about
Toon menu

Internationaal Gerechtshof: "Senegal moet Habré zelf vervolgen of aan België uitleveren"

DEN HAAG - Vrijdag 20 juli heeft het hoogste rechtscollege van de VN, het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag, zich uitgesproken in de zaak van België tegen Senegal. "Senegal moet zonder dralen zelf de voormalige Tsjadische president Hissène Habré vervolgen, of hem aan België uitleveren", zo luidt de uitspraak van het hof. België eist al sinds 2005 de uitlevering van de ex-dictator.
vrijdag 20 juli 2012
Weduwen slachtoffers Habré
De overlevende slachtoffers van de terreur en hun familieleden wachten al 21 jaar op gerechtigheid die een einde zou moeten maken aan de straffeloosheid (foto: IRIN)


Peter Tomka, voorzitter van het Internationaal Hof van Justitie (CIJ-ICJ), onderstreepte in zijn verklaring bij het arrest vrijdagmiddag dat Senegal Hissène Habré enkel moet vervolgen voor de veronderstelde misdaden gepleegd nadat het VN-verdrag tegen foltering door Senegal bekrachtigd werd op 26 juni 1987.

Artikel 7 van dat verdrag verduidelijkt dat een staat "onder wiens jurisdictie een vermoedelijke dader van een misdaad" ontdekt wordt, die laatste aan zijn bevoegde autoriteiten moet onderwerpen of moet uitleveren.

"België had de moed de zaak van de slachtoffers voor Hof te brengen"

Reed Brody, een raadsman van de slachtoffers van de terreur onder dictator Habré, die het dossier al jaren opvolgt voor mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, zegt dat het oordeel van het Hof "een overwinning is voor de slachtoffers van Habré en een rechtvaardiging voor België, dat de moed had de zaak van de slachtoffers voor het Internationaal Gerechtshof te brengen".

"Aangezien 150 landen het verdrag tegen foltering bekrachtigden, is deze beslissing een krachtige oproep om de straffeloosheid van folteraars en dictators te stoppen", luidt de mededeling.

De uitspraken van het ICJ zijn wel bindend, maar kunnen niet worden afgedwongen. Toch lijkt de nieuwe Senegalese president Macky Sall geneigd om het proces tegen Habré eindelijk in Dakar van start te laten gaan. Zijn voorganger schoof de zaak elke keer weer op de lange baan. Habré kan in Dakar rekenen op de steun van bepaalde politieke groepen.

Diplomatiek geschil België-Senegal over uitlevering ex-dictator Habré

In maart dit jaar ging de eerste mondelinge fase van start in de ingewikkelde juridische procedure die België tegen Senegal aanspande voor het Internationaal Hof van Justitie. Op 19 februari 2009 heeft België een inleidend verzoekschrift ingediend in de zaak-Hissène Habré. Op 1 juli 2010 volgde de indiening van een 'schriftelijke memorie' door België, waarop de Senegalese autoriteiten op 23 augustus 2011 een 'memorie van antwoord' afleverden bij het Hof in Den Haag.

De Belgische autoriteiten hoopten aanvankelijk het geschil met Senegal, waar Habré sinds zijn vlucht uit Tsjaad in 1990 in ballingschap leeft, over de zaak van de uitlevering van de vroegere dictator via bemiddeling op te lossen. Toen dat niet lukte, werd overgegaan tot een voorstel via arbitrage. Maar ook dat leidde tot geen succes.

"Daarom heeft België de laatst mogelijke procedure aangevat, gebaseerd op artikel 30 van de Conventie van de Verenigde Naties van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing", schrijft de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in een persmededeling.

Dit houdt in dat het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag (niet te verwarren met het Internationaal Strafhof, ICC, dat ook in Den Haag is gevestigd, maar van veel recentere datum is en zich uitsluitend bezighoudt met strafrechtelijke zaken in gevallen van genocide en zware mensenrechtenschendingen) zich moest uitspreken in dit aanslepende geschil tussen twee lidstaten van de VN.

Dit rechtsmiddel is zowel gebaseerd op de Conventie van 1984 zelf als op het algemeen internationaal recht. Dit betekent dat een staat zelf moet overgaan tot vervolging, wanneer een verzoek tot uitlevering van een verdachte die onder internationaal aanhoudingsmandaat staat, wordt afgewezen door de tegenpartij.

In dit geval is het de plicht van België om zelf tot vervolging van Habré over te gaan om zo te voldoen aan de conventie die verdragstaten oplegt "te strijden tegen de straffeloosheid van de meest gruwelijke misdaden".

Universele jurisdictie van de Belgische 'genocidewet'

België is bij deze zaak betrokken geraakt toen enkele Tsjadische slachtoffers van de terreur onder Habré - die ondertussen als vluchtelingen in België ook de Belgische nationaliteit hadden verworven - in november 2000 diverse klachten met burgerlijke partijstelling indienden bij een Brusselse rechtbank, waarbij ze beroep deden op de universele jurisdictie van de Belgische genocidewetgeving in zaken van misdaden tegen de menselijkheid.

De Brusselse onderzoeksrechter Daniel Fransen en zijn team hebben duizenden dossiers van slachtoffers onderzocht, ook ter plaatse in N'Djamena. Op 19 september 2005 heeft Fransen het onderzoek afgesloten en meteen een internationaal aanhoudingsmandaat uitgevaardigd tegen Hissène Habré.

De beschuldiging luidt: misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, systematische marteling van gevangenen en zware overtredingen van het internationaal humanitair recht. Senegal is dus op basis van internationale verdragen die het land ondertekende verplicht om Habré te arresteren en uit te leveren.

België vraagt concreet aan het Hof "om de Senegalese schending vast te stellen van zijn internationale verplichting tot uitlevering van personen onder internationaal aanhoudingsmandaat".

40.000 gevallen van martelingen en buitengerechtelijke executies

De uitlevering aan België, waar bij wijze van spreken alles klaar is om het proces tegen Habré onmiddellijk van start te laten gaan, ligt voor de hand en is ook duidelijk de optie die de voorkeur wegdraagt van de organisaties van slachtoffers en hun familieleden en van talrijke Tsjadische en internationale mensenrechtenorganisaties.

Tijdens de Koude Oorlog kon Habré rekenen op de steun van Frankrijk en de VS in zijn strijd tegen de militaire bemoeienissen van de toenmalige Libische leider kolonel Khaddafi in Tsjaad. De CIA, onder toenmalig VS-president Ronald Reagan, bood Habré uitgebreide hulp aan bij de uitbouw van zijn beruchte geheime inlichtingendienst DDS, die tussen 1982 en 1990 verantwoordelijk was voor tienduizenden gevallen van martelingen en buitengerechtelijke executies van al dan niet vermeende tegenstanders.

De overlevende slachtoffers van de terreur en hun familieleden zijn al die spelletjes die boven hun hoofden worden uitgevochten meer dan beu. Zij wachten al 21 jaar op gerechtigheid die een einde zou moeten maken aan de straffeloosheid. Hopelijk kan de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 20 juli die gerechtigheid een stap dichterbij brengen.

reageer

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.