about
Toon menu
Analyse

Bekvechten over taal: een Vlaams ritueel

Er zijn in dit land debatten die een cyclisch karakter hebben. Debatten over dialect, tussentaal en AN behoren daartoe: om de enkele jaren gaat Vlaanderen weer in een kramp over het statuut en de waarde van deze drie varianten van het Nederlands. De debatten staan krom van passie. Helaas staan ze niet krom van feitenkennis. Voor de geïnteresseerden.
vrijdag 31 augustus 2012

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

We maken weer een taalkramp mee. De aanleiding is een publicatie ‘De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams’ van de sociolinguïsten Absillis, Jaspers en Van Hoof, mensen met wetenschappelijke strepen op hun mouw. De auteurs stellen vrij eenvoudig vast dat ‘tussentaal’ – Nederlands met een accent – in de feiten de voertaal is in het onderwijs, en dat daarmee niks mis is. Het hindert het leren niet, het verlaagt de spreekdrempel, het voelt goed aan.

In dit land is een dergelijke feitelijke observatie voldoende om de poppen aan het dansen te krijgen, en de afgelopen dagen stonden de media bol van de standpunten pro en contra. Cultuurkenners aangevoerd door Geert Van Istendael, beleidsmensen, oud-leerkrachten taal: het is weer Kermis, om het op z’n Vlaams te zeggen.

Ik ben behoorlijk gespecialiseerd in vragen omtrent taal, en telkens ik geconfronteerd word met die periodieke kolieken over ‘goed’ en ‘slecht’ Nederlands heb ik dezelfde indrukken. Een, de argumenten zijn steeds precies dezelfde. Twee, de grote passie die wordt ontplooid in deze debatten wordt niet vergezeld van een grote kennis van zaken. Deskundigen hebben geen invloed, want het oude gezegde luidt dat ‘Taal te belangrijk is om het aan taalkundigen over te laten’.

Om dat eerste punt aan te geven: duik eens in de archieven van de kranten en zoek de vroegere debatten op: je zal er versteld van staan hoe kort het geheugen van dit volk is, hoe weinig het leert uit debatten in het verleden, en hoe ritueel en repetitief de verschillende standpunten zijn.

Ik zal op het tweede punt dieper ingaan, en een aantal dingen recapituleren die ik in 2008 samen met Piet Van Avermaet in een klein boekje heb geschreven, “Taal, Onderwijs en de Samenleving”. Dat boekje werd redelijk verkocht; de feiten en argumenten erin moeten echter blijkbaar telkens weer herhaald worden. Ainsi soit-il.

Alles is tussentaal

Ten eerste: Absillis, Jaspers en Van Hoof hebben uiteraard gelijk: ‘tussentaal’ beheerst in de praktijk het onderwijs. En niet enkel dat: het beheerst ook de ambtenarij, de media, de politiek – het beheerst letterlijk alles, het is feitelijk ‘de taal’ van ‘de Vlaming’.

Laat me even aangeven dat men het begrip ‘tussentaal’ vergeefs zal zoeken in de internationale wetenschappelijke literatuur. Het begrip is een Vlaamse uitvinding, en werd destijds gedefinieerd als alles wat tussen ‘dialect’ en ‘standaard’ lag. Gekleurde synoniemen zoals ‘Verkavelingsvlaams’ geven meteen aan dat het hier om een ‘slechte’ taalvariant gaat. Waarom? Omdat de twee andere varianten positief gewaardeerd worden. Het ‘echte’ dialect is de drager van onze ‘authenticiteit’, en de ‘standaardvariant’, het AN, is ‘de cultuurtaal’, de taal waarin we grote dingen doen.

Ik heb hierboven nogal wat aanhalingstekens moeten gebruiken, want in de feiten slaat dit vanzelfsprekend nergens op. Zoals gezegd, ‘tussentaal’ is een Vlaamse uitvinding voor iets wat elders bekend staat als ‘accent’. Tussentaal is in wezen simpelweg ‘spreken met een accent’. En iedereen heeft altijd en onvermijdelijk een accent – alles is met andere woorden ‘tussentaal’. Ook de ‘standaardvariant’ is in de feiten een vorm van ‘tussentaal’, eenvoudigweg omdat de standaardvariant niets anders is dan een bepaald accent. Het is het prestige-accent, en het is zo prestigieus dat het wordt gezien als ‘accentloos’. Wanneer men zegt dat zo-en-zo ‘accentloos’ Nederlands spreekt, dan slaat dit op het feit dat zo-en-zo een variant spreekt die het accent van de prestigevariant draagt.

Om dit even scherp te stellen: de standaardvariant heeft geen intrinsieke taalkundige meerwaarde, het is dus geen ‘betere’ of ‘rijkere taal’. De meerwaarde is puur sociaal en heeft te maken met wat we taal-ideologie noemen: sociaal gewortelde ideeën – inbeeldingen dus – die ons doen denken dat de ene taalvariant ‘beter’ is dan de andere, en die ons naar die ingebeelde ‘betere’ variant doen oriënteren in ons taalgedrag. Telkens we op een bepaalde manier willen spreken – in ‘standaard Nederlands’ bijvoorbeeld - dan beelden we ons die ideale taalvariant in en proberen we die zo dicht mogelijk te benaderen. Dat lukt simpelweg nooit, omdat de standaard een ingebeelde taalvariant is en we altijd en overal een accent hebben. Het standaard Nederlands van een Limburger klinkt daardoor heel anders dan dat van een Brusselaar of Dendermondenaar. Zelf het Engels en het Frans van die mensen zal wellicht anders klinken, want iemands accent dringt telkens weer door.

Geen varianten maar repertoires

Op die manier krijgen we een soort van continuüm van accenten, waarbij vele Vlamingen zowel een ‘diep’ dialect-accent kunnen hebben, een ander accent dat men ‘tussentaal’ noemt, en een ‘standaard’ accent. Iemand uit Brugge kan zowel zeggen “hodde hunder nor bie oes?” als “gade gijle naar bij ons?” en “Gaan jullie bij ons langs?”

We hebben immers allemaal een taalrepertoire, en de verschillende delen van dat repertoire wordt ingezet in heel andere contexten. De Bruggeling zal de eerste uitspraak wellicht gebruiken wanneer hij/zij met familieleden of vrienden uit het Brugse praat; de tweede uitspraak tegen medestudenten uit de rest van het land die met hem/haar in Gent studeren; en de derde uitspraak aan de toekomstige schoonvader uit Turnhout, die binnenkort kennis moet maken met de eigen Brugse ouders.

Er is niemand – letterlijk niemand – die slechts een enkele variant in z’n repertoire bezit. We hebben allemaal een ruim gamma aan spreekwijzen, en in dat opzicht hoeft men niet bang te zijn voor ‘taalverlies’ of andere culturele doodsangsten, waarbij men zich inbeeldt dat bijvoorbeeld ‘tussentaal’ het AN verdringt. De diverse varianten zitten in heel andere hokjes in een repertoire, en als normaal sociaal wezen hebben we een behoorlijk accuraat radarsysteem dat ons aangeeft wanneer we de ene dan wel de andere varianten moeten gebruiken.

Dit repertoire is biografisch en uniek: de taalvarianten die we beheersen zijn een weergave van ons leven, en in elke fase van ons leven past het zich aan nieuwe behoeften en contexten aan. Dat is de reden waarom haast niemand ‘standaard’ geschreven Nederlands bezit voor de leeftijd van zes: er is het simpele feit dat we in de regel pas leren schrijven in het eerste leerjaar. En het verklaart waarom iemand die op zijn derde van Gent naar Antwerpen verhuist op zijn twintigste met een Antwerps accent spreekt, terwijl iemand die op z’n zestiende pas verhuist een sterk Gents accent zal gebruiken.

Het verklaart eveneens waarom het taalrepertoire van hoger opgeleide mensen er anders uitziet dan dat van lager opgeleide mensen: stadia van onderwijs brengen telkens weer heel nieuwe taalvormen aan. Een thesis schrijf je enkel wanneer je afstudeert in een hoger-onderwijsprogramma; wie op z’n achttiende als lasser aan de slag gaat hoeft nooit de competenties en taalvormen te verwerven die tot een goed geschreven thesis leiden; hij/zij heeft dan weer heel andere taalvormen in het repertoire zitten. Die verschillen hebben een groot sociaal belang, want we pikken ze in contacten met anderen meteen op, en we projecteren dat soort verschillen direct naar identiteiten: die is hoger opgeleid, en die niet.

Meteen is ook aangegeven dat repertoires heel sterk verschillen al naargelang de sociale positie die men inneemt – sociale klasse, minderheden, opleidingsniveaus en zo meer spelen een bepalende rol in de toegang tot bepaalde taalmiddelen. Taalverschillen zijn dan ook vaak effecten van sociale ongelijkheid, niet van een of andere persoonlijke keuze, een mode of een vorm van geestelijke luiheid. Het feit dat niet iedereen zonder d/t-fouten kan schrijven is niet noodzakelijk een aanwijzer van verschillen in intelligentie of ijver. Het zijn heel vaak sociale verschillen met effecten die het individu niet zelf kan verhelpen.

Zo gezien is er flink wat meer variatie dan enkel ‘dialect’, ‘tussentaal’ en ‘standaard’: zes miljoen Vlamingen staan gelijk aan zes miljoen verschillende en unieke accenten. Men kan daar grove categorieën in aanbrengen, maar nooit categorische grenzen trekken – het onderscheid tussen, zeg maar, tussentaal en dialect is altijd een onderscheid in gradatie, er is geen vaste grens die deze overgang bepaalt. Er zijn dus geen objectief bepaalbare varianten. Wat er wel is, is een permanent proces waarbij mensen zich richten naar een ideaalbeeld van wat ze onder die variant begrijpen. Ik denk dat ik AN spreek, dus ik spreek het.

Dynamiek is de regel

Zo’n grens is niet te bepalen, ook al omdat de echte taal nooit stil staat maar constant beweegt. De laatste decennia – sinds de veralgemening van het Internet, de GSM, de sociale media – zien we een versnelling van de taalverandering, en dat verklaart waarom we nu op blogs, fora en chats geconfronteerd worden met zaken zoals “LOL! Kganete c u :->” en dergelijke dingen nog begrijpen ook. Dat verklaart ook waarom de Vlaming nu de term ‘CEO’ gebruikt voor het opperhoofd van een bedrijf, terwijl dit een generatie terug nog ‘PDG’ was. Frans is immers als internationale prestigetaal volkomen verdrongen door Engels.

Ik neem aan dat wat ik hier zeg niet controversieel is. Maar de gevolgen ervan zijn de moeite van het vermelden waard. Wie aanneemt dat taal voortdurend verandert moet beseffen dat er niet zoiets bestaat als ‘het’ dialect, ‘de’ tussentaal of ‘de’ standaard. Alle drie evolueren voortdurend, en zich aanpassen aan elk van die doelen betekent dat men een ‘moving target’ in de gaten moet houden. Dit heeft allerhande gevolgen voor, bijvoorbeeld, het aanleren van ‘Nederlands’ aan anderstaligen, maar binnen dit bestek moet ik dit thema even links laten liggen.

We hebben allemaal een nogal opgeblazen beeld van ‘dialecten’. Ze staan zoals gezegd voor authenticiteit, voor datgene wat ons over de generaties heen met een bepaalde locatie en gemeenschap verbindt. Jammer genoeg is ook dat een ideaalbeeld en geen realiteit. In Buggenhout zijn er niet veel mensen meer die het woord “vlauris” gebruiken om het bovendeel van de rug aan te geven; er zijn er ook niet veel meer die zouden zeggen dat ik “schotse schoenen” draag wanneer ze willen uitdrukken dat mijn schoenen wel erg lelijk zijn. In mijn jeugd waren die woorden algemeen verspreid, nu zijn ze archaïsmen. De dialecten zoals die nu worden gesproken hebben zich, zoals alles, volledig aangepast aan de nieuwe contexten waarin we bewegen, en een Buggenhoutenaar kan nu in perfect ‘dialect’ zeggen dat hij “ont bloggen en ont surfen es”. Er zijn nu immers meer Buggenhoutenaars die bloggen en surfen dan er Buggenhoutenaars zijn die “beiren” of “deussen” – bemesten en dorsen.

Dat geldt natuurlijk ook voor de ‘tussentaal’ en de ‘standaard’: niet alleen hebben deze varianten zo’n zes miljoen verschillende en unieke vormen; die vormen evolueren ook zeer snel doorheen de tijd. Dat is heel erg jammer voor mensen die zich met taalbeleid bezig houden, of met leerboeken Nederlands. De ‘taal’ die ze proberen te beheren en te beheersen wil simpelweg niet stil zitten.

Hoe komt het dan dat we, ondanks zoveel variatie, mekaar verstaan? Wel, omdat in de praktijk van communicatie ‘taal’, in de klassieke zin van het woord, van ondergeschikt belang is. Wat telt is “betekenis maken”: er voor zorgen dat de anderen begrijpen wat we uitdrukken, en dat doen we aan de hand van al datgene wat we in ons repertoire aan nuttige zaken aantreffen. Is dat dialect, dan hanteren we dialect; is het AN, dan hanteren we dat; en als we onze handen en voeten nodig hebben gebruiken we ook die. We doen dat aan de hand van bepaalde conventies, waarover ik het zo meteen zal hebben.

‘Taal’ is in de realiteit van communicatie dus een zeer flexibel gegeven, en ‘correctheid’ is volkomen ondergeschikt aan ‘effectiviteit’ in communicatie. Dat is alweer jammer voor de taalleerkrachten en de Minister van Onderwijs, maar ik kan er niets aan doen. Het verklaart waarom we zien dat in de klassen in Vlaanderen voortdurend ‘tussentaal’ wordt gebruikt en dat juffen in Antwerpen hun kinderen dan ook verzoeken “dieje tuttefrut uit unne mond te doen”. Ook daar kan ik niets aan verhelpen.

Normen en feiten

Maar er zijn toch normen? We kunnen toch niet zomaar alles toelaten? De debatten gaan nogal vaak over ‘normvervaging’, en Stefaan Hertmans maakt in De Standaard van 31 augustus een bikkelhard onderscheid tussen wat mag in de private levenssfeer en wat moet in de publieke sfeer. In de eigen achterkeuken mag men doen wat men wil, het maakt niet uit. Maar van zodra men publiek gaat moet men de standaard gebruiken, stelt hij. Voldongen feiten mag men immers niet verheffen tot norm.

Dat is juist, maar het tegendeel is even goed waar: normen – ingebeelde idealen en streefdoelen – verwart men ook best niet met feiten. Het is dus niet zo eenvoudig.

Ik heb eerder aangegeven dat accenten meteen door onze sociale radar worden opgepikt en worden omgezet in identiteiten. We zitten immers vol met sociaal bepaalde verwachtingspatronen inzake taalgebruik – de taalideologie die ik eerder vermeldde. Welnu, die verwachtingspatronen zijn zeer krachtig en dwingend. Wie een mop wil vertellen moet ervoor zorgen dat de mop als een mop klinkt; wie iemand wil condoleren bij een overlijden doet dat dan ook best op een manier die niet als een mop overkomt.

Dit voorbeeld geeft al aan dat normen veel ruimer verspreid zijn dan men denkt. Elke vorm van communicatie is onderworpen aan normen, gewoon omdat we elkaar moeten blijven begrijpen. Dat begrip berust op een basis van gedeelde conventies en verwachtingspatronen: als ik ‘stoel’ zeg moet de ander begrijpen dat ik het niet over een voorwerp heb dat men doorgaans aanduidt met het woord ‘jas’. We hebben conventies nodig, en die conventies zijn onze normen. Net zoals taal zijn die normen voortdurend onderhevig aan aanpassing en verandering, en voor elke nieuwe context waarin we belanden zullen we op zoek gaan naar de vereiste conventies.

Daardoor hebben we allemaal een heel nieuwe reeks van conventies geleerd toen we het onderwijs binnenkwamen. We waren zes jaar, en plots, in enkele maanden tijd, werd ‘taal’ van een volkomen natuurlijk en spontaan instrument omgebogen tot iets wat werd geassocieerd met strakke regels, punten en rode strepen doorheen woorden en zinnen. Vanaf dan werden we ‘gestandardiseerd’; daarvoor waren de strakke conventies van standaard Nederlands geen deel van onze repertoires.

Normen gelden overal. Hertmans maakt dan ook een fout onderscheid tussen een volkomen ‘vrije’ private sfeer en een strak gereguleerde, normatieve publieke sfeer. We gebruiken ook normen in domeinen die we vaak als geheel vrij, anarchistisch of zelfs als anti-normatief of rebels beschouwen. Wie zich als “Goth” wil vertonen zal geheel andere normen moeten volgen dan iemand die zich als “punk” of “rasta” wil vertonen, en die normen zijn er – het Internet staat er bol van. Idem met taalgebruik. Het soort GSM- en chat-taaltje dat ik eerder beschreef is volstrekt normatief, even normatief als ‘correct’ schrijven in het standaard Nederlands. Wie “c u” (‘see you’) schrijft als “s u” maakt een fout, een fout die even groot is als het maken van een d/t-fout in een schoolopstel. Idem met ‘tussentaal”: ze klinkt best niet al te veel als ‘dialect’ of als ‘standaard’ – ‘tussentaal’ moet ook echt wel ‘tussentaal’ zijn.

Het juiste gebruik van al die ‘afwijkende’ taalvormen is dan ook het resultaat van een leerproces dat precies hetzelfde is als dat van het standaard Nederlands. Wie goed wil worden in chat-taal zal de regels strak moeten volgen, goed moeten weten op welke punten men creatief en innovatief mag zijn en waar niet, en telkens weer z’n best moeten doen om ‘correcte’ chat-taal te produceren. Kinderen die daar goed in zijn hoeven we dus niet te beschouwen als kinderen ‘die niet meer kunnen schrijven’. Ze schrijven zeer goed, maar ze schrijven een variant die niet de standaard is. En ze hebben hard gestudeerd en geoefend om die correcte schrijfwijze onder de knie te krijgen. Ze hebben dus niets ‘afgeleerd’, wel iets aangeleerd.

De veranderde publieke sfeer

Ze hebben dat echter natuurlijk niet in de klas geleerd, wel in de vele informele leeromgevingen die de samenleving rijk is, en die we zeker sinds het Internet voortdurend zien toenemen en versterken. Samen met het Internet zijn alle media diepgaand veranderd de laatste twee decennia, en die grondige verandering heeft de publieke sfeer een geheel andere vorm en inhoud gegeven. Simpel samengevat: er is geen publieke sfeer meer, er is wel een heel gamma aan publieke niches, die elk hun eigen normen hebben en wiens normen telkens kunnen overgenomen worden door het publiek. Ook op dat punt stellen Hertmans en anderen de zaken wat te simpel voor.

De publieke omroep was tot de jaren 1980 de enige algemeen beschikbare televisiezender. Programma’s zoals ‘Hier Spreekt men Nederlands’ werden net zoals ‘Kapitein Zeppos’, ‘Voor Boer en Tuinder’ en de exploten van Eddy Merckx door iedereen gevolgd. Ze hadden dus ook een grote impact op die grote en relatief uniforme publieke ruimte die er toen was. De TV bracht ‘goed’ Nederlands, de norm was helder. Wie ervan afweek was snel als simpel en weinig gesofistikeerd volksmens te herkennen. Ik herinner me een interview van de jonge Jan Van Rompaey met een oudere man die aan de kust in een caravan woonde; de man stelde dat “ze hier geheel content waren en wreed hun devoren deden”. Dat kon, maar het werd sociaal snel begrepen als een curieuze afwijking, niet als de norm. ‘Dialecten’ en ‘tussentaal’ werden tentoongesteld als amusement – denk aan de Collega’s, Gaston en Leo, Romain De Coninck en anderen.

Twintig jaar later staan we in een medialandschap waarin zowat elke variant van het Nederlands (en het Engels!) ruim aan bod kan komen. Temptation Island, Komen Eten en andere vormen van reality TV laten alles toe; talkshows allerhande eveneens: de publieke sfeer is nu afgeladen vol met dialecten en accenten van allerhande slag, en nu worden ze niet meer als curiosum afgebeeld maar als ‘gewone’ taal, als de taal die eenieder mag spreken zonder rode konen.

De ruimten waarbinnen normen opereren zijn nu dus veel diverser dan tevoren, en dat betekent dat we een escalatie meemaken van allerhande heel uiteenlopende normen in de publieke sfeer. Een intellectueel of politicus hoeft zich vandaag niet meer te bedienen van het meest verheven standaard-Nederlands – Stevaert, Anciaux, De Winter en De Wever zijn allemaal grote normdoorbrekers in dit veld, en de “old-skool” AN-stijl van Siegfried Bracke klinkt gemaakt en pedant. Een reactie plaatsen op de website van de VRT of De Standaard hoeft ook niet meer te gebeuren met behulp van hoofdletters, afkappings- en zintekens: de redacteurs houden zich niet meer bezig met het opschonen van de taal. En de Vlaming die op TV komt zal niet vanzelf meer gaan ‘jijjen en jouwen’, maar hanteert nu simpelweg de ‘gij’ vorm. Joos Florquin en Marc Galle moeten zich in hun graf omdraaien.

Men begrijpt dan ook dat wie praat over ‘de norm’ in ‘de publieke sfeer’ niet helemaal goed dreigt begrepen te worden, want die eenvoudige en eenvormige publieke sfeer is er niet meer. Men kan daar heel uiteenlopende oordelen over vellen, maar om dat brute feit kan men moeilijk heen: de publieke ruimte is uiteengespat in dozijnen afzonderlijke delen, en ze wordt niet meer samengehouden door een enkele norm. Het onderscheid tussen de private en de publieke sfeer is daardoor ook aan het verglijden – is een status update op je Facebook profiel, een Tweet of een reactie op een discussieforum iets wat zich in de private of publieke ruimte afspeelt?

Wat nu: vier simpele vraagjes?

Veel van het periodieke debat over de taal en zijn normen gaat voorbij aan deze feiten. Men stelt het voor alsof dingen zoals ‘dialect’, ‘tussentaal’ en ‘standaard’ netjes te identificeren zaken zijn, proper afgescheiden van mekaar. Men stelt het ook voor alsof ‘de norm’ een simpel en enkelvoudig gegeven is, en dat ‘de publieke ruimte’ waarin deze norm moet domineren dat ook is. Met de realiteit van taalgebruik door echte mensen in een echte sociale omgeving heeft dit alles niets te maken: het debat speelt zich af in een decor van idealen en inbeeldingen. Het is over deze ingebeelde situatie dat men zich telkens weer heel erg opwindt.

Die debatten maken dan ook geen verschil, ze zijn volkomen irrelevant en hebben geen consequenties. Dat verklaart allicht waarom ze periodiek terugkeren: weinig mensen lijken een echte belangstelling te hebben voor de feiten, maar wel een grote liefde voor de gekoesterde ideaalbeelden en fata morgana’s. Toen Piet Van Avermaet en ik deze zaken tijdens een vorige debatronde in 2008 aanbrachten reageerde Onderwijsminister Frank Vandenbroucke simpelweg met het verwijt dat wij (en al die andere sociolinguïsten) ‘taalrelativisten’ waren, die ‘een pleidooi hielden’ voor ‘laksheid’ en daardoor ‘de gelijke kansen’ van alle kinderen in gevaar brachten, want elk kind moet ‘toegang krijgen tot het beste Nederlands’. Dat soort lulkoek zal Absillis, Jaspers en Van Hoof inmiddels ook wel bekend in de oren klinken.

Taal laat zich moeilijk plannen en reguleren. De reden daarvoor is dat alles wat een samenleving complex maakt meteen ook de taal complex maakt. Richting geven aan het taalgebruik van de mensen is dan ook iets wat een volledige controle vooronderstelt over elk aspect van de samenleving – het vooronderstelt, met andere woorden, een perfect totalitaire samenleving. Echte taalproblemen zijn dan ook uiterst moeilijk op te lossen.

En die problemen zijn er: taal is net zoals de samenleving gekenmerkt door zeer diepe vormen van ongelijkheid. Bepaalde taalmiddelen vallen systematisch buiten het bereik van groepen in de samenleving, terwijl ze die middelen net nodig hebben om zich stand te houden in die samenleving. Het onderwijs is daarin uiteraard een kritieke factor, en dat verklaart de herhaalde pleidooien van sociolinguïsten om taalproblemen vooral realistisch te beschouwen en aan te pakken.

Zoals ik eerder zei: d/t-fouten zijn vaak indicaties van ongelijkheid, effecten van het feit dat men geen toegang had tot die taalmiddelen die d/t-fouten helpen vermijden. Het is geen gevolg van een foute individuele keuze, evenmin als van karakterkenmerken zoals luiheid, slordigheid en zo meer. Maar ook de ‘nieuwkomer’ die slechts moeizaam Nederlands spreekt is niet vanzelf iemand die ‘zich niet wenst te integreren’ of ‘geen moeite doet om onze taal te spreken’. Heeft men vlot Nederlands beschikbaar gesteld aan die nieuwkomer? Of gaat men ervan uit dat Nederlands via de Heilige Geest in de hoofden van de mensen belandt?

Wie die ongelijkheid wil verminderen of wegwerken moet immers, zoals in elk ander domein van het leven, vertrekken van de realiteit en niet van ingebeelde of gewenste situaties. Men moet eerst de diagnose juist hebben vooraleer men aan een remedie kan beginnen denken. En die diagnose kan men aanvangen aan de hand van vier heel eenvoudige vraagjes, die ik al m’n hele loopbaan gebruik: (1) wat hebben deze mensen? (2) wat willen ze? (3) wat hebben ze nodig? En (4) wat kunnen ze krijgen?

Die vier eenvoudige vraagjes geven ons inzicht in de vertreksituatie (1), in de ambities en doelstellingen die ze zelf hebben (2), in doelstellingen die vanuit een ruimer maatschappelijk perspectief kunnen worden geformuleerd (3), en in de reële remedieerbaarheid van hun probleem (4). Dat laatste leidt ons doorgaans ver weg van taal zelf, en recht naar sociale, politieke en sociaaleconomische factoren.

Ik geef een eenvoudig voorbeeld: met succes een ASO richting volgen in dit land vereist nu in de praktijk dat leerlingen thuis toegang hebben tot het Internet, ook en zeker voor taalopdrachten. Wie dat niet heeft studeert met een ferme handicap. Dat betekent echter dat men thuis een degelijke computer moet aankopen, plus een Internetabonnement. Op jaarbasis loopt dat in de vele honderden Euro’s, en die moeten worden uitgegeven aan iets wat niet officieel een vereiste voor succes is, maar wel een feitelijke vereiste. Immers, zonder computer kan men geen schoolwerken maken, heeft men geen spellingschecker die schrijffouten verbetert, geen woordenboeken of Wikipedia bij de hand, geen bron voor illustraties, kaartjes of foto’s, geen toegang tot pakken leesvoer en/of entertainment in Nederlands, Engels en andere nuttige talen. Men heeft dit dus objectief nodig, men wil dit doorgaans ook subjectief wel, maar niet iedereen kan het zomaar krijgen. Ik ken kinderen die naar een Internetcafé moeten om huiswerk te maken en te printen – een eigen PC en Internetabonnement zijn een niet te veroorloven luxe voor sommigen.

Enkel wanneer men deze elementen begrijpt kan men aan de slag gaan met enige kans op succes. Vermijdt men deze vragen en gaat men ervan uit dat men de antwoorden al heeft, dan loopt men het risico op blunders of irrelevantie. Het verbaast me bij elke rituele taalkramp weer dat overigens heel interessante en verstandige mensen op zo’n naïeve en slordige manier omgaan met iets wat ze blijkbaar heel erg belangrijk vinden. Ik doe vaak heel erg mijn best om hen uit te leggen hoe de zaken feitelijk in mekaar zitten – nu ook – maar merk telkens weer dat er heel erg weinig van blijft hangen. Als het over taal gaat blijven de Vlamingen blijkbaar liefst onwetend.

Bronnen en links:

Jan Blommaert en Piet Van Avermaet, “Taal, Onderwijs en de Samenleving: De kloof tussen beleid en realiteit”. Berchem: EPO 2008.

Jan Blommaert, “Discourse: A Critical Introduction”. Cambridge: Cambridge University Press 2005.

http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1492574/2012/08/29/Taalkundigen-Tussentaal-in-klas-moet-kunnen.dhtml

http://demankeusurpator.wordpress.com/

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20120830_00276853

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1493642/2012/08/31/Het-volk-dat-Nederlands-weigert-te-leren.dhtml

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1493115/2012/08/30/Dad-ambetant-Schoo-Vlaams-da-stom-Abeejen.dhtml

http://www.epo.be/boekenportaal/boekinfo_boek.php?isbn=9789064454851

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1493124/2012/08/30/Edde-da-gelezen-Lezersbrieven-over-tussentaal.dhtml

reacties

22 reacties

  • door Gaetan Carlier op zaterdag 1 september 2012

    Ik ben het daar volmondig mee eens. Men moet vertrekken van de concrete situatie hier en nu om taalvaardigheid te stimuleren in de scholen: de emmer nemen , daar waar hij staat en geen 20 meter verder. Maar de bedoeling is toch wel om die emmer te verzetten, niet? En liefst zo ver mogelijk.

    Ik vind het enorm gevaarlijk om het pad van de "social engeneering" op te gaan. In naam van de sociale integratie worden bibliotheken omgevormd tot pretparken, wordt taalsystematiek op de school meer en meer verwaarloosd of worden bepaalde aspecten van kennis niet meer onderwezen en vervangen door wazige competenties. Het is een illusie om te denken dat op deze manier meer mensen toegang hebben tot ontwikkeling. Integendeel, onze samenleving wordt er alleen maar dommer door. Ik verwijs hier ook graag naar het fantastische boek van Frank Furedi: "Wasted: Why Education Isn't Educating".

    Ik denk dat het belangrijk is een norm voor zich te hebben. Zelfs wijst deze norm niet naar een bestaande realiteit, dan nog is hij nuttig als streefdoel. Dit geldt ook zo met het de standaardtaal. Geen kat dat deze taal spreekt, ook 'Ollanders' niet. Maar ze is wel nuttig als onderwijstaal, om ervoor te zorgen dat Limburgers en WestVlamingen met elkaar kunnen communiceren in een gemeenschappelijke taal. En daar is niets verkeerd mee. Zeker, die taal is geformat met allerhande ingewikkelde en minder ingewikkelde spellingsregeltjes. Maar het zijn niet die spellingsregeltjes die voor sociale uitsluiting zorgen. Net zoals klassieke muziek, jazz of opera an sich voor sociale uitsluiting zorgen, wel de manier hoe je ermee omgaat: "mensen vinden muziek vermoeiend? OK, laten we ze maar overstelpen met pulpmuziek van drie noten". Dat is het volk dom houden. Door de spellingsregeltjes te gaan afschaffen, legt men zich in feite neer dat "het volk" niet te instrueren valt. Door niet meer te instrueren gaat men in feite sociaal gaan uitsluiten. Waarmee we komen tot de kern van "social engineering". Het tegenovergestelde van volksverheffing.......

  • door Gaetan Carlier op zaterdag 1 september 2012

    Net zoals klassieke muziek, jazz of opera an sich voor sociale uitsluiting zorgen"

    Ik bedoel: NIET voor sociale uitsluiting zorgen.

  • door J. Blommaert op zaterdag 1 september 2012

    Gaetan, dat is heel juist, maar dat wordt ook niet ontkend in dit stuk dacht ik. Pedagogisch is de uitkomst als volgt: men moet die normtaal blijven hanteren als onderwijstaal. Dat is enerzijds onvermijdelijk - zoals gezegd hebben we normen voor alle sociale contexten waarin we optreden - en anderzijds ook wenselijk - het is moeilijk eindtermen te formuleren zonder een vast en gesloten geheel van leerstof.

    Het punt is echter dat er nu niet een enkele norm meer is - de schooltaal - maar een enorme wirwar aan normen (die van Facebook, games, hobbygroepen en zo meer). We zien een escalatie van dat soort 'niches', en het gevolg is dat de school steeds meer marginaal wordt in het leven van kinderen, en zelfs als leeromgeving: ze leren even veel en vaak makkelijker en liever via informele netwerken. De 'norm' van de schooltaal is nu slechts een van vele normen, en zeker niet de belangrijkste of meest prestigieuze voor adolescenten (als ze Engels spreken spreken ze ook niet zoals Shakespeare, maar zoals Eminem).

    Het gevolg is dat men bij het leren van die schooltaal absoluut moet aangeven (a) dat het een specifieke norm is, die behoort tot de school (dus geen 'fuck' of 'c u @ 4' gebruiken in huiswerk) en (b) dat deze norm een bepaalde plaats heeft in verhouding tot al die andere normen (dus uitleggen dat 'fuck' misschien okee is in gesprekken met leeftijdgenoten, maar niet met de leerkrachten).

    Dat soort sociolinguistisch bewustzijn zou de schoolnorm tenminste duidelijk plaatsen in de wereld van de leerling, daardoor ook begrijpelijk maken als specifiek stukje taal dat soms wel en soms niet gebruikt wordt, en ook een effect hebben op hun begrip van hun eigen sociale wereld.

    Slotsom: men moet niet 1 norm onderwijzen, maar het gehele systeem van taalnormen. Meer norm in de klas dus, niet minder.

  • door aronjaco op zaterdag 1 september 2012

    Zeer goed artikel. "De taal met accent" wordt door velen eveneens gebruikt om mensen in te delen in bepaalde groepen, zoals intelligent of dom, en alle soorten van varianten. Een West-Vlaming, de afkomst is te horen gezien het West-Vlaamse accent, is een boer, de Antwerpenaar is een ontwikkeld mens. Ook de media- TV- volgen dergelijk patroon; zo wordt " het Antwerps" niet ondertiteld en het West-Vlaams daarentegen wel. Het Antwerps wordt beschouwd als beschaafd en dus door iedere Vlaming te begrijpen( ook van de vreemdelingen in ons land wordt zoiets verwacht), het West-Vlaams als boers. Alles wordt bij ons ingedeeld in vakjes en schuifjes , in groepen en subgroepen , enz.. Een vorm van racisme is dat , of althans de basis om tot racisme te komen. Dat het ABN in scholen moet aangeleerd worden is juist. Dat er moet geageerd worden tegen het " ABN met enig accent" is zonder meer kleinzielig. Ik ontmoet zo graag mensen die ABN met accent spreken, gewoon omwille van de kleur dat dit geeft aan de communicatie en vooral , het leerzaam aspect van zo'n communicatie . Ik bedoel niet alleen het accent, maar ook de “geaccentueerde “gebaren, houdingen , kortom , de " andere communicatie" in zijn totaliteit. Eens dat moet wegvallen , dan zijn we weer en stuk armer geworden, weer een stuk biodiversiteit is dan opgeofferd op het altaar van de monocultuur.

  • door Gilbert Desmet op zaterdag 1 september 2012

    Prof. Blommaert, ik heb met aandacht uw artikel gelezen, en zelfs begrepen. Alleen, ik kan er weinig mee. Mijn echtgenote en ikzelf komen veel in contact met allochtonen die zeer gedreven cursus Nederlands volgen. Hun probleem is echter dat zij bij het verlaten van de taalklas even weinig er in slagen om de "autochtonen" te begrijpen als voor hun taalklas. De autochtonen spreken namelijk niet de taal die ze in de taalklas geleerd hebben. Dat is werkt erg ontmoedigend en wekt zelfs weerzin op om verdere pogingen tot "integratie" (wat een onvriendelijk woord!) te ondernemen. Mijn echtgenote en ik spreken al sinds vele jaren AN, ook thuis. AN is ons "dialect" geworden! Allochtonen zeggen ons dan ook altijd dat ze ons wel begrijpen, en de "anderen" niet. Die "anderen" vinden ook dat we "kakkineus" of 'Ollands spreken. Het kan ons niks schelen, want wij worden wel begrepen! Daat gaat taal toch om; het is namelijk een communicatiemiddel, geen techiek om "de plezante" te kunnen uithangen.

    • door J. Blommaert op zaterdag 1 september 2012

      Gilbert, bedankt voor deze reactie. In het artikel heb ik dit punt aangeraakt maar ook gezegd dat het binnen het bestek van dit stuk niet te behandelen is. Niettemin kort dit.

      Wat je aanbrengt is een oud zeer: het feit dat men een 'algemeen' of 'generisch' Nederlands aanleert aan mensen die in feite en in de praktijk een specifiek en haast op maat gemaakt Nederlands nodig hebben. Wie als nieuwkomer netjes de 'jij' en 'jou' varianten leert in Gent komt in de problemen wanneer de Gentenaars 'ulder' en 'gulder' gebruiken. Of ook: het is evident dat iemand die als advocaat hier komt werken ander Nederlands nodig heeft dan iemand die in de bouw komt werken, of iemand die als moeder naar het oudercontact van de school van de kinderen moet en daar over wiskunde en biologie moet praten.

      Het hele artikel is in essentie een pleidooi voor realisme, en de vier vragen die erin worden voorgesteld moeten tot een realistische inschatting leiden van de noden en mogelijkheden van de mensen die we iets willen aanleren. Men moet mensen praktische instrumenten geven - die stukjes Nederlands die meteen nuttig inzetbaar zijn. Wanneer ze dat instrument hebben zullen ze in staat zijn om een begin van sociaal netwerk te bouwen, en daardoor stelselmatig meer en andere vormen van Nederlands te verwerven.

      Het is evident dat de verregaande standardisering van het taalaanbod via de Europese taalnormen (A1-C1 enz) hierin volledig tekort schiet. We krijgen nu nog meer 'generisch' Nederlands, met vanzelfsprekend nog minder resultaten. Ik werk al jaren in en met de NT2 sector, en de ontmoediging daar is vandaag de dag enorm. Het is daar crisis. We gaan daar maar uit raken als we de hele zaak herdenken, en daarbij uitgaan van de reele en concrete situaties van de mens en de maatschappij.

      • door Gilbert Desmet op zaterdag 1 september 2012

        Beste prof. Blommaert, wij, mijn echtgenote en ik zijn nogal "verhuizers" van bovendien Westvlaamse afkomst (kunt u zich voorstellen!). Als wij met dat fameuze ABW (Algemeen Beschaafd Westvlaams) ons zouden ophouden met mensen van vreemde of zelfs niet Westvlaamse afkomst dan zouden we nogal eens te "kakken" gezet worden. Ik kan het zelf niet laten om met dat ABW de draak te steken, want het slaat gewoon nergens op. Veel van die zogenaamde tussentalen, er zijn er vele, zijn niet veel meer dan dialect waarvan de de sprekers dan denken dat het Schoon Vlaams is. Zelfs daar schamen ze zich al voor bij hun ABW, ABO, ABB, ABL, ABA (vul in naar provincie) sprekers. Neen prof., het is gewoon geestelijke luiheid, en oneerlijk tegenover mensen die zich hier thuis zouden moeten gaan voelen! Ik weet ook, het is in Nederland niet anders, al "voelen" ze het zelf niet. Wij weten waar we het over hebben, we hebben er namelijk jaren gewoond, en onze kinderen en kleinkinderen wonen er nog. Ook zij spreken een tussentaal! Tusentaal, weg ermee, puur intellectuele gemakzucht, en we zeggen het ook tegen iedereen, vooral tegen hen die het niet leuk vinden! Ik hoor het mijn huidige dorpsgenoten nog zeggen tegen onze allochtone vrienden: ze moete Vloms leren. Waarom zouden ze!?

      • door Rudi Dierick op maandag 3 september 2012

        Ik werk ook al even in en rond diversiteit, op de werkvloer, maar ook thuis. Mijn echtgenote haar moedertaal is een taal die geen schrift kent. Haar cultuurtaal is gelukkig een taal die ik wel 'aankan'. En ik ken ondertussen héél veel immigranten. Sommigen kon ik helpen met een diploma-equivalentie, andere met werk, of met andere dossier. ik zie ook grote problemen in de NT2-wereld, maar letterlijk niemand vroeg me daarbij ooit om het Standaardnederlands te laten vallen en te vervangen door 1001 taalregisters!

  • door Raf Feys (Onderwijskrant & O-ZON) op zaterdag 1 september 2012

    Ook Ghislain Duchâteau, neerlandicus en voorzitter Netwerk Didactiek Nederlands, betreurt terecht dat Blommaert en Van Avermaet “zich bijzonder beijverd hebben om de standaardtaal te discrediteren en gelijk te schakelen met een hoeveelheid andere taalvariëteiten die in het maatschappelijk taalgebruik voorkomen” (zie website NDN).

    Van Avermaet, Blommaert en co bekritiseren ook al vele jaren het wegwerken van de taalachterstand bij migrantenleerlingen. Eddy Bonte schreef hierover: “De waarheid luidt dat het valse discours van Blommaert, Maly ... invloedrijke allochtonen ertoe zal aanzetten de kennis van het Nederlands tecontesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen,...De waarheid luidt dat een bepaald soort Vlamingen de allochtonen indeze zelfcastratie steunt,hun slachtofferrol voedt, hun achterstand vergoelijkt (nu met een academisch sausje) en ze paternalistisch behandelt als een bendeachterlijke tsjoek-tsjoeks. Daarom noem ik het een wansmakelijk verhaal. No pasaran.”

    • door J. Blommaert op zaterdag 1 september 2012

      Raf jongen, je kan het alweer niet bedwingen, dat is duidelijk. Mag ik je toch (nog) eens vragen om de dingen die we vertellen grondig en aandachtig te lezen. Het kan echt helpen hoor. Want deze oprispingen van jou gaan echt niet over mij of over Piet Van Avermaet. Ze vertellen allerhande dingen over ingebeelde standpunten en gevolgen, en bovenal heel veel over jezelf.

      Het zou je echt vooruithelpen, en ook jouw inzet voor deze aangelegenheden verbeteren en verdiepen, indien je eens wat recent wetenschappelijk onderzoek over deze thema's zou raadplegen. Het zou je ook sieren.

      Voor het overige stel ik samen met heel wat andere wetenschappers al zowat twee decennia vast dat jouw soort recepten voor taalachterstand niet werken, integendeel. Als jij feitelijke bewijzen van het tegendeel hebt hoor ik ze graag. Dat is de reden waarom ik jouw geschimp en gescheld nooit ernstig zal nemen: je zit er helemaal naast. Bewijs het tegendeel.

    • door Jeff Vda op zaterdag 1 september 2012

      De menselijke soort communiceert, en daarvoor gebruikt ze taal, beste Raf. In zeer recent wetenschappelijk onderzoek, dat tevens grotendeels ondersteund en gefinancierd wordt door Europees geld, is men zelfs zover gegaan om van 'taal' een werkwoord te maken, genre, "ik taal, jij taalt, wij talen" etc. (zie Jorgensen 2008, Juffermans 2010). Dit onderzoek wordt binnen de sociolinguistiek, de antropologie en sociologie wijd geciteerd en geniet de status van 'landmark' binnen de sociolinguistiek. Dit heeft uiteraard enorme implicaties voor ons denken over wat taal is, maar vooral ook wat taal doet en hoe de menselijke soort taal gebruikt. We zetten namelijk eender welke talige hulpbron in om ons communicatief doel te bereiken. Ik lees nergens in het artikel dat het gebruik van standaard Nederlands ontmoedigd wordt bij het produceren van huiswerk, taken en onderricht in het academisch genre dat de kern uitmaakt van het klasgebeuren, integendeel. Mmm, dit lijkt dus eerder een aanval op personen, dan op inhouden, beste Raf. Wat wel klopt is dat er naast dat academisch genre in de klas ruimte mag/moet zijn voor het aanmoedigen van informeel leren. Sommige kinderen die zogezegd problemen hebben met "lezen", lezen wel thuis uren chat-teksten terwijl ze een videogame spelen. Kernvaardigheden zoals lezen kunnen vanuit een informeel genre gerust getransformeerd worden naar een academisch genre. 't Is maar een kwestie van hoe je het bekijkt. Nu bezie je de leerlingen en leerkrachten als personen die in functie moeten staan van een (heilige) standaardtaal, terwijl het net andersom moet zijn. Arm Vlaanderen.

    • door J. Blommaert op zaterdag 1 september 2012

      Laat me er nog iets aan toevoegen, Raf.

      Toen Van Avermaet en ik in 2008 ons boekje uitbrachten heb je een heel themanummer van jouw Onderwijskrant aan ons gewijd. Je hebt die zelf grotendeels op je eentje gevuld, en daar stond simpelweg geen enkel recht woord in. Het is iets om in te kaderen. Jij en je companen van NDN - de zelfverklaarde Pretoriaanse Garde van iets waarover men blijkbaar niet mag nadenken - blijken nooit uit de jaren 70 te zijn gestapt, zowel als het gaat om het begrijpen van migratie en meertaligheid, als wanneer het gaat om onderwijs, en zeker als het gaat om taal. Het ene archaisme wordt op het andere gepakt, en de tirades aan het adres van ondergetekende zijn haast religieus en ritueel van karakter want enige feitenkennis zal je er niet in vinden.

      Jullie geloven in elfjes en draken, en als iemand op behoorlijk goede gronden zegt dat die niet bestaan schrijven jullie gewichtige en pathetische aanklachten tegen degenen die 'de elfjes en draken in diskrediet brengen' en aan zij die erin geloven zeggen dat ze even verder moeten denken. Het falen van jullie eigen aanpak in het onderwijs wordt zo netjes toegeschreven aan dat kliekje sociolinguisten die alles voor jullie verknoeien.

      Wel, dat pakt niet, al was het maar omwille van het botte feit dat geen enkele beleidsmens naar ons luistert terwijl jij de coterie van de taal- en onderwijsplanners frequenteert. Wat onze invloed bij allochtonen betreft: ken jij ouders van doelgroepleerlingen die onze wetenschappelijke publicaties lezen? Ik niet, maar als jij er kent dan mag je ze gerust introduceren. Het is me dan ook een raadsel welke nefaste invloed wij zo al zouden hebben. Toon die invloed eens aan beste Raf, en als je dat niet kan, hou er dan over op.

      Jij hebt invloed, en met die invloed zijn jij en je mede-frontsoldaten er op geen enkele manier in geslaagd een verschil te maken in het veld. Mensen zoals mij brengen dan uiteraard een vervelend bericht: jullie falen, en dat falen is voorspelbaar want er klopt geen letter van jullie diagnose noch van jullie remedies.

      Doe eens je werk, Raf en jouw maats, en doe het eens wat beter dan tot nu toe. Duizenden allochtone leerlingen zullen er wel bij varen. Wij doen het onze. Als jij niet luistert is dat even goeie vrienden - zie de slotzin van mijn artikel. Maar hou op met de problematiek van anderstalige leerlingen af te wentelen op een groepje wetenschappers die daar au fond geen grein impact op hebben. Probeer die mensen misschien te gebruiken voor datgene waar ze voor dienen: als bondgenoten die naar hetzelfde doel streven, maar een bepaalde deskundigheid vereisen van zichzelf en hun medespelers, en die deskundigheid gratis en voor niets willen ter beschikking stellen van een veld dat ze doorgaans door-en-door kennen. Bij jou en de jouwen heb ik meer dan een indruk dat het lang geleden is dat jullie een klas nog eens van binnenuit hebben gezien.

      Dit is mijn laatste beleefde mededeling aan jouw adres.

  • door Alysa op zondag 2 september 2012

    Zelf vind ik dat het streven naar A(B)N zoveel mogelijk moet in de school beoefend worden, OK, er is het formele leren en het is goed dat ze in de school ook rekening houden met het informele leren, zo wordt een mens groot, blijkbaar, ook op de Vlaamse of Nederlandse radio en TV zou die tussentaal zoveel mogelijk geweerd moeten worden, vind ik, zeker door de presentators van nieuws-en andere actualiteitsprogramma's, van mij mag je best nog eventueel horen of iemand uit West-Vlaanderen, Limburg, Oost-Vlaanderen of Antwerpen komt, mijn doel is streef als je iemand uit een andere regio tegenkomt zo veel mogelijk naar verstaanbaarheid in de Nederlandse taal (OK, dat laatste geld dan voor wat ik zelf doe, een ander doet maar wat anders).

  • door froels op zondag 2 september 2012

    Jan Blommaert schrijft: "Tussentaal is in wezen simpelweg ‘spreken met een accent’. Foute definitie, lijkt mij. Tussentalen kenmerken zich ook (vooral) door een aparte, eigen woordenschat (plus afkortingen in de geschreven vorm). Die vocabulaire is de bron van misverstand of niet-verstaan zodra de luisteraar/lezer behoort tot een groepje met andere tussentalen. Indien er geen standaard meer geldt die voor iedereen dezelfde is, moeten onbegrip en misverstanden wel toenemen. En onbegrip is bijna het hoofdkenmerk geworden van deze samenleving. Dat onbegrip wordt ook opzettelijk gekweekt door aparte vocabulaires en neologismen, bijvoorbeeld in de discours over de crisis, de financiële wereld en de besparingen. Zoals wiskunde en ethiek steeds opnieuw moeten aangeleerd worden, moet m.i. een standaard Nederlands steeds opnieuw gepromoot, opdat iedereen iedereen juist zou begrijpen. Ik ga dit niet langer maken door eindeloze voorbeelden van tussentalen die voor enkelingen wèl, maar voor de meerheid niet verstaanbaar zijn. De nieuwe Belgen zijn maar één geval. Van dorp tot dorp, ene en andere stad, tussen leeftijden, gender, sociale klassen, tussen scholen, ja van de ene dag op de andere zijn er nieuwe tussentalen. Dat mag gerust van mij; maar iedereen moet ook streven naar een standaard indien we niet willen verder versplinteren tot minuscule groepjes die elkaar als vijanden en concurrenten beschouwen. Voor dat proces zijn er natuurlijk meerdere oorzaken, dat spreekt; maar de goede of manke communicatie is één factor).

    • door J. Blommaert op zondag 2 september 2012

      Beste Frank: zo zit taal normaal ineen, als een geheel van onderling gespecialiseerde registers. Dat is waarom we veel geld moeten betalen voor een advocaat als we er een nodig hebben. Wat een advocaat doet is het 'vertalen in een ander register' dat de meeste mensen niet zelf bezitten. En dat gebeurt om de haverklap binnen iets wat we toch nog 'dezelfde taal' blijven noemen.

      • door froels op dinsdag 4 september 2012

        Jan, bevestig nu toch aub dat tussentalen niet alléén maar andere accenten zijn. Maar ook een hele reeks andere (nieuwe) woordenschatten, waarvan de inhoud en betekenis door de spreker/schrijver anders (kan) begrepen worden dan door de luisteraar/lezer. Juist omdat er geen standaard voor is.

  • door Rudi Dierick op dinsdag 4 september 2012

    Volgens Blommaert is het : "Tussentaal is in wezen simpelweg ‘spreken met een accent’". Moeten we dat nu nog ernstig nemen?

    Nochtans blijkt uit dit debat -en de duidelijke bemerkingen daarover van alle andere taalkundigen die er zich over uitspraken, dat tussentaal zowel grammaticaal duidelijk afwijkt van het Standaardnederlands, als qua woordenschat (met veel leenwoorden uit dialect en andere talen), als qua uitspraak. Kortom, het is een hele ongeordende verzameling taalvarianten die ook, vergeleken met dialecten, sneller veranderend is. Het gaat dus over véél grotere verschillen dan alleen maar uitspraak.

    Maar als Blommaert dat dan toch beweert, is dit niet een zware aanwijzing van één of andere ideologische of andere obsessie?

    • door J. Blommaert op dinsdag 4 september 2012

      Je kan het ook gewoon wetenschappelijke expertise noemen hoor. Ik geef na het artikel een aantal bronnen op. Neem ze eens vast a.u.b., en confronteer uw eigen ideologie met wat daar gezegd wordt.

  • door d op woensdag 5 september 2012

    Ik kan Jan Blommaert ver volgen maar moet anderzijds toegeven dat Frank Roels nagels met koppen slaat... M'n vrouw is Nederlandse en moet dagelijks een tussentaaltje gebruiken om niet voor "bekakt" versleten te worden. Ik ben West-Vlaming die in het centrum van het land woont en die er veel in geïnvesteerd heeft om te vermijden dat de leerlingen na de eerste les al buitengaan met "Da's weer n'n West-Vlaming". Maar als jong of oud hier de streektaal spreken is het voor mij nog altijd op de toppen van m'n tenen staan om hen te begrijpen. En daarbij krijgen ze dan automatisch de indruk dat ik op hen neerkijk. Zo ook voor m'n dochter die in Moskou geboren is en vriendinnetjes soms niet kan volgen... Mensen die het zich kunnen veroorloven leren een tweede of derde taal het efficiëntst aan via een taalbad. En met lede ogen zie ik het algemene taalbad voor het standaard Nederlands verschrompelen. Als thuis, op school, in de media en ontspanningswereld allerlei vormen van tussentaal de overhand verkrijgen moet dit onvermijdelijk gevolgen hebben voor zowel communicatiemogelijkheden als het daarmee verbonden wederzijds begrip....

    • door froels op woensdag 5 september 2012

      d: jullie zijn ook allemaal allochtonen! Logisch dat jullie ons niet verstaan... (grapje)

  • door Erik L op woensdag 5 september 2012

    Ik werk met collega's uit West- en Oost Vlaanderen, Limburg, Antwerpen, Brussel en zelfs het verre Walonië, soms van Belgische, soms van allochtone afkomst. Wij spreken allen "ons tussentaaltje", verstaan mekaar prima en hebben geweldig veel lol in al die accenten en taalnuances waarmee regelmatig flink de draak wordt gestoken. Wanneer ik in het mekka van de Nederlandse standaardtaal prik- of bruiswater bestel, verstaan ze me niet, want het moet Spa-rood zijn. Vraag daar op de markt geen sojakiemen want die hebben ze niet... Wel tauge. Waar maken we ons druk over? Jaarlijks sterven duizenden kinderen aan perfect behandelbare ziektes, ondervoeding en oorlog. Welke kommaneuker verstaat dit niet?

    • door froels op woensdag 5 september 2012

      Erik L: des te beter voor u dat u elkaar zo goed verstaat. Misschien zit u in een sector met een beperkte vocabulaire (zelfde beroep). Maar vele anderen verstaan elkaar niet, of juister: ze verstaan iets anders. Zou ik u verstaan bijvoorbeeld? Wat is tauge?

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties