Advertentie

donderdag 17 november 2011

Technocraten aan de macht ondemocratisch? Niet noodzakelijk

Wie zich beperkt tot de massamedia voor zijn actuele informatie hoort maar één klok, één mantra: regeringen van technocraten zijn een noodzakelijk kwaad, niet erg democratisch maar toch beter dan de chaos. Niet één stem die stelt dat hier een antidemocratische evolutie aan de gang is. Sociaal verzet moet zijn pijlen echter blijven richten op de verkozen parlementsleden, niet op die technocraten!

Rechtzetting

Er bestaan om te beginnen heel wat misverstanden over de manier waarop regeringen werken in de Europese parlementaire democratieën. Dat het voor de gewone burger allemaal nogal onduidelijk is, valt nog enigszins te begrijpen. Van journalisten wordt daarentegen toch een minimale professionele kennis verwacht over de werking van de democratische instellingen.

Ministers worden in geen enkel Europees land ‘verkozen’. Integendeel, zij worden benoemd door hun parlementen, meestal door middel van de goedkeuring van een regeringsverklaring door de eerste minister in het parlement. Berlusconi en Papandreou werden dus nooit ‘verkozen’ tot eerste minister. Dat zo stellen in de berichtgeving is foutief en dient afgekeurd te worden, omdat het een verkeerde indruk geeft. Berlusconi en Papandreou werden natuurlijk wel ‘verkozen’, niet als minister maar als parlementslid. Daarna werden zij tot minister 'benoemd'.

Regeringen ontstaan uit politieke onderhandelingen

In de meeste landen ontstaat een akkoord over de vorming van een nieuwe regering door onderhandelingen op basis van de aangepaste politieke krachtsverhoudingen in het nieuw verkozen parlement. In Zwitserland – dat geen EU-lidstaat is – werkt dat anders. Daar nemen alle partijen, die een bepaald percentage halen, automatisch deel aan een ‘consensusregering’. De functies van eerste minister en president alterneren er voortdurend tussen de partijen.

Ook in Groot-Brittannië werkt het anders. Dat land heeft geen proportioneel kiesstelsel, zodat de grootste partij – ook al heeft die nooit vijfitg procent van stemmen – er altijd alleen een regering kan vormen. Dat dit systeem van permanent bestuur door de grootste minderheid niet openlijk wordt veroordeeld, is op zichzelf al een schandvlek op de Europese gedachte. De huidige meerderheidscoalitie tussen de Conservatieven en de Liberaal-democraten is een grote uitzondering. Ze kon ook alleen maar lukken omdat deze partijen een identiek sociaaleconomisch programma hebben (dat op zijn beurt ook nauwelijks verschilt van dat van Labour, maar dit terzijde).

We staan er ondertussen ook nauwelijks bij stil dat regeringen van technocraten de regel zijn in de Verenigde Staten. Er bestaat daar niets anders. De president benoemt zijn ministers persoonlijk. Ze vormen niet eens een regeringsploeg. Elke minister is rechtstreeks verantwoordelijk tegenover de president. Zoiets als kabinetsoverleg over het regeringsbeleid is er onbestaande. De meeste Amerikanen hebben er niet eens enig besef van dat zij door technocraten worden bestuurd. Ze hebben nooit iets anders gekend. Van de rest van de wereld weten ze nauwelijks iets.

Technocraten als ministers waren ooit de regel, niet de uitzondering

Uit de traditie van door de partijen onderhandelde regeringsmeerderheden is een andere traditie gegroeid, namelijk dat het bijna steeds de voorzitter van de grootste partij in de coalitie is die eerste minister wordt en dat bijna uitsluitend verkozen parlementsleden lid van een regering worden. Deze praktijk is echter niet op een wettelijke verplichting gebaseerd. Ministers worden aangesteld of benoemd door het parlement (de beëdiging door het staatshoofd is een formele vereiste in sommige landen zoals België, maar de democratische legitimiteit komt altijd van het verkozen parlement). Ministers moeten dus helemaal geen verkozen politici zijn. Ze moeten worden aanvaard door het verkozen parlement.

Wat nu een traditie is, was dat aanvankelijk helemaal niet. Tot voor de Eerste Wereldoorlog was het aanstellen van wat we nu ‘technocraten’ noemen, eerder de gewoonte dan de uitzondering. Staatshoofden (al dan niet verkozen) zochten zelf kandidaat-ministers, waarbij competentie meestal de voorrang had op electorale populariteit.

‘Competentie’ moest je natuurlijk in de toenmalige maatschappelijke context zien. Een bankier, die de financiën van de staat in evenwicht bracht, was immers ook ‘competent’ omdat hij dat onder meer deed door op een efficiënte manier fabrieksstakingen voor betere arbeidsvoorwaarden de kop in te drukken. Electorale populariteit was dan dikwijls een element dat eerder tegen de betrokkene pleitte om voor een ministerpost in aanmerking te komen.

Bovendien, tot aan de Eerste Wereldoorlog waren de parlementsleden, met uitzondering van de socialisten, zelfs allemaal bedrijfsleiders of steenrijke personen. Ministers-technocraten werden door hen eerder als collega’s beschouwd.

De socialistische partijen hebben de regeringen gedemocratiseerd

Daar kwam een eerste grote verandering in door het succes van de socialistische partijen in de Europese parlementen en vooral door hun machtsdeelname na de Eerste Wereldoorlog. Deze partijen stonden uiteraard zéér wantrouwig tegenover de bankiers en ondernemers in de regeringen, om ideologische redenen. Zij wilden hun eigen ‘competente’ ministers. Na de Tweede Wereldoorlog zijn externe technocraten eerder uitzonderingen geworden, hoewel ze nooit helemaal verdwenen zijn.

Een nieuw fenomeen vanaf de jaren ’70 was het aanstellen van experten uit eigen rangen, bijvoorbeeld van de studiebureaus van de partijen (eveneens een toenmalig nieuw fenomeen in de politiek) of van academici uit politiek bevriende universiteiten (vooral een fenomeen in landen als Oostenrijk, België, Nederland en Frankrijk, maar het deed zich in mindere mate in alle Europese landen voor).

Ook in België

Het Ministerie van Financiën van België werd na de oorlog een aantal malen door iemand uit de financiële sector waargenomen, het Ministerie van Economie door iemand uit de bedrijfswereld of vanuit werkgeversorganisaties. Soms zocht men het ook in eigen interne rangen. Ondermeer Jean-Luc Dehaene en Marc Eyskens werden minister zonder verkozen te zijn. Daarna werden ze wel lijsttrekkers.

Meer recente voorbeelden zijn Vlaams minister-president Kris Peeters en Vlaams minister Philippe Muyters. Een verschil met vroeger is dat de huidige ‘technocraten’ hun politiek mandaat gebruiken als springplank voor een klassieke politieke carrière, eerder dan naar hun carrière in de privésector terug te keren.

Hoewel af en toe ook wel technocraten werden aangezocht door sociaaldemocratische partijen (bijvoorbeeld Patrick Janssens uit de reclamesector), zijn het toch vooral de conservatieve partijen die regelmatig een beroep deden en doen op ‘externe expertise’.

Ondemocratisch? Het hangt er maar van af ...

Zijn regeringen met technocraten dan democratisch? Ja en neen. Het hangt er maar van af. Ook een regering met technocraten moet de meerderheid van het verkozen parlement achter zich krijgen. Bovendien, het werk van een parlementslid – meerderheid en oppositie – is fundamenteel anders dan dat van een minister. Wetgevende en uitvoerende macht zijn niet voor niets gescheiden werelden. De scheiding der machten is zelfs een van de basisprincipes van de moderne democratie.

Zolang een regering de meerderheid van een verkozen parlement achter zich heeft, is er geen fundamenteel democratisch probleem. Als een dergelijke regering een beleid voert dat ingaat tegen de politieke beloftes van de partijen tijdens de voorgaande verkiezingen is dat wel een democratisch probleem voor de verkozenen, echter niet voor de betrokken technocraten!

Een regering beoordeel je op zijn beleid

Wat dan met de huidige regering geleid door technocraten in Italië? Die is inderdaad een gevaar voor de democratie, zowel voor Italië zelf als voor de rest van de EU. Hier wordt immers een nieuw precedent geschapen dat navolging zal krijgen, tenminste als de conservatieve partijen het voor het zeggen krijgen (wegens de politieke realiteit reken ik daar ook de meeste sociaaldemocratische partijen bij).

De regering van bankier Monti is voor elke rechtgeaarde maatschappelijk begane mens onaanvaardbaar. Niet omdat ze uit technocraten bestaat, zelfs niet omdat Monti een bankier is. Ze is onaanvaardbaar omdat deze regering staat voor een beleid van ‘financiële stabilisering’, wat Orwelliaans taalgebruik is voor sociale afbraak en massale verschuiving van de risico’s naar de bevolking en van de winsten naar de privésector (of liever naar de grote bedrijven, voor de kleine zelfstandige wordt dit ook een ramp).

Zij die nu moord en brand schreeuwen omdat dit een regering van technocraten en bankiers is, vergissen zich niet van analyse maar wel van argumenten. Deze regering is een sociale ramp omwille van zijn ideologische programma.

In de context van het ideologische debat over het beleid van de regering-Monti is het uiteraard relevant om terug te kijken naar de antecedenten van deze man (en van zijn medeministers). Daaruit blijkt voldoende waar deze man voor staat: brutaal kapitalisme op kosten van de bevolking. Maar zelfs dan is het parlement het instituut dat moet worden aangevallen.

Een andere mantra van de massamedia is dat technocraten nodig zouden zijn om het puin te ruimen die de politici - de 'politiek' - achtergelaten hebben. Er bestaat niet zoiets als 'de politiek', net zomin als er een entitieit bestaat die 'de politici' zou heten. Politieke partijen hebben verschillende meningen en dragen verschillende verantwoordelijkheden in meerderheidscoalities of in de oppositie. 

Het systeem van de parlementaire democratie is verre van efficiënt. Overleg gaat traag, moeizaam en levert onduidelijke resultaten. Besluitvorming kan lang op zich laten wachten. Maar is dat zo abnormaal? Zijn snel genomen beslissingen zonder overleg noodzakelijk beter? De geschiedenis levert daar geen bewijzen voor. 

Wat men parlementaire democratieën ook kan verwijten (dikwijls terecht), ze hebben altijd de legitimatie van de kiezer. Verre van perfect, maar altijd beter dan een regering van technocraten. Dat de massamedia de huidige evolutie nu zo schaapachtig promoten als 'de oplossing', is de mensen een rad voor de ogen draaien. De oplossing die de regering-Monti te bieden heeft, is slechts een 'oplossing' voor bepaalde sectoren en personen in de Italiaanse maatschappij, niet voor de gewone Italiaan. 

Sociale actie blijft relevant

Pogingen om soortgelijke operaties door te drukken in andere landen (Portugal, Spanje, eventueel zelfs Frankrijk) moeten wel degelijk bestreden worden. Sociale actie blijft cruciaal. De grote sociale naoorlogse veranderingen werden ook zo doorgedrukt. Dat is nu niet anders.

Een bekend argument van parlementsleden is dat ze de druk voelen van de 'markten' om hun instemming te geven met deze technocratische regeringen omdat anders de chaos zou heersen. Is dat zo? Chaos voor wie? Landen zijn geen amorf geheel, elk land heeft groepen in zijn bevolking met andere belangen, andere ideeën, andere prioriteiten.

Eén van de hoofdargumenten van de Europese Commissie is dat de EU-lidstaten stabiliteit nodig hebben. Dat is ook wat de Italiaanse eerste minister Monti predikt. Stabiliteit voor wie? De stabiliteit van een pensioen dat onvoldoende is om je basisbehoeften te voldoen of de stabiliteit van de kwartaalopbrengsten van de grote banken? De stabiliteit van in de tijd beperkte lage (of geen) werkloosheiduitkeringen of van in de tijd onbeperkte lage (of geen) vermogensbelastingen? Financiële stabiliteit is dus het hoofdpunt voor de regering Monti. Dat liegt die man niet. De vraag is maar wat hij daarmee precies bedoelt.

Alleen meer democratie biedt een oplossing

De enige oplossing komt van 'meer democratie', iets wat we niet van de bankiers-technocraten moeten verwachten. De huidige evolutie is niet meer of niet minder dan een poging om de parlementaire democratie van zijn inhoud te ontdoen, de vorm te behouden maar er een lege doos van maken, vrije verkiezingen voor een parlement dat niets te zeggen heeft. Dit kadert in een strategie om een ander beleid door progressieve politieke meerderheden voor tientallen jaren onmogelijk te maken. 

Nochtans, als democratisch project is het neoliberalisme mislukt. Het kan nergens bogen op de instemming van de meerderheid van de bevolking. Daarom ook het belang dat antisociale partijen hechten aan die grote overheidsschulden. Zo maakt men de sociale eisen van de toekomst nu al onmogelijk.

Sociaal protest heeft niets van zijn historische relevantie verloren. Het is dus essentieel dat de protesten hun pijlen blijven richten op de verkozenen, de parlementsleden. Zij geven immers de wettelijke steun zonder dewelke Monti en konsoorten niet kunnen regeren. Zij moeten de boodschap krijgen dat zij bij de volgende verkiezingen de rekening zullen gepresenteerd krijgen. Het is de enige druk die politici verstaan (hier geldt de veralgemening 'politici' wel).

Aan de progressieve krachten de taak om er voor te zorgen dat die terechte volkswoede zich niet vertaalt in een stem voor rechtse populistische partijen.

Vond u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Klik hier om DeWereldMorgen.be te steunen via overschrijving.

Reageer (Spelregels)

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Reacties

middel verandert doel, doel verandert middel

Democratie is een organisatievorm. Het mag (en democratie is natuurlijk absoluut nodig) niet verzelfstandigt worden tot een ethisch concept. Het is een maatschappelijke organisatievorm die gerelateerd is aan arbeidsdeling, dat op zijn beurt een product is van uitgebreide economische processen.
Als je het verzelfstandigt tot een ethisch concept (wat niet gebeurde in het artikel, volgens mijn snelle lezing) loop je het gevaar democratie te verliezen. Dat men, dat befaamde men!, gaat oordelen vanuit een rechtvaardigheidsconcept. Wat (on)recht is, is afhankelijk van inzicht, van situatie, van het onderwerp.
De Nederlandse VVD won de verkiezingen omdat er o.a. de rare kronkel was bij wat Nederlanders, dat besparen wel rechtvaardig was.

De geschiedenis laat het zien: mensen komen in beweging op 2 assen die ook wel samen hangen, omdat het gaat over organisationele vraagstukken, te weten: gevoelens/oordelen over (on)recht en de belasting (tax) van het regime.

Het probleem is dan: hoe democratie in stand te houden als een organisatievorm en niet te laten percipiëren als een ethisch ding.
Een probleem van middel en doel, nl. de dialectiek ertussen.

"De eeuwige terugkeer van het fascisme"

Vergelijk bijvoorbeeld de ondemocratische oprichting van een zakenkabinet van technocraten (cf. Griekenland, Italië, en straks misschien ook België – Di Rupo heeft deze middag blijkbaar zijn ontslag ingediend bij de koning!!!) met de evolutie die Mandel (met referentie aan Trotski) vaststelde in de postcrisis periode van de jaren ’30:

“In de periode van het imperialisme, en wanneer de arbeidersbeweging een lange historische ontwikkeling heeft meegemaakt, oefent de burgerij haar politieke macht het voordeligst uit (d.w.z. met de laagste kosten) door de burgerlijke parlementaire democratie. Deze vorm van regeren heeft twee grote voordelen. Het bekomt een periodieke vermindering van de sociale antagonismen door het toestaan van zekere sociale hervormingen. En het laat aan een belangrijk deel van de burgerij toe rechtstreeks deel te nemen aan de uitoefening van de politieke macht door de burgerlijke partijen, de dagbladen, universiteiten, werkgeversverenigingen, gemeentelijke en regionale besturen, het centrale banksysteem, enz… Maar deze vorm van burgerlijke overheersing — welke geenszins de enige historische is — hangt af van het behoud van een hoogst onstabiel evenwicht van economische en sociale krachten. Wanneer objectieve ontwikkelingen dit evenwicht verstoren heeft de grootburgerij geen enkel ander alternatief dan te trachten een hogere vorm van centralisatie van de uitvoerende macht van het staatsapparaat in te stellen om haar historische belangen te realiseren, zelfs al heeft dit tot gevolg dat van de rechtstreekse uitvoering van de politieke macht moet worden afgezien. Historisch beschouwd is het fascisme zowel de realisatie als de negatie van de tendens van het monopoliekapitalisme — voor het eerst opgemerkt door Hilferding — het ganse sociale leven op een totalitaire wijze te ‘organiseren’ in functie van haar belangen. Fascisme [neoliberalisme] is de realisatie van deze tendens omdat het in laatste analyse deze historische functie heeft vervuld. Het is de negatie van deze tendens, omdat, tegengesteld aan Hilferdings verwachting, het fascisme enkel tot het vervullen van deze functie in staat is geweest door de extensieve politieke onteigening van de burgerij” (Mandel, 1969).

Op dit ogenblik worden er onder druk van ‘de markten’ en Europa op verschillende plaatsen zakenkabinetten geïnstalleerd om het ‘monopoliekapitalisme’ in stand te kunnen houden alsmede de noodzakelijke hervormingen (cf. stringente besparingen) door te (kunnen) voeren om een dergelijke machtsbalans, i.e., status quo, te (kunnen) behouden: een “extensieve politieke onteigening van de burgerij”; “een hogere vorm van centralisatie van de uitvoerende macht van het staatsapparaat [...] om haar historische belangen te realiseren, zelfs al heeft dit tot gevolg dat van de rechtstreekse uitvoering van de politieke macht moet worden afgezien”.

Een dergelijke evolutie afdoen als noodzakelijk en tegelijkertijd de antidemocratische consequenties ervan ontkennen – bv. in de reguliere media wordt er nergens de vraag gesteld of zoiets überhaupt democratische kan genoemd worden – verwijst, naar mijn mening, naar de “diepgaande ontkenning” waar Riemen (2010) het over heeft. Thomas Mann noemde een dergelijke diepgaande ontkenning: “Glaubensunwilligkeit”.

* Mandel, E. (1969). Over het fascisme (vertaling uit het Duits door Adrien Verlee). Marxistisch Internet Archief, maart 2007, s.f. Retrieved from http://www.marxists.org/nederlands/mandel/1969/1969fascisme.htm
* Riemen, R. (2010). De eeuwige terugkeer van het fascisme. Amsterdam, NL: Atlas. (isbn: 9789045018560) [ http://www.robriemen.nl/rob-riemen-bibliografie/de-eeuwige-terugkeer-van... ]

minor correcctie

... * Mandel, E. (1969). Over het fascisme (vertaling uit het Duits door Adrien Verlee). Marxistisch Internet Archief, maart 2007, s.f. Retrieved from http://www.marxists.org/nederlands/mandel/1969/1969fascisme.htm ...
Nu je dit nogmaals post, een kleine rechtzetting. Als je goed kijkt naar de colofon, zie je staan: vertaling onbekend.
Enkel de transcriptie is van mijn hand.

OK

Dank je wel voor de correctie, ik heb erover gelezen. Ik heb ook de versie in het Engels, in het boek van Trotski: "The struggle against fascism in Germany". Aangezien ik het een ontzettend verhelderende tekst en analyse vind, ben ik blij dat er een Nederlandstalige transcriptie van bestaat. Temeer omdat ik ervan overtuigd ben dat het een aantal hedendaagse gebeurtenissen helpt kaderen en ons zelfs adviseert om ons geen tweede maal aan dezelfde steen te stoten.

Article intéressant.

Article intéressant. Toutefois, le problème actuel est que les systèmes nationaux démocratiques ont transféré peu à peu (en usant de la voie la moins démocratqiue qui soit : la voie diplomatique, celle des traités) leur souveraineté à un système où les Exécutifs (Commission et Conseil) échappent quasi totalement au contrôle des élus et imposent par dela les parlements nationaux leurs décisions incontrôlées. Mario Monti par exemple n'est pas seulement un banquier, il est aussi un ex-Commissaire européen. Et autre exemple : Di Rupo s'est empressé de dire qu'il ira défendre le nouveau budget devant la Commission, avant même d'envisager de demander la confiance au parlement belge.
Si on replace pas la problématique dans son contexte européen on risque de ne pas viser les bonnes cibles pour les bons motifs. Il afut évidemment maintenir la pression sur nos élus. Mais il faut le faire en les obligeant à reconsidérer l'aspect obligatoire des décisions européennes, autrement dit les obliger à reconsidérer les transferts de souveraineté au profit d'organes non-démocratiques (Commission, Conseil et Banques centrale)

Advertentie