Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Reportage

Een gevangen jurist is nuttiger voor de gevangenen

“De erkende vluchtelingen geraken vaak niet weg uit Turkije omdat een derde (westers) land ze niet opneemt of omdat ze om één of andere reden door de Turkse autoriteiten niet mogen vertrekken. Mijn probleem is het UNHCR zelf. Die is me een grondige verantwoording verschuldigd over waarom ze de mooiste momenten van mijn leven hebben verspild”, zweert S. D. op een strijdbare wijze.
maandag 9 januari 2012

Het zal je maar overkomen: je bent afgestudeerd met een diploma in de rechten aan de universiteit van Teheran, gespecialiseerd in het internationaal privaatrecht en jaren werkzaam als juridisch adviseur. En dan word je gedwongen om ruim tien jaar lang, in de meest erbarmelijke omstandigheden, een anoniem bestaan te leiden als straatventer en te werken als ober in een nachtclub, naamloze afwasser of schoonmaker.

S.D. was dertig toen hij eind 2001 uit Iran naar Turkije vluchtte. Na zes maanden verblijf in Turkije werd hij in 2002 door het vluchtenlingencommissariaat van de Verenigde Naties (UNHCR) als politiek vluchteling erkend en kort erna werd hij aanvaard door de immigratiedienst van Canada. Normaal mocht hij in januari 2003 naar Canada vertrekken, maar het UNHCR besliste daar anders over.

Intussen duurt het al tien jaar dat S.D. gegijzeld wordt door het UNHCR in Turkije, zonder enige redelijke verantwoording. Hij kan geen aanspraak maken op de burgerlijke rechten waar een erkende vluchteling volgens de Conventie van Genève aanspraak op zou moeten hebben. 

Deze 40-jarige jurist en mensenrechtenactivist, woont samen met zijn hond in een bescheiden appartement in Ankara. “Voor haar”, zegt hij wijzend naar zijn erg aanhankelijke hond, “moest ik tot drie keren toe verhuizen. Haar eigenaars verlieten haar toen ze naar Canada vertrokken. Ze is hierdoor nogal getraumatiseerd en ze wordt erg angstig als ze het geluid hoort van de wielen van een reiskoffer.”

Volgens de spreidingspolitiek van de Turkse overheid zou S.D. eigenlijk in Burdur, op zo’n 430 km van de hoofdstad Ankara, moeten verblijven. Hoewel S.D. door zijn illegaal verblijf in Ankara voor de Turkse rechtbank riskeert te verschijnen, besloot hij in 2005 om toch daar te blijven.

“Ik heb geen andere keus. Ik moet dicht bij het UNHCR zijn om ze regelmatig te confronteren met mijn situatie. Hun manier van aanpak is niet alleen juridisch incorrect, maar het is allesbehalve menswaardig! Het is vooral frustrerend dat ze zich nooit verantwoorden waarom ze mij nog steeds in Turkije houden”, aldus S.D.

“De reden waarom ik Turkije nog niet op een illegale manier verlaten heb, is omdat ik het UNHCR wil dwingen om me uit te leggen op basis van welke motieven het een mensenleven op die manier verspilt. Het verloren al de strijd die het ooit tegen mij begon, maar een redelijke uitleg is het me nog altijd verschuldigd. Ik zal het desnoods voor de Commissie van de Verenigde Naties aanklagen”, zegt hij vastberaden.

Schatplichtig aan de Perzische literatuur

S.D. is geboren in Shahsavar, een stad in de noordelijke provincie Mazandran ten zuiden van de Kaspische zee. Zoals velen kwam hij uit een grote landbouwersfamilie. Als jonge twintiger zakte hij af naar Teheran om daar zijn rechtenstudie aan te vatten.

“Toen ik aan de universiteit meer met de islam kennismaakte, begon ik me steeds meer vragen te stellen. Ik bestudeerde de geschiedenis van de islam, het ontstaan van de Koran en het testament van de religieuze leider ayatollah Khomeini. Dit waren allemaal verplichte vakken in alle universitaire richtingen. Het antwoord op mijn vragen vond ik echter niet direct uit deze religieuze bronnen, maar wel uit de wereld van mystiek en spiritualiteit. Bovendien ben ik de Perzische literatuur schatplichtig, want door me juist daarin te verdiepen, heb ik begrepen wat mens-zijn betekent”, licht S.D. toe.

Gevoelig voor mensenrechten stoorde de jonge S.D. zich vooral aan de discriminatie van de religieuze minderheden die na de islamitische revolutie de maatschappij meer en meer in zijn greep nam. “Het was de gewoonte de Joden geen hand te geven omdat ze onrein waren, maar ik deed het wel. De Perzische cultuur is van oudsher verdraagzaam geweest ten opzichte van religieuze minderheden en ik weigerde dus om dit culturele erfgoed over boord te gooien.”

“Mijn moraal wordt gedreven door de Perzische poëten en in het bijzonder door sheikh Abolhasan Kharaghani (963-1033)." Eén van de favoriete uitspraken van Kharaghani luidt als volgt: "Hoe zou het mogelijk zijn dat God de mens waard vindt om haar leven te geven en dat wij als nietige mensen beslissen om haar geen brood te geven?”

Werken bij SEFI

Niet alleen in zijn persoonlijk leven maar ook op het professioneel vlak probeerde S.D. een verschil te maken als het aankwam op het verdedigen van de rechten van religieuze minderheden. Zo greep hij als jurist, aangesteld bij Setad Edjayi Farmane Imam (SEFI), de kans om de onterechte onteigeningen van leden van religieuze minderheden te bemoeilijken of zo niet onmogelijk te maken.

SEFI is een revolutionaire organisatie en is in het leven geroepen door de ayatollah Khomeini, die zichzelf na de Iraanse revolutie en de vlucht van de shah tot de hoogste religieuze leider uitriep. SEFI is bevoegd voor het beheer en de onteigening van de eigendommen die op een ‘niet-islamitische’ wijze zijn vergaard en/of de geest van de islamitische revolutie schaden.

Niet alleen de eigendommen van de aanhangers van het prerevolutionaire regime werden door SEFI in beslag genomen, maar ook bedrijven die ervan verdacht werden om met het zionisme banden te hebben, werden onteigend. “Veel Joden, maar ook Bahai’s (aanhangers van een post-islamitische Perzische religie die pas sinds eind negentiende eeuw is ontstaan) waren het slachtoffer van discriminatie en onterechte onteigeningen en dat stoorde me. Banden hebben met het zionisme was vaak een drogreden voor de religieuze intolerantie”, vertelt S.D.

“Hoe kon ik een oud koppel onteigenen omdat ze gewoon tot een religieuze minderheid behoorden? Als ik ervoor zorgde dat de SEFI niet kon bewijzen dat de bewuste eigendommen aan een bepaalde persoon toebehoorden, dan konden ze die ook niet in beslag nemen. Dat was mijn manier om onze Perzische erfgoed die gebaseerd is op verdraagzaamheid te beschermen. Bovendien was wat men deed niet grondwettelijk want volgens onze grondwet genieten religieuze minderheden evenveel burgerlijke rechten als moslims.”

Het mocht niet baten, want na verloop van tijd werden zijn activiteiten als verdacht beschouwd. Steeds regelmatiger moest S.D. voor de onderzoekscommissie verschijnen om bepaalde onregelmatigheden te motiveren. Ten slotte werd de situatie zo onhoudbaar en onveilig voor S.D. dat hij besloot om Iran te ontvluchten.

De doos van Pandora

Bij de eerste keer dat S.D. uit Iran wegvluchtte, liet hij zich helpen door de mensensmokkelaars. Hij betaalde netjes enkele duizenden dollar om met een vervalst paspoort rechtsreeks naar Istanbul te reizen en vandaar naar Europa te vliegen. “Het geluk stond niet aan mijn kant, want het was oktober 2001, nauwelijks een maand na 9/11 en de controle op de luchthavens was verscherpt. Ik werd opgepakt en rechtstreeks naar Iran gedeporteerd”.

Eens in Iran werd hij uren lang aan de grens ondervraagd waarna hij eindelijk mocht beschikken. Hij was nog maar net vrij toen hij het opnieuw waagde om samen met een aantal andere onderschepte vluchtelingen Turkije binnen te komen. Bij deze tweede poging ging S.D. over land en via de bergen de grens over.

“Deze keer kwam ik in de stad Van terecht (nvdr: epicentrum van de aardbeving van oktober 2011) en begreep ik dat er iets als het UNHCR bestond. Ik besloot dit maal om mijn vlucht naar het Westen niet via de mensensmokkelaars, maar via het UNHCR te organiseren”, legt S.D. uit.

“In vergelijking met alle andere steden mag je Van vergelijken met een open gevangenis. In deze kansarme Koerdische regio is de beloning van eenzelfde werk voor een asielzoeker een derde lager liggen dan elders in Turkije”.

De vlotheid waarmee hij van het UNHCR zijn statuut van erkend vluchteling kreeg alsook de bijbehorende financiële tegemoetkoming, staat in schril contrast met wat erna volgde.

“Uit schrik om opnieuw gedeporteerd te worden, heb ik één grote fout begaan: ik verzweeg dat ik al eens heb proberen te vluchten uit Iran. Ook de mensensmokkelaars zetten me onder druk om niets te vertellen aan het UNHCR over mijn eerste deportatie. Voor hen was het per slot van rekening voordeliger dat ik via hen verder reisde. Toen ik voor het UNHCR koos, persten de mensensmokkelaars me regelmatig af en als ik er niet op in ging werd ik in elkaar geslagen”, getuigt S.D.

De situatie liep zodanig uit de hand dat S.D. zelf naar het UNHCR stapte om het te vragen om hem naar een andere stad over te plaatsen. Hij gaf de namen van de mensensmokkelaars vrij waardoor zij werden opgepakt en het land werden uitgezet.

Om hem over te plaatsen naar een andere stad, werd zijn dossier aan de Vreemdelingendienst van Turkije overgemaakt. Daar ontdekten ze dat hij eerder naar Iran gedeporteerd was en ze meldden dat aan het UNHCR. Vanaf dat moment opent de doos van Pandora zich voor S.D.

Straft men een klets met de doodstraf?

“Kijk, ik geef toe dat ik een fout heb begaan door uit angst mijn deportatie naar Iran te verzwijgen. Maar zeg me eens: straft men het geven van een klets op iemands gezicht met de doodstraf? Dat is wat het UNHCR met mij heeft gedaan. Bovendien geeft het me niet te kennen dat het me straft omdat ik mijn deportatie verzweeg. Het ontneemt me evenmin mijn statuut van erkende vluchteling."

"De laatste keer dat ik door één van de advocaten van UNHCR gehoord werd, verontschuldigde zij zich voor de manier waarop mijn dossier in al die jaren werd behandeld of beter gezegd niet behandeld. Ook zij kon me echter niet uitleggen waarom dit gebeurde”, vertelt S.D.

Kort na zijn laatste interview in mei 2011 kreeg S.D. opnieuw te horen dat het UNHCR hem nog steeds als vluchteling erkent en dat hij geen landbepaling nodig heeft aangezien hij al, zo’n acht jaar geleden, door de immigratiedienst van Canada is aanvaard. Maar als hij contact opneemt met de ambassade van Canada en vraagt of ze zijn dossier van het UNHCR hebben ontvangen, vertellen ze hem dat ze van niets weten.

“Ik kan me gewoon niet voorstellen dat het UNHCR, naast het feit dat het mij hier zolang onterecht vasthoudt, ook nog eens valselijk belooft dat het me zo snel mogelijk uit Turkije laat vertrekken. De mensen die op dezelfde dag als ik geïnterviewd werden, zijn al bij de ambassade van Canada langsgeweest voor een interview. Ik hoef dat niet meer te doen. Ik moet gewoon een nieuwe vluchtdatum krijgen. Dat kan alleen als het UNHCR mijn dossier opnieuw aan de immigratiedienst van Canada overmaakt. We zijn nu een half jaar verder en op mijn online dossier lees ik nog altijd dat ik weigerde om naar Canada te gaan, terwijl het UNHCR zelf mijn vlucht naar Canada tegenhield.”

Gebrek aan zelfevaluatie

Doordat S.D. zijn deportatie verzweeg, werd hij verdacht en onderworpen aan een reeks ondervragingen om zijn geloofwaardigheid voort te doorgronden. “Dat is terecht”, geeft S.D. toe en voegt er onmiddellijk eraan toe: “Maar in mijn geval gaf de advocaat die mijn dossier bij het UNHCR onderzocht, openlijk toe dat hij mij zou laten afzien. Hij wist heel goed dat ik informant, noch een terrorist was, maar hij martelde me psychologisch om dat alsnog te kunnen aantonen.”

De advocaat waarover S.D. spreekt, werkt al 25 jaar lang voor het UNHCR en hij heeft volgens S.D. een gevreesde reputatie bij de asielzoekers. “Iedereen weet dat hij 'de martelaar' van het UNHCR is, maar niemand onderneemt iets tegen hem. Hij is meer een veiligheidsagent dan een jurist en als je mij vraagt of hij met mensenrechten begaan is, zal ik u verzekeren dat dit niet zo is.”

Volgens S.D. moeten de UNHCR-medewerkers op de eerste plaats begaan zijn met mensenrechten, veeleer dan met de politiek. Op de tweede plaats moeten ze ook competente juristen zijn die hun besluit op basis van een consistente argumentatie vormen. “Is het trouwens niet vanzelfsprekend dat de advocaten van het UNHCR er zelf over waken de deontologische code van hun beroep na te leven”, vraagt S.D. zich af.

“Wanneer men voor een politieke aanpak kiest, vernauwt men het actieveld van de mensenrechten. Iemand die aan politiek doet, volgt op de eerste plaats zijn ideologie en belangen, en niet het discours van de mensenrechten, want deze is ideologie-overschrijdend. Het woord ‘ideologie’ komt overeen met ‘denken binnen een bepaald kader’. Maar mensenrechten zijn onbeperkt. Dus wie voor politiek kiest, kiest onbewust voor de beperking van het menselijk potentieel”.

Gebrek aan zelfvertrouwen

“Vanaf het moment dat sommige ondervragers van het UNHCR merken dat degene die zij interviewen een competent persoon is, gaan ze er vaak vanuit dat de persoon in kwestie in staat is om hen iets wijs te maken. Op dat moment beginnen ze, vaak zonder een grondige reden, de kandidaat-vluchteling op de rooster te leggen”, duidt S.D.

“Het bepalen van het vluchtelingenstatuut is een juridisch dispuut”, legt S.D. uit en vervolgt: “De asielzoeker moet bewijzen dat hij/zij in eigen land in levensgevaar verkeert. Wanneer de ondervrager een asielzoeker verdenkt te liegen, maar het niet kan bewijzen, begint de ondervrager met woorden te spelen en bedenkelijke ondervragingstechnieken toe te passen om op die manier toch tegenstrijdige verklaringen af te dwingen.” Een dergelijke manier van aanpak is volgens S.D. te wijten aan een gebrek aan zelfvertrouwen en aan juridische competentie.

Omdat S.D. zelf al lang in Turkije leeft en ook een jurist is, komen veel nieuwkomers bij hem advies vragen. De meesten onder hen leven ondertussen al in Australië, de VS, Canada of in andere westerse landen. Maar S.D. is vooral verbaasd over de vlotheid waarmee het UNHCR de zaken die relatief eenvoudiger uit te leggen zijn, behandelt.

Terwijl hij op zijn computer naar de dossiers van zijn ‘klanten’ verwijst, zegt hij op een ironische wijze: “Een dame die slachtoffer is van seksuele uitbuiting in de prostitutie wordt door het UNHCR binnen 20 dagen gehoord terwijl een politiek vluchteling in het beste geval binnen de twee maanden gehoord wordt. Het is alsof het UNHCR in Turkije de homoseksuelen en de prostituees zo snel mogelijk wil evacueren voor ze zichzelf of het land in problemen brengen”.

Ook de immigratiecommissies lijken veel sneller de religieuze minderheden, uitgebuitte vrouwen en homo’s op te nemen. “Ik heb daar niets op tegen maar dan is een onverantwoorde discriminatie ten op zichte van anderen die eveneens voor hun leven zijn gevlucht”, aldus S.D.

Mijn ‘afsar’ is niet te koop

Helpen de mensen die S.D. ooit hielp hem vanuit de immigratielanden? “Ik zou al erg blij zijn als ze de kosten die ik voor hen heb gemaakt, terug zouden betalen. Wanneer ik iemand help, doe ik dat onvoorwaardelijk. Het is aan de persoon die geholpen is om dankbaar te zijn”.

Zowel in Iran als in Turkije kon S.D. in ruil voor zijn advies geld vragen, maar hij deed het niet. “Ik zit zelf in een heel slechte situatie. Ik heb niet eens een bankrekening en als ik advies geef, moet ik zorgen dat ik zelf niet in de problemen kom, want ik heb hier geen burgerrechten. Toch zet ik me in om mensen te helpen. Zoiets is onbetaalbaar en ik weiger om daar een prijs op te plakken. Maar als iemand mij wilt helpen, dan neem ik zijn hulp graag aan.”

“In die zin ben ik ook een martelaar, iemand die zichzelf opoffert voor het welzijn van de anderen. Men hoeft niet altijd door het wapen sterven om de titel van martelaar te verdienen. In het Perzisch zegt men dat het denken de ‘afsar’ van de mens is. ‘Afsar’ betekent ‘boven’, net zoals het hoofd letterlijk boven de rest van het lichaam staat en alles coördineert. In mijn ogen heeft wie zijn/haar ‘afsar’ verkoopt aan het materiële en/of de macht geen ‘afsar’, toch één van de grote eigenschappen van het mens-zijn.”

S.D. hoopt wel ooit de kans te krijgen om zich professioneel te bekommeren om de mensenrechten. Toch maakt hij het zichzelf niet wijs om ooit bij wijze van voorbeeld een belangrijke rol binnen een organisatie als het UNHCR te kunnen bemachtigen. “Dergelijke posities zullen zelden aan een Irakees, een Iraniër of een Turk toegekend worden. In de huidige dominante stroming gelooft men niet in mensen van onze afkomst”.

Vertrouwen hebben in mensen is niet naïef

Ondanks zijn inzet voor lotgenoten, zijn velen niet alleen ondankbaar, maar sommigen misbruiken S.D.’s vertrouwen. “Ooit gaf ik iemand onderdak, maar die liep met mijn geld weg. Maar dat is geen reden om andere mensen te wantrouwen. In mijn ogen blijft iemand onschuldig tot zijn schuld is bewezen. Sommigen vinden het naïef om mensen te vertrouwen. Ze zeggen dat het niet meer van deze tijd is. Is het niet vreemd dat men tegenwoordig meer begrip opbrengt voor diegenen het vertrouwen van de andere schaden terwijl de slachtoffers de schuld krijgen omdat ze hun vertrouwen gaven?”

Wantrouwen is volgens S.D. de grootste belediging van de menselijke waardigheid. Hij vindt het vooral jammer dat de internationale gemeenschap de menselijke waardigheid op papier onderkent, maar in praktijk niet eens de moeite doet om dat in alle oprechtheid na te streven en toe te passen.

Bovendien vindt S.D. dat het aanvaarden van de verlaging van de moraal gelijk staat met het goedkeuren ervan. “Het is een feit dat de technologische vooruitgang gepaard gaat met het individualiseren en het verlagen van de menselijke moraal. Waar staat het vertrouwen in mensen en solidariteit het meest onder druk? In de steden meer dan op het platteland. In de welvarende ontwikkelde landen meer dan in eenvoudigere bescheiden samenlevingen. Daarom hebben de woningen in landbouwersdorpen traditioneel geen deuren en sloten”, zegt hij.

Het UNHCR moet verantwoording afleggen

Op het eerste zicht klinkt het wat bizar wanneer S.D. beweert dat het UNHCR er niet helemaal in geslaagd is om zijn leven om zeep te helpen en zegt: “Om drie redenen ben ik blij dat ik er het beste van gemaakt heb tijdens mijn lange verblijf in Turkije”.

“Ik ben als winnaar uit de strijd met het UNHCR gekomen, aangezien het heeft moeten toegeven dat ik mijn statuut van erkend vluchteling na zijn onterechte wantrouwen nog steeds verdien. Ten tweede blijf ik strijdbaar, zelfs in de moeilijkste momenten. Ten derde ben ik op een plaats waar mensen een jurist als ik, het hardst nodig hebben. Zeg me eens: waar kan een jurist de gevangenen het best helpen? Vanuit de gevangenis of vanuit zijn bureau?”

In zijn strijd voor een menswaardige behandeling als vluchteling viseert S.D. de UNHCR-administratie omdat hij vindt dat men mensen geen valse hoop mag geven. “Of ze moet trouw blijven aan haar eigen principes of ze moet de organisatie in haar geheel opdoeken. Als ze dat niet doet, dan moet ze zich grondig hervormen, want deze werkwijze maakt een clown van deze instelling en doet het begrip mensenrechten ernstig geweld aan”.

Baharak Bashar

Dit project werd mogelijk gemaakt door de steun van de Koning Boudewijnstichting in het kader van de projectoproep Migratiestromen en hun impact in België en Europa. De foto’s zijn gemaakt door mijn collega Pieter-Jan De Pue.

Vanzelfsprekend dank ik alle getuigen die ondanks hun benarde situatie aan deze reportage hebben meegewerkt. Ten slotte zijn we ook de redactie van deze site erkentelijk om deze online publicaties mogelijk te maken.

Van Baharak Bashar verscheen eind november 2011 bij EPO Djenghis, democratie en vrouwen. Een Iraanse van Gent naar Caïro.

Pieter-Jan De Pue is de regisseur van de documentaire The land of the enlightened die binnenkort wordt vertoond. Deze bijzondere documentaire gaat over de oorlog in Afghanistan gezien door de ogen van de Afghaanse kinderen.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.