about
Toon menu

Wetenschapsfraude: het failliet van een perfide systeem

Er wordt geschokt gereageerd op de wetenschappelijke fraude door een biowetenschapper van de VUB. KULeuven-rector Mark Waer lichtte al toe hoe hij fraude in de toekomst het hoofd wil bieden: sensibilisering, controle en repressie. Nochtans moedigen de academische overheden dit soort wanpraktijken zelf aan door universiteiten als bedrijven te laten functioneren.
donderdag 21 maart 2013

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Wetenschappelijke fraudegevallen halen steeds vaker de pers. Iedereen herinnert zich de succesvolle Tilburgse hoogleraar Sociale Psychologie Diederik Stapel nog waarvan in 2011 bleek dat hij zijn onderzoek grotendeels baseerde op verzonnen gegevens. En hoewel Stapel en zijn VUB-collega hopelijk extreme gevallen zijn, zijn ze geen absolute uitzonderingen. Op dezelfde dag dat het fraudenieuws van de VUB bekend raakte, pakte het tijdschrift EOS namelijk uit met een enquête waarin één op twaalf Vlaamse medische wetenschappers toegeeft onderzoeksmateriaal te verzinnen of minstens te “masseren”.

Extreme gevallen van fraude zijn geen absolute uitzonderingen.’

Vlaamse rectoren reageren unaniem geschokt op dit nieuws. Nochtans ziet het ernaar uit dat ze oogsten wat ze gezaaid hebben. Wetenschappers geven immers al jaren aan dat de werkdruk torenhoog is en de competitie buitensporig. Zoals Paul Verhaeghe het al overtuigend beschreef – en zoals het ook beschreven staat in het Slow Science Manifesto dat de Vooruitgroep lanceert - zijn universiteiten op relatief korte tijd geëvolueerd naar corporate bastions waar enkel nog kwantiteit en rendement van belang zijn, met alle gevolgen van dien.

In 2007 verzamelden enkele jonge onderzoekers tevergeefs 15.000 handtekeningen om protest aan te tekenen tegen het nieuwe onderwijsdecreet van Frank Vandenbroucke. Sinds het decreet in voege is worden universiteiten gefinancierd op basis van hun output. Zowel wat betreft het aantal geslaagde studenten als het aantal publicaties in Engelstalige toptijdschriften, het aantal afgeleverde doctoraten, het aantal lezingen op internationale congressen, het aantal keer dat men geciteerd wordt en het binnenhalen van externe projectgelden. Kwaliteit wordt dus haast uitsluitend op een kwantitatieve manier ingevuld.

De rendementslogica vormt in combinatie met de beperkte middelen een dodelijke cocktail.

Samen met de beperkte middelen die er ter beschikking zijn, vormt dat een dodelijke cocktail. Niet alleen tussen universiteiten onderling, maar ook tussen faculteiten en individuele academici woedt een constante concurrentiestrijd. Het enige devies wordt dan: zoveel mogelijk produceren en dus beter scoren op de kwantiteitsbarometer dan de andere collega, faculteit en universiteit. Het gevolg is dat academici amper nog in degelijk onderwijs investeren, niet meer in het Nederlands schrijven, en hoe langer hoe meer de greep zijn verloren op een op hol geslagen instelling die hen steeds vaker korte en onzekere loopbaantrajecten aanbiedt.

Dat mensen de kantjes ervan af lopen en bijvoorbeeld hun eigen artikels ‘plagiëren’ door dezelfde onderzoeksresultaten aan verschillende tijdschriften te slijten, is dan ook weinig verwonderlijk. Maar ook echt plagiaat en zelfs fraude met onderzoeksmateriaal zijn uitwassen die samenhangen met dit systeem. Inhoudelijke kwaliteit en integriteit zijn immers niet langer van tel voor wie wil meedraaien in het academische veld: tijd kost immers geld.

‘Universiteiten moeten ook investeren in wat niet onmiddellijk opbrengt.’

Het is dan ook op zijn minst merkwaardig dat KULeuven-rector Waer in de krant wel de link legt tussen fraude en de hoge publicatiedruk, maar nooit de nodige stappen heeft gezet om iets aan die druk te doen. Zijn visie op onderzoek lijkt vooralsnog te bestaan uit het verder aanzwengelen van de rendementslogica die de Vlaamse universiteiten beheerst. Het is haast pijnlijk te noemen dat hij onder meer suggereert om een sensibiliserende affichecampagne tegen fraude te lanceren.

Als de universiteiten de fraude écht willen aanpakken zal men het probleem bij de wortel moeten aanpakken. Dat wil zeggen dat men allereerst ook zal moeten investeren in wat niet onmiddellijk opbrengt: tijd voor reflectie, publiceren in toegankelijke tijdschriften, investeren in onderwijs. 
Daarnaast zal men in plaats van tijdelijke contracten toekomstperspectieven moeten bieden aan jonge onderzoekers. En zal men professionele onderzoekers, veeleer dan managers, opnieuw de touwtjes in handen moeten geven. Een universiteit zou de samenleving met andere woorden beter dienen in plaats van zich te verliezen in een concurrentiestrijd met kleine Angelsaksische topuniversiteiten die lang niet zo democratisch, laagdrempelig en volksopvoedend zijn als de Vlaamse.

reacties

Eén reactie

  • door froels op vrijdag 22 maart 2013

    Natuurlijk staan onderzoekers onder zware druk om te publiceren, en dat gelukt ze maar indien ze "significante" resultaten voorleggen. Het zijn in de eerste plaats de professionele tijdschriften, de editors en de anonieme referees (andere wetenschappers!) die deze norm quasi universeel opleggen. Over de eisen die universiteiten en subsidiërende fondsen stellen, zijn ze niet echt meester: het zijn internationale criteria. Indien de sponsors van commerciële aard zijn, is een vooruitzicht op vermarkting van belang. Dat het alleen om "kwantitatieve" criteria gaat, zoals als Ciska Hoet schrijft, is niet eerlijk; elk resultaat is in principe kwalitatief gecheckt en double gecheckt. Ik zeg "in principe", want blijkbaar onvoldoende in de gesignaleerde gevallen. Zowel voor het onderwijs zijn er menigvuldige kwaliteitsnormen, als voor publicaties. In principe mag een artikel de vakgroep niet verlaten zonder controle door andere onderzoekers. Er zijn ook buitenstaanders die vragen kunnen stellen. Die waarborgen werken in vele gevallen, maar dus niet 100%. Ik ben voorstander van het meetellen van het aantal citaten van elke publicatie, per onderzoeker, in de plaats van de citatiefrequentie van het tijdschrift die geen maat is voor de kwaliteit van de onderzoeker. Daarover is veel gediscussieerd. Dat het aantal afgestudeerde studenten (output) de subsidie determineert, is een gevaarlijke techniek. Ze leidt m.i. (en volgens vele anderen) tot verlaging van de exameneisen.Daarom is ze zo pervers: iedereen tevreden! (behalve de patiënt/klant die later is overgeleverd aan de zwakke student die toch een diploma krijgt- omdat hij/zij geld binnenbrengt). Frank Vandenbroucke heeft hier de commerciële logica gevolgd: ook bedrijven worden beloond volgens het aantal verkochte producten. De vroegere subsidieregeling, nl het aantal ingeschreven studenten, was objectiever voor de reële kosten de een instelling heeft. Maar het is een ideologie, geliefd in Europa, dat geld resultaat-gebonden moet zijn. Efficiëntiewinst etc. Maar welke resultaat willen we? Die discussie wordt minder gevoerd (aantal afgestudeerden versus hoger niveau van de afgestudeerden). Het vermijden van opzettelijk bedrog in de wetenschap is geen eenvoudige klus; controle door de andere stafleden van de vakgroep lijkt mij cruciaal. Vast benoemd of niet, de noodzaak om kredieten te verwerven of te bevorderen) blijft een tweesnijdend zwaard.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties