Reeds acht jaar is DeWereldMorgen.be de alternatieve en kritische stem in de Vlaamse media.

Wij zijn volledig gratis en reclamevrij.

Maar dat kan enkel via uw steun.

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Boekrecensie

De steen in de vijver: 'De Nieuwe Democratie' van Willem Schinkel

In zijn boek 'De nieuwe democratie - Naar andere vormen van politiek' is Willem Schinkels greep op de politieke werkelijkheid van Nederland zeer veelomvattend.
vrijdag 22 juni 2012

Een breed scala aan onderwerpen wordt behandeld in pittige essays, voor elk deelprobleem smeedt Schinkel steeds originele begrippen, die vaak weer opgaan in de grotere lijn van het betoog, gedachten worden aaneengekoppeld met een soort improvisatorische virtuositeit, complete polemieken zijn soms scherp gecondenseerd in een bijzin.

Het boek is op de huid van de actualiteit geschreven: het bevat veel analyses die nog heel recent waren op het moment van verschijnen in maart dit jaar, bijvoorbeeld van David Van Reybroucks G1000-project, de Occupy-beweging en de laatste editie van het ‘Sinterklaas is racisme’-debat, naar aanleiding van de zonder meer racistische arrestatie van activist/kunstenaar Quinsy Gario.

Dat maakt Schinkels tekst plezierig en opwindend om te lezen, zelfs al neigt zijn grote greep soms naar het abstracte en kost het enige inspanning om zijn betoog te overzien. Maar dat is niet erg. Uiteindelijk komt de lezer er altijd uit. En bovendien, wat dit boek in de eerste plaats wil, is een nieuwe, onstuimige intellectuele energie injecteren in een publiek debat dat grotendeels in vermolmde termen en langs levenloze tegenstellingen wordt gevoerd.

Schinkel noemt onze politieke cultuur ‘museaal’ en spreekt van een ‘energiecrisis’. Expliciet zegt hij te schrijven voor iedereen die ‘jeugdigheid van geest heeft’ en gedreven wordt door de wens ‘om het bestaande kritisch te confronteren en het land opnieuw uit te vinden.’

Het is een veelgehoorde analyse dat de dominantie van de nieuwrechtse politiek zich uitstrekt tot de taal, door het zich eigen te maken van woorden als vrijheid, tolerantie, volk en democratie. Evengoed is de crisis op links een talige crisis, die zich uit in de oubollige sleetsheid van begrippen als solidariteit, racisme of kapitalisme. In dat licht is het niet verwonderlijk dat Schinkel bestaande debatten niet alleen wil voorzien van nieuwe analyses, maar tevens van een nieuwe taal.

Zijn essayistiek kenmerkt zich door een grote hoeveelheid vaak spitsvondige neologismen, die beter in staat zouden zijn om te duiden wat er speelt in de Nederlandse politiek dan de woorden die iedereen steeds van elkaar nabauwt in de krantenkolommen. Racisme moeten we vervangen door ‘culturisme’ om het ‘exorcistische discours’, de technieken van de uitsluiting, van het hedendaagse populisme in Nederland preciezer te beschrijven.

Dat populisme is niet authentiek, maar een ‘Realpopulisme’, eerder een pragmatisch onderdeel van het systeem dan een uitdaging ervan. Spijtoptanten, die zuiver onder druk van een ideologische mode berouw tonen dat ze vroeger het multiculturalisme aanhingen, zelfs al heeft dat nooit als politiek programma bestaan, zijn ‘multiculturealisten’.

Natuurlijk maakt dat Schinkel tot een doelwit van voorspelbare empiristische verwijten. Ons inziens moet zijn ambitie echter juist toegejuicht worden. Zijn voorliefde voor neologismen betekent in feite een verlangen om te komen tot oorspronkelijke theorievorming in het Nederlands, toegesneden op de Nederlandse situatie. En dat op zich is zeer hard nodig. We kunnen natuurlijk moeiteloos putten uit de enorm rijke kritische tradities uit Frankrijk, de Verenigde Staten of Slovenië om tot fundamentele politieke analyses te komen.

