about
Toon menu

Onderzoek naar Online Burgerparticipatie in Nederland

Het valt niet te ontkennen dat de burgerjournalistiek het monopolie van de ‘mainstream media’ heeft doorbroken, maar zijn de hoge verwachtingen in participatieve media ook ingelost? Een begin van antwoord – voor Nederland althans – vinden we in het empirisch onderzoek van promovendus Tom P. Bakker aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’. We leggen het onderzoek op de rooster.
zaterdag 3 augustus 2013

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

citizen-journalism

Hoge en lage verwachtingen in participatieve media

Heeft  er zich dank zij burgerparticipatie een machtsverschuiving voorgedaan in de media, zoals Jay Rosen (2006) voorspelde?  Zijn de vroegere passieve nieuwsconsumenten nu een belangrijke nieuwsbron geworden, om met Dan Gilmor (2004) te spreken? Is top-down journalistiek nu vervangen door ‘conversatie’ en ‘dialoog’ zoals Mark Deuze (2004) het formuleerde? (p. 22-23)

Vanuit de hoek van de professionele journalistiek werd de kwaliteit van burgerjournalistiek dan weer fel in vraag gesteld. Professionele journalisten voelden zich bedreigd. Maar sedert ‘Flat Earth News’ van Nick Davies weten we dat het met de kwaliteit van de professionele journalistiek ook maar povertjes gesteld is. De toegenomen werkdruk maakt onderzoeksjournalistiek quasi onmogelijk.

Empirisch onderzoek dan maar

Internet, of Web 2.0,  heeft in alle geval de drempel verlaagd om deel te nemen aan het publiek en politiek discours. Maar het bewijs dat burgers ook meer participeren bleef beperkt tot beloftes in pamflettaire stijl, een hoop case-studies en anekdotiek, volgens Tom Bakker (hoofdstuk 1, p. 10-11). In Europa ontbrak het aan systematisch empirisch onderzoek. Enkel in de VS werd dat onderzoek wel al gedaan door het PEW Research Centre.  Maar Amerika is Europa niet, betoogt hij. (p. 24-26)

In 2011 hadden 93,6 procent van de Nederlandse gezinnen internet toegang, in de VS 76 procent en in België 76,5 procent. Naast deze hoge penetratiegraad vermeldt de onderzoeker de polarisatie van het debat rond de migratie als belangwekkend fenomeen.  Deze context laat hem besluiten dat Nederland een excellente casus is om de ontwikkeling van participatieve media te onderzoeken in Europa. (p 11-12; p. 27).

De onderzoeksvragen

De vragen die hij zich daarbij stelde waren: hoeveel mensen participeren daadwerkelijk en hoe dikwijls is die participatie politiek?  Wat zijn de kenmerken van deze burgerjournalisten? Welke persoonlijkheid hebben ze?  Welk content publiceren ze? Waarom publiceren ze die? En wat is hun perceptie van het effect? (p. 26)

De eerste vraag wordt in hoofdstuk 2 behandeld, en dat kunnen we uitvoerig bespreken, maar van het antwoord op de andere vragen hebben we spijtig genoeg nog geen details, aangezien hoofdstukken 3, 4 en 5 nog onder embargo staan tot 26 februari 2014. De auteur is niet meer bereikbaar op de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt intussen bij TNO, dus houden we het voorlopig bij de eerste twee hoofdstukken. Hoofdstuk 2 bevat voldoende interessante resultaten om te bespreken.

Opinieonderzoek bij de Nederlandse bevolking

De methode die Tom Bakker gebruikt is het opinieonderzoek. Dit werd uitgevoerd in December 2009 door TNS NIPO bij 2.130 respondenten. Ze werden bevraagd over hun gebruik van blogs, twitter, forums, sociale netwerken, commentaarmogelijkheden op blogs en nieuws-sites. Men vroeg hen ook hoe dikwijls ze suggesties, reacties of tips opstuurden naar bloggers of nieuwsorganisaties. En de frequentie waarmee ze foto’s en video’s op het Web plaatsten.

Voor elke activiteit wou men ook weten of het om passieve consumptie ging of om actieve deelname. En de hamvraag daarbij was of het om algemene informatie ging of om politieke kwesties. De frequentie werd gemeten met als mogelijke antwoorden: nooit, eens per jaar, ongeveer eens per maand, enkele malen per maand, eens in de week, enkel malen per week of dagelijks. Dit waren al 24 vragen. Bijkomend  werd gepeild naar de redenen van niet-participatie met een lijst van elf suggesties plus de mogelijkheid dit zelf aan te geven.

Voor alle respondenten werden gender, leeftijd en opleiding (laag/hoog) genoteerd.  Om onderliggende patronen in verband met participatie te achterhalen werd gepeild naar hun gebruik van nieuwsmedia, mediacynisme, politiek cynisme, internetvaardigheden, interne en externe voordelen die ze erbij hadden, politiek belang, politieke betrokkenheid, politieke oriëntatie en hoe vaak ze gingen stemmen. (p. 27-29)

Passieve consumptie en actieve politieke inbreng online

Het opinieonderzoek dateert van eind 2009, maar de data over de motivaties van de bloggers uit 2011. Sedert is er een en ander veranderd. Het gebruik van twitter en van sociale media is drastisch toegenomen. Comments, fora en blogs waren toen wel al algemeen. Rekening houdend met deze beperkingen halen we enkel de algemene trends uit de studie.

76,3 procent van de ondervraagden leest nooit over politiek online, 94,2 procent komt ook nooit tussen over politieke kwesties online (p. 30-31).

Zie ook onderstaande tabel.

Tzble_4

Privacy matters

Nummer één, met voorsprong, om niet zelf actief bij te dragen online is:

“Ik ben bezorgd om mijn privacy”

De zelfcensuur heeft zich ook online  geïnstalleerd.  Mensen durven zich niet bloot te geven online.  De personeelschef leest mee over de schouder… of ze vrezen er op aangekeken te worden bij sollicitaties. De angst regeert.

Andere redenen die werden gekozen om niet zelf actief deel te nemen zijn:

“De meeste bijdragen en discussies leiden nergens heen”, “Ik druk me liever op andere manieren uit”, “Het kost te veel tijd en energie’” en “Ik vind de discussies grof”. Maar tegen alle verwachtingen in wordt Internet geletterdheid het minst als excuus gebruikt. (p. 34).

Nochtans komt de 6% actieve politieke participanten overeen met het percentage hoge internet vaardigheid dat we vonden in het ITU rapport van 2012. Het lijkt alsof de ondervraagden zich schamen voor hun gemiddelde tot lage vaardigheid. Verschillende onderzoeken (Digivaardig & Digibewust, KNAW) wijzen er trouwens op dat Internet vaardigheden zelfs bij ‘digital natives’ veel lager zijn dan algemeen wordt aangenomen. Werk aan de winkel in het onderwijs alvast, want verschil in vaardigheden in internetgebruik leidt tot nog meer verschil, ook in België.

Wie zijn de actieve  participanten?

De actieve gebruikers van participatieve media zijn meestal jong, mannelijk en hoog opgeleid. Het zijn begerige consumenten van nieuws, ze praten meer over politiek, nemen stemmen ernstig, ze zijn zelfbewust, vinden zichzelf politiek competent en ze beschikken over meer internet-vaardigheden dan degenen die geen participatieve media gebruiken.

Qua politieke oriëntatie verschillen ze niet van de niet-gebruikers. Uit een regressie-analyse komen internetvaardigheden, politieke interesses en politieke activiteit wel naar voor als significante voorspellers van participatief mediagebruik. Dit geldt ook voor mediacynisme en ‘er zelf voldoening aan hebben’. (p. 31-33).

Duiding van de resultaten

Het gemeten bereik van online politieke participatieve media is hoogstens 23,7 procent van de Nederlandse bevolking. Het percentage van de bevolking dat deelneemt is hoogstens 5,8 procent. Een bedreiging voor de professionele journalistiek zijn burgerjournalisten nooit geweest en dat was ook niet de bedoeling. Er was wel de terechte onvrede met de ‘mainstream media’ en dat blijkt ook een motief te zijn. In een interview stelt de auteur:

“Maar ik denk dat journalisten juist in hun handjes mogen knijpen dat ze uit die verschillende bronnen kunnen putten voor hun verslaggeving. Dat nieuwsmedia, en dan met name kranten, het zwaar hebben, heeft eerder te maken met teruglopende advertentie-inkomsten en de voortdurende zoektocht naar werkende business-modellen voor hun verschillende digitale platforms.”

Daaruit concluderen dat online participatieve media geen invloed van betekenis hebben in het politieke landschap is echter te snel gedacht. Inzoomen op de 6% politiek actieven in participatieve media zou daarover meer duidelijkheid brengen.  De auteur vraagt zich af wat de invloed is van de actievelingen, maar geeft daarop geen antwoord (p. 36). Het antwoord zullen we elders moeten zoeken.

Wordt vervolgd…

Referenties

Tom. P. Bakker, ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’, 2013

Inteview met Tom Bakker in ‘De Nieuwe Reporter’

Measuring the Information Society, ITU, 2012

Trendrapport Computer- en Internetgebruik 2011, Digivaardig & Digibewust

Digitale Geletterdheid in het Voortgezet Onderwijs, 2012, KNAW