebruik in combinatie met een bepaalde focus, die in hun onderlinge combinatie ook het onderzoek aan de universiteiten bepalen. Het taalgebruik in de psychologie gaat op een systematische manier moeilijkheden en problemen herdefiniëren als symptomen in het individu; begrijp: als intrapsychische “states” of “traits” die abnormale proporties hebben aangenomen. De impact van eventuele omgevingsfactoren krijgt slechts aandacht via neutraal klinkende termen zoals “life events” en “social support”.

Bovendien wordt die impact geneutraliseerd door de verondersteld echte oorzaak andermaal op het conto van het individu te schrijven, met termen zoals resilience en kwetsbaarheid. Dit is het zogenaamde diathese-stress model: ja, de omgeving speelt een rol, maar individuen worden ziek omdat ze te zwak zijn, te kwetsbaar, omdat ze die omgeving niet aan kunnen. Begrijp: flinke mensen kunnen dat wel.

Binnen de hedendaagse psychiatrie is de focus op het individu nog een flink stuk verder doorgeschoten. Naast een gelijkaardig verhullend taalgebruik, vinden we daar een nog meer inperkende blik: niet meer het individu, maar het brein.

Ter illustratie, de meest toonaangevende wetenschappelijke instelling, met name het Amerikaanse National Institute for Mental Health, stelde bij monde van haar directeur in april van dit jaar letterlijk dat het verkeerd is om “mental illness” te beschouwen als “a mental or behavioral disorder”. Integendeel: “We need to think of these as brain disorders”.[3] Zijn betoog is retorisch zeer overtuigend, zowel voor vakgenoten als voor leken, andermaal op grond van het taalgebruik en bij gratie van een exclusieve accentlegging, met weglating van alle gegevens die daar niet in passen.

Daartegenover staat een vaststelling als een huis, gemaakt door de wereldgezondheidsorganisatie in 2009: “Mental health is produced socially: the presence or absence of mental health is above all a social indicator and therefore requires social, as well as individual solutions (…) A preoccupation with individual symptoms may lead to a ‘disembodied psychology’ which separates what goes on inside people’s heads from social structure and context. The key therapeutic intervention then becomes to ‘change the way you think’ rather than to refer people to sources of help for key catalysts for psychological problems: debt, poor housing, violence, crime.” (WHO, 2009, p. V).

Ter verontschuldiging van mijn vakgebied wil ik er wel aan toevoegen dat de focus op het individu geen uitvinding is van de psychologie of de psychiatrie. Wij leven al ruim een kwart eeuw in een maatschappij waarin individualisering centraal staat, en dit op grond van de neoliberale Angelsaksische dominantie van het “survival of the strongest” model (en niet “fittest”, in hun foute lezing van Darwin en Dawkins). Het idee van de maakbare mens wordt daarin geïnterpreteerd als: elk individu kan en moet het maken, en wie mislukt, die heeft zich niet voldoende ingezet, die heeft te weinig spankracht of is te zwak (Verhaeghe, 2012).

Dit zijn nauwelijks verholen beschuldigingen, waardoor we al snel aan patient blaming gaan doen, of aan een blaming van de onmiddellijke omgeving – meestal de moeders. Dat is vandaag een vaak gehoorde zure oprisping: het moet wel verkeerd lopen met de jeugd, kijk eens naar hun ouders, al die teenage mums in de UK, al dat schorem aan de onderkant die dan nog zeven kinderen produceren en er geen zorg voor dragen – zouden we hen niet beter verplicht steriliseren?

Even ter vergelijking. Begin vorige eeuw gebeurt in België het eerste grootschalig onderzoek naar de oorzaken van de hoge kindersterfte, die boven de 20 % lag. Michel Vandenbroeck (2010; 2003) heeft het rapport daarvan zorgvuldig bestudeerd, zorgvuldig in die zin dat hij vooral nagekeken heeft wat er niet in staat. Concreet: zo ongeveer alle sociale factoren worden weggefilterd via de in het onderzoek toegepaste statistische methodes, met als gevolg dat de oorzaak voor die kindersterfte exclusief bij de moeders komt te liggen.

Wat er weggelaten werd, is niet zo moeilijk om raden: de toenmalige armoede en de leefomstandigheden, waarbij kroostrijke gezinnen moesten samenhokken in kleine, onhygiënische woningen en mensen zeven dagen op zeven moesten werken (in België tot 1905) voor een hongerloon, enzovoort. Niks mee te maken, het officiële besluit luidt dat kindersterfte de schuld is van domme en/of gedegenereerde moeders, die door de overheid heel dringend moeten aangepakt worden, punt aan de lijn.[4]

De geschiedenis bewijst het effect van sociaal-medische preventieprogramma’s

Gelukkig dacht niet iedereen er zo over. Terug naar onze tijd en naar ons gezond en welzijn. In mijn inleiding vermeldde ik reeds dat onze levensverwachting en levenskwaliteit nog nooit zo hoog geweest zijn. Zoals bekend is dat pas de laatste halve eeuw het geval, en de verklaring voor die stijging hoeven we niet te zoeken in een curatieve geneeskunde met een exclusieve focus op het individu. Integendeel, die stijging heeft alles te maken met een ruime, sociaal-medische profylactische aanpak die ook grotendeels de vorige eeuw doorgevoerd werd.

Kort samengevat: onze hoge levensverwachting en levenskwaliteit zijn gebaseerd op de uitbouw van rioleringssystemen, het voorhanden zijn van zuiver drinkwater, een betere huisvesting en voeding (met bijvoorbeeld melk op school), inentingen, betere lichaamshygiëne en betere arbeidsomstandigheden. Al die factoren hebben een overduidelijke impact gehad op ons huidig gezond en wel zijn. En ongeveer al die factoren gaan terug op politieke beslissingen die het leven van individuen ingrijpend verbeterd hebben.

Ter overweging: had het afgehangen van de toenmalige captains of industry, dan hadden we nu nog een zevendaagse werkweek en kinderarbeid, want volgens de bedrijfsleiders anno 1900 was kinderarbeid strikt noodzakelijk om hun concurrentiële positie te kunnen behouden.

Vandaag plukken wij de vruchten van die preventieve gezondheidszorg, en we mogen onze voorouders daar dankbaar voor zijn. Op grond van hun collectieve inzet voor het algemeen belang zijn er een aantal verschuivingen ontstaan. Een eerste is een accentverlegging van preventieve, sociale geneeskunde naar curatieve, individuele zorg. Een tweede is een verschuiving van onverdacht organische ziektes naar immer verdachte psychologische moeilijkheden. Van gezond zijn naar wel zijn, dus. Beide verschuivingen vragen wat toelichting.

Van preventief naar curatief; van gezond naar wel zijn

Dat geneeskunde en zorg vandaag hoofdzakelijk curatief en individueel gericht zijn, is inderdaad het mooie resultaat van een geslaagde profylaxe uit het verleden. We mogen dit niet vergeten, en we moeten beseffen dat het één niet zonder het ander kan. Een exclusief accent op een individuele en curatieve geneeskunde zonder die voorafgaande, preventieve sociale geneeskunde zou veel minder fraaie resultaten opleveren. Ter illustratie: kijk naar het huidige Amerikaans zorgmodel, waar ze de duurste en meteen ook de minst efficiënte gezondheidszorg van het Westen hebben.

De tweede verschuiving betreft deze van gezond naar wel zijn, begrijp: naar psychologische en psychiatrische problemen. Ik gaf in mijn inleiding de cijfers van de Europese gemeenschap, waarbij cardiovasculaire aandoeningen op de voet gevolgd worden door de neuropsychiatrie. Ik gaf ook reeds aan dat psychiatrische problemen nog altijd verdacht overkomen. Ofwel ben je écht ziek (liefst met duidelijke koorts), ofwel ben je gestoord.

Dit is nog steeds een dominante opvatting: mentale stoornissen worden niet ernstig genomen, dat zijn toch geen echte ziektes. Al snel duikt dan een typische vergelijking op: kijk eens naar vroeger, toen mensen loodzwaar werk moesten doen en er nauwelijks gezondheidszorg was, toen waren er pas échte problemen; kijk naar de minder ontwikkelde landen, daar hebben ze échte ziektes. Begrijp: depressie en aanverwanten zijn luxe problemen, typisch voor doetjes.

Dit is een opvatting waar we ons zo snel mogelijk moeten van bevrijden. Elke maatschappij, zonder uitzondering, heeft haar eigen ziektes, die heel veel zeggen over die maatschappij. De negentiende-eeuwse rachitis ten gevolge van kinderarbeid, gebrek aan zonlicht en slechte voeding is zo typerend voor de toenmalige Britse maatschappij dat we nog steeds spreken over de ‘Engelse ziekte’.

De huidige stortvloed aan mentale stoornissen typeert dan weer onze maatschappij, en we moeten dit durven onder ogen zien. Bovendien zijn zowel rachitis als depressie even ‘echt’.

Mentale moeilijkheden zijn even ‘echt’ als lichamelijke ziektes

Vooraleer ik doorga op de typisch hedendaagse aandoeningen, ga ik eerst even in op dat laatste, op het al dan niet ‘echt’ zijn. Waarom gaan wij ervan uit dat een aandoening met duidelijk afgelijnde lichamelijke symptomen zoals koorts en ontstekingen, ‘echter’ is dan moeilijkheden waarbij de aflijning minder duidelijk is?

De uitleg daarvoor is relatief eenvoudig maar helaas nagenoeg onoplosbaar. Kort samengevat: wij denken al meer dan tweeduizend jaar in termen van een opsplitsing tussen lichaam en geest. Dit gaat van start bij de klassiek Griekse filosofie en werd hernomen door de christelijke leer. Via het onderwijs werd deze opsplitsing in ons denken ingeplant, bovendien met een duidelijke morele rangorde: de ziel is het belangrijkste, het lichaam is verderfelijk.

De opdeling hebben wij tot vandaag behouden, met dien verstande dat er vanaf de Verlichting geleidelijk aan een omkering kwam in het bijbehorende morele oordeel. Vandaag is het lichaam het échte, tastbare, wetenschappelijk onderzoekbare object, de geest is een vluchtig iets, meer geschikt voor poëten en pastores. Niet iets om ernstig te nemen. De huidige psychologen en psychiaters buigen zich dan ook allemaal over het brein en de genen, kwestie van niet geassocieerd te worden met die halfzachte toestanden van weleer.

In de praktijk is een dergelijke opdeling tussen lichaam en geest fundamenteel fout – heel veel mensen in het praktijkveld zijn daarvan overtuigd. Toch slagen we er niet in een holistische benadering uit te werken, omdat we er letterlijk geen woorden voor hebben – ons volledig denken en de bijbehorende opleidingen gaan uit van die splitsing.[5] Daarom is het als probleem nagenoeg onoplosbaar.

Het is die opsplitsing en het bijbehorende morele oordeel die verklaren waarom wij mentale moeilijkheden niet ernstig nemen en nauwelijks als ‘echt’ beschouwen.

Nochtans kennen we al een halve eeuw een duidelijke brug die de wisselwerking tussen lichaam en geest aantoont.[6] Al geruime tijd weten we dat er een bepaalde mediator is, een zelfs meetbare somatische factor die verklaart waarom mensen eronder doorgaan, waarbij dat eronder doorgaan veel verschillende vormen kan aannemen. Die mediator noemen we stress, waarvan de oorzaken en gevolgen zowel lichamelijk als psychisch zijn.

Stress-gerelateerde aandoeningen zijn typisch voor onze maatschappij

Het typische van de gevolgen is bijgevolg hun a-typisch karakter. Dat mag dan vreemd klinken, maar er is wel voldoende bewijs voor. Stress werkt in op de neurologische en endocrinologische processen, onder andere door een sterke toename van cortisolproductie. De bedoeling van die toename is het vrijmaken van voldoende energie om de oorzaken van stress op te heffen. Lukt dat opheffen niet, dat spreken we over chronische stress, waarbij het cortisolniveau constant te hoog blijft.

Het bekendste gevolg van een verhoogd cortisolniveau is het dalen van onze immuniteit, waardoor we meer vatbaar worden voor virussen en dus voor ‘echte’ ziektes. Dat is verre van het enige gevolg: chronische stress en verhoogde cortisol liggen aan de basis van hartritmestoornissen, hoge bloeddruk, hartaanvallen, en van allerlei ontstekingen. Nog steeds echte ziektes dus.

Maar wat te denken van de volgende groep die evenzeer effecten van chronische stress kunnen zijn: rugpijn, hoofdpijn, spijsverteringsmoeilijkheden, teveel of te weinig eten, verhoogd alcohol-, nicotine en medicijngebruik, ernstige slaapmoeilijkheden. Voor veel mensen zijn dat toch al wat minder echte ziektes.

Dat is nog meer het geval bij de volgende groep stressgerelateerde aandoeningen, met name angst en depressie. O ja, en bij kinderen is er een veralgemeend negatief effect op de groei en de ontwikkeling (een eigentijdse variant op rachitis, zeg maar).

Zoals gezegd: er is ondertussen meer dan voldoende bewijs voor een duidelijk verband tussen verhoogde stress en al die verschillende aandoeningen. Als we met deze wetenschap terugkeren naar het reeds vermelde onderzoek binnen de EU, dan vinden we bovenaan de lijst net die twee groepen waarvan we weten dat ze stressgerelateerd zijn: cardiovasculaire aandoeningen en neuropsychiatrische stoornissen. Samen bepalen zij bijna de helft van onze gezondheidsklachten.

Op zich is dit goed nieuws, want het betekent dat we een belangrijke oorzaak kennen van zo ongeveer de helft van de hedendaagse aandoeningen. Elke officiële instantie die bekommerd is om volksgezondheid weet bijgevolg waar haar aandacht naartoe moet gaan. Concreet: naar het uitdenken van een beleid dat die oorzaak aanpakt, de zogenaamde stressoren. Wat weten we over die oorzaken?

Stress-gerelateerde aandoeningen zijn de nieuwe beroepsziektes

De eerste groep kunnen we samenvatten onder de noemer milieuverontreiniging, gaande van lawaai tot fijn stof. De gemeenschappelijke factor in deze stressoren is dat zij ons blootstellen aan een continue overprikkeling, die wij op een of andere manier moeten kunnen afvoeren.

Ik stel mij de vraag of we de oorzaak voor de groeiende groep jongeren die hetzij overactief zijn (gegroepeerd onder zogenaamd ADHD), hetzij zich afsluiten van de buitenwereld (wat dan als autisme weggezet wordt), niet moeten zoeken in die overprikkeling. Waarbij de eerste groep afgerekend wordt op hun manier van prikkelafvoer, en de tweede op hun manier van bescherming tegen de overprikkeling.

De tweede groep stressoren is heel nauw gekoppeld aan de eerste, maar terzelfdertijd veel ruimer, met name onze huidige arbeidsorganisatie. Met enige overdrijving kan ik stellen dat we straks nog twee soorten mensen hebben, zij zonder werk en zij met teveel werk.

Hetzelfde EU-rapport waar ik het al over had, vermeldt dat een stijging van de werkloosheid met één procent overeenkomt met een stijging van 0,8 % in het aantal zelfdodingen, en met een verdriedubbeling van het aantal depressies en angststoornissen. Elk onderzoek bevestigt dat werklozen en in het algemeen, mensen die zich onderaan de sociale ladder bevinden, zware stress ervaren. Onder meer omdat ze bovenop hun precaire situatie er nog de beschuldiging bij krijgen profiteurs te zijn.

De andere groep omvat mensen met teveel werk. Het teveel zit niet in de fysieke zwaarte ervan, zoals tot midden vorige eeuw het geval was. Het teveel zit hem in de organisatie van de arbeid en de bijbehorende sociale verhoudingen. Deze stressoren zijn helaas minder tastbaar en meetbaar dan bijvoorbeeld fijn stof.

Kort samengevat: in West-Europa blijft de druk om te produceren stijgen, terwijl de jobzekerheid alleen maar daalt (up or out, ‘flexjobs’). De prestaties van iedereen worden voortdurend gemeten en afgewogen aan die van de ander; collega’s worden bijgevolg concurrenten, met als gevolg sociale angst en individualisering. Het beslissingsrecht over hoe men zijn job uitvoert, verdwijnt, maar de verantwoordelijkheid over het resultaat neemt wel toe; verantwoordelijkheid zonder macht plaatst mensen in een hulpeloze positie. Onze nine to five jobs zijn dat meer en meer slechts op papier. Hoger opgeleiden zijn overal en ten allen tijde bereikbaar en beschikbaar; lager opgeleiden zullen straks twee jobs combineren, en beiden hebben nog nauwelijks tijd voor kinderen en partner; die worden dan maar geoutsourcet naar crèches, nannies en therapeuten. Op voorwaarde dat je een nannie kunt betalen, een crèche vindt en de wachtlijst bij de therapeuten niet te lang is.

Ik heb dit samengevat met een uitdrukking uit de HRM-wereld. Dit is een Rank and Yank model, waarbij iedereen onder constante druk staat en bovendien op zichzelf teruggeworpen wordt. Ons politiek bestel offert alles op voor een bepaald economisch model en dat maakt mensen ziek, zij het op een minder zichtbare manier dan pakweg een halve eeuw terug. De stoflong en de loodvergiftiging hebben plaats gemaakt voor stress gerelateerde aandoeningen, die zowel het gezond zijn als het welzijn betreffen.

Dit zijn zonder twijfel de beroepsziektes van onze tijd, en niet de ziektes van onverantwoordelijke individuen die hun ellende alleen maar aan zichzelf te danken hebben.

Welke aanpak voor de hedendaagse beroepsziektes?

De vraag is welke remedies we daarvoor aanwenden. Aangezien dit de volksgezondheid betreft, verwachten we een collectieve aanpak die de huidige beroepsziektes even efficiënt zal doen dalen als het preventieve, sociaal-medische beleid uit de vorige eeuw dat deed. Een beleid dat berust op politieke beslissingen en op solidariteit.

Dit is helaas niet wat er vandaag gebeurt. In plaats van de oorzaken aan te pakken, bestrijden we de gevolgen. Bovendien doen we dat op een dusdanige manier dat de patiënten nog eens beschuldigd worden ook.

Ter illustratie: in zo ongeveer elk psychologisch behandelingsmodel van stress wordt het accent gelegd op wat men de perceptie van de stress noemt. Het daarbij aansluitende behandelingsdoel is de wijziging van de manier waarop de patiënt die stress ervaart. Begrijp: de oorzaak ligt bij het individu, hij is de schuld van zijn eigen aandoening, hij moet stress leren anders percipiëren (zie dan uitdrukkingen zoals resilience, weerbaarheid, diathese-stress model).

Dit is de aanpak die terecht bekritiseerd wordt door de WHO, in een reeds geciteerde passage: “The key therapeutic intervention then becomes to ‘change the way [the patient] think[s]’”. Aangezien een dergelijke psychotherapie maar matige resultaten oplevert, gooit men daar meestal nog een flinke pak medicijnen tegenaan ook. De boodschap blijft dezelfde: het probleem ligt bij de individuele patiënt.

Aan de ruimere, sociaal-maatschappelijke oorzaken raakt men niet. Integendeel, de huidige zogenaamd maatschappelijke programma’s richten zich ook op het individu (denk maar aan individuele begeleidingsplannen, individuele zorgpaden, responsabilisering, enzovoort), kosten handenvol geld, en leveren verhoudingsgewijs weinig resultaten op.

Solidariteit als sleutelwoord

Ik moet afronden en kom tot mijn besluit.

Ten eerste, in onze maatschappij is er een duidelijke accentverschuiving ontstaan, van onverdachte somatische ziektes naar mentale moeilijkheden. Van niet gezond zijn naar niet wel zijn.

Ten tweede, de voornaamste oorzaak daarvan is stress ten gevolge van een bepaalde maatschappelijk-economische organisatie. De hedendaagse mentale moeilijkheden zijn, samen met de andere stress-gerelateerde aandoeningen, de opvolgers van de stoflong en de loodvergiftiging van weleer.

Ten derde, we hebben dringend een nieuwe sociaal-medische profylactische aanpak nodig. Zolang er voornamelijk gefocust wordt op het individu, zal het aantal mensen die uitvallen, alleen maar toenemen.

De richting waarin die aanpak moet gaan, is deze van een duurzame economie ten dienste van de maatschappij, en niet omgekeerd (een maatschappij ten dienste van een structureel mislukt economisch model). Duurzaam zowel voor de mens als sociaal wezen, als voor onze omgeving.

Dat zal niet vanzelf gaan en tijd vragen. De geschiedenis van de vorige eeuw leert ons dat de enige manier om dit te realiseren een collectieve aanpak is, waarbij mensen zich in groep verzetten en inzetten, met solidariteit als sleutelwoord.

Angst maakt ons blind en doet ons ingaan tegen ons eigen belang

Vandaag doen wij dit duidelijk niet, integendeel. Wij volgen collectief de overtuiging dat we alleen maar individuen zijn en dat alles bij het individu ligt. En we zijn heel erg bang voor wat gaat komen.

De Amerikaanse burger stemt tegen een zelfs minimale collectieve ziekteverzekering. Dat hij daarmee tegen zichzelf stemt, begrijpt hij niet. De Europese burger die afgeeft op die naïeve Amerikanen, beseft niet dat wij ondertussen net hetzelfde doen. De Europese – en bij uitstek de Vlaamse kiezer – is er ondertussen van overtuigd geworden dat de oorzaak van de crisis bij de uitkeringen en de pensioenen ligt, bij de ziekteverzekering, de loonlasten en de loonindexering. En niet bij een kleine groep speculanten die ons monetair systeem bankroet gemaakt heeft, daar nog rijker van geworden is en op een systematische manier oplossingen blokkeert.

De eerste uitdaging voor politieke partijen die het belang van de gemeenschap voor ogen houden, is bijgevolg een communicatieprobleem. Hoe kunnen zij een nochtans eenvoudige waarheid duidelijk maken aan hun kiezers?

Bekijk de video van de lezing op de Dag van het Socialisme

Paul Verhaeghe

Paul Verhaeghe is als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Gent. Hij is klinisch psycholoog en psychoanalyticus. En auteur van o.a. 'Het einde van de psychotherapie' (2009) en 'Identiteit' (2012).

Bibliografie

Bertollini, R. (2012). Mental health and the economic crisis: Ways forward. In: Mental Health in Times of Economic Crisis. European Parliament. Directorate general for internal policies.Polic department A: economic and scientific policy. Brussels, 19 june 2012. Proceedings, p.13 and pp. 39 – 46.

Boyle, M. (2011). Making the world go away, and how psychology and psychiatry benefit. In: Rapley, M., Moncrieff, J. & Dillon, J. (2011). De-medicalizing misery. Psychiatry, Psychology and the human condition. New York: Palgrave Macmillan, pp. 27 – 43.

Vandenbroeck, M. (2003). From crèches to childcare: construction of motherhood and inclusion/exclusion in the history of Belgian infant care. In: Contemporary issues in early childhood, vol. 4, 2, pp. 137-148.

Vandenbroeck, M., Coussée, F. & Bradt, L. (2010). The social and political construction of early childhood education. In: British Journal of Educational Studies. Vol. 58, No. 2, June 2010, pp. 139–153.

Verhaeghe, P. (2012). Identiteit. Amsterdam: De Bezige Bij.

WHO (2009). Mental Health, Resilience and Inequalities. Copenhagen: WHO, Europe. Zie: http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0012/100821/E92227.pdf

Voetnoten

1 http://www.n-tv.de/wirtschaft/Griechen-sollen-Rauchen-stoppen-article10062211.html

2 It is estimated that the average annual cost of lost employment in England attributable to an employee with depression is £7,230, and £6,850 for anxiety (2005/06 prices).”, LSE, Mental Health Promotion and Prevention: The Economic Case, http://www2.lse.ac.uk/businessAndConsultancy/LSEEnterprise/pdf/PSSRUfeb2011.pdf

3 http://www.nimh.nih.gov/about/updates/2013/mental-disorders-as-brain-disorders-thomas-insel-at-tedxcaltech.shtml

4 Met dank aan Michel Vandenbroeck voor het volgende citaat uit het rapport:

“On sait combien les mères sont souvent complètement ignorantes des soins les plus élémentaires à donner à leurs enfants; [...] n’en est-il pas qui sont enlevés prématurément par suite de manque de soins journaliers dont ils devraient être entourés, de l’insuffisance d’alimentation ou de pratiques souvent nuisibles, parfois dangereuses, résultat de stupides préjugés, dont la ténacité est si profonde dans certaines couches de la population! [Š] il faut une véritable insistance pour pénétrer les jeunes mères de l’importance de leurs devoirs; il est indispensable de faire connaître d’une manière plus efficace les principes de la puériculture aux mères négligentes qui s’abstiennent de lire les brochures qu’on leur distribue. (Velge, H. (1919) La protection de l’enfance en Belgique. Son passé ­ son avenir. Bruxelles: Goemaere).

5 Het lichaam voor de geneeskunde, de psyche voor de psychologie en de filosofie. Met dien verstande dat de twee laatsten ook hard aan het opschuiven zijn naar de verondersteld ‘echte’ wetenschappen door zich toe te spitsen op alles wat ‘neuro’ is. Dit is een van de terugkerende, verkeerde oplossingen voor het probleem van het lichaam – geest dualisme: de reductie ervan tot één van die twee (in dit geval tot het brein, en dus tot het lichaam).

6 Merk op dat ik met deze formulering – “een duidelijke brug die de wisselwerking tussen lichaam en geest aantoont” – andermaal de splitsing bevestig.