Zolang onze fundamentele critici echter vooral blijven denken in leenwoorden zal onze theoretische discussie moeilijk doorwerken in ons publieke debat. Alleen al daarom moeten we in onze handen knijpen dat er een boek is als De nieuwe democratie. Kopen en lezen dus! Maar daarna moet wel de vraag komen naar wat Schinkels programma dan behelst, en of zijn neologismen de juiste zijn.

Een ander populisme

Het is precies Schinkels zeer veelomvattende opzet die het lastig maakt om heel secuur zijn programma of visie te reconstrueren. Het boek bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel zich richt op het uiteenzetten van een filosofische achtergrondvisie, en het tweede deel meer concrete analyses bevat waarmee Schinkel diverse debatten wil openbreken.

In de praktijk echter is Schinkels schriftuur steeds gemengd en bevatten beide delen afwisselingen van analyse, theoretische passages, polemiek en alternatieven. Daarmee wordt de structuur van het boek wat losjes, en ontbreekt een nauwgezette opbouw van zijn begrippenapparaat. Ook de breed uitwaaierende onderwerpen maken het niet eenvoudiger een centraal argument te lokaliseren. Het boek is eerder opgebouwd rond samenhangende clusters van thema’s en posities.

Een van de hoofdlijnen, met name in het eerste deel, is de analyse van het populisme. Voor Schinkel is het reëel bestaande populisme in Nederland een vervalsing van wat populisme eigenlijk zou moeten doen. Populisme hoort volgens Schinkel bij democratie. In de democratie wordt ‘het volk’ geacht de macht te hebben. Dat gaat echter via een vertegenwoordiging, die nooit met ‘het volk’ samenvalt.

Deze representatie van het volk maakt daarom eigenlijk zijn eigen volk, maar laat daarbij altijd gaten vallen. Populisme zou idealiter precies dat tekort steeds moeten gebruiken als een motor om de democratie in beweging te houden. Democratie, volk en systeem moeten elkaar steeds opnieuw uitvinden.

De ellende met het Nederlandse populisme is dat het zich niet genoeg als uitdaging van het systeem opstelt. Ons systeem lijdt volgens Schinkel aan ‘depolitisering’, waarachter een langdurig sluipend proces van ‘desolidarisering’ schuilgaat. De heersende ideologie is er een van bezuinigingen, van ‘kredietradicalisering’, een ‘credo van het krediet’ oftewel een ‘geformaliseerd christendom van de schuld’, dat krankzinnige verwachtingen heeft van economische groei, maar feitelijk uitdraait op een ‘minimalisering van het leven’.

Dit schema is zo machtig dat zelfs de oppositie er altijd in meegaat – oppositie voeren is tegenwoordig vooral tegenbegrotingen presenteren waarin per saldo even hard bezuinigd wordt. Werkelijke politieke problemen worden binnen dit systeem steevast in managementtermen vertaald, om dan louter technocratisch te worden opgelost.

Politiek links heeft daar geen antwoord op, maar het populisme zoals wij dat kennen in feite ook niet. In plaats van een re-politisering van het beleid komt het met een politisering die Schinkel ziet als inauthentiek, omdat ze verloopt via lege discussies rond gemakzuchtige noties over vrijheid en veiligheid, en via integratiedebatten, die nieuwe culturele normen en werkelijkheden scheppen en een ‘culturistische’ agenda hebben – de hedendaagse update van het aloude racisme.

Maar eigenlijk zijn dat afleidingsmanoeuvres. De geproduceerde culturele tegenstellingen zouden echte politieke kwesties onder het tapijt vegen. Het systeem gebruikt ‘het principe ‘Wilders' als ‘politieke techniek’ om zijn eigen depolitisering te maskeren (de naam staat bij Schinkel consequent tussen aanhalingstekens om aan te geven dat het niet om de persoon Wilders gaat, waar pers en politiek door de persoon gebiologeerd schijnen). Uiteindelijk maken ook de populisten via gedoogconstructies gewoon beleid, in plaats van politiek.

Ja, het boek is net voor de val van het kabinet-Rutte geschreven. Wellicht heeft het Schinkel verrast toen Wilders (min of meer door zijn eigen populistische positie gedwongen) afstand nam van een radicale bezuinigingsagenda. Anderzijds hebben de politieke gebeurtenissen na de val van het kabinet zijn stelling misschien ook wel bevestigd, gezien het enorme gemak waarmee de Kunduz-coalitie (nvdr: de naam komt van de Afghaanse provincie Kunduz. De partijen die de nieuwe coalitie uitmaakten, hadden mekaar al eerder gevonden over de politietrainingsmissie in Kunduz), gedragen door de opluchting dat Wilders uit de weg was, tot overeenstemming kon komen over de politieke noodzaak tot snoeihard bezuinigen.

Onbevredigend aan Schinkels schema is echter het gemak waarmee hij Wilders’ culturele agenda afdoet als een dekmantel voor depolitisering. Als politiek gaat over het definiëren van maatschappelijke tegenstellingen, is het wegzetten van een miljoen ‘niet-geïntegreerden’ (discursieve etnische zuivering, zegt Schinkel) nauwelijks apolitiek te noemen.

Schinkel wil echter komen tot een ander populisme. Een populisme wellicht dat werkt vanuit een positie die hij ‘links van links’ noemt. Met die term wil hij aangeven dat parlementair links niet links genoeg meer is, niet meer genoeg in termen van utopische alternatieven denkt. Een links-van-links populisme zou misschien onze politieke cultuur uit de ban van zowel de ‘minimalisering van het leven’ als de vele verstarde debatten rond cultuur en vrijheid kunnen halen.

Amoeboïde concepten

Kenmerkend aan Schinkels denken is dat hij fenomenen bijna altijd lijkt terug te brengen tot een  zekere systeemlogica, die schimmig en alomtegenwoordig van karakter is. Het gevolg is dat zijn concepten zich gedragen als amoebes, in de zin dat ze geen duidelijke begrenzing hebben en ertoe neigen om zich meer en meer uit te breiden, totdat ze de hele samenleving lijken te omvatten.

Zo stelt Schinkel dat de opvattingen van Wilders zelden meer zijn ‘dan consequent doorgevoerde versies van een politieke logica die heel het politieke systeem doortrekt.’ Deze logica is die van het Realpopulisme, een combinatie van bestuurlijke mentaliteit en populisme als stijl, volgens Schinkel het ‘feitelijke dwarsverband van de Nederlandse politiek’.

Populisme smelt zo samen met bestuurlijke politiek, politisering gaat naadloos over in depolitisering, in een monsterlijk totaalconcept. De oplettende lezer ontdekt dat het bij Schinkel immer het gehele systeem is dat hypochondrisch is, depolitiseert, multiculturealistisch is, desolidariseert. Er zijn geen dominante en ondergeschikte vertogen en praktijken die strijden om prominentie: eenheid regeert in Schinkels universum.

Hierdoor wordt het moeilijk om eigenheid, conflict en dialectiek te denken. En dat is een verarming. Want is het depolitiserende multiculturealisme waarover Schinkel spreekt, niet vooral te begrijpen als een synthese van enerzijds een politisering van het integratievraagstuk door Fortuyn en zijn opvolgers, en anderzijds een poging tot pacificatie en depolitisering door gevestigde partijen?

In Schinkels analytische stijl ontbreekt een dergelijke dynamiek. En kunnen de pasklare oplossingen van het Realpopulisme niet juist een politisering inhouden (wat te denken van de 'kopvoddentaks')? Wellicht staat Schinkel, bij gebrek aan een uitgewerkt normatief kader, aan de verleiding bloot om politisering (goed) en depolitisering (fout) als normatieve concepten te gaan gebruiken, en alles wat niet zijn vorm van politiek is, af te doen als depolitisering.

Eenzelfde verdenking laadt Schinkel op zich met zijn wat al te gemakkelijke onderscheid tussen enerzijds behoud en gerontocratie (Museum Nederland) en anderzijds vernieuwing en jeugdigheid van geest (de utopische kracht van 'links van links'). Als we dit beeld aanhouden van het conservatisme in Nederland, als een ‘ideologisch uitgeput’, ‘verstard denken’, dat niets dan gebaande paden betreedt, wordt het moeilijk haar aantrekkingskracht te begrijpen.

Schinkel negeert de ideologische vernieuwingsdrang en vitaliteit van het Nederlandse conservatisme. Sinds jaar en dag kenmerkt het conservatisme zich door een paradoxale combinatie van radicale vernieuwing en nostalgisch behoud. Het volgt de logica van de beroemde strofe uit Visconti’s Il Gattopardo: ‘alles moet veranderen om alles bij het oude te houden’. Zo ook Fortuyn zijn conservatieve pleidooi voor een terugkeer van de rol van de vader in wat hij ‘de verweesde samenleving’ noemde. Een terugkeer die hij combineerde met homo- en vrouwenrechten en de vrije seksuele moraal van de jaren zestig.

Dit is geen terugkeer naar de spruitjeslucht uit de jaren vijftig, het is veel complexer dan dat. Het conservatisme mobiliseert haar achterban via een eigen vreemdsoortige utopische horizon: een beroep op een in elkaar geknutseld verleden, dat in de toekomst gerealiseerd moet worden. Schinkels dualiteiten van behoud en vernieuwing, politisering en depolitisering, schieten hier tekort.

Waar naartoe?

Dit maakt de vraag naar wat die ‘utopische’ horizon van Schinkel precies inhoudt, waarin bijvoorbeeld een nieuw nationalisme vorm kan krijgen, alleen maar urgenter. Want dat ‘de natie’ als begrip abstract is en altijd zal blijven, zorgt ervoor dat er altijd ruimte open blijft voor allerhande invullingen, waaronder ook wenselijke. Schinkel maakt dat zeker aannemelijk. Maar in de precieze invulling van die utopie, en van het programma ‘links van links’, blijft het boek onbevredigend.

Niet dat Schinkel geen voorstellen doet, en niet dat al die voorstellen niet goed zouden zijn. Een basisloon, minder groei, minder fixatie op werk en efficiëntie, vliegquota: dat zijn inderdaad leuke progressieve dingen voor de mensen. Maar de meest concrete en uitgewerkte oplossing die hij aandraagt - zijn "nieuwe Raad van State" - blijft iets vrijblijvends en onbevredigends houden.

Het komt eigenlijk neer op een institutionele formalisering van de positie van de publieke intellectueel: agenderen en interveniëren in het publieke debat. Een institutionalisering die op zijn beurt weer een stiekeme depolitisering lijkt in te houden: een publiek debat waarvan de kaders door aangewezen specialisten worden bepaald, zodat zij er greep op kunnen blijven houden.

Zoveel moeite als Schinkel zich getroost om het bestaande te deconstrueren en inverteren, zo ongrijpbaar blijft zijn analyse van het nog-niet-bestaande. Na een uitgebreide analyse van de ‘desolidarisering’ is het jammer om een pleidooi te lezen voor het ‘komen tot nieuwe vormen van solidariteit’ zonder dat het de inhoud van die solidariteit bespreekt. Goed, we lezen dat solidariteit niet begrepen moet worden als een ‘socialistisch gelijkheidsideaal’, maar als ‘herinnering aan de connecties die aan de basis liggen van de precaire museale bouwsels die wij samenleving noemen.’

Dit alles ‘ter oriëntatie in de publieke discussie’– alsof Schinkel hoopt dat het werpen van een steen in die vijver misschien vanzelf zal leiden tot een nieuw solidariteitsconcept. Zo blijft ‘solidariteit’ bij Schinkel uiteindelijk erg wishy-washy. Had die steen niet zelf een eerste fundament moeten zijn?

Dit gebrek aan fundering speelt Schinkels droom van ‘Links van links’ parten. Schinkels stijl heeft sowieso iets grondeloos. Dat blijkt ook uit zijn benadering van het realisme. ‘Realisme’ is bij Schinkel vooral een retorische truc: zie zijn neologistische constructies Realpopulisme en multiculturealisme. In beide gevallen gaat het om een cynisch soort realisme, iets dat door een tegenstander als constructie van de realiteit wordt opgevoerd.

Dat is natuurlijk precies wat elke ingreep moet doen: de realiteit zelf opnieuw definiëren. Wie niet durft te zeggen dat werkelijkheid anders is dan we altijd gedacht hadden, heeft uiteindelijk geen interventiekracht in enig debat. Zo heeft ‘multiculturealisme’ als begrip iets van een gemiste kans – dat spitsvondige woord kan heel andere associaties oproepen dan wat Schinkel ervan maakt. Het had bijvoorbeeld kunnen betekenen dat multiculturaliteit Reëel is in Lacaniaanse zin (om er dan toch nog een Fransman bij te halen), dus als een ondenkbare uitdaging voor al onze concepten.

Via dat begrip hadden we dan kunnen zeggen: we zeuren met zijn allen wel over multiculturalisme, maar we hebben nog nooit de realiteit van de multipliciteit van ‘cultuur’ gezien, of zelfs maar kunnen denken, en daarom moeten we al onze begrippen over cultuurpolitiek radicaal omgooien. Maar bij Schinkel is het vooral een – weliswaar nuttige – sarcastische term om een absurd en modieus politiek spektakel mee te benoemen.

Met het gebrek aan fundering lijkt ‘links van links’ uiteindelijk vooral als open plek te fungeren, die we nog met nieuwe solidariteitsconcepten moeten gaan invullen. Daarmee is Schinkels eigen positie ook zelf vatbaar voor zijn – zeker niet onterechte – kritiek op Occupy: ‘Het verlangen naar een contra-ideologie staat er centraal, veel meer dan een daadwerkelijke contra-ideologie.’

De nieuwe democratie is zeker een aanstekelijke en opwindende oproep tot hernieuwd denken, voor onze situatie en in onze taal. Hopelijk kan de energie die Willem Schinkel oproept in verdere boeken, van wie dan ook, dienen om nieuwe, solide, grondige conceptuele wapens te smeden. Want wie gansch het raderwerk stil wil zetten, heeft wel een machtige arm nodig.

Merijn Oudenampsen en Samuel Vriezen

* Merijn Oudenampsen is socioloog en publicist. Hij is momenteel bezig met een promotieonderzoek op het gebied van politiek populisme bij de Universiteit van Tilburg

* Samuel Vriezen (1973) is componist en auteur, en als redacteur betrokken bij nY, tijdschrift voor literatuur, kritiek en amusement

Dit boek is verkrijgbaar in onze shop. Tijdelijke voordeelprijs: 17,55 euro i.p.v. 19,5 euro!

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

5 reacties

  • door Le grand guignol op vrijdag 22 juni 2012

    De auteurs van het bovenstaande artikel schrijven: "Onbevredigend aan Schinkels schema is echter het gemak waarmee hij Wilders’ culturele agenda afdoet als een dekmantel voor depolitisering. Als politiek gaat over het definiëren van maatschappelijke tegenstellingen, is het wegzetten van een miljoen ‘niet-geïntegreerden’ (discursieve etnische zuivering, zegt Schinkel) nauwelijks apolitiek te noemen."

    Als men het zo stelt dan lijkt de analyse van Schinkel inderdaad onbevredigend te zijn. Maar in wezen maken de auteurs, althans naar mijn mening, zelf een foutieve deductie door te spreken over "het definiëren van maatschappelijke tegenstellingen" terwijl Schinkel, voor zover ik mee ben met zijn betoog, in wezen de aandacht vestigt op het feit dat het niet gaat over maatschappelijke tegenstellingen dan wel over "door de politiek gedefinieerde etnisch-culturele tegenstellingen" (cf. discursieve etnische zuivering). Uitgerekend door middel van het discours van de 'culturalisten', die de nadruk leggen op culturele aspecten, verschuift de aandacht van de eigenlijke maatschappelijke tegenstellingen (bv. sociale ongelijkheid en uitsluiting, die overigens niet cultureel gedetermineerd zijn) naar louter etnisch-culturele tegenstellingen. Met andere woorden: etnisch-culturele tegenstellingen worden door de politiek gedefinieerd en opgevoerd opdat die politiek het niet hoeft te hebben over de maatschappelijke tegenstellingen die aan de basis van structurele maatschappelijke knelpunten en uitsluitingsmechanismen liggen. Een ogenschijnlijk politiek discours, dat in wezen een louter etnisch-cultureel onderscheid maakt, vormt op die manier het aangrijpingspunt voor politici om de bevolking tegelijkertijd te verdelen en vervolgens te (kunnen) regeren op basis van een etnisch-cultureel-gedefinieerd doelgroepenbeleid. Dáárin schuilt de depolitisering waar Schinkel op doelt. Door de klemtoon te leggen op door de politiek gedefinieerde etnisch-culturele tegenstellingen creëren politici (door middel van hun discours) zelf een discursieve realiteit die opgebouwd wordt rond een eng etnisch-cultureel argumentatie- en referentiekader; cultuur wordt gepolitiseerd en tegelijkertijd wordt politiek 'geculturaliseerd', i.e., gedepolitiseerd, waardoor het primaat van een democratische politiek verwatert tot het primaat van een etnisch-cultureel-geïnspireerde politiek die (het in vraag stellen van) de bestaande sociopolitieke orde buiten beschouwing laat of alleszins onvoldoende aandacht geeft. Politiek wordt op die manier apolitiek. Cultuur lijkt voor vele mensen inherent aan politiek te zijn waardoor mensen er niet meer in slagen om het onderscheid tussen beide levensdomeinen te maken. Kortom: op basis van etnisch-culturele tegenstellingen worden de eigenlijke maatschappelijke tegenstelling en ongelijke machtsverhoudingen, die in wezen onderdeel uitmaken van het domein van de politiek alsmede het politieke beleid, onder de mat geveegd en gehouden. Politici worden op die manier managers van de bestaande sociopolitieke orde, het status quo, omdat ze zich niet meer (hoeven te) wagen aan heikele (maatschappelijke) thema's die inherent zijn - of liever: horen te zijn - aan politiek (bv. sociale ongelijkheid en uitsluiting, herverdeling).

    • door Merijn Oudenampsen op dinsdag 26 juni 2012

      Beste Guignol,

      dat is natuurlijk het hele probleem. Er is geen objectieve maatstaf voor wat de 'eigenlijke' maatschappelijke tegenstellingen zijn. Die kunnen op elke manier gearticuleerd worden, tenzij je uitgaat van een vrij orthodox materialisme (waar Schinkel weinig mee op lijkt te hebben). Bij denkers als Chantal Mouffe, Jacques Rancière, en Slavoj Zizek (en verder terug: Carl Schmitt), waar Schinkel de mosterd van zijn depolitiseringsthese vandaan heeft gehaald, vind je dan ook een dergelijke open (contingente) aard van het politieke. Gezien jouw reactie zou eigenlijk alleen linkse politiek rond uitsluiting en herverdeling daadwerkelijke politiek inhouden. Dan maak je dezelfde fout als Schinkel: je gebruikt politisering en depolitisering stiekem als normatieve concepten, waarmee je de betekenis van die concepten uitholt.

      groet,

      Merijn

      • door Le grand guignol op dinsdag 26 juni 2012

        Politiek gaat over machtsverhoudingen en dat geldt voor het ganse politieke spectrum. Is dat normatief? Mogelijk. Maar zonder dat normatieve kader zou alles politiek (kunnen) zijn en daarmee ontstaat het risico dat het privédomein opgaat in het publieke domein en we een soort van 'totalitaire politiek' krijgen. Een politieke analyse zonder de bestaande machtsverhoudingen in ogenschouw te nemen is dus, althans naar mijn mening, geen politieke analyse maar hooguit - in het beste geval - een wetenschappelijke analyse. Van Reekum wijst er bijvoorbeeld op dat een etnische categorisering geen kennis oplevert van maatschappelijke problemen (cf. http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/18/weet-eer-u-etnisch-meet/ ). Maatschappelijke problemen hebben hun voedingsbodem in ongelijke machtsverhoudingen en een (democratische) politieke arena is de plaats bij uitstek waar de betreffende ongelijkheid aan de oppervlakte kan komen en aan de kaak gesteld kan worden. U schrijft: "Gezien jouw reactie zou eigenlijk alleen linkse politiek rond uitsluiting en herverdeling daadwerkelijke politiek inhouden". Daarbij gaat u uit van de premisse dat rechtse politiek zich niet met die machtsverhoudingen zou bezighouden. Terwijl het in stand houden van het status quo, o.a. door politiek rechts, in wezen handelt over dezelfde (ongelijke) machtsverhoudingen. Voor diegenen die het status quo willen behouden is het dan ook aangewezen om de aandacht zover mogelijk van de bestaande ongelijkheid af te leiden. Dit kan men bijvoorbeeld doen door te aandacht te vestigen op etnisch-culturele tegenstellingen, maar zoals eerder gezegd verdwijnt daardoor mogelijk de ongelijke machtsbalans onder de radar. Het jaarverslag van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie vestigt de aandacht op het feit dat het stringente besparingsbeleid de sociale ongelijkheid en uitsluiting doet toenemen en daardoor een voedingsbodem vormt voor de radicalisering alsmede de opkomst van extreemrechts (cf. http://www.statewatch.org/news/2012/may/coe-ecri-annual-report-2011.pdf ). Racisme en intolerantie hebben dus eveneens een voedingsbodem in maatschappelijke ongelijkheid. Echter, door constant te wijzen op etnisch-culturele tegenstellingen wekken politici, onterecht, de indruk dat die etnisch-culturele tegenstellingen het probleem vormen terwijl de oorzaak van de maatschappelijke problemen vervat zit in de (structurele) ongelijkheid. Ik ben dan ook van mening dat Schinkel noch ikzelf ongelijkheid gebruiken als een normatief concept dat enkel op een door links gedefinieerde politiek van toepassing is. Een etnisch-cultureel-geïnspireerde maatschappelijke analyse is dus niet per definitie een politieke analyse; het wordt pas, althans naar mijn mening, een politieke analyse wanneer het etnisch-culturele gelinkt wordt aan de onderliggende ongelijke machtsverhoudingen. Hierbij wens ik tevens het onderscheid te maken tussen beleid ('policing') enerzijds en politiek anderzijds. Naar mijn mening is beleid in wezen niets anders dan het ordenen, rangschikken en/of categoriseren van de maatschappij (bv. 'discursieve etnische zuivering') binnen de bestaande sociopolitieke orde; beleid is dus een vorm van management. Politiek daarentegen behelst eveneens het in vraag stellen alsook het wijzigen van de bestaande sociopolitieke orde en de daarbij horende machtsverhoudingen. Heden ligt de klemtoon hoofdzakelijk op beleid en slechts in geringe mate op politiek.

        • door Merijn Oudenampsen op woensdag 27 juni 2012

          Beste Guignol,

          nu dreigen we wel in een erg uitgebreide discussie te verzanden.

          Ik ben bekend met het onderscheid tussen politiek en bestuur. Het gaat mij niet om het culturalisme, en de werkelijkheid van de problemen rond integratie, daarin ben ik het voor het grootste gedeelte eens met Schinkel, van Reekum en bovenstaand commentaar. Het gaat er mij om dat het 'politieke' niet draait om het oplossen van reële maatschappelijke problemen, maar om het benoemen van maatschappelijke tegenstellingen, of die nu als cultureel geframed worden of hun wortels hebben in ongelijke maatschappelijke verhoudingen, het is allemaal even politiek.

          "Een etnisch-cultureel-geïnspireerde maatschappelijke analyse is dus niet per definitie een politieke analyse; het wordt pas, althans naar mijn mening, een politieke analyse wanneer het etnisch-culturele gelinkt wordt aan de onderliggende ongelijke machtsverhoudingen."

          Wat je hier doet is een andere definitie van het politieke naar voren te schuiven. Anders dan in de politieke theorie (Schmitt, Mouffe, Rancière, Laclau, Nancy) gebruikelijk is. Alleen de politiek die de juiste onderliggende machtsverhoudingen blootlegt is ware politiek. Daarmee wordt het een normatief concept, en verliest het een groot deel van zijn bruikbaarheid.

          "Ik ben dan ook van mening dat Schinkel noch ikzelf ongelijkheid gebruiken als een normatief concept dat enkel op een door links gedefinieerde politiek van toepassing is"

          Jammer. Het zou juist goed zijn als jullie dat wel doen. In tegenstelling tot het politieke, is gelijkheid een concept dat inherent normatief is. Het probleem is dat Schinkel daar weinig tot geen gebruik van maakt. Hij keert zich tegen het 'socialistische gelijkheidsideaal', wat hij daar ook mee bedoelt, en plaats daar een of ander halfzacht gemeenschapsideaal tegenover. Omdat hij het streven naar gelijkheid niet gebruikt, is hij genoodzaakt politisering als normatief concept te gaan gebruiken en de nieuwrechtse politiek als depolitiserend van de hand te doen.

          • door Le grand guignol op woensdag 27 juni 2012

            U schrijft: "Het gaat er mij om dat het 'politieke' niet draait om het oplossen van reële maatschappelijke problemen, maar om het benoemen van maatschappelijke tegenstellingen, of die nu als cultureel geframed worden of hun wortels hebben in ongelijke maatschappelijke verhoudingen, het is allemaal even politiek."

            Dat klopt, politiek gaat inderdaad over het definiëren van maatschappelijke tegenstellingen. Dat is als het ware het discursieve strijdtoneel van de politiek. Het kiezen voor alsook benoemen van een welbepaalde maatschappelijke tegenstelling creëert op die manier een mogelijkheid om de door de politiek benoemde tegenstelling aan te pakken door middel van beleid. Het benoemen van een bepaalde maatschappelijk tegenstelling vormt op die manier het aangrijpingspunt voor het politieke - of liever: beleidsmatige - handelen. Op dat vlak zitten we op dezelfde golflengte.

            Echter, achter elke benoemde maatschappelijke tegenstelling gaan ook tegengestelde belangen en ongelijke machtsverhoudingen schuil; ik deel dan ook de mening van Mouffe e.a dat het noodzakelijk is om de betreffende machtsverhoudingen bloot te leggen omdat ze inherent zijn aan politiek (dat bedoelde ik met "linken aan"). Zolang de bestaande machtsverhoudingen blootgelegd kunnen worden bekijk ik het dan ook niet als een normatief concept; het wordt pas een normatief concept wanneer de afwezigheid van onderliggende machtsverhouding als argument gebruikt wordt om iets als apolitiek te bestempelen. Maar, zoals ik reeds zei, zijn die onderliggende machtsverhoudingen steeds aanwezig en is het dus enkel de taak om ze bloot te leggen. De depolitisering heeft bijgevolg te maken met het feit dat de onderliggende machtsverhoudingen en tegenstellingen niet benoemd worden en wanneer er sprake is van een bestuurlijke consensus die de bestaande ongelijke machtsverhoudingen ongemoeid laat of op zijn minst op de achtergrond houdt. Dat is precies wat de nieuwrechtse politiek (doelbewust) doet of alleszins tracht te doen. Met dien verstande is nieuwrechts evenzeer begaan met (on)gelijkheid, zij het met het verdoezelen van de ongelijke machtsverhoudingen door middel van een 'gedepolitiseerd' discours.

            Wat het 'socialistische gelijkheidsideaal' betreft deel ik het standpunt van Schinkel niet. Gelijkheid is inderdaad een normatief concept en vormt naar mijn mening een noodzakelijke voorwaarde voor een democratische politiek. Maar ook het discours van nieuwrechts gebruikt gelijkheid als een normatief concept, al was het maar om gelijke rechten te koppelen aan gelijke plichten en daardoor voorwaarden te stellen aan het aanspraak kunnen maken op fundamentele rechten. Dat bedoelde ik wanneer ik het had over het gegeven dat (on)gelijkheid geen normatief concept is dat enkel op een door links gedefinieerde politiek van toepassing is. Echter, de invulling van gelijkheid verschilt tussen links en rechts: waar politiek links doelt op gelijkheid 'tout court' (bv. socio-economisch, juridisch) blijft de gelijkheid bij nieuwrechts, mijns inziens, beperkt tot een juridische gelijkheid.

          Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties