about
Toon menu

‘Het komt gewoon allemaal uit dezelfde bron’

BRUSSEL – Tegenwoordig krijgt hij wel meer mediabelangstelling, zonder ook maar één compromis te sluiten. We hebben het over Bert Dockx: een begenadigd Antwerps gitarist. ‘Het belangrijkste is om eerlijk te blijven met jezelf’, zal hij me in de loop van het gesprek toevertrouwen.
donderdag 21 maart 2013

Zes jaar geleden begon hij zijn eerste liedjes te schrijven en inmiddels heeft hij zowel met Flying Horseman, tegenwoordig een echte groep met Bert als frontman, als met Dans Dans twee albums uitgebracht. Daarnaast speelt hij gitaar bij Scoreman, een bigband onder leiding van Thomas De Prins van The Internationals en Sweet Defeat, de groep van de Gentse klarinettist Tom Wouters. En onlangs schreef hij nog met enkele vrienden een soundtrack voor de horrorfilmklassieker ‘Nosfertu’. DeWereldMorgen sprak met deze kritische artiest pur sang.

Bert Dockx: ‘Onze muziek is moeilijk in een vakje te steken en ik koos ook nooit bewust om in een bepaald genre muziek te maken. Ik doe gewoon graag nogal veel verschillende dingen, allemaal heel intuïtief. Ik hoor nog van mensen die uit het hardere muziekgenre komen dat ze ‘Flying Horseman’ en ‘Dans Dans’ goed vinden: een logische link, omdat het ook muziek is die wel een groot publiek bereikt, maar toch weinig airplay krijgt. Bovendien voor een groot stuk in de underground, geëngageerd, met veel intensiteit, donker, … Dat zit ook allemaal in onze muziek!’

Toch komt ‘Dans Dans’ uit een jazz-achtergrond…

‘Klopt. ‘Dans Dans’ ontstond toen ik jazz studeerde aan het conservatorium te Brussel. In het begin was het ook een redelijk traditioneel jazz-trio met contrabas. Maar al snel kwam er een vermenging met andere invloeden bij: voor mij is dat ook wat jazz aan de basis is, samen met de improvisaties ook. Met Flying Horseman worden we bijvoorbeeld vaak in het vakje van de singer/songwriter geplaatst: daar voel ik me minder in thuis. Ik heb meer affiniteit met experimenteler dingen.’

Ondanks je talent, inzet en je jarenlange ervaring als gitarist, blijf je in Vlaanderen toch nog vrij onbekend. Aan wat ligt dat denk je?

‘Voor mij heeft de kwaliteit van de muziek niets met de populariteit ervan te maken. Wel met de juiste omkadering, het juiste label, de radiovriendelijkheid en het feit of er geld mee te verdienen valt. Ik heb jarenlang gezocht naar mensen die mijn muziek wilden uitbrengen en toen speelde ik ook al op dat niveau. Niet enkel de laatste 3 jaar. Maar toen had niemand interesse. Het artistieke en het commerciële zijn gewoon twee totaal tegengestelde zaken: ik heb met hetzelfde product nauwelijks aandacht gehad, terwijl ik nu zonder compromissen te sluiten een groter publiek bereik. Dat heeft te maken met het feit dat ik nu bij een groter label, Unday Records, zit, met meer perscontacten en financiële middelen.’

Bij het beluisteren van jouw muziek bekruipt je een gevoel van intensiteit, zowel muzikaal als tekstueel. Het moet er als het ware beiden uit! Is muziek maken voor jou een noodzaak?

Ja. Ik zie mezelf als een deel van de samenleving en ben me daar ook sterk van bewust: als ik dus een heel intieme tekst schrijf over een bepaald gevoel van ongemak of ergernis, dan kun je dat ook linken aan maatschappijkritiek. Die zaken overlappen. Sommige mensen zien dat dan als een statement, terwijl dat niet de bedoeling is. Het komt gewoon allemaal uit dezelfde bron. Ik maak dat onderscheid niet. Ik beschouw sowieso het maken van kunst en in mijn geval van muziek als een protestvorm tegen bepaalde maatschappelijke zaken.

Het allerbelangrijkste is om iets te creëren, een product dat ik uiteindelijk op de markt breng, dat in oorsprong op geen enkele manier rekening houdt met die uiteindelijke plek op de markt. Is het verkoopbaar? Is er een publiek voor? Die vragen spelen niet mee tijdens het creatieve proces en daarin zit nu juist de protestdaad! Dat is trouwens wel een keuze die ik bewust maak: het is als het ware een levenswerk. Zeker in onze huidige kapitalistische wereld is dat een statement dat ik wel wil maken, los van het tekstuele.’

Maar als statement kan een titel van het liedje ‘America is Dead’ toch wel tellen…

In mijn teksten zitten er vaak twee polen, die ook telkens beiden aanwezig zijn: enerzijds het introverte, het autobiografische en anderzijds het maatschappelijke. Soms valt het ene meer op dan het andere. Dat is echter nooit vooraf bewust gepland. Vaak is er een aanleiding die me heel intuïtief aan het schrijven zet. Maar achteraf bekeken gaat het over veel meer dan oorspronkelijk gedacht. ‘America is Dead’ gaat dus eerder over mijn relatie met de Verenigde Staten, een land dat onze manier van leven, denken, handelen en consumeren enorm beïnvloedt. Ook op muzikaal gebied heeft de VS me al jaren enorm beïnvloed: veel rock komt er uit voort, zwarte muziek ook… ondanks de zware kritiek die ik er over heb. Ik vind het zelf altijd vreemd om in het Engels te zingen, omdat het soms artificieel aanvoelt.’

Waarom zing je eigenlijk niet in het Nederlands?

Ik ga dat ook doen als de ‘Vliegende Paardenman’! Helemaal in het begin zei ik dat al tegen mijn vrienden. Het schrijven kan wel, maar het zingen is moeilijk: zoals gezegd is alle muziek waarop ik mij al van jongs af baseer Angelsaksisch. Je zit dus sowieso met een artificiële situatie: ofwel zing je in een taal die niet je moedertaal is ofwel zing je in het Nederlands, maar blijft er wel de ongelofelijke Angelsaksische muzikale invloed. De Amerikaanse roots-muziek, een genre dat eigenlijk niet bedoeld is om in het Nederlands te zingen. Een maffe evenwichtsoefening is dat telkens.’

Is er voor jullie een verschil tussen een live-concert en een studio-opname?

‘Eigenlijk is dat net hetzelfde. Ik heb ook nooit geld om lang in een goede studio te zitten, dus wordt eigenlijk alles live in de studio opgenomen. Er wordt ook veel geïmproviseerd, vooral bij Dans Dans. De studio-opname is een momentopname en dus al anders dan het live-concert. Maar de arrangementen en de geest van de muziek is op dezelfde manier tot stand gekomen.’

Hoe belangrijk is het visuele aspect? Ook gezien jullie recente samenwerking met choreograaf Wim Vandekeybus?

‘Wim nodigde ons uit voor ‘Fear Not’ en vroeg ons om een voorstelling te maken, maar dat zal iets voor de toekomst zijn. Het verbaast me niet dat choreografen en theatermakers – en hopelijk ook filmregisseurs – zin hebben om met mij samen te werken… Ik geef dat ook vaak aan in interviews! Ik ben heel visueel ingesteld, een filmfreak en ik hou van schilderkunst. Als ik met muziek bezig ben, denk ik ook vaak in beelden, zowel het tekstuele als het muzikale. Dat is zeer belangrijk voor mij.’

‘Met ‘Dans Dans’ proberen we wat dingen uit zoals met de live-tekeningen van Wim Lots. Hij ontwierp ook al tekeningen voor de hoes van onze komende plaat en daar gaan we op het podium ook iets mee doen. Met live-visuals staat er ook iets in de steigers, maar we willen daar niet in overdrijven, aangezien de muziek zelf al heel beeldend is en het plezier van een live-concert er ook in bestaat om de bandleden echt bezig te zien.’

Je voorbije platen nam je op met Koen Gisen als producer. Vanwaar die keuze?

‘Met ‘Flying Horseman’ gaan we in juni de volgende plaat met hem opnemen. Ik kende zijn producties niet echt, maar ik voelde me wel onmiddellijk op mijn gemak bij hem in de studio. Zijn studio heeft ook een specifieke sfeer in een prachtige ruimte. Ik werk graag met dezelfde mensen, zodat de dingen uitgediept kunnen worden. Wij gaan dus zeker samen nog platen maken.’

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.