Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

De terugkeer van Erich Fromm

Psychologie is doorheen de laatste jaren geëvolueerd tot een zeer technische bezigheid, vaak georiënteerd op metingen en gemiddelden en strak individualistisch. Freudiaanse benaderingen lijken al lange tijd helemaal uit de mode. Recent zien we echter een merkwaardig verschijnsel: het werk van de marxistisch geïnspireerde freudiaan Erich Fromm lijkt plots terug aan populariteit te winnen.
donderdag 24 mei 2012

Het werk van de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe is sinds kort een druk besproken thema in ruime kring. Zijn aanvallen op de wijze waarop een neoliberale orde een aanslag pleegt op de gezondheid van de menselijke geest en het sociale weefsel zijn niet onopgemerkt gebleven, en zijn naam klinkt bekend in veler oren.

Wie niet telt, telt niet mee

Verhaeghe is, zoals we weten, een psychanalyst met freudiaanse roots. Zijn naambekendheid staat in schril contrast met zijn status binnen de universitaire psychologie. In zijn eigen Gentse faculteit is hij naar eigen zeggen volkomen gemarginaliseerd, want de wetenschappelijke psychologie wordt al geruime tijd gedomineerd door een vorm van hogere meetkunde die zich op klassieke positivistische argumenten beroept in haar aanspraken op objectiviteit, en die de freudiaanse traditie afwijst als speculatief of – erger nog – als een pseudo-wetenschap.

Freud, dat was een kwakzalver; zijn volgelingen missen dan ook alle wetenchappelijke geloofwaardigheid. Recente mediadebatten, onder andere op deze site, beklemtoonden het controversiële karakter van Freuds werk in volle heftigheid.

In de psychologie geldt immers nu de regel die ook een aantal andere sociale wetenschappen is gaan domineren: wie niet telt, telt niet mee. Enkel wie ‘harde cijfers’ kan produceren, is goed bezig, want ‘harde cijfers’ staat als begrip simpelweg synoniem voor ‘harde feiten’.

Die harde feiten (lees: cijfers) worden graag ten dienste gesteld van beleidsmakers in het onderwijs, de arbeidsmarkt en andere domeinen. Voor zowat elk aspect van ons mens-zijn bestaan er nu ‘curven’, ‘benchmarks’ en ‘gemiddelden’ die een onderscheid toelaten tussen ‘normale’ en ‘abnormale’ gedrags-, leef- en leerpatronen.

Freudiaanse benaderingen genieten niet dezelfde prima facie geloofwaardigheid, en genieten dan ook niet dezelfde populariteit bij politici, managers en andere denkende en (vooral) doende koppen.

Het is des te merkwaardiger dat Verhaeghes standpunten plots zo sterk blijken aan te slaan. Hoe komt dat?

Een sociale visie op de geest

Misschien is het omdat Verhaeghe een sociale visie biedt op onze psyche, en dat hij in die beweging een zeer herkenbare en dus realistische reeks fenomenen aanwijst. Vele mensen hebben niet enkel het gevoel maar de zékerheid dat ze overwerkt zijn, nergens meer tijd voor hebben, tekort schieten in een heel aantal domeinen van hun leven, en steeds wanhopiger op zoek zijn naar datgene wat men ‘een gezonde balans’ noemt, of nog eenvoudiger: datgene wat men ‘geluk’ noemt.

Verhaeghe ziet de menselijke geest als iets wat zijn voeten heeft in de samenleving. Evoluties in de samenleving hebben effecten op de geest van het individu; een evolutie naar neoliberale arbeidsverhoudingen (met een doorgedreven individualisering, persoonlijke ontwikkelingstrajecten, functiegesprekken, evaluaties en zo meer) heeft dan ook effecten op hoe indivdiuele mensen zich binnen die verhoudingen gaan voelen en gedragen. En het blijkt daarmee niet bijster goed gesteld te zijn.

Wat zich in de geest van het individu afspeelt, is dus niet louter een individuele kwestie. Een depressie, bijvoorbeeld, is niet noodzakelijk een gevolg van individuele zwakheid of een gebrek aan individuele veerkracht en weerbaarheid. Het kan een effect zijn van de manier waarop de samenleving in mekaar zit – men ‘is’ niet depressief, maar leidt een depressief makend leven, met andere woorden.

De werkdruk kan te hoog zijn, de vrije tijd kan in toenemende mate opgezogen worden in de werktijd, er kan onmacht en frustratie bestaan over het klimaat op het werk, faalangst en onzekerheid over de eigen toekomst en zo meer.

Depressie – dé ziekte van onze tijd – is dus een sociaal gegeven en niet enkel een individuele aandoening, schreef Verhaeghe in ‘Het Einde van de Psychotherapie’ (2009). Om depressie op te lossen, volstaat het dan ook niet het individu een reeks geneesmiddelen en individuele therapieën voor te schrijven. Men moet de sociale context veranderen; als die niét verandert, dan blijft het individu wellicht ziek. De fundamentele oorzaken van de aandoening zijn immers niet verdwenen en individuele therapieën lossen dat niet op.

Het zijn dié gevoelens en dié ervaringen die bij vele mensen blijken aan te slaan: het gevoel dat men een slachtoffer is van machten die men zelf niet beheerst, en de ervaring dat een wekelijkse boswandeling en een dagelijkse dosis Melatonine eigenlijk weinig beterschap bieden. Het gevoel dat enkel een radicale wijziging in de gehele levensstijl soelaas kan brengen, en de ervaring dat dit feitelijk onmogelijk is omdat men gevangen zit in een dwingend en sluitend systeem.

Fromm, Freud en Marx

Die specifieke ideeën werden een halve eeuw geleden ontwikkeld door de Duits-Amerikaanse psycholoog Erich Fromm. Fromm was een tijdje medewerker van wat bekend werd als de Frankfurter Schule, de kritische theoriefabriek met Max Horkheimer, Theodor Adorno, Herbert Marcuse en de jonge Jürgen Habermas, die eerst in Duitsland en daarna in de VS een synthese zochten van marxisme met een brede waaier aan sociale wetenschappen. Psychologie was er één van.

Fromm zelf brak snel met de Frankfurters; toch zocht hij in zijn werk even goed naar een synthese tussen freudiaanse psychanalyse en marxisme, zij het dat we dit laatste moeten kwalificeren.

Fromm richtte zich op het mensbeeld dat men in de werken van de jonge Marx vindt, en schreef daarover een klassiek werk, ‘Marx’s Concept of Man’. Die Marx van de ‘Economische en Filosofische Geschriften’ was een radicale humanist en een volmaakt kind van de Verlichting.

Hij zag de mens immers als een compleet wezen dat heel wat facetten heeft, waarvan arbeid er slechts één is. In de visie van de jonge Marx moest een samenleving ervoor zorgen dat de mens zo min mogelijk nutteloos en zinloos werk verricht. En wie het geheel van het oeuvre van Marx overschouwt – incluis de vroege geschriften die gedurende lange tijd werden uitgesloten van de marxistische orthodoxie – kan dit oeuvre lezen als een lang en complex pleidooi voor vrije tijd (zo stelde Terry Eagleton – geen slechte bron – onlangs in een leuk werkje getiteld ‘Why Marx was Right’).

Vrije tijd, dat is tijd waarin de mens vrij is: vrij van arbeid en vrij om de andere aspecten van zijn of haar mens-zijn te ontwikkelen. Marx pleitte voor een systeem waarin arbeid de opstap is naar de volledige ontplooiing van alle menselijke capaciteiten. De mens werkt, maar doet dit als aanzet om zich ook artistiek, cultureel, intellectueel, sportief enzovoort te ontwikkelen, en in alle rollen die het leven van een mens eist: als werker, maar ook als ouder, kind, vriend, burger, enzovoort.

Marx zag het kapitalisme als een economisch en politiek systeem dat een dergelijke veelzijdige ontwikkeling van de mens onmogelijk maakte. In het kapitalisme zag hij een systeem dat mensen hun menselijkheid ontnam doordat ze gereduceerd werden tot arbeidskrachten – ruwe menselijke grondstof die naar believen kunnen worden ingezet in of uitgesloten uit het arbeidsproces, en wiens inbreng steeds tegen een zo laag mogelijke kost moest verlopen.

Noteer terloops dat de marxistische definitie van de mens als menselijke grondstof de perfecte Nederlandse vertaling is van de thans zo populaire Engelse term ‘human resources’. Doordat de mens herleid wordt tot arbeidende grondstof wordt hij/zij los gekoppeld van de vruchten van de arbeid. De werkgever ‘neemt’ het werk van de werknemer, zet het om in kapitaal, en ‘geeft’ de werker in ruil een zo laag mogelijke vergoeding. Die vergoeding is het enige wat de werker bindt aan zijn/haar werk – de producten en baten komen toe aan de kapitalist.

De mens is dus een ‘loonslaaf’ die ‘vervreemd’ wordt, ‘gealiëneerd’, van zijn arbeid, maar gebonden is aan zijn loon. Hij of zij heeft geen enkele greep op de arbeid die hij/zij uitvoert, ondergaat het arbeidsproces en heeft geen enkele inspraak ter zake. Werken en zwijgen en blij zijn dat je werk hebt – wie de film ‘Daens’ ooit heeft gezien, weet welk soort realiteiten Marx daarmee beschreef.

En wie vandaag afgejakkerd en doodnerveus teruggekeerd is van het werk, en later vanavond nog enkele uren extra werk voor de boeg heeft, kan zich misschien inbeelden dat het nu niet noodzakelijk beter gaat.

Het is dit marxistische mensbeeld dat centraal staat in de psychologie van Fromm. Hij nam het over en vermengde het met de freudiaanse methodologie, maar hij verwierp het mensbeeld van Freud (ook hierover schreef hij een klassiek werk, 'Freuds Visie op de Mens').

Het is één van de merkwaardige eigenschappen van het werk van Fromm: enerzijds belijdt hij zijn geloof in Freud; anderzijds komt zijn kritiek op Freud neer op één van de meest fundamentele verwerpingen ervan. De mens is een volstrekt sociaal wezen bij Fromm, en eerder dan zieke mensen kunnen in zijn optiek hele samenlevingen ziek zijn, dolgedraaid en dringend toe aan gezondmaking – 'The Sane Society' is de titel van een andere klassieker van Fromm.

Vervreemding vandaag

De tijd van Marx, Daens en Dickens lijkt een ver verleden. Toch blijken aliënatie, uitbuiting en machteloosheid als thema’s niet weg te zijn. Integendeel, het is net dat gevoel van aliënatie dat ervoor zorgt dat het werk van Paul Verhaeghe nu bij velen een gevoelige snaar lijkt te raken, want in het neoliberale arbeidsklimaat is de vervreemding totaal.

Mensen krijgen wel individuele ontwikkelingstrajecten, functiegesprekken en oefeningen in teambuilding, maar ze hebben nauwelijks méér controle over hun arbeid dan in de tijd van Daens. Ze worden nu veel meer en veel grondiger gecontroleerd en gesurveilleerd, al gebruikt men daar nu termen zoals ‘coaching’, ‘mentoring’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’ voor en wordt die controle en surveillance in een eufemistisch (maar eigenlijk volstrekt cynisch) kader van ‘wellness’, persoonlijke vrijheid en geluk-in-de-arbeid gegoten.

Interessant genoeg is het de hedendaagse wetenschappelijke psychologie – de eerder beschreven verheven vorm van meetkunde – die hiervoor allerhande controlerende, evaluerende en therapeutische instrumenten leent.

Dat is precies het kernargument van Verhaeghe en anderen die teruggrijpen naar het werk van Fromm: de huidige tendens naar toenemende flexibilisering van arbeid binnen een neoliberaal model komt neer op de veralgemening, een totalisering van arbeid. Men spreekt dan ook over ‘totalitair kapitalisme’: een kapitalisme dat elk aspect van het menselijke leven omvat en reguleert.

Men is simpelweg altijd aan het werk – de GSM, Wifi, internet en andere gadgets zorgen er trouwens voor dat we 24/7 bereikbaar en vaak ook beschikbaar zijn. Er is in de huidige arbeidscultuur geen leven meer buiten arbeid; de identiteit van iemand hangt nagenoeg geheel af van de arbeid die men verricht. Status en prestige, consumptiegedrag, maar ook inschattingen van persoonlijk succes en falen: dat alles hangt zo goed als geheel af van de arbeid die men verricht.

Zowat heel ons wezen wordt geprojecteerd in arbeid. Het verlies van arbeid – werkloosheid – wordt dan ook door velen ervaren als één van de meest dramatische vormen van individueel falen. Werkloos worden leidt niet zelden tot een compleet verlies aan zelfrespect, tot depressie en tot allerhande andere vormen van dysfunctie en ziekte.

Wie werk heeft, is een ‘winner’, wie er geen heeft, is een ‘loser’. Dit onderscheid wordt vanzelfsprekend sociaal en cultureel aangedikt door de parafernalia van bepaalde types van arbeid: de bedrijfswagen, het maatpak, de iPad en de iPhone, de tankkaart, de frequent flyer-kaartjes aan de aktentas, en de manège voor de kinderen.

En wat vrije tijd betreft, die staat steeds uitdrukkelijker in het teken van arbeid. We moeten rusten, joggen en fitnessen om scherp en fit te zijn voor het werk. We rusten enkel nog naargelang de arbeid die we moeten verrichten; en voor dat beetje tijd dat we kunnen vrijmaken voor andere taken en bezigheden hebben we nu zelfs een specifieke term: 'quality time'.

Terug naar een andere mens

Wat zo goed is aan de herontdekking van Fromm is dat de psychologie die hij voorstaat geen technische individuele ingreep is; hij is er niet op uit ‘reparaties’ uit te voeren op mensen die individueel een zwakheid of mankementje vertonen. Zijn werk gaat in wezen over een mensbeeld – een beeld van complete menselijkheid, van een veelzijdige mens die niet slechts één ding is (we herinneren ons de ééndimensionale mens van Marcuse), maar véle dingen, en die vele dingen moét kunnen zijn om gezond, evenwichtig en gelukkig te zijn.

Dit is het punt: Fromm spreekt over geluk, niet enkel over geestelijke gezondheid, stabiliteit, of ‘normaal’ gedrag. En het interessante is dat het marxistische mensbeeld van Marx waarop Fromm zich baseert voor vele, héél vele mensen precies overeenstemt met datgene wat ze onder ‘geluk’ begrijpen.

Elk van ons wenst een leven ‘in balans’, met werk en vrije tijd – échte vrije tijd, geen tijd die slechts een recuperatieperiode is volgend op en voorafgaand aan arbeid. We willen allemaal meer zijn dan een willekeurig inwisselbare en wezenlijk onbelangrijke brok ‘menselijke grondstof’; we willen allemaal menselijke waarde putten, trots en bevrediging uit het werk dat we doen. En we willen allemaal méér zijn dan een loonslaaf die werkt en zwijgt.

Het is gek dat men dit eenvoudige punt zo lang over het hoofd blijkt te hebben gezien: mensen willen geluk. En als ze ongelukkig zijn, is dat vaak om redenen die ze zelf niet kunnen verhelpen, maar die ingebakken zitten in de structuren van onze samenleving.

Paul Verhaeghe legt de vinger op die wonde, en zijn verhaal slaat aan, want het is realistisch, het is een behoorlijk accurate reflectie van de gevoelens en ervaringen van zeer vele mensen. Zoals Fromm is Verhaeghe van oordeel dat niet het individu, maar de gehele samenleving ziek is en dringend aan een herstelkuur toe is.

Zijn tellende en metende collega-psychologen kunnen zich daarover zoveel opwinden als ze willen – het punt dat Fromm destijds maakte, blijkt behoorlijk accuraat en actueel. En velen blijken net dit inzicht nodig te hebben om tot het besef te komen dat er iets dramatisch fout aan het lopen is in deze samenleving: de mens, de échte mens, moet dringend heruitgevonden worden.

Jan Blommaert

Jan Blommaert is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

24 reacties

  • door Casuarina op donderdag 24 mei 2012

    Dan hebben de psychoanalytici meer werk.

  • door Yves Pepermans op donderdag 24 mei 2012

    Wederom gefeliciteerd met dit wederom lovens en lezenswaardig stuk.

    Mogelijke denkwegen om uit onze hypochondrische samenleving te ontsnappen: http://www.neweconomics.org/publications/21-hours

    Maar de samenleving verandert natuurlijk niet door het schrijven van rapporten alleen.

  • door tomasserrien op donderdag 24 mei 2012

    Zeer mooi stuk. In dat opzicht is de heropleving van studies rond de sommige van Frankfurterschule (als Adorno, Benjamin,...) ook altijd wenselijk in onze maatschappij, denk ik. Het kapitalisme heeft prestatie en geld verdienen hoog gemaakt. Waarom kunnen we niet de kunst en esthetiek weer hoog maken? In die lijn ben ik ervan overtuigd dat een betere esthetische en ethische opvoeding in middelbaar nodig is ipv 16-jarige enkel vol te stoppen met wiskunde en wetenschap. Een evenwicht lijkt mij nodig, zo zal ook de doorsnee jongere misschien beter en gedurfder kunnen kiezen voor een opleiding die hem echt interesseert en hem niet gewoon naar de harde arbeidsmarkt leidt, waar ze uiteindelijk beseffen dat ze hun werk enkel voor geld doen ( ik zeg hier niet dat iedereen dit doet, maar ik merk dat veel jongeren teveel gepusht worden om iets te gaan studeren om geld te verdienen, zonder dat geluk daaraan wordt gelinkt) Enkel geld maakt immers niet gelukkig zoals we wel weten

  • door Frank Roels op vrijdag 25 mei 2012

    In zijn boek uit 1961 "May man prevail?" schrijft Fromm over internationale politiek. Hij vergelijk het gedrag van militairen en politici in de koude oorlog met paranoia vera, de vorm van vervolgingswaan die intern een perfecte logica aanhoudt. De grond van hun denken is om theoretische mogelijkheden (een aanval van de Sovjet-Unie, de overname van de VS door communisten) als realiteiten te zien, en daarnaar te handelen. Het boek is een eye-opener, omdat het ons denken en voelen verklaart met betrekking tot 'de grote gevaren die ons bedreigen'. Toepassing op vandaag is heel interessant. Zo vertoont het westerse discours over de ontwikkeling van een atoomwapen door Iran perfekt kenmerken van deze paranoia vera. Feiten die ermee in strijd zijn worden niet in aanmerking genomen. Nu is het opmerkelijk en onrustwekkend dat dit boek (het ligt hier naast mij) NIET voorkomt in de lijst van publicaties die het marxist archive (website) opgeeft. Leg dat maar eens uit!

    • door froels op vrijdag 25 mei 2012

      Ondertitel is: "An inquiry into the facts and fictions of foreign policy". 252 blz. 1961, Double Day Anchor book A275. Het kostte destijds 95 dollar cent.

  • door Peter Bormans op vrijdag 25 mei 2012

    Dit opstel doet me veel plezier. Meer dan veertig jaar geleden heb ik de meeste boeken van Fromm in vertaling gelezen, en ik heb daar de beste herinneringen aan. Ik heb ze hier nog allemaal staan. Tijd wellicht om ze uit de rekken te halen en er opnieuw stukken van te lezen.

  • door Leo Germeys op vrijdag 25 mei 2012

    Het moet mij van het hart, dit is een pijnlijk artikel. Twintig jaar geleden zat ik op de trein in Duitsland en bemerkte dat een meisje rechtover mij een werk van hem aan het lezen was. Zij was er aan begonnen nav haar school als themawerk. Ik dacht eindelijk een postieve wending in het onderwijs en nu moet ik zien dat de door Fromm zo bekritiseerde school van gedragsanalisten helemaal de psychologie heeft verdrongen, zoals mag blijken uit dit artikel. Voor mij is Fromm nooit weg geweest; als er tussenin om den brode gebakken lucht verkocht wordt staat dat stuk van de maatschappij stil, maar verdwijnt het daarom nog niet. Fromm schetste de samenleving als een strijd tussen destructiviteit en liefde voor het leven. In die zin was hij veeleer een darwinist. Hij verbondt de factoren in die strijd met de levensomstandigheden en was in die zin een materialist, dwz dat het gedachtengoed van mensen gevormd wordt uit een syntese van hun ervaringen en die van hun voorgangers. Het was ver van zijn bed - en ik meen te weten ook van Marx's bed - om in de economische arbeidsverhoudingen, in het ontnomen worden van de meerwaarde automatisch de bron van de destructiviteit te zoeken, dat is een mechanisme-visie dat voorbijgaat aan de overlevingsdrang van de mensen. Integendeel erkende hij samen met Marx dat arbeid een essentiëel deel van de zelfontplooiing van de mens is juist omdat het voor een groot stuk langs die weg is dat een mens in verhouding komt tot de gehele maatschappij. Zodat hij een pleitbezorger was voor arbeid met welbegrepen menselijke doelstelling, niet omdat dit leuk is maar omdat het de meest productieve ingesteldheid is, productief in de zin van maatschappelijk nut niet te verwarren met winstbejag of schone schijn. Dat er heden ten dage veel beslissingen genomen worden in het werk die het werk onmenselijk maken, dat veel mensen hierdoor ziek van stress worden en zich gevangen voelen hoeft geen betoog; Het simpele feit blijft dat diezelfde mensen ook mee verantwoordelijk ervoor zijn omdat zij toelaten dat het resultaat van hun werk verspild of tegen het nut van de maatschappij in gebruikt wordt. Dit is immers tot hier toe het enige antwoord van de financiële markt op een overschot aan producten en ondernemingen: vernietig jullie zelf, zodat wij met verse krachten opnieuw kunnen speculeren. Dat is onze werkelijke wereld en ik kan begrijpen dat veel mensen noch dit weerzinwekkende noch hun eigen aandeel erin willen zien. Waardoor het "verdwijnen" van Fromm uit de universiteiten begrijpelijk wordt: het is immers een lastig weten.

  • door Kristel Beyens op vrijdag 25 mei 2012

    Schitterend stuk Jan! Je slaat nagels met koppen. Ik voel me als academicus ook steeds meer menselijke grondstof wiens arbeid vooral in het teken staat van financiering van de universiteit.

    • door J. Blommaert op vrijdag 25 mei 2012

      idem hier Kristel. het stuk is zoals steeds deels autobiografisch.

  • door Grankof op zaterdag 26 mei 2012

    Het artikel start met het afkraken van cijfermatig onderzoek. Hoewel je daar kritiek op kan hebben, is dat geen vrijbrief om daarna om het even wat te beweren. Er zijn mensen mijnheer Blommaert -academici- die wat u schrijft cijfermatig onderzoeken.

    Het artikel linkt het neoliberalisme met een sterk gestegen werkdruk ('Men is simpelweg altijd aan het werk'). Wel kijk, dat is iets wat we kunnen testen. De TOR-onderzoeksgroep van de VUB heeft dat gedaan. Wat blijkt? In 1966 werkten mannen 43u28 minuten per week. In 2005 was dat 25u02 minuten, een daling van meer dan 40%. Zelfs voor vrouwen is die tijd (beperkt) gedaald, ondanks de hogere arbeidsparticipatie. Ook de tijd besteed aan huishoudelijk werk is gedaald (behalve voor de mannen) en de tijd aan kinderzorg en opvoeding.

    Daaruit kan je besluiten dat het gewoon niet klopt dat de werkdruk sterk gestegen is, en dat arbeid een veel kleiner deel uitmaakt van ons leven dan vroeger. De link maken met het neoliberalisme is al helemaal absurd. De twee volgen een omgekeerde evolutie. Tussen 1966 en 2005 is het neoliberalisme gestegen, de uren besteed aan betaald werk sterk gedaald!

    Vrije tijd dan. Ik citeer letterlijk uit de studie van de onderzoekers aan de VUB: "Rekenen we daar ook nog de sociale participatie bij (onder meer sociale contacten en participatie in verenigingsleven), dan komen we bij mannen aan 39u34’ vrije tijd per week, vrouwen hebben dan 33u56’ vrije tijd per week. Dat is een pak meer dan in 1966, toen hadden mannen gemiddeld 29u10’ en vrouwen 26u42’ over voor vrijetijd en sociale participatie." Voorwaar Fromm kan content zijn.

    Ik weet het, het past niet binnen uw ideologisch kader. Maar dat betekent niet dat u het zomaar kan negeren.

    Een goed academicus verwijst naar zijn bronnen: De cijfers komen uit 'Gender en tijdsbesteding' en 'De tijdsbesteding van de Belgen'. Beide beschikbaar via internet.

    • door Kristel op zaterdag 26 mei 2012

      Voila, deze reactie bewijst dat het puur werken met cijfers (ook) zeer demagogisch kan zijn. Werkdruk is niet iets dat alleeen maar moet uitgedrukt worden door gemiddelde uren, maar heeft net te maken met de kwaliteit van de arbeid. De werkdruk tijdens de uren die we moeten kloppenvandaag is ferm gestegen en de fetish van output en prestatie maakt dat mensen constant onder druk staan tijdens de uren dat ze werken. Alles wordt gemeten, tot de minuten plaspauze, als ze die nog krijgen. Om maar te zwijgen over de zwijgende meerderheid die 's avonds en tijdens het weekeinde thuis achter zijn/haar computer of onderweg op hun laptop of Ipad proberen de werkachterstand te compenseren. Deze druk werkt door tijdens de 'vrije' tijd, die, zoals Jan Blommaert zeer goed aantoont, vooral in het kader van de recuperatie staat om terug helemaal scherp te staan tegen dat je werkuren moet beginnen kloppen.

      • door Kondar9 op zaterdag 26 mei 2012

        De TOR-studies zijn gebaseerd op feitelijke tijdsregistraties. Werken thuis wordt geregistreerd als werk.

        Wat u verder zegt, kan ook 'gemeten' worden. Als wat u zegt klopt, dan zou dat een effect moeten hebben op de arbeidstevredenheid. De World Values Survey onderzoekt dat. Data voor België zijn beschikbaar voor 1981, 1990 en 1999. Het gemiddelde lag op 7,7 (1981), 7,7 (1990) en 7,6 (1999). Een hypothese zou kunnen zijn dat mensen wel minder werken (zoals aangetoond door de VUB-onderzoeken) maar door de gestegen werkdruk minder plezier hebben aan het werk. Ook dat spreken de cijfers tegen. Ik kijk uit naar cijfers die uw stelling ondersteunen.

        Op wvsevsdb.com is er een goede on line data analysis tool ter beschikking, de cijfers zijn daar na te rekenen.

        • door J. Blommaert op zaterdag 26 mei 2012

          Cijfers zijn feiten - dat heb ik eerder in het artikel beschreven als hét centrale geloofspunt van velen, blijkbaar ook voor U. Voor mij zijn cijfers dingen die nuttige en interessante vragen oproepen, die vervolgens op geheel andere manieren onderzocht moeten worden. Ik ga niet trachten U daarvan te overtuigen, beste TOR, want we hebben allebei een heel andere visie op wat 'feiten' zijn.

          U vraagt naar cijfers, wel, kijk eens naar het Belstress III onderzoek:

          Belstress III: Onderzoek naar determinanten van werkverzuim wegens ziekte bij mannen en vrouwen. ULB: Ecole de Sainté Publique; UGent: Vakgroep Maatschappelijke Gezondheidskunde 2007. Zie http://www.meta.fgov.be/moduleDefault.aspx?id=7346

          U vindt een heel pak cijfers daar. Voor U zijn dat feiten. Ze ondersteunen Uw rozige visie op het arbeidsklimaat niet.

          • door Bogardus op zaterdag 26 mei 2012

            Cijfers roepen inderdaad interessante vragen op. Zoals: als de cijfers stelling A ondersteunen, hoe kan het dat mensen B blijven verkondigen? Hoe lang kan ideologie ondergeschikt blijven aan de realiteit?

            Wat het onderzoek betreft waar u naar verwijst, hoop ik dat dat om te lachen is. Uw stellingen gaan over evoluties over een langere periode. Die stellingen kloppen niet, zoals academisch onderzoek aantoont. U verwijst daarop naar een studie op één punt in de tijd, waar je logischerwijs geen trends doorheen de tijd kan uithalen.

            Ik kan alleen hopen dat uw studenten wel een cursus logica en wetenschapsleer krijgen. Hypothesen formuleren, en toetsen behoren tot de kern van het wetenschappelijk onderzoek. Laat ons dat zo houden.

            • door J. Blommaert op zondag 27 mei 2012

              Beste Bogardus, gelieve de Belstress studie even te bekijken vooraleer je er iets over zegt.

              Ten eerste, het gaat hier wel degelijk over longitudineel onderzoek. Er worden dus wel degelijk trends aangegeven, en ze spreken jullie bevindingen tegen..

              Ten tweede, zelfs indien de studie punctueel zou zijn zou ze twijfel zaaien over de robuustheid van jullie zogenaamde trends en zou je er logischerwijze gevolgtrekkingen uit moeten halen met betrekking tot jullie bepalingen van 'werklast' en zo meer. De bepaling van jullie trend zou dan immers niet meer kloppen met betrekking tot één periode in die trend, waarin ander onderzoek grondig andere tendenzen ziet dan die van jullie trend. Je moet dat verschil minstens uitleggen. Dat vertellen ze U toch in die cursus logica en wetenschapsleer, niet? Anders moet je die cursus eventjes kritisch onder handen nemen.

              Een voor de hand liggende gevolgtrekking, ook al door Corijn aangegeven in zijn reactie, is dat er zich misschien geen kwantitatieve maar wel een kwalitatieve verschuiving heeft voorgedaan in het veld van arbeid, die ervoor zorgt dat werktTIJD niet langer een ernstige indicator is van werkLAST (bij jullie staan de twee gelijk aan mekaar). Tenzij jullie natuurlijk betere verklaringen hebben voor de spectaculaire toename van arbeidsgerelateerde aandoeningen. Misschien zijn (ik volg even de logica van jullie TOR-studie, die begint met de stelling dat de Belgen het meeste tijd spenderen aan slapen en rusten en slechts voor 'een kwart van de beschikbare tijd productief zijn') we met zijn allen luier geworden, zijn we het werken een beetje afgeleerd, waardoor we wat rapper bij de dokter gaan klagen? Enfin, het is aan U en niet aan mij om hier een uitleg aan te geven; ik luister vol belangstelling. Onderzoeken zoals Belstress tover je echte niet weg. Er zijn trouwens nog wel wat stevige en longitudinele studies die jullie bevindingen minstens zwaar kwalificeren.

              (Je zal nu zeggen dat jullie onderzoek naar tijdsbesteding eigenlijk niet over ARBEID ging maar wel over tijdseconomie en gezinsbudget. Wel, dan stel ik voor dat je ook zwijgt over arbeid. Ik kom daar straks nog even op terug.)

              Wat betreft jullie begrip van 'trend': jullie maken ook hier een volkomen onverantwoordbare sprong van statistische uitkomsten naar HISTORISCHE fenomenen. In wezen is jullie trend niks anders dan een DIACHRONIE waarop we de approximaties die ik eerder beschreef in de tijd - snapshotsgewijze - kunnen plotten met alle caveats die ik eerder aangaf. Kwalitatieve historische veranderingen nemen jullie niet in aanmerking - veranderingen, bijvoorbeeld, in de structuur van het arbeidsveld. Leg de werkloosheidscijfers van 1966 naast die van 1983 en 2006: je ziet structurele verschillen in de basiswerking van de arbeidsmarkt die bepalend zijn voor de toegang tot die markt, en voor het behoud van iemands plaats in die arbeidsmarkt. Je ziet ook vanaf de jaren 80 het 'new managerism' dat geleidelijk aan door-ontwikkelt naar Flexicurity: alweer structurele veranderingen in het veld van arbeid die ervoor zorgen dat de relatie tussen mensen en arbeid moet aangepast worden. Je ziet tussen 1966 en 2005 natuurlijk nog veel meer in dit land: een nagenoeg volledige omslag van het economische model, met heel andere economische sectoren die de bovenhand halen (landbouw en zware industrie die achteruitgaan tegenover diensten en logistiek bijvoorbeeld). We vergelijken dus twee heel verschillende werelden; en de uren die men 'werkt' zijn slechts één punt in een zeer ruime reeks van veranderingen, en is daarenboven een afgeleide van heel wat andere verschuivingen.

              Jullie denken volslagen a-historisch. Enfin, jullie gaan ervan uit dat enkel CHRONOLOGIE de geschiedenis definieert, maar dat voor de rest samenlevingen niet wezenlijk - dus kwalitatief - veranderen. Uitspraken zoals uit jullie TOR-studie, dat "de werklast" tussen 1966 en 2005 serieus "gedaald" is, gaan uit van stabiliteit in dat veld. Het veld van arbeid en de relatie van de mens tot arbeid moet identiek blijven of minstens niet noemenswaardig te wijzigen om dat soort comparatieve stellingen te verdedigen (ook geleerd in de cursus wetenschapsleer, vermoed ik - anders die cursus herbekijken hoor). Zeker wanneer jullie deze stelling vatten in een EVALUATIEVE term: werk-LAST. 'Last' is een evaluatief begrip, geen neutraal-beschrijvende term. Wanneer jullie die term gebruiken dan wordt ervan uit gegaan dat de respondenten van 1966 dezelfde zaken als een 'last' of 'lastig' ervoeren als de mensen van 2005. Hebben jullie dat gedaan? Neen. Nochtans zou het nogal duidelijk moeten zijn dat de betekeniswereld van mensen in 1966 een heel andere was dan die van 2005.

              (Ik geef even mee dat U verwees naar een onderzoek uit 2005; waarom zouden we de bevindingen van 2005 moeten aanvaarden als relevant voor 2012? Is er tussen die twee tijdspunten niets van enig belang gebeurd in onze samenleving? Ben ik de enige die bijvoorbeeld heeft gemerkt dat er in 2008 een stevige economische recessie is begonnen? Produceert elk momentaan onderzoek meteen een eeuwige waarheid? Toch eens grondig kijken naar die cursus wetenschapsleer).

              Het gevolg is een simpele semantische absurditeit: we worden verondersteld aan te nemen dat de kernbegrippen uit jullie analyse (bijvoorbeeld "werklast") een transhistorische stabiliteit hebben, terwijl we goed weten (en volstrekt sluitend kunnen aantonen) dat dit een idiote aanname is. Het weerhoudt jullie er niet van dat soort statements ('de werklast van de Belg is fameus gedaald sinds 1966') de wereld in te gooien als was het de Waarheid des Heren. Dat maakt deel uit van een welbekend gegeven in de metende wetenschappen: de cijfertjes, die op zich niet zoveel zeggen, moeten op het einde van de rit 'gepimpt' worden; je moet de tabelletjes en grafiekjes voorzien van wat dramatische en sexy taal zodat jullie bevindingen als Grote Wijsheid in de gazet kunnen komen (en mensen zoals De Maeseneire van ADECCO of Van de Cloot van Itinera kunnen komen aandraven met het standpunt dat we allemaal nog veel harder kunnen werken dan we nu eigenijk doen - dat we eigenijk niet te klagen hebben). De omzetting van 'cijfers' naar 'feiten' is een discursieve omzetting, een vertaling. Die is vanzelfsprekend niet neutraal, ook al zijn jullie van oordeel dat zo'n omzetting simpelweg een kwestie is van 'het verhaal brengen'.

              In die omzetting hokus-pokus je een flinterdun diachroon verhaal gebaseerd op data voor één thema (tijdsbesteding en huishoudbudget) even om in een verhaal over straffe historische veranderingen binnen een heel ander thema (arbeid). En zo doende verwacht je van ons dat wij een compleet absurde denkfout - een reeks extrapolaties waarvoor we geen enkel deugdelijk argument hebben - mee maken. Wel, met alle Chinezen maar niet met den dezen. Den dezen vindt dat eigenlijk een vorm van academische arrogantie, waarin alles wat jullie hebben onderzocht op alle andere dingen kan worden toegepast. Jullie geloven zo hard in de almacht van die ene wankele methodologie die jullie hanteren, dat zelfs de pseudoniemen waaronder jullie hier reageren eraan ontleend zijn. Bogardus is, als ik me niet vergis, de naam van een statistisch instrument - de Bogardus social distance scale, niet?

              Het feit dat ik je naar Belstress was dus inderdaad om te lachen - met jullie naïviteit. Het is plezant gaten te schieten in zo'n onderzoek, zeker wanneer het beweert de doorslaggevende of eigenlijk enige valide bewijzen te voorzien voor een hele reeks van stellingen. Als je zo'n grote aanspraken formuleert dan zorg je er best voor dat je onderzoek stevig op z'n poten staat, en dat je de grootste zorg besteedt aan je wetenschappelijke argumentatie. Jullie TOR-onderzoek is een fluitje van een cent: het zit gewoon afgeladen vol met absurde aannamen en (daardoor uiteraard) conclusies. Hou eens wat rekening met andere gegevens, stel jezelf eens wat lastige vragen. Je onderzoek kan er enkel beter van worden.

              En lees misschien toch eens een boekje van Fromm. Het kan helpen hoor. Met het feit dat hij geen cijfers geeft zal je helaas moeten kunnen leven.

    • door J. Blommaert op zaterdag 26 mei 2012

      @Grankof. U schrijft: "Ik weet het, het past niet binnen uw ideologisch kader. Maar dat betekent niet dat u het zomaar kan negeren."

      Dat is nogal flauw. Vervang 'ideologisch' door 'methodologisch kader' en we geraken ergens. Ik hoop dat men U tijdens Uw opleiding heeft gewezen op het gevaar van datgene wat bekend staat als 'naïeve kwantificatie': ervan uit gaan dat tellen en meten een precies beeld geven van 'de realiteit', terwijl men de definities van die 'realiteit' niet kritisch feedbackt tegenover de bevindingen. Concreet: U stelt geen ontologische vragen bij Uw kernbegrippen 'werken', 'vrije tijd', 'tevredenheid' en zo meer. U hebt deze begrippen vooraf als onaanvechtbaar en neutraal vastgelegd in een lijstje van zogeheten bepalende vragen - als de respondenten 'ja' antwoorden op de volgende zes vragen dan noemen wij deze respondenten 'tevreden'.

      Het probleem dat (a) elk begrip dat in elke communicatiedaad wordt gehanteerd altijd oncontroleerbaar context-bepaald is (waardoor dezelfde vraag stellen aan bijvoorbeeld 2600 respondenten in wezen 2600 afzonderlijk te onderzoeken betekenisoverdrachten inhoudt), en (b) er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen wat mensen beweren dat ze doen (subjectieve discursieve zelfcategorisering) en wat ze in realiteit écht doen (subjectieve praktijk) - dit probleem wordt vermeden als de pest in survey-onderzoek, omdat het de hele methodologie van dit soort onderzoek op de helling plaatst.

      Wat een uitmuntend uitgevoerde survey in werkelijkheid oplevert is een reeks approximaties van types van zelfcategoriseringen, vergezeld van een enorme hoeveelheid 'ruis' die men - om er vanaf te geraken - als 'foutenmarge' definieert. De approximaties zelf - het feit dat de 2600 respondenten praten over (wat ze elk voor zich beschouwen als) hetzelfde thema en (hopelijk) daarbij een min of meer stabiele reeks van sociale en culturele kennis infereren - worden gezien als definitieve categorische proposities, niet als approximaties. Voor naïeve survey onderzoekers heeft elke respondent zich binnen een volmaakt uniforme betekeniswereld bewogen, was elke respondent volmaakt eerlijk en feitelijk (wat de respondent zegt dat-ie doet is een ideale reflectie van wat hij in de feiten doet), en volmaakt propositioneel in z'n antwoorden, en was de betekeniswereld van de onderzoeker volmaakt identiek aan die van alle respondenten.

      Idealisering wordt bovenop idealisering gegooid, en fundamentele vragen worden handig uit de weg gegaan (of, zoals bij U, als een "ideologisch kader" beschouwd). U verheft zo een puur methodologie-interne uitkomst tot het statuut van 'realiteit'. Een eeuw fundamenteel taal- en communicatie-onderzoek wordt snel-snel afgedaan als zever - en vervangen door de hoogst wonderlijke veronderstelling dat kwantitatief onderzoek met duizenden mensen eigenlijk geen echte communicatie tussen mensen inhoudt en dat de termen die in dergelijk onderzoek gehanteerd worden eigenlijk geen echte taal zijn.

      Er bestaat een zeer ruime literatuur die dit soort theoretische en methodologische naïviteit grondig en definitief te kakken zet. Doorsnee statistici hebben deze literatuur vaak gewoonweg niet tot zich genomen, en ze worden bijzonder kregelig wanneer iemand ernaar verwijst. Er is immers bijzonder weinig in te brengen tegen de argumenten die ik boven kort heb geschetst. Ikzelf zie statistisch onderzoek in de termen hierboven beschreven: als een ruime set van approximaties die dus allerlei vragen opleveren, van het soort "hebben al die respondenten het woord "vrije tijd" op dezelfde wijze begrepen en weergegeven?" Ik ga er dan even op uit en observeer wat mensen in werkelijkheid doen en zeggen, zoek daardoor een veel ruimer geheel aan gegevens bijeen dan antwoorden-op-vragen, en trek daarna m'n conclusies.

      Het verschil tussen beide benaderingen zit in een hele reeks punten uiteraard, maar ik geef er één van. Ik kan mijn kwalitatieve gegevens niet vervalsen. Ik heb tapes, video-opnamen en documenten die alle data waarop ik me baseer bevatten en die steeds verifieerbaar zijn. De gesprekken die ze bevatten heb ik niet geconstrueerd; ze waren er onafhankelijk van mijn interventie als onderzoeker. Ik vertrek van de definities van degenen die ik heb onderzocht, niet van definities die ikzelf a priori heb vastgelegd. En weet U wat? Uit mijn onderzoek blijkt doorgaans dat de a priori definities die survey-onderzoekers hanteren gewoon niet opgaan.

      Wat dan die survey-gasten betreft: ik werk in Tilburg aan de universiteit waar afgelopen jaar de Prima Donna van de sociale psychologie (in de meet- en telvariant) werd ontslagen. Diederik Stapel had immers jarenlang al z'n CIJFERS vervalst, en op basis van die valse verzonnen cijfers dozijnen artikelen over de REALITEIT geschreven. Hij goochelde met cijfers en raakte ermee weg, omdat in zijn milieu niet gezocht wordt naar de feiten die de cijfers ondersteunen. Cijfers zijn voldoende, ze zijn immers, zoals we weten, synoniem met 'feiten'.

      Het is te makkelijk om het geval Stapel af te doen als een unieke uitzondering. Het legt een groot methodologisch manco bloot dat eigen is aan die wetenschapsbenadering en niet aan andere. Ik kan met mijn benadering nooit zo'n fraude beoefenen. Wanneer men hier zegt dat "de cijfers na te rekenen zijn" omdat er een "goede data base" bestaat met daarin "alle cijfers", dan maakt dat weinig indruk op mij. Ik ben immers wetenschapper omdat ik elke voorstelling van de 'feiten' meteen in vraag stel - het beginsel van de kritiek, zoals U weet. Het zou goed zijn indien dat soort kritische methodologische reflectie wat ruimer verspreid was.

      Het zou dan ook goed zijn indien U de gegevens die uit een andere wetenschappelijke hoek komen niet 'negeert' en afdoet als "ideologie". Wetenschap is gebaseerd op kritische dialoog. Het is van belang om dat af en toe te herhalen.

      • door J. Blommaert op zaterdag 26 mei 2012

        Dit gezegd zijnde mag U (Grankof? Bogardus?) rustig verder Uw geloof blijven beleven hoor. U raakt eenvoudigweg niet uit Uw begrippenkader, en dat maakt dialoog vanzelfsprekend uiterst moeilijk.

        • door Kristel op zaterdag 26 mei 2012

          Helemaal eens met de methodologische uitleg van Jan Blommaert wat betreft de waarde van de conclusies (of zullen we dan maar spreken over 'validiteit( :)) van dergelijk grootschalig kwantitatief onderzoek. Ik heb het zelf ook al gedaan en ben er zelf al meermalen voorwerp van geweest, dus spreek uit ervaring. Neem zelf eens deel aan dergelijke enquête en je begrijpt onmiddellijk wat dit soort gegevens oplevert en hoe ver het van de belevingswereld van de respondent afstaat. Mijn ervaring van werkdruk is inderdaad niet alleen te vatten in helemaal niet, niet, neutraal, tevreden of zeer tevreden en hangt meestal ook nog sterk samen met wat en met wie ik het doe. Mijn geloof in dergelijk grootschalig kwantitatief onderzoek, waar gesofisticeerde statistische analysetechnieken worden losgelaten op gegevens die op een weinig betrouwbare manier zijn verzamelend, is zeer beperkt en is inderdaad slechts een zeer flauwe benadering van wat men zou kunnen pretenderen dat de 'realiteit' is. Zonder te hervallen in puur relativisme denk ik dat de meer gesofisticeerde benadering van Jan Blommaert op onderzoek beter bij 'mijn' realiteit' aansluit. Maar zoals gezegd : ieder zijn realtieit blijkbaar.

        • door Eric Corijn op zaterdag 26 mei 2012

          Iedereen die met tijdsonderzoek bezig is zal weten dat één van de belangrijke kenmerken van de moderniteit de omslag is van een cyclische en concrete tijd naar een lineaire abstracte tijd. De premoderne ( en nog steeds de rurale, biologische en private) tijd is vooral cyclisch ( dag en nacht, seizoenen, jaren...) én verbonden met concrete activiteiten ( etenstijd, sporttijd, pruimentijd en... "le temps des cerises"). De abstracte lineaire tijd is die van de mechanische klok, de uurroosters en ruil van tijdseenheden zoals werkuren. Welnu het tijdsbudget-onderzoek meet eerst en vooral die lineair-abstracte tijd en dan de "invulling" ervan. Verder zoekt men naar "functies" en eventueel naar "betekenissen" ( vooral dan door in een enquête vooraf aangegeven betekenissen als keuze voor te leggen). Maar de discussie over werkdruk, en vooral die over vrije tijd gaat over de kwaliteit, namelijk de beleving en de motivatie/legitimatie van de activiteiten. En het gaat ook over arbeidsproductiviteit ( over output per tijdseenheid) Om daarover iets te weten is kwantitatief onderzoek ontoereikend en moet je dus ook naar gevalstudies gaan. En wat blijkt nu steeds meer: dat de kwalitatieve inzichten die uit die studies naar voren komen tegengesteld zijn aan wat het kwantitatief onderzoek ons voorhoudt. Om een nogal eenvoudige reden: het kwantitatief onderzoek laat de meetbare verschijnselen zien, het kwalitatief onderzoek onthult ook de spanning tussen de toestand en de mogelijkheden. En laat nu net daar het maatschappelijke onbehagen zich voordoen: de mensen weten gewoon dat wat het systeem hen voorhoudt ( en mathematisch laat ondersteunen) niet in overeenstemming is met de eigen ervaring en verwachtingen. En dan krijg je die discussies: als het volk het niet eens is met het (objectieve) systeem dan moet men van volk veranderen... of - en dat heeft mijn voorkeur - van systeem ( omdat een andere wereld mogelijk is... en dat leidt ik niet af uit het tijdsbudgetonderzoek). Bronvermelding: Corijn, E. (1998). De Onmogelijke Geboorte van een Wetenschap. Verkenningen in de ontwikkeling van de studie van de vrijetijd, Brussel, VUB Press, 365p.

        • door johan bosmans. op maandag 28 mei 2012

          Iedereen heeft zijn denkraam. De vraag is hoe je er kan aan ontsnappen. Er is altijd een uitgang en een nooduitgang. Probeer je via het raam of via het denken?

    • door froels op zondag 27 mei 2012

      Grankof e a: dit is een heel interessante discussie. De cijfers die Grankof vermeldt staan immers haaks op veler ervaring inzake werkdruk. Ik ken nogal wat vrije beroepen en academici die in hun actieve periode 60-70 u per week beroepshalve werken. Dus hoe kan dat kloppen met de besluiten van Ignace Glorieux et al? Daarvoor heb ik de tabellen opgezocht, zoals Grankof schreef gaat dat vlot langs google. Daaruit blijkt meteen: het zijn telkens gemiddelden (of modussen) van een hele groep. De grote individuele verschillen die er zijn tussen werkenden kan men er niet uithalen. Als (biomedisch) onderzoeker weet ik dat men de distributie binnen een populatie steeds moet bekijken. De groeicijfers van kinderen bvb worden steeds vergeleken met een (Gauss) curve, waarop ook de laagste en hoogste percentiel afgelezen kan worden. Want binnen een 'normale' populatie zijn er al enorme individuele verschillen. Terug naar de tijdsbesteding: als we ons afvragen of er gestegen werkdruk is, zouden we moeten kunnen kijken of bvb 5% van de populatie werkenden dat vroeger het meeste uren klopte (de 5% hoogste op de curve) nu méér uren werkt. Dat kan uit de cijfers van de FOD niet uitgemaakt worden. Daarvoor moeten wschl meer mensen ondervraagd worden. Het gemiddelde (of modus) die we nu krijgen wordt ook bepaald door de grote groep loon- en weddetrekkers die na de 48-uren week, de 40 uren, en vervolgens de 37,5 uren hebben verworven, dankzij syndicale druk. Maar in hogere functies stemt dat niet overeen met de echte werktijd (er zijn er ook die minder werken!). Ik vraag me af of in het gemiddelde dat we krijgen, ook de voltijds werkenden met tijdelijke contracten zitten. Die werken dan 1 week wel, 1 week niet. Uiteraard duwen die het gemiddelde naar beneden. Laatste opmerking: werkdruk wordt niet alleen gedefinieerd door het aantal uren. Bij Volvo aan de band respecteren ze (vermoed ik) strikt de CAO. Maar het tempo, dwz het aantal handelingen per minuut is alsmaar toegenomen. Dat vertaalt zich in de steeds stijgende productiviteit per werknemer-uur (1-1,5% per jaar in België ---gemiddeld...). In de sector die ik van binnenuit ken (universiteit) moeten steeds meer taken door dezelfde mensen worden vervuld. Wie na enkele jaren niet meer meekan, krijgt geen subsidies meer en blijft in een lagere graad hangen. Maar opnieuw zijn daar enorme individuele verschillen.

      • door J. Blommaert op zondag 27 mei 2012

        Juist Frank. We hebben uit chaostheorie geleerd dat het net 'fluctuaties' zijn, kleine en statistisch vaak onbelangrijke afwijkingen, die trendbepalend kunnen zijn. Een wereld van gemiddelden over grote populaties is een wereld zonder echte mensen die echte handelingen uitvoeren in relatie tot echte andere mensen. Statistisch is zowat iedereen een 'uitzondering'.

        Het is nuttig even te kijken naar het uitstekend gedocumenteerde boekje 'Dokter, ik ben op' (Hendrickx & Krammisch, EPO 2009, http://www.epo.be/uitgeverij/boekinfo_boek.php?isbn=9789064451485). De auteurs overlopen een zeer grote hoop onderzoek inzake werktijd, werkdruk, werklast en arbeidsgerelateerde aandoeningen, en ze gaan in op schijnbare tegenstrijdigheden. Bijvoorbeeld: ze stellen vast dat in een recente enquête 88% van ondervraagden 'tevreden was met z'n job', terwijl een gelijktijdig onderzoek uitwees dat 44% van de ondervraagden kloeg over ondraaglijke werkdruk. Dus wat betekent 'tevreden zijn'? Nogal vaak staat het vandaag de dag voor blij zijn dat werk hebt en niet op de dop staat; dat betekent niet dat men 'gelukkig' wordt van het werk.

        Het zijn dit soort van kwalitatieve en veel dieper gaande onderzoeken die ons in de buurt brengen van wat er in werkelijkheid omgaat en beweegt. De meetkunde van de TOR-onderzoekers voldoet daar niet voor - zie m'n eerdere commentaren daarop.

    • door froels op zondag 3 juni 2012

      25 u per week?

      Ik geef een eind verder een langere analyse van de cijfers van de VUB (die in feite afkomstig zijn van enquêtes van het ministerie). Maar als we hierboven lezen dat mannen in 2005 25u02 per week werkten, voelt u dan niet met de natte vinger dat er iets niet klopt in die berekeningen? De officiële verplichte werkduur bij de overheden was (is) 37,5u; in de privésector worden regelmatig overuren geklopt, dat varieert natuurlijk. En zelfstandigen dan die zich vaak doodwerken (elke minuut brengt op). Zitten de werklozen en gepensioneerden ook in die 25 u? Of de verplichte verlofdagen? Ik vraag me af: hoeveel uren per week werkt uzelf, of werkte u?

  • door J op zondag 3 juni 2012

    Wat is het belang van psychologie eigenlijk ? In landen waar enorme trauma's uit het verleden doorzinderen in de voltallige bevolking zijn er haast geen. In landen waar mensen meer hebben dan ze opkrijgen zijn er veel.

    Zelf vindt ik psychologie eerder een machtsmiddel dan een geneeskunde. Eerder opium dan een hulpmiddel.

    Het is eigen aan de mens zich te helen door sociale contacten, rust, gezond leven, ongezond leven. Niet door alles op een hoop te gooien, te grabbel aan de analytische geest en dan het geloof op te bouwen dat het 'in orde' is.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties