about
Toon menu
Opinie

Over de maatschappelijke rol van de wetenschapsfilosoof

De afgelopen weken hebben wetenschapsfilosofen zich op wetenschapsfilosofische gronden uitgesproken tegen de psychoanalyse. Dit riep vele vragen op, in de eerste plaats over de rol van de wetenschapsfilosoof zelf. Kan deze zich opwerpen als neutrale scheidsrechter in academische debatten in vakgebieden waar die zelf niet toe behoort, vraagt dr. Rogier De Langhe zich af.
woensdag 28 december 2011

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Hoe kan de wetenschapsfilosoof iets weten dat wetenschappers zelf nog niet weten? Heeft de wetenschapsfilosoof dan op een of andere manier geprivilegieerde toegang tot de standaarden van de kennis? Vooraleer we op wetenschapsfilosofische gronden hele vakgroepen gaan sluiten, moeten we daarom eerst nagaan op basis waarvan deze wetenschapsfilosofen zich deze absolute (want perspectief-overstijgende) autoriteit toe-eigenen.

De rol van wetenschapsfilosoof als scheidsrechter staat of valt met de gronden waarop die wetenschapsfilosoof zijn claims over wat wetenschap is baseert. Dat iemand lang over iets heeft nagedacht en daar misschien zelfs een doctoraat over heeft geschreven, is natuurlijk nog geen voldoende grond om deze autoriteit toe te kennen. Mogelijke funderingen voor deze autoriteit zijn doorheen de geschiedenis van de wetenschapsfilosofie uitgebreid geëxploreerd.

Ten eerste kan men die autoriteit proberen claimen op puur formele gronden. Dit project is ergens halverwege vorige eeuw beginnen stranden. De meeste filosofen hebben bijvoorbeeld de zoektocht naar een logica van de inductie opgegeven. Misschien bestaat er dus wel zoiets als een logica van de inductie, maar tot nader order hebben we die nog niet gevonden dus kan men er ook geen oordelen op baseren.

Logica kan natuurlijk wel nuttig zijn, bijvoorbeeld in het blootleggen van drogredeneringen. Maar de wetenschappelijke praktijk bestaat uit meer dan redeneringen alleen en de logica bleek (tot dusver) niet in staat om alle dimensies van dat complexe fenomeen te vatten tot op het niveau dat nodig zou zijn voor bijvoorbeeld de demarcatie tussen wetenschap en pseudowetenschap.

Een andere manier om de rol van wetenschapsfilosoof als scheidsrechter te legitimeren, is op basis van de wetenschapsgeschiedenis. De wetenschapsfilosoof kan pogen uit voorbeelden van succesvolle wetenschap (Newton, Darwin, Einstein,...) de kenmerken te distilleren van goede wetenschap. Na de teloorgang van de puur formele benadering zijn wetenschapsfilosofen zich daarom meer gaan toespitsen op concrete gevalsstudies van wetenschappelijke praktijken.

De variabiliteit van die wetenschappelijke praktijken bleek echter zo groot dat het erg moeilijk werd om vast te houden aan het eenvormige beeld van wetenschap dat tot dan toe dominant was geweest. De spelregels van wetenschap bleken onderhevig te zijn aan dat wetenschappelijk onderzoek zelf. Ook is niet duidelijk in welke mate aan deze spelregels uit het verleden een normatieve kracht kan worden toegekend.

Zullen de regels die in het verleden tot succesvolle nieuwe resultaten leidden dat ook in de toekomst doen? We weten immers nog niet hoe die toekomstige succesvolle resultaten er zullen uitzien. Deze onzekerheid zou ertoe moeten aanzetten om het risico te spreiden. Eerder dan een grond voor demarcatie leidt deze historische weg dus eerder naar argumenten voor intellectuele openheid en diversiteit.

Een derde weg is om te vertrekken vanuit de huidige wetenschappelijke praktijken. Die zijn immers het verst gevorderd, zou je kunnen zeggen, en belichamen daarmee de meest geavanceerde methodologische spelregels. Maar de spelregels die wetenschappelijke praktijken reguleren, blijken niet alleen variabel doorheen de tijd maar ook over wetenschappelijke disciplines heen op een gegeven moment. En zelfs mocht daar toch een set van spelregels uit kunnen worden gedistilleerd, dan nog zou het onwenselijk zijn om die spelregels strikt op te leggen aan toekomstig onderzoek.

Er zijn genoeg voorbeelden van grote sprongen in wetenschappelijke vooruitgang die alleen maar mogelijk waren doordat wetenschappers de geldende spelregels net doorbraken. Denk aan Newton die de toen geldende mechanistische consensus doorbrak door de mogelijkheid van actio in distans te vooronderstellen, of Einsteins gebruik van gedachtenexperimenten. Wetenschapsfilosofen die vasthielden aan een gegeven set van spelregels zijn daarom paradoxaal genoeg soms net conservatieve krachten die wetenschappelijke vooruitgang afremmen.

Alhoewel wetenschapsfilosofen kosten noch moeite spaarden om zichzelf de rol van scheidsrechter te kunnen aanmeten, leidde de zoektocht naar een sterk fundament daarvoor dus steevast tot ontgoocheling. Dat betekent nog niet dat dit project definitief heeft gefaald, maar wel dat diegene die zich die rol alsnog wil toe-eigenen over buitengewoon sterke argumenten moet beschikken.

Immers, ook hier geldt de basisstelling van het 'scepticisme', onlangs nog in herinnering gebracht door Etienne Vermeersch zelf: "hoe meer onwaarschijnlijk een uitspraak is, op basis van de betrouwbare kennis die we bezitten, des te meer verpletterend moet het bewijsmateriaal voor die uitspraak zijn." [3]

Zelfs op basis van hun eigen standaarden is het daarom bijzonder problematisch dat bovenvermelde wetenschapsfilosofen zich alsnog deze rol van scheidsrechter als vanzelfsprekend toe-eigenen. Zijn ze te kwader trouw? Hebben zij een gebrekkige kennis van het vakgebied?

Een interessantere mogelijke verklaring is het fenomeen van de echokamer, waarbij kleine geïsoleerde groepen elkaars opinies voortdurend versterken en zo collectief overtuigd raken dat hun perspectief het enig mogelijke is. Wanneer men geen alternatief percipieert, is het begrijpelijk dat men vasthoudt aan een oud project, want het is beter dan niets. De rol die ze zichzelf aanmeten, is dus mogelijk een vlucht vooruit, weg van de horror vacui van de wetenschapsfilosoof. Want als die geen scheidsrechter meer kan zijn, waarom bestaat die dan nog?

Dit brengt ons terug bij de centrale vraag: wat kan vandaag nog de rol van de wetenschapsfilosoof zijn? Indien de wetenschapsfilosoof geen extern perspectief meer kan claimen van waaruit specifieke bijdragen kunnen worden gesanctioneerd, dan verliest die zijn geprivilegieerde positie.

Vakspecialisten zullen dan zelf immers altijd beter geplaatst zijn om andere vakspecialisten te sanctioneren. Niettemin bewijst de huidige wetenschapsfilosofische praktijk dat er over wetenschap ook vandaag nog een algemeen verhaal te vertellen valt, maar dan wel vanuit een gewijzigde opstelling. In plaats van wetenschappelijke praktijken te sanctioneren op basis van een a priori vastgelegd beeld van wat wetenschap zou moeten zijn, kan men zich openstellen voor de diversiteit van wetenschappelijke praktijken, hun dynamiek proberen begrijpen en in samenspraak met wetenschappers zelf hun werking proberen te stroomlijnen.

Een mooi voorbeeld daarvan is de recente literatuur over de arbeidsverdeling in wetenschap. Veeleer dan wetenschap te gaan micro-managen, probeert men de institutionele omgeving van wetenschappers in kaart te brengen en gaat men na, bijvoorbeeld aan de hand van inzichten uit de economie en de biologie, welke beloningsstructuren op de meest efficiënte manier nieuwe kennis kunnen genereren.

Net zoals de economie zich niet uitspreekt over welke producten producenten moeten produceren, zo doen deze filosofen geen uitspraken over de aard van de geproduceerde kennis, maar stellen ze zich tevreden met onderzoek naar de organisatie ervan. Niettemin behouden ze de mogelijkheid om normatieve uitspraken te doen - bijvoorbeeld over wetenschapsbeleid - net zoals de econoom op basis van efficiëntie-overwegingen kan pleiten voor het vrijmaken van markten.

In tegenstelling tot het negatieve normatieve project dat zich met termen als 'pseudowetenschap' boven de wetenschap plaatst en wetenschappers sanctioneert, is deze opstelling (die kenmerkend is voor veel hedendaagse wetenschapsfilosofen!) een positief project waarin de wetenschapsfilosoof in samenspraak met wetenschappers zelf op een constructieve manier nadenkt over het complexe fenomeen dat wetenschap is.

Rogier De Langhe

Rogier De Langhe is als wetenschapsfilosoof verbonden aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de UGent en het departement Filosofie van de Universiteit van Tilburg.

[1] Maarten Boudry, Pseudo-wetenschap aan de universiteit, De Standaard, 13 december 2011
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VD3JEM7L&

[2] Griet Vandermassen, Pseudowetenschap in academia, De Geus, september 2011, pp. 13-6

[3] Etienne Vermeersch, Etienne Vermeersch over pseudowetenschappen, DeWereldMorgen.be, 20 december 2011
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/20/etienne-vermeersch-over-pseudowetenschappen

[4] Robrecht Vanderbeeken, Hoed u voor de zelfverklaarde wetenschapsfilosoof, DeWereldMorgen.be, 30 november 2011
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/11/30/hoed-u-voor-de-zelfverklaarde-wetenschapsfilosoof

[5] Marc De Kesel, Duivelse Dwalingen, De Standaard, 15 december 2011
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=9F3JI333

[6] Robrecht Vanderbeeken, Het ideologisch vacuüm van een bepaald soort wetenschapsfilosofie, DeWereldMorgen.be, 21 december 2011 http://www.dewereldmorgen.be/blogs/robrecht-vanderbeeken/2011/12/21/het-ideologische-vacuuem-van-een-bepaald-soort-wetenschapsfil

[7] Mathieu Beirlaen et al., Aan wie het aanbelangt [Over wetenschap en wetenschap], DeWereldMorgen.be, 27 december 2011 http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/27/aan-wie-het-aanbelangt-over-wetenschap-wetenschap

reacties

8 reacties

  • door Stefan op woensdag 28 december 2011

    Proficiat met deze zeer rake en heldere bijdrage. Broodnodig om nog eens de zaken scherp te stellen, gelet op de alomtegenwoordigheid van wetenschapsfilosofen in de media die slechts 1 bepaalde stroming vertegenwoordigen. Het publiek krijgt dan de indruk dat zij "de" wetenschap voorstaan, wat natuurlijk niet zo is.

    Er is meer in de wetenschap en in de wetenschapsfilosofie dan wat onder de kerstboom ligt van golden boy Braeckman. Wanneer brengt Rogier De Langhe eens een cd-box uit, bijvoorbeeld over de geschiedenis van de wetenschap? Viel de (her)ontdekking van de Helicobacter pylori bijvoorbeeld, door de Australische nobody's Marshall en J. Robin Warren, zo netjes binnen de lijnen die door de Dawkinianen maar al te graag worden uitgelegd?

    • door froels op woensdag 28 december 2011

      Stefan: licht mij in: welke lijnen zijn dat?

  • door Edwin op woensdag 28 december 2011

    Wel wel... Mij valt het als buitenstaander wel op dat de filosofen de laatste tijd zo woelig zijn. Men krijgt hier de indruk dat er een afrekening aan de gang is of een generatiewissel of zoiets... Maar hou het wel netjes, he jongens en meisjes!

  • door Werner Govaerts op donderdag 29 december 2011

    Boudry, Braeckman, Vermeersch en zeker Dawkins zijn eigenlijk geen wetenschappers, zeker geen filosofen, maar missionarissen van het positivistisch materialisme. In een tijdperk waarin de (natuur)wetenschappen zelf dit positivistisch materialisme meer en meer vaarwel zeggen, of op zijn minst stevig in vraag stellen, is het niet abnormaal dat deze missionarissen strijden voor de zuiverheid van hun geloof! Maar het is natuurlijk moeilijk praten met lieden die van hun eigen geloof beweren dat het wetenschap is ...

  • door psycholoog oudenaarde op donderdag 29 december 2011

    Een positieve en constructieve bijdrage tot het debat, in tegenstelling tot het zich om de zoveel tijd de kop opstekende 'Freud-bashing'.

  • door suzan langenberg op donderdag 29 december 2011

    De vraag naar de rol van de wetenschapsfilosoof - als scheidsrechter, als grensbepaler? - is vergelijkbaar met de vraag naar de rol van iedere deskundige die voorondersteld wordt een duidelijk beeld te hebben van de grenzen en mogelijkheden van zijn expertisedomein. De wetenschappen vervullen een belangrijke maatschappelijke, politieke én economische functie. Bovendien kunnen we ons sinds de relativiteitstheorie en de Kuhniaanse wending niet meer terugtrekken op één eensluidend paradigma en/of beginsel dat een ultieme verklaring geeft voor een object/fenomeen dat onderzocht wordt. Dit is een gegeven en betekent - volgens mij - tevens een breuk met de moderniteit. De discussie: wie stelt de grens?, wie sanctioneert wie? wie of welke instelling is gelegitimeerd grenzen te stellen aan onderzoek, wetenschappelijke resultaten, implementatie van resultaten in beleid? wie of wat kan een neutrale positie claimen...? is onontbeerlijk en roept terecht zoveel vragen op dat het een langdurig debat rechtvaardigt... Vanuit de gedachte van ´boundary work`(grenswerk) zou ik, wat betreft het denkproces om tot grenzen te komen, opteren voor een uitbreiding van het voorstel van De Langhe om wetenschapsfilosofen samen te zetten met betrokken wetenschappers: niet enkel zij zijn aan zet, ook de eindgebruiker en de beleidsmaker zouden aan de voorkant van de grensverkenning aanwezig moeten zijn om op een later tijdstip verantwoordelijkheid voor de effecten te kunnen nemen.

    zie ook: Suzan Langenberg, Kritiek als des-organisatie, Garant 2008 en Jozef Keulartz, Werken aan de grens, Damon 2005

  • door Mark op donderdag 29 december 2011

    Zeer zinvolle bijdrage aan dit debat. Het perspectief van de filosoof die zijn eigen grond ondervraagt is vermoedelijk typerende voor scepticisme dan grootste verklaringen over pseudo-wetenschap. Correct stuk lijkt me, goeie analyse en een belangrijke boodschap.

  • door Brigitte9 op dinsdag 3 januari 2012

    Leren van verschillende wetenschappelijke disciplines, de wetenschappelijke praktijk die in elke discipline geldt in kaart brengen en stroomlijnen is een heel waardevol project, maar het heeft niets te maken met het eigenlijke issue:

    Er bestaan wel degelijk pseudowetenschappen, en er is wel degelijk een noodzaak om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden.

    Je kan deze probleemstelling niet afdoen met een – “We weten het niet, we zijn doodgelopen bij de poging om formeel vast te stellen wat wetenschap is”. Anders kan ik morgen een theorie formuleren dat er roze olifantjes op de maan wonen en van u eisen dat u mij serieus neemt. Want de enige die volgens uw artikel over de nodige autoriteit beschikt betreffende de roze-olifanten-theorie ben ikzelf (ik ben de enige expert in het domein). En in plaats van mijn theorie af te doen als pseudowetenschap beschouwt u het als uw taak om mijn roze-olifanten-telmethode in kaart te brengen en te helpen optimaliseren.

    U noemt verschillende criteria die allen onvoldoende zijn gebleken om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden: de formele methode, de gebruikte wetenschappelijke methodes in het verleden, en de gebruikte wetenschappelijke methodes vandaag de dag.

    U heeft een mogelijke benadering niet genoemd: Waarom een wetenschap niet gewoon beoordelen op haar resultaten? De volgende criteria bepalen volgens mij de waarde van een wetenschappelijke theorie, zonder ook maar enige beperking op te leggen aan de gebruikte spelregels: - In hoeverre is de theorie in staat om optredende fenomen te verklaren ? - In hoeverre is de theorie in staat om optredende fenomenen te voorspellen ? - In hoeverre kan de theorie gebruikt worden om optredende fenomenen te beïnvloeden ? - Hoe goed scoort de wetenschappelijke theorie in vergelijking met alternatieve theorieën ? - Wat is de reikwijdte van de theorie ? Hoe meer algemeen toepasbaar een theorie is, des te waardevoller ze is. - Scheermes van Ockham: niet meer gepostuleerde objecten introduceren dan nodig is om de optredende fenomenen te kunnen verklaren/voorspellen. De theorie moet meer vragen oplossen dan nieuwe vragen oproepen. Daarom is de theorie dat de maan rond de aarde draait omdat er een gigantische elastiek aan vastzit geen goede theorie: ze roept meer vragen op dan ze beantwoordt (hoe zit die elastiek vast ? Wie heeft die elastiek daar bevestigd ? Waarom zien we de elastiek niet ? ) - Evolueert deze wetenschap ? (Geen absolute vereiste, maar ik vind dit toch een interessant criterium. Als een wetenschappelijke theorie klopt dan merk je vaak dat een aantal puzzelstukjes op hun plaats beginnen te vallen, en dat het leidt tot verklaringen van tot dan toe onverklaarde verschijnselen, ook in andere wetenschappelijke disciplines) - In hoeverre valt deze wetenschappelijke theorie in te passen in het geheel van andere wetenschappelijke disciplines ? Hoe meer aanknopingspunten bij andere theorieën, des te solider de wetenschappelijke theorie is.

    Deze criteria zijn ook future-proof. Terwijl de gebruikte wetenschappelijke methodes, en zelfs onze opvatting van wat “waar” is nog drastisch zullen veranderen zullen deze criteria mijns inziens blijven gelden.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties