Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

Spanje: de financiële overname van ‘onze’ kranten

De mediacrisis deint verder uit. Dalende verkoopscijfers lopen parallel met dalende geloofwaardigheid. Talloze journalisten blijven ontkennen dat eigendomsstructuur en reclame als inkomstenbron ideologische filters zijn van wat passeert als nieuws 'fit to print'. In Spanje ziet journalist Don Quijones de realiteit. Staat het de media hier ook te wachten?
zondag 2 juni 2013

“In een krant zoals El País is het niet langer mogelijk om de belangrijkste Spaanse banken te bekritiseren. Men moet ook zeer voorzichtig zijn wanneer men spreekt over de regering voor het geval ze kwaad zou worden: haar liefdadigheid is nodig om een faillissement te voorkomen.”

Bovenstaande woorden komen van Enríc González, één van de meest gerespecteerde journalisten van Spanje. Meer dan twee decennia werkte hij voor El País, de meest verkochte krant van Spanje, waar hij al die tijd talrijke functies had, waaronder correspondent in Londen, Parijs, Washington, New York en Rome.

Een paar maanden geleden kwam zijn loopbaan echter tot een nogal zuur, abrupt einde toen hij publiekelijk afstand deed van zijn positie. In een vernietigende ontslagbrief in JotDown, een exclusief door lezers gefinancierd magazine, beschuldigde hij de directeur van El País, Juan Luis Cebrían, ervan aan een ongeneeslijke gokverslaving op de beurs te lijden en keurde hij de decadentie en het verraad van de nationale pers af.

De reden voor zijn ontslag was duidelijk: El País had juist tientallen van zijn journalisten ontslagen terwijl ze, zoals González het omschrijft, blijven, “hun grote bazen met goud overladen”.

De krant beweerde dat het zich niet langer kon veroorloven zo een grote hoeveelheid journalisten te hebben door de hoge schuld die moederbedrijf uitgeverij PRISA had opgelopen tijdens de woeste dagen van de Spaanse bloei van de vastgoedsector. Het was, schreef Pere Rusiñol in El Diario, “een schoolboekvoorbeeld van hoe slecht beheer zelf de meeste solide journalistieke instelling die Spanje ooit gehad heeft kan neerhalen.”

Tegen de tijd dat de zeepbel in 2008 eindelijk barstte had PRISA het voor elkaar gekregen een schuld op te bouwen van bijna 5 miljard euro (om dat getal in perspectief te brengen, het doet de totale gecombineerde schuld van alle Spaanse topvoetbalploegen klein lijken). Met de ineenstortende bedrijfswaarde sloten de markten hun deuren voor de uitgever, waardoor het zijn hoofdbestuur radeloos dolend alleen liet om nieuw geld te vinden om een faillissement af te wenden.

Om vijf voor twaalf werden hun gebeden verhoord: een in New York gebaseerde hedgefondsmanager Nicholas Berggruen bood aan om 650 miljoen euro in het sukkelende bedrijf te pompen.

Het was een deal die alle betrokken partijen ten goede kwam – behalve, natuurlijk, El País, die zichzelf plotsklaps vastgeklonken zag aan één van Wall Streets rijkste en machtigste financiers. Zoals zo vaak gebeurd wanneer er grote geldbedragen beginnen te vloeien tussen de bureau’s van topmanagers, neemt iedereen er zijn deel uit – en niemand meer dan de directeur van El Pais, Cebrián, die in 2011 ruwweg 14 miljoen euro aan lonen en commissies bijeenzamelde – niet slecht voor drie jaar werk, vooral als je in acht neemt dat gedurende dezelfde periode El País tot bijna 50 miljoen euro had verloren!

Wat Berggruens deel betreft, hij ontving een decadente 7 percent jaarlijkse afbetaling op zijn aandelen van de groep, ondanks het feit dat er al jaren waren voorbijgegaan sinds aandeelhouders van de groep nog een dividend op hun aandelen hadden ontvangen – aandelen die nu 2 procent van hun originele waarde hebben van toen PRISA een overheidsbedrijf werd.

De financiële overname van de pers

Vijf jaar na de crisis is het merendeel van de aandelen van PRISA niet langer van de stichtende Polanco-familie, maar van banken zoals Santander, Caixabank en HSBC, om de Spaanse telecommunicatiegigant Telefoníca en de Wall Street hedgefondsen niet te vermelden.

Door uitverkocht te zijn aan de financiële sector kan men niet anders dan zich af te vragen hoe El País nog zal kunnen voldoen aan zijn rapporteerverplichtingen nu het virtueel helemaal behoort aan dezelfde banken en financiers aan wie het verondersteld is te rapporteren.

Natuurlijk zullen de nieuwe eigenaars een manier willen hebben om hun zeg te hebben in hoe de zaken lopen. Inderdaad, ze hebben reeds ‘één van de hunnen’ aangeduid voor de positie van bestuursvoorzitter – een man genaamd Fernando Abril-Martorell wiens vorige ervaringen ondermeer bestuursmandaten bij de Zwitserse bank Crédit Suisse en Telefoníca omvatten (nauwelijks relevante ervaring, zou je denken, voor het runnen van een mediabedrijf).

Hoeveel invloed de banken en bedrijven zullen hebben over de redactionele beslissingen van El País is onmogelijk te zeggen, maar het volstaat te zeggen dat de krant waarschijnlijk niet zal bijten in de meerdere handen die het nu voeden. Dit zou natuurlijk geen probleem zijn als de belangen van haar nieuwe grootaandeelhouders min of meer in lijn waren met die van de lezers van El País of van het bredere publieke belang dat de krant bedoeld is te dienen.

Echter, zoals de laatste vijf jaar hebben aangetoond, de meeste onderwerpen die van belang zijn voor de financiële sector zouden niet verder kunnen afwijken van die van het grote publiek. Simpel gezegd, wanneer de banken winnen, heeft de rest van ons de neiging om te verliezen. Bijvoorbeeld, wanneer een overheid beslist om een enorme belastingbetaalde reddingsoperatie te gunnen aan een in moeilijkheid verkerende instelling, zoals Spanje deed met Bankia, dan moet dat geld ergens anders worden gehaald - en dat is altijd van essentiële openbare diensten zoals onderwijs of gezondheidszorg.

Trouwens, zoals het Spaanse ‘preferentes’ bedrog of het ‘robo-signing’ schandaal in de VS ruimschoots hebben aangetoond, wanneer de grote banken in woelige waters verzeild raken, zijn ze meer dan blij om hun klanten uit de boot te gooien om zo hun eigen voortbestaan te verzekeren.

Slechts het begin?

Met meer en meer mediagroepen die moeite hebben om rond te komen in dit nieuwe tijdperk van internetjournalistiek en kelderende advertentie-inkomsten, kan men niet anders dan zich af te vragen hoeveel andere kranten binnenkort nog in de klauwen van de grote banken en bedrijven zullen terechtkomen. Immers, aan de snelheid dat de zaken lopen, zullen de ‘too big to fail’ banken nog de enigen zijn met nog voldoende middelen om de exorbitante onderhoudskosten van een volledig bemande krant te betalen. Maar tegen welke prijs?

Volgens een recent onafhankelijk rapport in opdracht van de Europese Commissie zijn de gevaren overduidelijk: de overmatige invloed van zakelijke eigenaars of klanten van reclamebureaus leidt onvermijdelijk tot geheime manipulatie van politieke beslissingen in het voordeel van verborgen economische belangen. Wat nog belangrijker is, in veel Europese landen is het voor het publiek niet mogelijk om uit te vinden wie de werkelijke eigenaars zijn van de media, zoals een studie in samenwerking met Access Info Europe en het Open Society Media-programma heeft aangetoond.

Zoals Enric González onlangs schreef in een artikel voor het volledig door lezers gefinancierd, reclamevrij magazine Orsai: “Journalistiek overleeft en zal altijd overleven. Het vak zal niet verdwijnen. Het probleem is dat de journalistiek als een vak niet langer het publiek dient.”

De uitdaging voor de toekomst, zowel voor het publiek als voor het journalistieke beroep wordt het vinden van een eigendomsmodel dat het mogelijk maakt dat financieel ongebonden kranten en omroepen floreren, zodat gevarieerde en onafhankelijke media weer kunnen dienen als bescherming tegen de gevestigde belangen van grootkapitaal, financiën en overheid.

En als er één ding zeker is, is het dat de vrijemarktlogica en de voortgaande consolidatie van de sector in steeds minder en rijkere handen niet het antwoord is en nooit is geweest. Zoals David Simon, de maker van de bekroonde tv-serie The Wire en een voormalige gespecialiseerde verslaggever bij de Baltimore Sun, onlangs zei in een getuigenis voor een Amerikaanse hoorzitting van de Senaat, “Hoogstaande journalistiek kan en moet elke hand die haar probeert te voeden bijten.”

Laten ons hopen dat El País die les eerder vroeger dan te laat leert.

Don Quijones

25 mei 2013

Vertaling van 'The financial take-over of our newspapers'

Vertaald uit het Engels door Bavo Vanoost

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

3 reacties

  • door Piet De bisschop op maandag 3 juni 2013

    De gekende truc nietwaar : eerst droogleggen of in ademnood brengen. Privatisering (op allerlei vlakken : energie, openbaar vervoer, cultuur en media, gezondheidszorg) is hiervoor het meest geschikte middel. Het kapitaal speelt immers een thuismatch. Als dan de geldschieter als reddende engel (de witte ridders van deze wereld) op het toneel verschijnt is de slogan : voor wat hoort wat. De crisis komt dus sommigen goed uit ...

  • door Jaak Peeters2545 op maandag 3 juni 2013

    Ook bij ons kan dat gebeuren. De kranten zijn hier al virtueel dood en nu volgen de weekbladen. Dat zie aan het feit dat ze bijna allemaal regimepers geworden zijn en afhangen van 360.000.000 euro/jaar vanuit de staatskas. De zelfcensuur doet dan gauw de rest.

  • door bewusteman op maandag 3 juni 2013

    ondermeer de Corelio-groep, en we weten dat grote baas Thomas Leysen ook in KBC actief is, zo moeilijk is dat trouwens niet te achterhalen.. Probeer maar eens in de Standaard of het Nieuwsblad iets negatiefs over KBC te vinden.. en let eens op hoeveel reclameruimte deze bank krijgt. Om van te walgen, dit soort praktijken.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties