about
Toon menu
Opinie

Gezocht: geschikte biotopen voor Technology Assessment

Het Vlaams parlement heeft op 24 oktober 2011 beslist om het parlementaire instituut voor Technology Assessment (TA), het Instituut Samenleving en Technologie (IST), op te heffen. Met deze politieke beslissing brengt het Vlaams parlement een zware klap toe aan geïnstitutionaliseerde reflectie op de impact van technologische innovatie in Vlaanderen.
dinsdag 1 november 2011

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Het IST nam immers in het Vlaamse innovatielandschap een unieke positie in: het organiseerde ruimte voor dialoog tussen wetenschappelijke experten, middenveldorganisaties, beleidsmensen en het bredere publiek om technologische innovatie zo goed mogelijk in te bedden in onze samenleving.

Met zijn beslissing gaat het Vlaams parlement volledig in tegen de internationale trend van meer beleidgericht advies en meer sturing om innovaties te richten op maatschappelijke uitdagingen. Hoewel de afschaffing van IST voor ons, projectleiders binnen het IST, ook een persoonlijke impact heeft, wensen we toch even op een rij te zetten waarom TA zinvol is, wat haar ambities zijn, hoe ze deze wil realiseren, en in welke institutionele ruimte zij kan gedijen. Hierbij kijken we niet enkel naar beleidsgerichte TA maar ook naar TA activiteiten aan universiteiten, hogescholen, strategische kennisinstellingen enzovoort. Omdat we ervan overtuigd zijn dat TA in Vlaanderen een toekomst verdient.

Moet er nog TA zijn in Vlaanderen?

Technologische innovaties nopen tot sociale innovaties

Technologische innovaties komen via verschillende kanalen ons dagelijks leven binnen: denk aan sociale media, games, functionele voeding, fertiliteitstechnieken, nieuwe materialen, biodiesel, en nog ontelbare andere voorbeelden.

Maatschappelijke introducties van dergelijke nieuwigheden verlopen meestal niet zonder horten en stoten. Wat doen sociale-media-bedrijven met de informatie die er op gepost wordt en hoe geven ze ons informatie terug? Waar ligt de meerwaarde van games en is er behoefte om gebruikers te wapenen tegen verslaving? Waar ligt de grens tussen functionele voeding en medicatie? Verhogen of beperken fertiliteitstechnieken de keuzevrijheid van vrouwen? Zijn nieuwe materialen—ook bij slijtage—veilig voor het milieu? Wat betekent een overstap op biodiesel voor de voedselzekerheid wereldwijd?

Dergelijke vragen illustreren dat maatschappelijk aanvaardbare antwoorden niet gerealiseerd kunnen worden zonder sociale innovaties. Aanpassingen zijn nodig in businessmodellen, in wetgeving, in vaardigheden en gedrag van gebruikers, in diensten, in eigendomsregimes, enz. TA stelt zich precies tot doel om inzicht te verwerven in de maatschappelijke betekenis van nieuwe technologieën en om voorstellen te ontwikkelen voor maatschappelijk verantwoorde sociale innovaties.

Technologische innovaties als hoop in bange tijden?

De druk om via technologische innovaties op mondiaal niveau competitief te blijven én tegelijk bij te dragen tot de grote maatschappelijke uitdagingen—vergrijzing, klimaatverandering, energie- en grondstoffenschaarste, milieuvervuiling, armoede, …—is groot en krijgt ruim gehoor in politieke en industriële kringen en bij onderzoeksinstellingen. Technologische innovatie wordt vaak gepresenteerd als dé motor voor economische groei en als een cruciale manier om genoemde uitdagingen aan te gaan.

Economische groei wordt op haar beurt gezien als voorwaarde voor de nodige technologische innovatie. Als resultaat van deze cirkelredenering dreigen wij in steeds grotere versnellingen meegenomen te worden op de golven van telkens nieuwe producten en productieprocessen. In een mondiale context van toenemende wederzijdse afhankelijkheden, van groeiende complexiteiten en van steeds dreigender schaarste lopen we het gevaar dat we ons laten meesleuren in avonturen die we nauwelijks kunnen overzien en nog minder in de hand hebben.

Het is duidelijk dat technologische innovaties een belangrijke rol kunnen en moeten spelen als we onze toekomst duurzaam willen maken. We moeten er ons echter voor hoeden om al te voortvarend en al te eenzijdig op de piste van zulke innovaties in te zetten. Het ziet er immers naar uit dat er een kloof bestaat tussen ons vermogen om innovaties tot stand te brengen enerzijds en ons vermogen om deze optimaal in te zetten in functie van duurzame samenlevingen anderzijds. Er zijn voldoende aanwijzingen voor een dergelijke kloof, maar ze worden al te gemakkelijk over het hoofd gezien.

Een terugblik in het recente verleden leert ons, bijvoorbeeld, dat nieuwe toepassingen en productiemethoden weliswaar tot efficiënter, maar niet noodzakelijk tot minder gebruik van schaarse energie- en grondstoffen leiden. In de periode 1975-1995 is het totale verbruik van materialen in de VS, Duitsland, Nederland en Japan met 30 procent gestegen, ondanks het feit dat de materiaalintensiteit (hoeveelheid materiaal gebruikt per eenheid van het Bruto Nationaal Product) met ongeveer 30 procent gedaald is.

Hoewel onze economie de voorbije vier decennia drie keer energie-efficiënter is geworden, was de totale groei zo groot dat de CO2-uitstoot maar bleef toenemen. Van het nanotechnologiedomein - een recent nieuw technologiedomein waarbij nano staat voor de grootte van 1 miljoenste van een meter - wordt bijzonder veel verwacht als het aankomt op duurzaam materialen- en energiegebruik. De wereldwijde investeringen in nanotoepassingen zijn dan ook gigantisch. Tot op heden is de productie van koolstofnanodeeltjes - die onder meer zouden kunnen ingezet worden in zeer efficiënte herlaadbare batterijen - zeer energie-intensief (in een grootteorde tussen 2 tot 100 keer meer energie is er nodig dan voor de productie van aluminium).

Bovendien worden vaak aanzienlijke hoeveelheden toxische chemische producten gebruikt in de aanmaak van nanodeeltjes. Volgens het Europese milieuagentschap is het evenwicht tussen kansen en risico’s in het NBIC-domein - dit is het domein van de nano-, bio-, info- en cognowetenschappen - onduidelijk (EEA 2010).

Het verleden leert ons dat technologische innovaties verschillende minder fraaie, en niet altijd voorspelbare gevolgen kunnen hebben. Het kernenergieverhaal is hier, met het Japanse Fukushima in het achterhoofd, een ontluisterend voorbeeld van. Klimaatverandering, dalende biodiversiteit, smog, zure regen, eutrofiëring, bodemvervuiling zijn andere voorbeelden. Zij zijn effecten van op technologische innovaties gebaseerde industrie en logistiek.

Zij houden bedreigingen in voor onze voedselzekerheid, voor onze gezondheid en/of voor het functioneren van ecosystemen. Maar ook risico’s van een totaal andere aard dienen zich aan. Denk bijvoorbeeld aan de grote groepen mensen wier capaciteiten en talenten zich niet op het technisch-wetenschappelijke terrein bevinden: hoe groot is de kans dat zij in de toekomst zinvol werk zullen vinden? Of zie de recente oriëntatie in onderzoek op het doorgronden van genen en hersenen.

Jan Staman schrijft: "Hoe meer de wetenschap ons echter doorgrondt en de technologie ons doen en laten registreert, hoe minder blijft er verborgen van ons handelen, denken en voelen. We leven in een verregaande staat van transparantie. Het risico dat daaraan is verbonden, is dat al die nieuwe kennis en technologie ingezet worden om onze aard en ons gedrag eerst te classificeren en vervolgens te normaliseren. Ons te vangen in een klemmend systeem van cijfers en normen die vastleggen wat gezond, normaal en wenselijk is. En wie iets ongezonds, abnormaals of onwenselijks vertoont, heeft 'hulp' nodig om alsnog aan de vastgestelde standaard te voldoen" (1).

Kortom, het is allesbehalve vanzelfsprekend dat technologische innovaties afdoende antwoorden bieden op, bijvoorbeeld, problemen van energie- en grondstoffenschaarste of op problemen van milieuvervuiling. Meer nog, (te) snelle maatschappelijke introducties van technologische innovaties kunnen niet alleen uw job bedreigen, maar ook uw gezondheid schaden of uw vrijheid, of het democratisch bestel, of gangbare normen en waarden.

Vlaanderen heeft baat bij TA

Daarom is TA, als een vorm van georganiseerde reflectie, nodig. Om behoedzaam te achterhalen: aan wiens en welke noden, behoeften en voorkeuren technologische innovaties eigenlijk tegemoet (moeten) komen; wat de maatschappelijke betekenissen en effecten kunnen zijn van nieuwe wetenschap en technologie; of de voor- en nadelen ervan op een faire manier verdeeld zijn over de bevolking; welke maatregelen nodig zijn om de voordelen te optimaliseren en de nadelen binnen aanvaardbare grenzen te houden; of het morele gehalte van een samenleving erbij gebaat of er eerder door geschaad wordt.

Of om totaal andere wegen te verkennen door, bijvoorbeeld, te onderzoeken welke structurele, culturele, sociale én technologische aanpassingen en vernieuwingen nodig zijn om vooropgestelde maatschappelijke doelen te realiseren. Deze laatste pistes wordt zelden in ogenschouw genomen. In tegendeel, het meest gehoorde argument om het uitblijven van succes te verklaren is dat er onvoldoende middelen worden vrijgemaakt voor (exact-) wetenschappelijk onderzoek en technologische innovatie.

Technology Assessment: een onderzoeksdomein in ontwikkeling

Technology Assessment is meer dan een halve eeuw oud en heeft al heel wat watertjes doorzwommen. Wat in de VS rond de Tweede Wereldoorlog  begon als een onderonsje tussen wetenschappers en politici—waarbij de eersten (economische) projecties en vroege waarschuwingsanalyses (early warning) voorstelden aan de laatsten—is in de tweede helft van de 20ste eeuw naar Europa overgewaaid en heeft daar een eigen ontwikkeling doorgemaakt.

In haar huidige vorm neemt TA niet langer genoegen met een end-of-pipe-aanpak, d.w.z. met het formuleren van voorstellen om, via aanpassingen in de wetgeving, de introductie van technologische vernieuwingen op een maatschappelijk aanvaardbare wijze te laten verlopen. TA-onderzoekers pleiten voor een uitwisseling van inzichten en visies tussen de ontwikkelaars van nieuwe technologieën enerzijds en maatschappelijke groepen anderzijds.

Dit vanaf het prille begin, met de ambitie om tot een wederzijdse afstemming te komen tussen maatschappelijke noden en technologische opportuniteiten. TA-onderzoekers gaan er immers van uit dat technologie zich niet lineair en autonoom ontwikkelt, maar het resultaat is van een complex krachtenspel van belangen en visies: visies zowel op de problematische uitgangssituatie, op de gewenste eindsituatie, als op de wegen die van het ene tot het andere kunnen leiden.

Om die verschillende visies te expliciteren én te toetsen, wil TA de gangbare groepen die betrokken zijn bij het ontwikkelen van technologische innovaties—onderzoeksinstellingen, bedrijven en overheden—uitbreiden met groepen of individuen die er vroeg of laat in hun professionele of persoonlijke leven mee geconfronteerd zullen worden of er de gevolgen van dragen: de (toekomstige) gebruikers of expliciete niet-gebruikers. TA streeft onpartijdigheid na, door een forum te bieden aan heel diverse belangen. TA heeft dan ook niet de ambitie om mensen te overtuigen van het nut of de zin van technologische innovaties, maar om gezamenlijk te zoeken naar welke technologieën het best tegemoet komen aan maatschappelijke noden en verwachtingen.

Niet alleen verschillende belangen, maar ook verschillende inzichten zijn nodig. In een context waarin wetenschappelijke en technologische kennis steeds specialistischer wordt, is het niet eenvoudig om een beeld te krijgen van het globale plaatje. Onderzoekers weten vaak heel veel over heel weinig; bovendien vormen hun wetenschappelijke bijdragen over het algemeen slechts fragmentjes die misschien, uiteindelijk, en op vaak onvoorspelbare wijze nuttig zullen zijn om een nieuw product of systeem tot stand te brengen.

Daarom streeft TA er naar om verschillende perspectieven met elkaar te confronteren. Niet alleen poogt het verschillende disciplines—exacte én humane of sociale wetenschappen—rond de tafel te krijgen. Het geeft ook ruimte aan ervaringsdeskundigheid—van groepen of individuen—naast wetenschappelijke expertise. Het is er zich bovendien van bewust dat ook ongevraagde meningen—bijvoorbeeld van actiegroepen—een meerwaarde hebben: deze meningen verwijzen naar inzichten en verlangens die in het dominante discours vaak worden verzwegen, genegeerd, of ontkend.

TA als geïnstitutionaliseerde reflectie

Aanvankelijk—in de jaren ‘80—werd academische TA in Vlaanderen vooral beoefend bij de menswetenschappen, dus institutioneel afgescheiden van zowel natuurwetenschappelijk onderzoek als van politiek (Goorden en Deblonde 2011). In deze periode wordt TA nog beschouwd als een wetenschappelijke en communicatieve activiteit, bedoeld  om het publieke en politieke oordeel over maatschappelijke aspecten van wetenschap en technologie te vormen. TA diende zich te richten op het vroegtijdig voorspellen en vermijden van negatieve gevolgen van nieuwe technologie.

In de jaren ’90 verhuist TA naar publiek gefinancierde onderzoeks- en technologie-instituten zoals het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB), Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek (VITO), Vlaams Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) en Belgisch Studiecentrum voor Kernenergie (SCK). TA-onderzoek vindt hier plaats in speciale cellen en in nauwe samenwerking met het onderzoeksmanagement van deze instellingen. Het mocht echter - aldus een beleidsdocument van toen -"de creativiteit van het innovatieproces niet vertragen of er een negatieve invloed op hebben". In de praktijk bleek dat de reflectie zich in deze context algauw vernauwde tot het in kaart brengen van mogelijke risico’s en van marktpotentie. In deze besloten institutionele omgeving was een toets aan maatschappelijke verwachtingen en bezorgdheden niet mogelijk.

Vanaf 2000 wordt TA ondergebracht binnen het Vlaams parlement. De bedoeling hier is om publieke debatten te voeren over wetenschap en technologie, en om op die manier controverses te ontmijnen. Het palet aan argumenten verbreedt inderdaad, maar in bepaalde domeinen blijft de polarisering aanhouden.

Discussies over genetisch gemodificeerde organismen, over gsm-straling of over nucleaire technologie worden immers vaak afgevlakt tot betwistingen over de potentiële risico’s; dieperliggende vragen over waarden, visies en belangen blijven onbeantwoord. Het voordeel van deze binnen het parlement geplaatste TA is dat zij dichter aanleunt bij het beleid; het nadeel is dat deze TA-beoefening buiten het onderzoeksbedrijf staat en daardoor weinig impact heeft op de wetenschaps- en technologieontwikkeling zelf.

Gezocht: geschikte biotopen voor TA

Opdat TA echt zou kunnen gedijen, dienen een aantal voorwaarden voldaan te zijn: continuïteit, onafhankelijkheid en open communicatie. TA-activiteiten kunnen pas vruchtbaar zijn indien zij zich zowel op de korte als op de lange termijn kunnen richten. Dit veronderstelt een zekere continuïteit in de beschikbare middelen voor TA-activiteiten.

TA kan pas onpartijdig zijn als het voldoende onafhankelijk is om verschillende belangengroepen een stem te geven én aan de tand te voelen; onpartijdigheid vereist vanwege deze belangengroepen een zekere transparantie over middelen, activiteiten, visies en ambities. TA kan pas maatschappelijk robuust zijn indien het de gelegenheid krijgt uitdagingen en mogelijke oplossingen te schetsen vanuit een veelheid van perspectieven. Geen enkel perspectief mag a priori uitgesloten worden. TA heeft daarom nood aan voortdurende toetsing bij het ruime publiek via actieve en transparante communicatie.

Niet elke institutionele omgeving is dus even geschikt om TA-ambities waar te maken. Bekijken we, bijvoorbeeld, de situatie van beleidsgerichte TA in Europa, dan stellen we vast dat er in Europa momenteel 13 parlementaire TA-instellingen zijn (2).

De diversiteit binnen het EPTA netwerk is relatief groot. Volgens een recent Technopolis rapport zijn er drie grote groepen van parlementaire TA instellingen, naar het model van een parlementaire commissie, een parlementair bureau, of een onafhankelijk instituut. In de eerste twee modellen is de afstand tussen de TA-activiteiten en het werk van parlementairen zeer klein tot klein.

De besprekingen over de impact van wetenschap en technologie gebeuren (veelal) op vraag van parlementairen of parlementaire commissies en de adviezen worden in de eerste plaats voor de parlementairen geschreven. Het derde model, dat van de onafhankelijke instituten, onderscheidt zich van de andere modellen door de grote onafhankelijkheid in de keuze van de TA-projecten en in de ruimere missie.

Naast de belangrijke functie van het informeren en adviseren van het parlement is er ook het stimuleren van het bredere maatschappelijke debat over de betekenis en impact van wetenschap en technologie, en het democratiseren van het innovatiebeleid. Voorbeelden van dit model zijn het Nederlandse Rathenau instituut, de Deense Teknologirådet en het - nu opgeheven - Vlaamse Instituut Samenleving & Technologie.

Een van de redenen die het Vlaams parlement aanhaalt om het IST af te schaffen, is de projectmatige financiering van universiteiten en hogescholen om TA-onderzoek te doen in opdracht van het IST. Hiermee toont het Vlaams parlement duidelijk dat het een weerstand heeft om wetenschappelijk onderzoek in opdracht van een parlement te laten uitvoeren.

Niet alleen gaat ons parlement voorbij aan de trend om aan kennisgebaseerde besluitvorming over technologische innovaties te doen, ook laat het een kans liggen om menswetenschappelijk onderzoek naar de impact en betekenis van bestaande en nieuwe technologische innovaties te versterken aan onderzoeks- en kennisinstellingen.

Want Vlaanderen heeft geen sterke traditie om TA binnen onderzoeks- en kennisinstellingen als dusdanig te labelen; Vlaanderen heeft behoefte aan een verhoogde zichtbaarheid van en een gecoördineerde visie op TA-onderzoek binnen deze instellingen. Een beleidsgerichte TA-instelling zoals het Instituut Samenleving en Technologie hoeft dus niet per se zelf TA-onderzoek te doen wanneer het uit een rijkere voedingsbodem van TA kan putten om het Vlaamse beleid doeltreffender van informatie te voorzien.

Als de klemtoon van beleidgerichte TA niet moet liggen in de uitvoering van TA-onderzoek, als adviesverlening aan de overheid sowieso gebeurt via bestaande, stevig verankerde adviesorganen en als publieke en politieke opinievorming dagelijks via de media gebeuren, hoe kan beleidsgerichte TA een duurzame, relevante identiteit verwerven in Vlaanderen?

Wat er ontbreekt, is een platform dat onderzoek, middenveld, industrie, media, overheid en publiek bij elkaar brengt op regelmatige overlegmomenten om op TA-georganiseerde wijze te overleggen en vooruit te denken over het technologisch Vlaanderen van vandaag en morgen. Er is dus nood aan continuïteit in het onderhouden van dialoog- en reflectie. Niet via de projectmatig (en dus per definitie tijdelijk) opgebouwde netwerken die het IST de afgelopen jaren heeft georganiseerd, maar via thematisch ingerichte meerjarige programma’s.

De eerder geschetste lotgevallen van TA in Vlaanderen laten zien dat, indien Vlaanderen haar TA-ambities waar wil maken, TA op vele plaatsen tegelijk kan en moet beoefend worden. Universiteiten hebben er baat bij omdat het hen toelaat hun onderzoeksactiviteiten - en dus hun schaarse onderzoeksmiddelen - doelgerichter te plannen vanuit langetermijnvisies. Het laat strategische kennisinstellingen (VIB, VITO, IMEC, IBBT) toe om hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten vanaf het begin beter af te stemmen op maatschappelijke behoeften en verwachtingen.

Bedrijven kunnen via TA beter inspelen op bestaande noden (in plaats van via technologische vernieuwingen nieuwe noden te creëren). Bovendien zijn zowel universiteiten als publieke en private onderzoeksinstellingen bijzonder goed geplaatst om, vanaf het prille begin, het publieke debat te voeden met hun wetenschappelijke inzichten. Beleidsgerichte TA kan op haar beurt beleidsmakers ondersteunen. Zij kan, als knooppunt tussen wetenschap, politiek en publiek en op basis van de verzamelde inzichten van diverse TA-entiteiten, beleidsmakers informeren over nodige wettelijke, institutionele, organisatorische, en infrastructurele aanpassingen.

Beschikt een Vlaanderen in crisis over voldoende moed en wijsheid om werk te maken van de nodige TA-biotopen? Wij hopen alleszins van wel.

Donaat Cosaert, Marian Deblonde en Johan Evers

Donaat Cosaert, Marian Deblonde en Johan Evers zijn projectleiders bij het Instituut Samenleving en Technologie

Zie ook: http://http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/10/21/vlaams-parlement-zet-eigen-technology-assessment-op-de-helling


Referenties

  • EEA (2010). Accelerating technological change: racing into the unknown, European Environment Agency.
  • Goorden, L. en M. Deblonde (2011). Navigating in nanospace. Presentation of an integrated roadmap. Antwerpen, Universiteit Antwerpen.

Noten

(1) Jan Staman in het Nederlandse dagblad Trouw van 14 oktober 2011. Jan Staman is directeur van het Nederlandse Rathenau Instituut.

(2) Zij wisselen via het Europese Parlementaire TA netwerk (http://www.eptanetwork.org) ervaringen uit, delen kennis en werken samen in Europese TA projecten.