Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu
Opinie

Nodig: een syndicaat van academici

Het massale academische protest van de afgelopen dagen begint op een opstand te lijken. Het zou jammer zijn indien deze energie wegebt. Een middel om dat te verijdelen is een academisch syndicaat. Collectief optreden als stakeholder zal nodig zijn om de klachten van vandaag om te zetten naar het beleid van morgen.
zaterdag 24 augustus 2013

De vormen van protest en sensibilisering die we de laatste dagen meemaken onder academici, als gevolg van de petitie over werk- en publicatiedruk, begint steeds meer op een algemene opstand te lijken. Dat is goed, want als één ding duidelijk is geworden uit de vele stukken die zijn beginnen circuleren, dan is het dat academici een zeer kwetsbare groep zijn, die werkt in een verpletterend arbeidsregime van zeer lange uren en onbetaald overwerk, grote psychologische druk, lage lonen en slechte contracten.

Academici worden op groteske manieren uitgebuit

Academici houden traditioneel de lippen stijf opeen. Beroepstrots en een idee van waardigheid van de toga zijn daar niet vreemd aan; ze vormen de laatste ideologische restanten van een cultuur waarin academici een echte elite waren, met privileges zoals het emeritaat, maatschappelijke status en aanzien, en met inkomens die mochten gezien worden. Syndicalisme of militante en rebellerende attitudes zijn daarom traditioneel een zeldzaamheid onder academici.

Dat is jammer, want die hautaine trots heeft academici tot een makkelijk doelwit gemaakt van allerlei ingrepen die academische arbeid nu zeer onaantrekkelijk maken. Concreet: we hebben minachtend omhoog gekeken terwijl onze arbeid en onze productievoorwaarden voortdurend devalueerden. We zijn nu extreem overwerkte en overbelaste geesteswerkers die tevreden moeten zijn met een bescheiden inkomen en nauwelijks gedefinieerde arbeidsvoorwaarden.

En dit alles, terwijl in de publieke opinie een beeld is blijven leven van academici als verwend, elitair, lui en overbetaald. Om het even over inkomen te hebben en daarmee ook prompt een mythe uit de wereld te helpen: toen ik in 2005 de UGent verliet als prof, benoemd sinds 1997, verdiende ik ongeveer 2500 Euro netto per maand. Zelfs toen was dat een onopvallend middenklasseloon. Daar tegenover stond een 24/7 beschikbaarheid, een extreme werkdruk, en onbestaande sociale bescherming. Ik heb toen op mijn blog een korte beschrijving gegeven van mijn arbeidsregime.

Een synidcaat van academici

Ik loop al vele jaren rond met de idee om een syndicaat van academici op te richten dat als stakeholder optreedt in aangelegenheden die met ons beroepsstatuut te maken hebben. Ik ben daar allicht niet zelf de geknipte persoon voor, maar misschien zijn er vandaag voldoende gemotiveerde academici om de koe bij de horens te vatten.

Er is dringend behoefte aan - dat hebben de vele getuigenissen van de laatste dagen ten overvloede aangetoond. Wie het goed voorheeft met wetenschap en wetenschappers en gelooft in de maatschappelijke rol van beide, moet nu de verontwaardiging en opstandigheid omzetten naar militante actie.

Ik zie diverse concrete terreinen waarop zo'n actie uiterst belangrijk zou zijn:

1. De bepaling van wat academisch werk nu eigenlijk inhoudt 

Academisch werk moet een definitie krijgen met duidelijke omschrijvingen van, bijvoorbeeld, "onderzoek" als een geheel van activiteiten die, structureel, binnen de werktijd moeten en kunnen worden uitgevoerd. Datgene wat we echt doen moet zichtbaar worden in de formele bepalingen van onze arbeid. Het kan niet zijn dat een cruciaal deel van ons werk - onderzoek - grotendeels in de 'vrije tijd' en op eigen kosten moet uitgevoerd worden. Denk ook eens aan activiteiten zoals "lezen".

Dat lijkt banaal, maar ik ben in mijn loopbaan talloze keren huiswaarts getogen met een trolley gevuld met zo'n 3.000 pagina's aan thesissen, die binnen de 30 dagen grondig gelezen en uitvoerig gemotiveerd moesten worden gerapporteerd. Ik wil de academici geen eten geven die hun verlof deels moeten besteden aan het lezen van een stapel boeken en/of documenten.

2. De uitbouw van een visie op een academische arbeidsmarkt

Die moet eigen criteria hebben. Op dit moment bestaat dit niet, en het arbeidsproces zit dan ook afgeladen met heteronomie. We worden, bijvoorbeeld, gerecruteerd op gronden die vaak weinig vandoen hebben met het echte werk dat we bij aanwerving moeten uitvoeren. Een visie op hoe de academische arbeidsmarkt er in realiteit uit ziet moet diverse aspecten aankaarten: 

(a) De structuur van loopbaanopbouw

Er moet een loopbaanopbouw komen die ervoor zorgt dat jonge en beloftevolle academici vanaf een bepaald punt kunnen beginnen denken aan een langlopend traject. Mensen, die slechts een beroepshorizon van een paar jaar hebben, zullen wellicht weinig grote programmatische plannen maken, terwijl we dit nu net nodig hebben. Dit vergt ingrepen op het niveau van aanwervingscriteria en -modaliteiten: universiteiten moeten actief en proactief aan 'headhunting' kunnen doen, en ze moeten daar de middelen toe hebben, zodat toptalenten vroeg genoeg aan een kansrijk traject kunnen beginnen.

Idem met einde-loopbaan planning, waarbij oudere wetenschappers een verlichte taakomschrijving kunnen krijgen die zich toespitst op die aspecten van werk waarin ze echt uitblinken. En bovenal: een duidelijke visie op de verschillende fasen in een academische loopbaan, met daarin ook mogelijkheden tot 'sabbatical', tijdelijke focus op bepaalde aspecten van het werk (bijvoorbeeld: het leiden van een groot internationaal onderzoeksprogramma), opvang in tijden waarin het slecht gaat, en zo meer.

Bij dit alles moet collectief worden gedacht, want de wetenschapper werkt altijd in teams. De 'unit' van personeelsbeleid mag niet de individuele wetenschapper zijn, maar het wetenschappelijke team waarvan hij/zij deel uitmaakt.

(b) Academische specialisatie

Specialisatie moet ernstig worden genomen. De klassieke triade die onze arbeid beschrijft - onderwijs, onderzoek en dienstverlening - herbergt in wezen een veld van toenemende extreme specialisatie in elk van die domeinen. Iedereen wordt op die triade beoordeeld, terwijl niets uit onze achtergrond bij aanwerving aangeeft dat we de vereiste gespecialiseerde competenties hebben. Dit is een deel van de heteronomie waarvan boven sprake.

Concreet: een goed onderzoeker is niet noodzakelijk een goed academisch manager. In mijn dagen als vakgroepvoorzitter aan de UGent, en later ook aan de Institute of Education in London, kreeg ik opleidingen in - een losse greep - het houden van functiegesprekken, het houden van recruteringsgesprekken (incluis de juridische aspecten ervan), financieel beheer via SAP, Project Cycle Management, veiligheidsbeleid, EHBO en beleid inzake de recyclage van giftige stoffen.

Niets in mijn voorgeschiedenis had me ooit voorbereid op dergelijke arbeids- en competentievereisten; het feit dat ze mij werden opgelegd en bovenop al de rest van het werk kwamen te liggen is dan ook niet vanzelfsprekend. In een toenemende cultuur van specialisatie moeten universiteiten mensen kunnen aanwerven wiens capaciteiten precies - veel preciezer dan nu - bepaald worden. Zo kunnen we bekwame academische leidinggevenden aantrekken, bekwame onderwijsmensen, bekwame onderzoekers, zonder dat we van elke kandidaat verwachten dat hij of zij een superhero is.

(c) Tijd:

Cruciaal bij dit alles is een visie op dat ene ding dat elke wetenschapper zo nodig heeft: tijd. Academici worden thans individueel onderworpen aan een eenjarige business-cycle die bepaalde deliverables en targets inhoudt. Dit moet vervangen worden door een collectieve meerjarige business-cycle die een realistischer relatie vertoont met twee kernelementen van wetenschappelijke activiteit: (a) het collectieve karakter ervan en (b) het trage karakter ervan.

Het eerste is boven aangekaart. Wat het tweede betreft: een wetenschappelijke idee ontstaat niet uit het niets maar heeft lange voorgeschiedenissen die verdeeld zijn over vele individuen; die idee tot een voldragen academisch resultaat leiden duurt jaren. Jaarlijks individueel afrekenen is onzin. En hier komen we bij tijd. de trage groei en ontwikkeling als academicus vereist een visie waarin tijd nooit 'leeg' kan zijn.

Die laatste visie domineert nu: aangezien intellectueel werk (noem het onderzoek) een ongrijpbaar karakter heeft, zien we een structureel wantrouwen vanwege de werkgever en sponsors. Wat doen die academici nu eigenlijk? Het gevolg is: men gaat output meten, zodat het ongrijpbare toch grijpbaar wordt (of zo denkt men). Ook dit is heteronomie, want een bepaalde activiteit - onderzoek - wordt afgemeten aan een geheel andere - publiceren. De inzet is dus het verkrijgen van tijd, zowel binnen de 38-uren week - onderzoekstijd - als over het geheel van de loopbaan - sabbaticals, time-off.

3. Een visie op het academische product

De kwaliteit van opleidingen, van onderzoek en van de relatie tussen wetenschap en de samenleving. Er wordt nauwelijks gereflecteerd op de dingen die we dagelijks afleveren, en de huidige klachten geven aan dat er een structureel wederzijds misverstand over bestaat. Onze overheden omschrijven ons product op een heel specifieke manier - A publicaties, goede visitatieverslagen voor opleidingen, dienstverlenende contracten met derden - terwijl academici voortdurend naar heel andere dingen wijzen.

Het is aan academici als stakeholders om opperste duidelijkheid te scheppen over wat ze nu juist produceren, want enkel dan zullen ze het over productievoorwaarden en arbeidsvoorwaarden kunnen hebben. We kunnen het enkel over tijd en loopbaanontwikkeling hebben wanneer de tegenpartij een zeer precies idee heeft van datgene wat middels die condities geproduceerd kan worden.

Concreet: het is niet echt redelijk te veronderstellen dat academisch onderwijs op topniveau verloopt wanneer het wordt gegeven door iemand die 40 uur per week aan onderwijs moet spenderen, tussendoor nog effe de administratie moet bevredigen met rapporten en dergelijke, en na dat alles nog aan een proefschrift, boek of A-artikel moet werken. Een onderzoeker met burn-out is ook niet meteen de meest productieve en innovatieve. Die argumenten kunnen we echter enkel doen standhouden wanneer de anderen duidelijk weten waarover we het hebben als we het woord 'kwaliteit' in de mond nemen.

4. De strijd tegen academische uitbuiting

Die uitbuiting is er voornamelijk maar niet uitsluitend vanwege wetenschappelijke uitgeverijen. Die uitgeverijen verrijken zich schaamteloos op de rug van academici die een slecht beroepsstatuut hebben, want die academici hebben de uitgeverijen nodig om hun CV te spijzen. Het gevolg is een escalerende cultuur van flagrante uitbuiting, waarbij wij ons intellectueel product zonder de geringste inspraak moeten afstaan voor eeuwig en drie dagen aan een industrie die verder niet de geringste investering doet in de academische wereld.

We worden verondersteld ons werk simpelweg af te geven, in ruil voor (voor de gelukkigen) een minieme royalty, of meer courant, een PDF van ons gepubliceerd artikel. De internationale wetenschappelijke uitgeverswereld - Elsevier, Kluwer, Springer, noem maar op - is parasitair op de zwakte van academici. Ze zwaaien voortdurend in onze richting met argumenten inzake hoge productiekosten en lage winstmarges; de productiekosten van ons creatief werk zijn nooit een argument voor hen. Het is de hoogste tijd dat academici collectief verzet aanvangen tegen deze cultuur van spectaculaire uitbuiting.

Een syndicaat is van oudsher een middel om de indviduele zwakte van arbeiders op te vangen en om te keren tot een collectieve sterkte. Als er de laatste dagen een ding is gebleken, dan is het dat academici precies door middel van een volledig geindividualiseerd performance-en-eveluatiesysteem kapotgewerkt worden.

Wat eveneens duidelijk is geworden, is dat de academici die deze klachten formuleren allemaal de grootst mogelijke bezorgdheid hebben over de kwaliteit van universitair werk. Ze willen allemaal een academische omgeving die uitmuntend en vernieuwend onderzoek koppelt aan maatschappelijke relevantie en de zorg voor de volgende generatie - onze studenten. En de klachten geven aan dat deze zorgen voortkomen uit het systeem van individuele arbeidsorganisatie: het is die atomisering van de academische omgeving die precies een enorm kwaliteitsrisico inhoudt. 

Een syndicaat heeft dan ook een uitstekende uitgangspositie. We delen immers de doelstellingen van onze overheden en geldschieters. Maar als onmiddellijk betrokken stakeholders hebben we een preciezer zicht op de voorwaarden waarbinnen we deze doelstellingen kunnen bereiken. En een nog preciezer zicht op de factoren die dit onmogelijk maken.

Een syndicaat is, zo beschouwd, een constructieve tegenkracht. Ook dat zit in de geschiedenis van het syndicale systeem. Het is tijd dat academici het gaan hanteren.

Jan Blommaert

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

4 reacties

  • door Johan Leman op zaterdag 24 augustus 2013

    Beste Jan,

    Laat het duidelijk zijn. Ik denk dat ik nog tot een generatie behoor die net voor de excessen zijn academische loopbaan gehad heeft. Wellicht al een beginnende overgangsgeneratie. Je voelde een en ander aankomen in de tweede helft van de jaren '90. En ik ben dan nog gebleven tot in 2013. Van 2003 af als diensthoofd van een onderzoekseenheid. Voldoende om toch ook al sommige toestanden te zien die echt niet door de beugel kunnen ...

    De problematiek die je schetst, lijkt me zeer reëel. De toestand is soms zelfs veel schrijnender danje schrijft. Ik heb het meegemaakt dat heel verdienstelijke collega’s door hogere echelons als pionnen op een schaakbord behandeld werden volgens mechanismen die eigenlijk in de 19de eeuw thuishoren. Ander voorbeeld: Waarom sommigen een BAP-statuut hebben en daar ondergedompeld blijven en anderen plots ZAP worden, gaat vaak op volslagen willekeur terug. Ik kan dit duidelijk aantonen aan de hand van gevallen in mijn vroegere onderzoekseenheid (ik ben emeritus).

    Het had zelfs niets met publicaties, niets met doceren, niets met aantrekken van onderzoeksgelden te maken… (en nota bene, als coördinator van de OE was mijn advies van generlei waarde!). Aan visitatiecommissies moest ik dan wel uitleggen waarom enige misgroei in mijn OE bleef bestaan (die nota bene op beslissingen van voor mijn tijd terugging) en die ik mijn overheid telkenjare opnieuw signaleerde. “Waar is je leadership?” vroeg me een Hollandse collega. Ik was beschaamd. Leadership? Moest ik de buitenlandse collega dan misschien uitleggen dat wat hij misgroei noemde enkel en alleen terugging op een erfenis van vroeger en dat mijn voorstellen tot vernieuwing gewoon nooit ernstig genomen werden door de hogere echelons van de KU Leuven. Blijkbaar was het voldoende dat ik af en toe als vlag bovengehaald kon worden ...

    En eigenlijk kan dit niet. Want degenen die wèl beslisten waren echt geen deskundigen in de materies van mijn OE. Je zou normaal verwachten dat er dan een debat zou zijn en dat er transparantie zou zijn bij de beslissingen die erop volgen. Niets van!

    Jan, je bent optimistisch als je denkt dat onderzoekseenheden medezeggingschap hebben bij de bestendiging van hun mission statement. Ik neem aan dat dit bij grote, sterke onderzoekseenheden het geval is. Kleinere onderzoekseenheden zijn vaak de speelbal of proeftuin voor decanale en facultaire spitsvondigheden die bepaald worden door collega’s vanuit grotere onderzoekseenheden (die namelijk sterker vertegenwoordigd zijn in de beslissingsorganen).

    Toen ik de KU Leuven rector hier twee jaar geleden op wees, gaf hij me gelijk. Hij beweerde te weten waarover ik het had, omdat hij zelf uit een kleinere onderzoekseenheid kwam aan de faculteit geneeskunde. Maar ik heb niets zien veranderen. Ik ben benieuwd wat de nieuwe rector bedoelt met “transparantie”. Transparantie voor wie? In dit en andere volslagen onaanvaardbare 19de eeuwse toestanden kan een syndicaat of een alternatieve instelling wellicht een academisch zinvolle rol spelen.

  • door froels op maandag 26 augustus 2013

    Beste Jan,

    Onderwijs is één van de zeer actieve sectoren in de grote vakbonden. Binnen ACOD Onderwijs bestaan er onderafdelingen Hoger Onderwijs. Hoe actief ze zijn en of ze wegen op de beslissingen, hangt hoofdzakelijk af van de leden, d.w.z. de professoren, navorsers en assistenten. Toen de wetgever de spreiding der kandidaturen wilde invoeren, met o.m. de oprichting van Antwerpen (het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen) en Mons, waren vele Gentenaars ertegen: verspilling en verdunning van de middelen.

    Ik was erbij toen Leo Apostel, Jaap Kruithof, Van Elslander e.a. naar het Nationaal Comité in Brussel trokken. De afdeling Gent, onder leiding van directeur Marcel Schepens, pleitte tegen de spreiding. Maar de Antwerpenaars haalden de meerderheid. Opnieuw was er een grote syndicale mobilisatie in Gent, toen minister Herman De Croo de bijkomende 1-jarige aanstelling van assistenten voorbij de 6 jaar verstrengde (alleen zwangerschap en legerdienst telden mee). Nadien toen Vermeylen door de financieringsregels de vaste benoemingen van de eerstaanwezend assistent plafonneerde (ik citeer uit mijn geheugen - enkele foutjes toegestaan).

    Er bestaat een foto van een betoging van het wetenschappelijk personeel, die het Sint Pietersplein vult. Er werd gestaakt in meerdere gebouwen. Ook de studenten voerden acties, zoals bezettingen van de Blandijnberg, die door de rijkswacht werd ontruidmd. Toen de studenten nergens meer konden vergaderen, zorgde ACOD HO voor de Balzaal in het Feestlokaal Vooruit. Natuurlijk waren er soms ook kleine en grote verenigingen van academisch personeel dat absoluut niets wilden weten van de "politieke" syndicaten, of zelfs gruwden van het woord zelve. Maar als het erop aan kwam, voerden ze wel samen actie met de drie vakbonden. Aan de ULB speelde de ACOD-CGSP een belangrijke rol vanaf 1968 tijdens de oprichting van de VUB.

    Eén van de steeds terugkerende klachten en problemen, is het ontbreken van academische vooruitzichten voor de meeste jonge onderzoekers: voor wie met succes gedoctoreerd heeft en ook verdere resultaten kan voorleggen, zijn er geen benoemingen in het vaste kader. De andere plaatsen zijn statutair kortdurend en niet verlengbaar (al bestaat nu toch de functie van praktijkassistent, maar die kan niet opklimmen).

    Toen Georges Debunne voorzitter was van ACOD heeft hij gezorgd voor het KB waardoor de "vlakke loopbaan" van de eerstaanwezend assistent werd ingevoerd: na een doctoraat of gelijkwaardige publicaties en gunstig advies, kon iedereen benoemd worden. Maar het kader werd niet evenredig uitgebreid, en weldra waren vele plaatsen opgevuld. Het systeem werd weer afgeschaft.

    Tot besluit: strijdvaardige academici moeten lid worden en een actie opzetten met de grote vakbonden. Dit versterkt ook de solidariteit tussen alle niveau's van het onderwijs die in dezelfde vakbond vertegenwoordigd zijn. Wat er uit de bus komt, hangt af van de actiebereidheid van de eigen leden; niemand gaat het in hun plaats doen.

  • door erikske op maandag 26 augustus 2013

    Beste Jan, wat jij beschrijft klopt. Wat jij voorstelt heeft een naam: "corporatisme". De geschiedenis heeft - dacht ik - al voldoende bewezen dat dit niet werkt.

    Syndicaten bestaan, helaas vinden academici het niet nodig zich aan te sluiten op enkele witte raven na. Ik word dagelijks geconfronteerd met jonge academici die de uitbuiting aanvaarden omdat ze denken dat het later aan hen zal zijn om uit te buiten. Natuurlijk dat dan een moordende concurrentie kan worden georganiseerd en mogelijk wordt.

    "Don't mourn, organise", waren de wijze woorden van Jo Hill aan z'n dochter voor zijn dood. Het warm water moet je niet uitvinden, dat bestaat, net zoals de vakbonden. Maar blijkbaar snap je dat enkel zonder universitair diploma.

  • door Jo Coulier op dinsdag 27 augustus 2013

    Beste Jan,

    Volledig akkoord met jou dat er ook nood is aan syndicalisme voor academici. Maar academici moeten GEEN vakbonden oprichten, ze bestaan al. Er bestaat syndicaal overleg zowel op Federaal, Vlaams als op niveau van de universiteit. Academici moeten het warm water niet opnieuw uitvinden, ze kunnen beter actief worden in de reeds bestaande syndicale structuren. Bovendien huiver ik van een louter corporatistische opstelling die al snel kan ten prooi vallen aan een verdeel- en heerspolitiek. Ik ben zelf hoofdafgevaardigde van het ABVV aan de Vrije Universiteit Brussel. Al meer dan dertig jaar verenigt onze vakbond alle personeelscategorieën, van cafetariahulp tot gewoon hoogleraar in één structuur waarbij er gewaakt wordt over een evenwichtige eisenbundel voor alle personeelscategorieën en eerbeid voor de bijzonderheden voor elke groep. Dit in tegenstelling tot de verkozen beleidsorganen van de unief die netjes opgedeeld zijn in vertegenwoordigers van het ATP, AAP en ZAP. Eén van de grootste groepen aan de unief, met name de bursalen spelen in deze beleidsorganen niet mee. In onze vakbond wel. Ik wil dan ook hier een pleidooi houden om geen aparte vakbond op te richten voor academici maar aan te sluiten bij de bestaande vakbonden. Terecht kan men opmerken dat de vakbonden (in België) verdeeld zijn en academici (zoals alle werknemers) belang bij hebben om met één stem te spreken. Maar is verdeeldheid niet een essentieel onderdeel van een democratie? Tenzij je voorstander bent van een éénpartijenstaat met een opgelegd éénheidsvakbond hoeft het bestaan van verschillende organisaties geen bezwaar te zijn om samen rond concrete thema's te ageren. Dat doen vakbonden vandaag ook al. Ik herhaal dus, academici, sluit aan en wees actief in de reeds bestaande vakbonden.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties