about
Toon menu

Zin en onzin van de onderwijshervorming

Er werd de afgelopen dagen een stevig robbertje gevochten over de op til staande onderwijshervormingen. Experten allerhande, die met merites maar evengoed de zelfverklaarde, strooiden gul met meningen en werden willens nillens in het pro- of het contra-kamp ondergebracht. De ruimte voor nuance en inhoud werd steeds krapper.
dinsdag 4 juni 2013

Intussen bereikten de regeringspartijen een akkoord over de hervormingsplannen. Wat opvalt zijn de blije gezichten alom. Vreemd, zoveel vreugde na het moeizaam onderhandelen over een omstreden hervormingsplan. Dat zou namelijk wel eens kunnen betekenen dat het onderwijs aan de slag moet moet met een vrijblijvende en verwaterde versie van de plannen.

Hoeveel tevredenheid de regeringspartijen ook schijnen uit te stralen na het partijtje armworstelen, de twijfels en bedenkingen blijven. De discussie is dan ook allesbehalve nieuw. De bewuste plannen van minister Smet liggen al een paar jaar op tafel en maken deel uit van het regeerakkoord dat alle huidige regeringspartijen, ook de N-VA die plots ging dwarsliggen, ondertekenden.

Wie het strijdtoneel van de afgelopen weken aanschouwde ging haast geloven dat er sprake was van een heuse onderwijsrevolutie, van een waarlijk radicale ommekeer in onderwijsland.

Zelfs de onderwijsvakbonden raakten het niet eens. De christelijke onderwijsvakbond ging resoluut in het verweer tegen de plannen. De socialistische evenknie toonde zich gereserveerd, maar toch constructief. Dat er geen breed draagvlak bestaat voor de plannen, klinkt het in het contra-kamp. Een legitieme kritiek, maar onvoldoende grond voor een negatieve houding volgens velen. Het onderwijsveld blijkt immers zelden of nooit warm te krijgen voor verandering, zo leert de geschiedenis.

Intussen kon er ei zo na een regeringscrisis afgewend worden en bereikte de regering dus een akkoord dat blijkbaar iedereen tot winnaar kroont. Wie de hervormingsplannen een warm hart toedraagt hoopt echter vurig dat onze kinderen niet met een verwaterde versie aan de slag moeten.

De Nota van Smet

Wat is nu eigenlijk de inzet van de nota waarover de emoties zo hoog oplopen? In een notendop:

Aan de basis van de hervormingen liggen competenties en niet pure kennis. Met competenties worden de vaardigheden bedoeld die elke leerling moet bezitten om de opgedane leerstof aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten. Die basis vertrekt vanuit tien sleutelcompetenties die alle nodig geachte vaardigheden aan bod laten komen. Vanuit die competenties zullen leerplannen, vakken en kwalificaties opgesteld worden.

In de hervormingen wordt een vlotte overgang tussen het basis- en het secundair onderwijs voorzien door middel van meer begeleiding, een verplicht getuigschrift voor het basisonderwijs en een algemene screening van het Nederlands.

Er is ook veel ruimte voorzien voor differentiatie, met andere woorden persoonlijke begeleiding. De nieuwe structuur van het secundaire onderwijs zal uit een brede algemeen vormende eerste graad bestaan, een verbrede tweede graad en een kwalificerende derde graad. Leerlingen zullen dus pas vanaf hun veertiende beslissende keuzes moeten maken. Er blijft vanaf de tweede graad wel duidelijk een onderscheid bestaan tussen arbeidsmarktgerichte domeinen en domeinen die eerder gericht zijn op verdere studies. De termen ASO, TSO, BSO verdwijnen.

Kennis van zaken

Wij vroegen een aantal mensen met kennis van zaken om hun ongezouten mening.

Onderzoekers Ides Nicaise en Jeroen Lavrijsen bestuderen de sociale aspecten van onderwijs bij het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving HIVA (K.U.Leuven). Volgens hen is de vrees van de N-VA, heel wat leerkrachten en de christelijke onderwijsvakbond COCvoor een neerwaartse nivellering onterecht. Ze stellen dat er genoeg wetenschappelijk onderzoek voorhanden is dat dit schrikbeeld tegenspreekt. Zo ligt het gemiddelde niveau vaak het hoogst in die onderwijssystemen met een langer gemeenschappelijk curriculum zoals Finland. Internationale schooltests zoals de PISA-test (Programme for International Student Assessment, een grootschalig internationaal vergelijkend onderzoek), bevestigen die stelling.

Nicaise en Lavrijsen citeren dan ook de aanbeveling van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) om komaf te maken met de vroege opsplitsing tussen onderwijsvormen, die volgens hen onrechtvaardig is en geen duidelijk voordeel heeft in termen van gemiddelde prestaties.

Nicaise en Lavrijsen stellen dat het perfect mogelijk is om in het onderwijs zowel iedereen gelijke kansen te bieden en tegelijkertijd cognitief sterke leerlingen uit te dagen. Ze suggereren dat het onderwijs zal moeten differentiëren en dus iedereen begeleiden en dat die begeleiding op maat van de belangstelling van elke leerling zal moeten gebeuren. Volgens Nicaise is het zeker wenselijk om zo lang mogelijk een gemeenschappelijke vorming aan te bieden.

Dirk Jacobs is hoogleraar sociologie aan de ULB en een van de Belgische specialisten op het vlak van politieke participatie van etnische minderheden en onderwijssociologie.

“Op zich voltrekt er zich een vreemd steekspel waarin er behoorlijk wordt gepolariseerd. VOKA dat zich aan de zijde van minister Smet schaart. Onderwijsvakbond COC die plots tegen de hervormingsplannen blijkt te zijn en zo in het NVA-kamp belandt. Het maakt me bijzonder ongelukkig om te zien dat het debat zulke vreemde wendingen neemt en de inzet wordt van een politiek steekspel. De nota is niet nieuw. De nota Monard waarop de huidige plannen zijn gebaseerd dateert van april 2009. Maar plots slaat de verkiezingskoorts toe en duiken er allerlei nieuwe bezwaren op. Het debat heeft ook een positief aspect: een aantal fundamentele vragen liggen nu op tafel. Wat is het doel van ons onderwijs? Mikken we op hoge scores, willen we ons onderwijs filteren tot iedereen die niet meekan er uit ligt? Of willen we ernaar streven dat elk kind zijn of haar talenten optimaal kan ontplooien zonder belemmerd te worden door sociale achtergrond of status? Willen we er voor zorgen dat technische richtingen ook cognitief sterke leerlingen uit allerlei sociale milieus aantrekken en dat kansarme kinderen meer kunnen doorgroeien naar academische richtingen? Dan is de onderwijshervorming met een brede eerste graad cruciaal. Deze onderwijshervorming brengt een zinvolle discussie over de maatschappij naar voor.”

“Het verwijderen van de tussenschotten tussen ASO, TSO en BSO is een van de belangrijkste ingrepen in de hervormingsplannen. In Polen voerde men een gelijkaardige hervorming door en die blijkt prima te werken. De watervallogica (Hoog mikken is de boodschap. 'Afdalen’ kan nadien nog altijd.) is nefast, maar maakt deel uit van een hele cocktail van problemen. Een brede eerste graad vangt daar een deel van op, maar is uiteraard niet zaligmakend en geen geïsoleerd doel op zich. Het onderwijs kampt met segregatie, met taalachterstand, met een hele reeks aan problemen. Deze hervorming is een goed begin, maar volstaat niet om die problemen het hoofd te bieden. Er moet ook gesleuteld worden aan de lerarenopleiding, om maar iets te noemen.”

“De kritiek dat het onderwijs kinderen niet hoeft klaar te stomen voor de arbeidsmarkt is op zich terecht. We moeten kinderen niet vormen als werknemer maar in de eerste plaats als burger. Maar we moeten ook durven toegeven dat heel wat technische en beroepsrichtingen eenvoudigweg niet zijn aangepast aan de huidige maatschappij. Kinderen massaal in richtingen duwen zoals mode (het vroegere snit en naad) of kantoor is zinloos. Er is geen vraag meer naar dat soort competenties. Het is vanuit die logica dat VOKA zich plots aan de zijde van minister Smet schaart. Zij vertrekken natuurlijk vanuit de logica van competitiviteit.”

“Heel wat bezwaren worden eigenlijk letterlijk onderuitgehaald door de praktijk in een land als Finland, waar men er wel in geslaagd is aan de hand van een doorgedreven onderwijshervorming tot een fundamenteel ander en modern onderwijs te komen. Het Finse onderwijs gaat uit van een anti-neoliberale logica: het onderwijs als vorming van mensen, en niet als het klaarstomen van werknemers of academici. Toch scoort Finland hoge toppen in de PISA-tests, tests die nochtans op een functionele manier de waarde van leerlingen op de arbeidsmarkt meet, tests waaraan ze in eerste instantie niet eens wilden deelnemen omdat ze indruisen tegen de Finse visie op onderwijs.”

“De voorgestelde hervormingen zijn een stap in een democratiseringsproces dat nog lang niet af is.”

Intussen blijft het angstvallig afwachten wat er uiteindelijk van de omstreden plannen terechtkomt met het kersverse akkoord in de achterzak. Krijgt het onderwijs de broodnodige hervorming waar velen al lang op wachten of wordt het een vrijblijvende oefening zonder veel gevolg? Het net verworven akkoord doet vrezen voor dat laatste. 


Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

4 reacties

  • door daddy op woensdag 5 juni 2013

    Ik lees hier een paar sociologische en economische argumenten voor de hervorming, vage verwijzingen naar studies en de simpele stelling, zonder meer, dat de sterkere leerlingen ook nog moeten uitgedaagd worden. Nergens gaat het over de ontplooiing van onze kinderen als mens, nergens gaat het over hun interesse, leergierigheid, voldoening en motivatie. De benadering van dit hele dossier door de hervormers vind ik dan ook zeer eng. De realiteit kan ik toetsen aan de huidige situatie in het basisonderwijs waar alle kinderen nu al samen zitten met "differentiatie" als deus ex machina (mijn excuses voor het latijn maar iedereen kent die uitdrukking wel). Als ouder van een paar vrij begaafde kinderen kan ik je verzekeren : het werkt niet. Het is normaal dat een leerkracht de zwakkere leerlingen niet aan hun lot overlaat, maar dat betekent onvermijdelijk dat het basisniveau van de klas het niveau van de zwaksten wordt. In de praktijk betekent differentiatie dan dat de sterkere leerlingen (als je als ouder lastig genoeg doet) een blaadje meer meekrijgen als huiswerk. Het resultaat is dat je als ouder van een begaafd kind maar één optie hebt : versnellen. Maar ook daar zijn grenzen aan. Ik zal nu al negenjarigen naar het secundair onderwijs moeten sturen maar dat lijkt me toch de grens te zijn, ik kan mijn kinderen toch niet met hun melktandjes in de klas zetten bij dames die al met een B- of C- cup kunnen pronken ? Je kan me dan elitair, neo - liberaal en voor mijn part zelfs reactionair noemen, ik ben blij dat nog iemand durft opkomen voor de gewone en de begaafde kinderen. En eigenlijk zijn ook de cognitief zwakkeren niet gebaat bij de voorgestelde hervorming, zij moeten ook zo vroeg mogelijk de kans krijgen te doen waar ze goed in zijn zonder de frustratie iets te moeten leren dat ze niet aankunnen. Laat mij nu dus ook maar eens een zware term gebruiken, iedereen in het secundair nog willen gelijkschakelen is egalitair fascisme. Ik ben dus opgelucht dat mijn kinderen aan dat monster zullen ontsnappen. Dank je NV-A !

  • door H Coopman op woensdag 5 juni 2013

    Is dit goede journalistiek? Is dit stuk genuanceerd? (1) In het VL regeerakkoord staat over het rapport Monard dat het een "goede basis" is. Dat hier dan weer enkel N-VA genoemd wordt, betekent alleen maar meer stemmen voor die partij. (2) Zou het onderwijsveld ook tegen verandering zijn wanneer het over ernstige investeringen zou gaan (bijv. écht meer begeleiding) en wanneer geen onrealistische verwachtingen gesteld zouden worden (en dus niet verlangen zou worden dat onderwijs maatschappelijke problemen oplost)? (3) Slechts "een aantal mensen met kennis van zaken" werd om hun ongezouten mening gevraagd, namelijk enkel (onderwijs)sociologen! Op zich is daar niets mis mee, want SOCIALE ONGELIJKHEID moet bestreden worden (deels ook door het onderwijs). Maar wanneer die sociologen "ongezouten" beweren dat zonder probleem ook kan rekening gehouden worden met COGNITIEVE ONGELIJKHEID, dan hebben ze duidelijk geen kennis van zaken meer en zou men beter zijn licht opsteken bij onderwijskundigen en pedagogen. (a) Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat in de praktijk maar zéér weinig gedifferentieerd wordt. (b) Vergelijking met andere landen (Finland, Polen) is niet erg wetenschappelijk, zelfs wanneer men allerlei verschillende variabelen en randvoorwaarden ZOU in rekening brengen (wat men in dit debat en in dit artikel niet eens doet). (4) Van dit artikel onthoud ik enkel de paragraaf waarin de originele nota Smet GERELATIVEERD wordt: hoogstens "een goed begin"... zoals in het VL regeerakkoord staat... hetgeen N-VA goedkeurde...

  • door Piet De bisschop op woensdag 5 juni 2013

    Nu UNIZO en VOKA de plannen van Smet uitgebreid hebben bewierookt (voor die laatsten kan het niet snel genoeg gaan : niet te veel tijd verliezen met directies en syndicale groepen en zo vlug mogelijk goede -en liefst zo goedkope en flexibele- arbeidskrachten afleveren) is De Wever in dit dossier aan andere partners toe. Wordt hij bondgenoot van de vakbonden ? Het doet mij wat denken aan het Vlaams Blok van De Winter en wijlen Morel, die zich opwierp tot echte verdediger van de werkman, en een eigen vakbond wilden starten. Op is er toch weer sprake van enig populisme in de aanloop van 2014 ? Ad captandum vulgus.

  • door Raf Feys op woensdag 12 juni 2013

    Op de website www.onderwijskrant.be publiceerden we een uitgebreide en kritische analyse van het (vage) masterplan (10 pagina's). Eén van onze stellingen luidt dat ook in het masterplan de sterke kanten van ons s.o. als dé grote knelpunten bestempeld worden - en dit op basis van kwakkels die al sinds 1991 door Georges Monard en co verspreid worden. Vlaanderen telt b.v. momenteel niet minder dan 90 % leerlingen met een einddiploma s.o. - dat is opvallend meer dan in andere Europese landen en dan in modelland Canada. De hervormers spraken voortdurend van 1 op 6 zonder diploma; vandaag staat in Knack dat er zelfs 20 % zouden zijn. In landelijke gebieden is het aantal leerlingen zonder diploma zelfs nog een heel stuk lager dan 10 %. We zijn evenmin kampioen zittenblijven. Bij de overgang naar het s.o. (= in eerste jaar) zijn er amper 2,8 % zittenblijvers. Onze hoge PISA-score is ook maar mogelijk omdat we minder leervertraagde 15-jarigen hebben

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties