Advertentie

dinsdag 5 april 2011

Keynes en de crisis

Vandaag blijven er slechts twee overtuigende verklaringen over voor de crisis: die van Keynes en het marxisme. En gezien “men niet tegen het systeem kan zijn”, wordt het bijgevolg het keynesianisme. Marxisten hebben er dus alle belang bij zich voor deze concurrerende analyse van de crisis te interesseren. Is zij juist? Is zij wetenschappelijk? Verdienen haar oplossingen onze aandacht?
DeWereldMorgen.be -
DeWereldMorgen.be -
Drie grote theorieën betwisten elkaar de juiste verklaring van de crisis. De courante stroming interpreteert de crisis als het plotselinge opduiken van een storend element (een aanslag, een stijging van de olieprijzen, politieke of sociale gebeurtenissen…) dat dringend uit de weg moet worden geruimd zodat de markt zijn van nature gezonde werking kan hernemen. Keynes hecht geen geloof aan dit zelfregulerend mechanisme. Hij is van mening dat het kapitalisme leidt tot excessen, die door de overheid (staat) moeten worden gecorrigeerd. Zonder die tussenkomst kan er van de weldaden van het kapitalisme geen sprake zijn. En tot slot is er de marxistische doctrine die diep in het systeem onderduikt om de recessie te onderzoeken en tot de conclusie komt dat die inherent is aan het kapitalisme. De enige uitweg is de opbouw van een andere economie, van een andere maatschappij: het socialisme

De omvang van de problemen, de korte duur van de groei en de aanhoudende hoge werkloosheid ondergraven de zuiver liberale stellingen. Het waren immers net die regeringen die het minst tussenkwamen, die in allerijl de banken te hulp moesten snellen om een financiële catastrofe te voorkomen. Zoals een Frans economist schreef: “In tijden van crisis zijn we allemaal aanhangers van Keynes.” Om maar te zeggen dat er slechts twee overtuigende verklaringen overblijven: die van Keynes en het marxisme. En gezien “men niet tegen het systeem kan zijn”, wordt het bijgevolg het keynesianisme.

Marxisten hebben er dus alle belang bij zich voor deze concurrerende analyse van de crisis te interesseren. Is zij juist? Is zij wetenschappelijk? Verdienen haar oplossingen onze aandacht?

1. Leven en werk van een “verlichte” bourgeois

John Maynard Keynes wordt geboren in Cambridge in 1883, het jaar dat Karl Marx sterft. Meer dan symbolisch! Hij behoort tot de relatief gegoede bourgeoisfamilies van het Victoriaanse Engeland.

Zijn afkomst vergemakkelijkt zijn onderwijsparcours, dat als briljant wordt omschreven: in 1897 sturen zijn ouders hem naar Eaton, een van de meest prestigieuze Britse colleges, daarna, in 1902, naar King’s College (letterlijk het college van de koning) van de universiteit van Cambridge. Hij studeert wiskunde, slaagt cum laude en begint dan aan economie. Hij wordt lid van talrijke elitaire clubs van jonge intellectuelen die ietwat kritisch staan tegenover de kapitalistische maatschappij en haar vaak hypocriete moraal.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt hij aangeworven door het ministerie van Financiën en volgt van daaruit de Conferentie van Versailles, waar gediscussieerd wordt over de herstelbetalingen die in 1919 aan Duitsland worden opgelegd. Hij staat versteld van de logica van de geallieerde machten, die het overwonnen land alleen maar willen leegzuigen. Hij neemt ontslag en publiceert een eerste werk waarmee hij naam zal maken: De economische gevolgen van de vrede. Lenin zal het gebruiken om de roofzucht en het verlangen van de imperialistische machten om hun buit en hun kolonies te vermeerderen, aan de kaak te stellen.1

Vervolgens gaat Keynes in zaken. Na enkele moeilijke periodes slaagt hij erin een klein fortuin te vergaren dat hem in staat stelt talrijke culturele werken en kunstboeken (zoals de memoires van Isaac Newton) aan te kopen. Hij wordt ook directeur en zelfs algemeen directeur van enkele verzekeringsmaatschappijen.

In de jaren twintig haalt hij de banden met de wegkwijnende liberale partij aan. Hij overweegt lid te worden van de arbeiderspartij, maar verwerpt dat idee met volgende uitleg: “Om te beginnen is dat een klassenpartij en die klasse is niet de mijne. Als ik voordelen moet opeisen voor een deel van de maatschappij, zal het zijn voor dat deel waartoe ik behoor. Leidt dit tot de klassenstrijd als dusdanig, dan zal mijn lokaal en persoonlijk patriottisme, zoals dat van iedereen, op enkele ergerlijk vlijtige personen na, gericht zijn op mijn eigen omgeving. Ik ben gevoelig voor wat volgens mij rechtvaardig is en van gezond verstand getuigt, maar in de klassenoorlog zal ik aan de kant van de gecultiveerde burgerij staan.”2 Hij blijft trouwens lid van meerdere discussiegroepen van het establishment, die in kleine comités debatteren over de grote oriëntaties van de maatschappij.

Niettemin wordt hij in 1929 economisch raadgever van de Labourregering met Ramsay MacDonald als premier. Hij krijgt belangstelling voor de economische crisis die volgt op de krach van oktober 1929 en zal er twee belangrijke werken aan wijden: A treatise on Money en The General Theory of Employment, Interest and Money.

Welke stellingen verdedigt Keynes? Daarvoor moeten we even teruggrijpen naar de omstandigheden van die tijd. Op dat ogenblik is er nog geen sprake van een echte macro-economische theorie, dat wil zeggen een theorie die de vragen op nationaal vlak aanpakt. Het gaat in essentie om een micro-economie, dat wil zeggen, een economie die gebaseerd is op het individuele spel van de verschillende actoren. Daardoor ontbreken statistieken, wat overigens in deze recessie problemen stelt voor de regeringen. De begrippen van Keynes zullen de grondslag leggen van de macro-economie zoals we die vandaag beoefenen (in het bijzonder op statistisch vlak).

Volgens Keynes valt het nationaal product van een land (zoals trouwens ook het inkomen) uiteen in twee delen: een deel komt voort uit de consumptievraag en een deel uit investeringen. Noemen we het nationaal product Y (van het Engelse yield), de consumptie van de gezinnen C (consumption) en de investeringen I (investments), dan bekomen we volgende som: Y = C + I.  [3] Hoe evolueren deze twee samenstellende delen?

De consumptie schommelt gedeeltelijk mee met het nationaal inkomen: stijgt het inkomen, dan wordt er meer geconsumeerd en omgekeerd. Investeringen echter zijn onvoorspelbaar en moeilijk af te bakenen. Het is een gok op lange termijn. Maar er is zoiets als de voorkeur voor liquiditeit, zoals Keynes het noemt. Dat wil zeggen dat de spelers graag beschikken over liquide activa, over geld.

De investeringen zijn afhankelijk van het spaargeld (S, van het Engelse savings). Kapitalisten kunnen investeren maar ook geld opzij leggen of ermee speculeren op de financiële markten. Als er een te grote hoeveelheid geld niet wordt geherinvesteerd in het productieve apparaat zodat het zich kan reproduceren en de rijkdom doen groeien, blokkeert het mechanisme. We vatten dit samen in onderstaand schema. Onze voorkeur gaat naar een meer marxistische voorstelling met een onderscheid tussen werknemers die de totaliteit van hun inkomen consumeren en kapitalisten die leven van de opbrengst van de ondernemingen en die zowel kunnen consumeren als sparen.

Schema 1.

Normaal moet spaargeld opnieuw geïnvesteerd worden om meer te produceren en economische groei te verzekeren zodat meer mensen aan het werk kunnen.

Maar Keynes stelt vast dat de kapitalistische beslissingen cumulatief zijn. Wanneer de conjunctuur goed is, geldt dat voor iedereen en willen ze dus ook allemaal investeren. Er is sprake van overinvestering. Is de conjunctuur echter slecht, dan houden ze allemaal tegelijk op met investeren. Er is onderinvestering, de economie komt tot stilstand en deze toestand houdt aan, wat desastreuze gevolgen heeft voor de tewerkstelling (werkloosheid).

Terzelfdertijd doen de investeringen de nationale ontwikkeling meerdere malen toenemen. Want inderdaad, als er geïnvesteerd wordt, moeten er meer arbeidskrachten aangeworven worden. Die arbeidskrachten consumeren, wat weer tot nieuwe activiteiten leidt en dus tot nieuwe investeringen enzovoort. Met andere woorden: als men 10 (miljoen of miljard euro) investeert, kan de totale impact op de economische groei misschien wel 15, 20, 30… zijn, afhankelijk van de vermenigvuldigingsfactor.

En hoe hoger de consumptie naar verhouding met het loon, hoe gunstiger de uitkomst van die vermenigvuldiging zal zijn, gezien ze tot een grotere activiteit zal leiden. Dat is eenvoudig te begrijpen. Als de consumptie 25 % van het nationaal inkomen bedraagt, zal een investering van 10 maar een consumptie-effect hebben dat gelijk is aan die 25 % plus de gevolgen van de activiteiten die eruit voortvloeien. Bedraagt de consumptie 50 %, dan zal het effect ook 50 % zijn plus de eruit voortvloeiende activiteiten en hun gevolgen.

Wat moet er dan gebeuren volgens Keynes? Hij stelt een programma in vier punten voor.4

  • Ten eerste, zegt hij, moet er geconsumeerd worden en moet het aandeel van de consumptie in het nationaal inkomen opgedreven worden, want dat positieve gevolgen heeft voor de groei. Keynes zal de gezinnen dus herhaaldelijk oproepen om meer te consumeren.
  • Ten tweede moet er een gepast monetair beleid gevoerd worden om een toevloed van investeringen op gang te trekken: lage interestvoeten stimuleren het krediet en dus ook nieuwe investeringen. Maar, geeft Keynes toe in zijn werk van 1936, de situatie van de jaren dertig is van die aard dat de lage interesten onefficiënt zijn geworden. Vandaag zien we hetzelfde gebeuren: een interestvoet van 0 % in de VS en Japan en 1 % in Europa. Je kan moeilijk nog lager gaan om het krediet aan te zwengelen. Er moet dus iets anders gezocht worden.
  • Dat wordt dan Keynes’ derde voorstel: openbare investeringen. Als de privé in gebreke blijft, moet de overheid het goedmaken. De staatstussenkomst moet, volgens Keynes, het tegenovergestelde doen van de privé-investeringen. De staat mag niet langdurig de plaats innemen van de privé. Deze laatste moet de baas blijven. Maar in functie van de kapitalistische beslissingen die ofwel leiden tot overinvestering en dus tot een oververhitting van de economie, ofwel tot onderinvestering en dus tot een crisis, moet het regeringsbeleid tegen de cyclus ingaan: de uitgaven opdrijven als de privé terughoudend is, of alles tot staan brengen en zelfs desinvesteren als de ondernemers zeer actief zijn. Een dergelijk beleid is meer geschikt om de investeringen te stabiliseren. Dit noemen we een macro-economische regulering van het keynesiaanse type.
  • Ten vierde, beweert Keynes, moet de staat de financiële markten reglementeren om te vermijden dat ze de economie verstoren. Hij schrijft hierover: “In de normale gang van zaken kunnen speculanten voor een onderneming zo ongevaarlijk zijn als luchtbellen. Maar een onderneming die niet meer is dan een luchtbel in de draaikolk van de speculatie, verkeert in moeilijkheden. Kapitaal dat groeit als nevenproduct van de casinoactiviteit, riskeert zich te ontwikkelen in gebrekkige omstandigheden.”5 Het beroep van bankier moet bijgevolg gecontroleerd worden opdat het de “echte” economie en dus het kapitalisme zou dienen.

Het effect van het door de Britse economist aangeprezen beleid blijkt uiterst belangrijk te zijn. Dit beleid herinnert aan de New Deal van president Roosevelt. In werkelijkheid is de invloed maar gedeeltelijk en wederkerig. In het begin dienden de plannen van Roosevelt vooral om het systeem van het bankroet te redden. Maar het project is nooit bewust voltooid. Het was een proces van vallen en opstaan.

Keynes’ geschriften zullen echter belangrijker worden na de Tweede Wereldoorlog. Hij is gedeeltelijk verantwoordelijk voor de internationale financiële structuur van de akkoorden van Bretton Woods in 1944. Hij vertegenwoordigt op die conferentie de Britse regering en stelt de belangrijkste bepalingen van het akkoord op: de omzetting in goud van een internationale centrale munt, (de bancor); een vaste ruilwaarde voor alle munten in bancor; geen mogelijkheid tot devaluatie (behalve met akkoord van de partners); hulp aan landen in moeilijkheden door een speciaal in het leven geroepen organisme, namelijk het IMF (Internationaal Muntfonds). Het Witte Huis keurt alles goed, behalve de bancor, die het zal vervangen door de dollar.

In dit kader passen de verschillende staten een openlijk keynesiaans macro-economisch beleid toe, een beleid van staatstussenkomst om de groei te stimuleren. Deze situatie blijft duren tot in de jaren zeventig… wanneer de akkoorden van Bretton Woods worden verbroken door Richard Nixon.

Op die internationale conferentie is Keynes al ziek. Hij sterft op 21 april 1946 aan een hartaanval. Zijn afkomst, zijn parcours, zijn leven bewijzen dat hij, zoals hijzelf ook schreef, behoorde tot de burgerij. Wat hij wil, is de vereeuwiging van het kapitalisme met uitroeiing van de excessen. Maar hij koestert een diep misprijzen voor de massa’s en voor systemen die op de massa’s steunen. Tijdens een reis naar de Sovjet-Unie6 schrijft hij: “Hoe zou ik een credo tot het mijne kunnen maken dat, met zijn voorkeur voor de bokaal boven de vis, het onbeschaafde proletariaat verheerlijkt en plaatst boven de burgerij en de intelligentsia die, ongeacht hun fouten, het welzijn belichamen en in zich de kiemen dragen van de toekomstige vooruitgang van de mensheid?”7

2. Onderinvestering of overinvestering?

Voor Keynes liggen de investeringen aan de basis van de crisis. Als de kapitalisten hun productiecapaciteit rationeel en op lange termijn zouden plannen, dus gespreid in de tijd, dan zouden er misschien geen problemen meer zijn? Volgens Keynes zijn het de beslissingen om niet meer te investeren, die de recessie opwekken. Er zou geen crisis zijn als de ondernemers zouden blijven investeren. Het probleem is dus te wijten aan een relatieve “onderinvestering” van de privé.

Het is ontegensprekelijk juist dat de crisis opduikt als het economisch proces stilvalt doordat de kapitalisten niet meer investeren. De productie wordt stilgelegd en de overtollige werknemers worden ontslagen. Maar dat zegt niets over de dieper liggende oorzaken. Keynes wijt die verstoorde werking aan onzekerheden op de markt of aan financiële excessen die buitensporig hoge winstperspectieven in het vooruitzicht stellen.

Het probleem is dat de beweringen van Keynes moeilijk te bewijzen zijn. We kunnen zelfs het tegendeel aantonen. Je ziet het in de volgende grafiek. Deze vergelijkt de jaarlijkse evolutie8 van het reële bbp (dus zonder het effect van de prijsstijgingen) met de reële voorraad vaste activa in de VS sinds 1960. Die vaste activa omvatten heel het productieapparaat (terreinen, gebouwen, machines, werktuigen…) Een positieve jaarlijkse variatie van die activa wijst dus op een reële investering in de productieve basis van het land, waardoor het geheel van de productie van dat land effectief kan groeien.

Grafiek 1. Jaarlijkse groei van het reële bruto binnenlands product en de reële voorraad vaste activa in de VS 1960-2009 (in % in vergelijking met het vorige jaar)


Bron: Bureau of Economic Analysis, Real Gross Domestic Product: http://www.bea.gov/national/nipaweb/SelectTable.asp? Selected=N, en Net Stock of Private Fixed Assets: http://www.bea.gov/national/FA2004/SelectTable.asp.

De bbp-curve vertoont belangrijke schommelingen terwijl de investeringscurve relatief stabiel blijft. Interessanter is echter dat de investeringen veeleer de evolutie van de productieactiviteit volgen dan eraan voorafgaan. In de jaren zestig veroorzaakt de groei van het bbp maar een geleidelijke toename van de vaste activa. In de jaren zeventig stijgt de voorraad tot nieuwe recordhoogtes, ondanks de zaagvormige resultaten van de productie (4,3 % gemiddeld tussen 1964 en 1981 inbegrepen). Terwijl de economie in de jaren tachtig weer aantrekt, dalen de vaste activa.

Daarna loopt de evolutie meer parallel. Maar de activiteit neemt nog altijd toe vóór de investeringen hernemen. Dat is het geval in de jaren negentig. Daarna, in 2000, begint het bbp te krimpen vóór de voorraad vaste activa hetzelfde doet. Vanaf 2002 herneemt de groei, de investeringen doen dat pas in 2004. Door de subprime-crisis9 dalen deze pas in 2008 terwijl de productie al begint te sputteren vanaf 2007.

In die omstandigheden lijkt het ons gevaarlijk te beweren dat de recessie in hoofdzaak te wijten is aan een gebrek aan investeringen. Het is natuurlijk juist dat de kapitalisten tijdens de crisis minder snel of helemaal niets meer uitgeven voor vaste activa. Ongetwijfeld omdat ze zich realiseren dat ze die activa niet meer zullen kunnen verkopen en dat het onmogelijk is aan hetzelfde ritme door te gaan. En de aanpassing hapert wat omdat bepaalde operaties een lange immobilisatietijd vergen en er moeilijk bruusk kan worden gestopt. Tussen de beslissing om een automobielfabriek te bouwen en de eerste wagen die van de band rolt, ligt vaak een periode van twee tot drie jaar. Dit proces wordt slechts stilgelegd of vertraagd als het echt nodig is, dus wanneer de crisis zich daadwerkelijk manifesteert en het duidelijk wordt dat hij voldoende lang zal duren.

Het gaat er dus niet om waarom de kapitalisten ophouden met investeren maar waarom ze er niet in slagen hun producten af te zetten. Laten we even ons vorige schema zoveel mogelijk vereenvoudigen.

Schema 2.

De productie wordt altijd verdeeld in inkomens, dat wil zeggen in lonen en winsten, die dienen voor de consumptie en voor nieuwe investeringen. Het lijkt ons onnodig hier een verschil te maken tussen spaargeld en investeringen. Investeringen dienen om de productie te verhogen en dus om economische groei te verzekeren. Voor Keynes is dit een perfect gezond schema, dat verstoord wordt door geld op te potten of ermee te speculeren.

Voor ons is het deze werking die, binnen een kapitalistisch kader, fundamenteel verkeerd is. Waarom? Omdat de productie wordt geleid door kapitalisten die terzelfder tijd hun winst willen opdrijven en kapitaal accumuleren om in de toekomst nog meer winst te maken.

Daaruit volgt dat de bedrijfsleiders voortdurend het aandeel van de winst in de inkomens moeten verhogen ten nadele van de lonen. Dat is het onderwerp van een felle strijd (de klassenstrijd). Zij bereiken niet altijd hun doel maar het is wel degelijk hun doel. Bovendien zullen ze bij stijgende winst (of zelfs zonder stijging) de neiging hebben het aandeel dat zij willen besteden aan investeringen, te verhogen, want zo kan de onderneming groeien en machtig worden. Doen ze dat niet, dan zal de concurrentie er hen wel toe verplichten.

Wat gebeurt er? Laten we even een cijfervoorbeeld nemen. De productie bedraagt 100, te verdelen in 60 voor de lonen en 40 voor de winsten. Van die winsten gaat 20 naar de consumptie van de kapitalisten, dus blijft er 20 over voor investeringen. Zo is de situatie grosso modo op een gegeven ogenblik in een stabiele economie. De consumptiegoederen worden verkocht aan 80 en de productiegoederen aan 20. Maar de 20 investeringen doen de productie toenemen, bijvoorbeeld tot 140. De ondernemers zullen zich een belangrijker deel toe-eigenen, bijvoorbeeld 63, de rest gaat naar de lonen, namelijk 77. De 60 % voor de werknemers en 40 % voor het patronaat veranderen in respectievelijk 55 % en 45 %, zonder dat het inkomen van de werknemers daalt. Integendeel, nu verdienen zij globaal 77 in plaats van 60. De ondernemingsleiders beslissen hun consumptie lichtjes te verhogen tot 23 en 40 te reserveren voor investeringen. Zo stijgt de massa geld, bestemd voor de consumptie, naar 100 (77 + 23).

Wat kunnen de ondernemingen voorstellen? Heel wat meer. Waarom? Hierom: als in de oorspronkelijke situatie de productiegoederen van 20 een stijging van 80 in consumptiegoederen kunnen opleveren en de productiegoederen stijgen tot 40, dan moeten de consumptiegoederen uiteindelijk 160 bereiken. Dat is heel wat meer dan de bevolking kan kopen. Dat heet overproductie.

De cijfers zijn slechts illustratief. Ze leggen alleen een voortdurend terugkerend mechanisme bloot. Enerzijds treden de krachten op de voorgrond die de productie willen opdrijven met het oog op steeds grotere winst voor de ondernemingen, grotere opbrengst voor de aandeelhouders, hogere premies voor de bedrijfsleiders. Maar anderzijds lokken die krachten gelijktijdig een relatieve daling uit van de middelen voor consumptie en dat in twee tijden: eerst door de lonen (die dienen voor de consumptie) samen te drukken en ook – en dat wordt vaak vergeten – door de inkrimping van de relatieve bedragen die de kapitalisten besteden aan consumeren. Het geheel van de middelen, bestemd voor consumptie, wordt ingekrompen, terwijl de productiecapaciteit voortdurend wordt opgedreven. Noodzakelijkerwijs ontstaat er een grote kloof: de overproductie.

Het is mogelijk dat de kapitalisten geld gaan oppotten of ermee gaan speculeren, dat het geld van de financiële markten dus niet opnieuw in het economische circuit wordt gepompt. Dat zal het systeem nog meer in de problemen brengen. Maar fundamenteel moeten we in het hart van het systeem en in zijn werking de crisis zoeken, zoals Marx in zijn tijd heeft geanalyseerd.

3. De marginale tendens van de staat om schulden te maken

De analyse van Keynes is in hoofdzaak gebaseerd op kortetermijnbeslommeringen. Om een oordeel te vellen over de invloed van de privé-investeringen en de noodzaak van staatstussenkomst vertrekt hij wel degelijk van de economische cyclus. De aanhoudende recessie is volgens hem een ongelukkige uitschuiver, te wijten aan excessen van het kapitalisme, maar gemakkelijk te counteren met een anticyclisch beleid. De staat vangt dan tijdelijk de ontbrekende investeringen op. Zo kan men uit de impasse geraken en de economie weer op gang trekken. Dat is het standpunt van Keynes.

Alleen: als het abces te groot is en niet op korte termijn kan worden genezen, en als het niet een kwestie is van een tijdelijk tekort aan investeringen, dan moet de staat putten uit almaar kleiner wordende bronnen (door de crisis dalen immers de inkomens). De staat gaat schulden aan, veroorzaakt een begrotingstekort en de staatsschuld loopt. Dat zien we trouwens bij elke grote crisis gebeuren.

Al in de jaren dertig was dat het gevolg van de maatregelen van de verschillende regeringen in de VS, eerst die van Hoover, die helemaal niet afkerig stond tegenover staatstussenkomst, en daarna die van Roosevelt. In de grafiek 2 zie je de stijging van de staatsuitgaven in vergelijking met het bnp (bruto nationaal product10) tussen 1920 en 1940.

Grafiek 2. Evolutie van de staatsuitgaven in vergelijking met het bruto nationaal product 1920-1940 (in %)

Bron: Office of Management and Budget, Historical Tables, Table 1.1. Summary of Receipts, Outlays, and Surpluses or Deficits (-): 1789–2015: http://www.whitehouse.gov/sites/default/files/omb/budget/fy2011/assets/hist01z1.xls.

De oorlogseconomie van de periode 1914-18 moest weer op de sporen gezet worden. In 1920 is er al een eerste crisis, waarna de regeringsuitgaven weer dalen naar het niveau van 3 % van het bnp. De eerste maatregelen van president Hoover brengen het aandeel op 8 % en de New Deal op ongeveer 10 %. In vergelijking met de huidige situatie (45 % van het bbp voor het begin van de subprime-crisis) is dat weinig. Niettemin verdriedubbelt het bedrag in verhouding tot het bnp en ook in absolute waarde (het bnp van 1940 was nagenoeg hetzelfde van dat van 1929).

Bijgevolg stijgt de openbare schuldenlast. Dat kunnen we aflezen uit grafiek 3. We vergelijken de staatsschuld met het bnp.

Grafiek 3. Evolutie van de verhouding van de staatsschuld tot het bruto nationaal product in de VS 1916-1940 (in %)

Bron: US Department of Commerce, Historical Statistics of the United States, Colonial Times to 1970, Gross National Product, Total and Per Capita, in Current and 1958 Prices: 1869 to 1970 (http://www2.census.gov/prod2/statcomp/documents/CT1970p1-07.pdf) en Net Public and Private Debt by Major Sectors 1916-1970, p.989 (http://www2.census.gov/prod2/statcomp/documents/CT1970p2-11.pdf).

De staatsschuld, die in de jaren twintig een dalende tendens vertoonde, stijgt tussen 1929 en 1933 duizelingwekkend. In werkelijkheid werken hier twee verschijnselen samen: enerzijds daalt het bnp tussen die twee data met de helft; anderzijds stijgt de staatsschuld met een derde. Tussen 1929 en 1940 zal de staatsschuld in absolute waarde verdubbelen.

Wat zou er normaal gebeurd zijn? Dat zullen we nooit exact weten. Het merendeel van de economisten geven toe dat de VS zich uit deze situatie heeft kunnen losmaken dankzij de Tweede Wereldoorlog.

In de jaren zeventig duiken de problemen nochtans weer op. Vanaf 1973 stagneert de productie met momenten. De regeringen hebben de neiging naar Keynesiaanse technieken te grijpen: een relancebeleid dat uitgaat van de overheid. Het is onbetwistbaar dat dit beleid de sociale en economische gevolgen van de nakende crisis verzacht. Maar al snel ontsporen de uitgaven. Grafiek 4 toont de groei van de staatsschuld in vergelijking met het bbp van Europa en de VS.

Grafiek 4. Evolutie van de verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product van Europa en de VS 1970-2009 (in %)

Bron: Berekeningen op basis van AMECO, gegevensbasis van de European Commission, Economic and Financial Affairs:
http://ec.europa.eu/economy_finance/ameco/user/serie/SelectSerie.cfm?CFID=1693359&CFTOKEN=6fcc0067b30521b7-80FBBD00-BC80-3030-39CC1124EEBD668B&jsessionid=24065e99f26533524e7f.

Opmerking. Het gaat hier over de Europese Unie, bestaande uit vijftien landen: Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zweden. Voor de periode tussen 1970 en 1976 ontbreken de gegevens van Frankrijk, Nederland en Portugal.

De Europese overheidsschuld stijgt vanaf 1977 bijna continu en hetzelfde geldt voor de VS vanaf 1979, en dit ondanks Thatcher en Reagan. Dat duurt tot aan het begin van de jaren negentig. Dan vertoeft Clinton in het Witte Huis en wordt in Europa het stabiliteits- en groeipact (of het akkoord van Maastricht van 1991) gesloten, dat de staatsschuld wil beperken tot 60 % van het bbp. Maar de nieuwe crisis vanaf 2007 doet de overheidsschuld van de verschillende landen weer duizelingwekkend toenemen.

De keynesianen kunnen opwerpen dat de regeringsprogramma’s hun doel missen. Ongetwijfeld is dat waar, vooral in de huidige periode. Maar het verhindert niet dat de keynesiaanse maatregelen tijdens een recessie onmiddellijk invloed hebben op de overheidsuitgaven en dus op de overheidsschuld, terwijl de gevolgen voor de economische activiteit volslagen onzeker zijn. Ze mikken immers enkel op de relance van de economie en zoeken niet naar oplossingen voor de fundamentele problemen van de maatschappij. Je kunt het vergelijken met het toedienen van een verdovend middel aan een zieke met de belofte dat hij er zo wel bovenop komt.

Maar zoals bij elk dopingproduct zijn er ook ongewenste neveneffecten. De overheidsschuld komt neer op geldschepping: er komen geldmiddelen op de markt die voorheen niet bestonden. Echter, voor een gegeven productie (of een productie die in tijden van recessie maar weinig stijgt), vertaalt meer geldcirculatie zich in prijsstijgingen, dat wil zeggen in inflatie. En dat is inderdaad wat er in de jaren zeventig is gebeurd. Terzelfdertijd absorbeert de vraag naar kapitaal van de overheid (wat betekent dat ze schulden maakt) een deel van dat kapitaal ten koste van de ondernemingen die er nood aan hebben. Op de markt stijgt echter de prijs wanneer de vraag groter is dan het aanbod. En hier is dat de interestvoet. De kapitalisten hebben dus heel wat redenen om te morren.

In 1979 zijn het de Amerikaanse banken die de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, en de nieuwe voorzitter Paul Volcker zullen vragen de inflatie te beteugelen. Hij zal de interestvoeten zo sterk optrekken dat hij een zware recessie uitlokt in het begin van de jaren tachtig. Dat remt de stijging van de prijzen af, maar wel ten koste van de werknemers die of hun baan verliezen of hun lonen zien bevriezen. Vandaag zijn het de financiële instellingen die de staatsschuld aangrijpen om een land lager te quoteren. Uit vrees dat het land in kwestie zijn schulden niet zal kunnen aflossen, dwingen ze het te lenen tegen peperdure rentetarieven.

Het keynesiaanse beleid kan dus op korte termijn de economie weer op gang trekken. Maar als dit beleid langer moet duren, gaat het van kwaad naar erger, omdat het de problemen niet bij de wortels aanpakt. Zo hebben de VS in de jaren tachtig door meer staatsuitgaven en dus een stijging van de staatsschuld een uitweg gevonden voor de zwakke vraag en de stagnatie van het inkomen van de meerderheid van de bevolking. De consumptie steeg en trok de productiemachine weer op gang. Dat is wat Keynes in 1931 ook voorstelde.

Maar de kredietverlening aan de gezinnen heeft zulke afmetingen aangenomen dat ze oncontroleerbaar is geworden. Het gaat om ongeveer 100 % van het bbp van de VS. Met andere woorden: de inwoners hebben het bbp van volgend jaar al opgesoupeerd. Dat is onhoudbaar en de banken eisen nu de aflossing van de leningen. En dus worden mensen massaal uit hun huizen gezet, neemt de armoede overhand toe en draait de economie op halve kracht. De Amerikaanse regering heeft wat tijd gewonnen. Maar tegen welke prijs? De crisis zal onvermijdelijk en oneindig krachtiger opnieuw toeslaan.

4. Na de verlichte despoten bekommeren nu ook de kapitalisten zich om het algemeen belang

Keynes had nog een laatste troef achter de hand: de morele verantwoording van het kapitalisme. Hij groeide op in een intellectueel en kritisch milieu en integreerde het algemeen belang in zijn werk. Je kan het hem moeilijk verwijten. Hij heeft het over begrippen als eerlijkheid, integriteit, plicht enzovoort. Dat is ontegensprekelijk beter dan andere auteurs die de roofzucht van de kapitalisten de hemel in prijzen.

Maar zijn idee van algemeen belang blijft natuurlijk een kapitalistische idee. Het kapitalisme moet dus in normale omstandigheden kunnen functioneren: nastreven van zijn persoonlijk belang dient te gebeuren in “harmonie” met de zoektocht van de anderen; met winst als motief maar zonder misprijzen voor de situatie van zijn werknemers en zijn concurrenten. Zo schrijft hij in 1923: “De economische doctrine van de normale winst, een doctrine die zowat iedereen vaagweg begrijpt, is onmisbaar voor de rechtvaardiging van het kapitalisme. De zakenman kan maar aanvaard worden zolang zijn gewin min of meer in verhouding staat tot het nut van zijn activiteiten voor de maatschappij.”11

En zo komt hij, volgens de analyse van veel hedendaagse keynesianen, tot twee categorieën kapitalisten: de goeden en de slechten. De goede kapitalisten zijn zij die investeren, de industriëlen, die erover waken dat ze handelen binnen de wet en die eventueel een ethische code naleven. De slechten zijn de speculanten, de gulzige patroons, die voor niets terugschrikken als ze maar winst kunnen maken, die de wetten, de anderen, de moraal aan hun laars lappen. De eerste categorie moet dus bevoordeeld worden. De staat, die zelf samengesteld is uit integere mannen, die bewogen worden door het algemeen belang, moet die rol op zich nemen. Of in termen die Keynes zelf niet hanteerde, maar anderen wel: het industriële kapitalisme bevoordelen ten nadele van het financiële kapitalisme. Zo zou de blijvende groei kunnen worden verzekerd.

Eens te meer kunnen we de juistheid van deze analyse in twijfel trekken. Ten eerste is de kwestie van de moraliteit vaak het privilege van een stevig gevestigd establishment. Inderdaad, aan de top is het gemakkelijk om vrijgevig te zijn. Het is zelfs een wijze strategie want zo kun je aan klantenbinding doen, klanten die bij een of andere gelegenheid van nut kunnen zijn (wanneer je macht betwist wordt, bijvoorbeeld). Maar voor zij die de sociale ladder willen beklimmen, is het van levensbelang hun scrupules en eventuele ethische bezwaren te laten varen, en misschien moeten ze wel over lijken gaan om er te geraken.

Het zijn dus vooral de omstandigheden en de socio-economische positie die de al dan niet positieve werking bepalen en niet de persoonlijke ideeën (ook al kunnen die een invloed hebben). Het kapitalisme is echter in de eerste plaats een systeem dat gevestigd is op het recht van de sterkste, zoals ook de vroegere slavenmaatschappij, het feodalisme en andere klassenmaatschappijen. De macht ligt, in dit geval, niet in de individuele kracht, de goede naam van de familie of de uitgestalde rijkdom, maar in het vermogen om geld (of kapitaal) te accumuleren. Een dergelijk regime kan uiteraard niet moreel, ethisch en vrijgevig zijn.

Van “normaal” is geen sprake. “Aanvaardbare” winst bestaat niet. Hij die het meest accumuleert, spelt de wet, ongeacht de manier waarop hij zijn rijkdom heeft verzameld (behalve als een concurrent het juridisch apparaat inschakelt om de wettelijkheid ervan te betwisten). Als de regel geldt dat vaste banen moeten plaats ruimen voor onzekere jobs, dat er vooral met onderaanneming wordt gewerkt, dat er moet gedelokaliseerd worden naar Mexico, Oost-Europa of Oost-Azië, dan kunnen de kapitalisten die zich daar niet bij neerleggen maar beter op hun tellen passen! Als beleggingen op de beurs meer opbrengen dan investeringen in de industrie, dan mogen de ondernemingen zonder financiële directeur die het bedrijf laat meeprofiteren van dit hemelse manna, het wel vergeten!

De keynesianen kunnen al deze feiten en de meedogenloze vraatzucht van het kapitalisme erkennen. Zij roepen precies de overheid op om er op toe te zien dat de roofzucht de wereld niet gaat beheersen en om haar aan banden te leggen. Uit deze situatie kan je niet ontsnappen als de bankier moet waken over de financiële instellingen. De politieke leiders komen uit dezelfde broedmachine als de kapitalisten. Ze zijn op dezelfde manier opgevoed. Ze hebben dezelfde ideologie en vandaag zitten ze in dezelfde denktanks12, waar de grote oriëntaties voor de maatschappij van morgen bediscussieerd en zelfs vastgelegd worden. Net zoals Keynes in zijn tijd lid was van talrijke privéclubs, waar de high society of de meest invloedrijke leden van de elite bijeenkwamen. Bovendien stappen veel regeringsleiders na hun loopbaan “in dienst van de staat” over naar de raad van bestuur van een of andere grote onderneming.

Uiteindelijk is het gemakkelijk om de slechte kapitalisten, de haaien, verantwoordelijk te stellen voor de crises. Maar de keynesianen noemen de schuldigen niet bij naam. Zij zijn eerder van mening dat het om een systeem gaat. Ongebreidelde speculatie ontketende in de jaren twintig de krach van 1929. Waanzinnige leningen voor vastgoed hebben geleid tot de subprime-crisis in 2008.

Dit soort interpretatie laat niet toe te verklaren waarom dat dan alle productieactiviteit stilvalt? Als het enkel een beursfenomeen was, zou het volstaan de financiële instellingen te sluiten en de ondernemingen te laten financieren door openbare banken. Als het alleen om een vastgoedcatastrofe ging, zou het moeten mogelijk zijn die leningen te beperken om te verhinderen dat heel de economie aangetast wordt. Ongetwijfeld zouden zulke maatregelen botsen met particuliere belangen. Maar het gaat om het algemeen belang van het kapitalisme…

Hier wordt duidelijk dat we van perspectief moeten veranderen, het moeten omkeren. De financiering, de speculatie zijn geen uitwassen van een “normaal” kapitalisme. Zij beantwoorden aan de noden en behoeften van het kapitalistisch systeem op een gegeven ogenblik. Vandaag zien we dat de VS al sinds het begin van de jaren tachtig het krediet heeft gestimuleerd en dat die schulden van de gezinnen een heel financieel mechanisme hebben tot stand gebracht dat al maar ingewikkelder werd maar onontbeerlijk was om het land te voorzien van het nodige kapitaal en de nodige liquiditeiten. Anders zouden de Amerikanen veel minder geconsumeerd hebben. Bijgevolg zou de vraag zwak en vanaf dat moment zelfs negatief geweest zijn.

Het is juist dat de crisis uitbarst in de sector waar het meest wordt gespeculeerd. Dat kan niet anders, daar zijn immers ook de risico’s het grootst. Maar de recessie heeft een weerslag op de andere sectoren omdat de speculatie een welbepaalde functie had in het systeem, namelijk de gezinnen leningen verschaffen om te consumeren. Wanneer de luchtbel dan uiteenspat, worden niet alleen de financies van enkele ongelukkige investeerders aangetast. Een heel mechanisme en bijgevolg heel de werking van het hedendaagse kapitalisme komen in een neerwaartse spiraal terecht. De inzet is het geheel van het systeem en niet zomaar een paar excessen, ook al zijn die er natuurlijk.

Dat brengt ons terug bij ons schema 2. Als de crisis wel degelijk wordt uitgelokt door de twee genoemde tendensen, namelijk die van de relatieve groei van de winsten in vergelijking met de lonen en die van de voorkeur voor investeren in plaats van consumeren, dan botsen we meteen ook op de beperkingen van een gecontroleerd en beteugeld kapitalisme, van een kapitalisme dat ontdaan is van zijn excentrieke uitwassen. Is het mogelijk om in te grijpen in de natuurlijke neigingen van het kapitalisme? Dat kunnen we heel sterk in twijfel trekken.

De eerste tendens is verbonden met de klassenstrijd. Die is onder het kapitalisme vaak in het voordeel van de patroons. Om hun doel te bereiken beschikken zij over meer middelen, onder andere het staatsapparaat (de regering, het gerecht, de politie, het leger…). Niettemin kunnen de werknemers in bepaalde omstandigheden overwinningen behalen, zelfs belangrijke overwinningen.

Kijk maar naar wat er gebeurde na de Tweede Wereldoorlog. In veel landen moest de burgerij een zeer progressief systeem van sociale zekerheid aanvaarden alsook doorgedreven mechanismen voor progressieve belastingheffing, de nationalisering van heel wat ondernemingen en een nooit geziene planning van de economie. Daardoor bleef de verdeling van het inkomen tussen werknemers en kapitalisten tamelijk lang stabiel, wat ongetwijfeld voor de belangrijkste groei ooit heeft gezorgd in het merendeel van de landen, in Europa, Azië en Amerika.

Die ervaring toont aan dat het dus mogelijk is dit aspect van het kapitalisme in zekere mate te bedwingen, maar alleen in uitzonderlijke omstandigheden. Zodra echter de krachtsverhouding omslaat in het voordeel van het patronaat, zoals op het einde van de jaren zeventig, zien we dat dit wankele compromis onmiddellijk begint over te hellen en dat de ongelijkheid weer de overhand krijgt.

Het is echter uiterst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, de tweede tendens te beteugelen, namelijk de neiging om onophoudelijk te investeren en dus de productiekrachten op te drijven tot een niveau dat in grote mate de koopkracht van de bevolking overschrijdt. Zo schrijft een journalist van Trends-Tendances hoe elke constructeur in de automobielindustrie zijn marktaandeel wil vergroten en daarvoor zijn productie aanpast: “Tegenwoordig is het voldoende alle bestaande capaciteit samen te tellen om er zich rekenschap van te geven dat de markt tot 115 of 120 % van zijn huidige omvang zou moeten groeien om iedereen te bevredigen.” Hij vraagt aan de toenmalige voorzitter van Ford Belgium, Allain Batty, hoe hij daaraan het hoofd zal bieden. Deze antwoordt: “Je kunt dit probleem van overcapaciteit ook op een andere manier aanpakken. Op het niveau van de wereldwijde capaciteit kun je deze berekening maken en zeggen dat tien fabrieken hun deuren zouden moeten sluiten. Maar tien fabrieken, dat is de omvang van een grote autoconstructeur! Zo zal het niet gaan. Het begrip van overcapaciteit is niet noodlottig. De toekomst zal het uitwijzen en vooral de klanten zullen het laten weten door te kopen wat zij het beste vinden. Als jij een product hebt dat aanslaat, en dat is de echte uitdaging, dan praat je niet meer over overcapaciteit en kun je zelfs een stijging van de productie overwegen.”13

Interessant toch hoe een patroon de macro-economische vraag over het bestaan van wereldwijde overcapaciteit omvormt tot een individuele uitdaging om nog meer te produceren! Dat is de kern van de rechtvaardiging van de kapitalistische anarchie: de productie is maar gerechtvaardigd door de individuele jacht (per onderneming) naar winst, ongeacht de gevolgen voor de maatschappij, zoals: overproductie met in haar kielzog recessie en werkloosheid. Dit is wat niet gecontroleerd, gereguleerd, beteugeld kan worden en juist daarom zijn crisissen onvermijdelijk en komen ze onder het kapitalisme periodiek terug.

5. Conclusies

John Maynard Keynes heeft ontegensprekelijk zijn verdienste. Zijn analyse is een van de scherpste en beste op het terrein van de economische theorie. Als je binnen het kader van het huidige kapitalisme nood hebt aan een programma voor onmiddellijke relance, dan vind je in zijn werk tal van doeltreffende en vaak ook gerechtvaardigde oplossingen. Zijn werk is een inspiratiebron maar is ook vatbaar voor kritiek, want het is ook niet meer dan dat. Wil je dieper graven, op zoek gaan naar de oorsprong en de oorzaken van de crisis en de zieke genezen, dan bots je op de grenzen het keynesianisme. En wij denken dat we in deze crisis, net zoals in de crisis van de jaren dertig, toch die richting uit moeten.

De enige uitweg uit de huidige recessie ligt in het komaf maken met dit systeem en een nieuwe maatschappij opbouwen op basis van gelijkheid en solidariteit, waar de economie bestuurd wordt door een staat die met een relatief centraal plan de belangen van de meerderheid van de bevolking, de werknemers, garandeert. Met andere woorden: het socialisme. Als de mensheid deze weg niet inslaat, zullen er alleen halve maatregelen worden genomen, oplossingen die tijdelijk de meest dramatische gevolgen van de recessie kunnen verzachten maar die riskeren de zaken nog te verergeren. Zoals vandaag gebeurt met het competitiviteitsbeleid; het biedt de voorstanders de kans er nog beter uit te komen maar dat gaat dan ten koste van de anderen. Dit kan enkel de spanning, de tegenstellingen en de mogelijkheden van een conflict verder aanscherpen.

Socialisme of barbarij! Keynes probeert zonder het socialisme de chaos te vermijden. Maar alles wijst erop dat zijn theorie, hoewel gesofistikeerder dan die van de liberale stroming, zijn verwachtingen niet kan inlossen. Zelfs met Keynes aan het roer stevent het kapitalisme af op chaos en oorlog.

Henri Houben, is doctor in de economie en onderzoeker bij GRESEA en het Instituut voor Marxistische Studies. Hij legt zich in het bijzonder toe op de studie van de multinationals, de Europese tewerkstellingsstrategieën en de economische crisis.

-----------------------------------------------
 

1 W.I. Lenin, “Referaat over de internationale toestand en de voornaamste taken van de Communistische Internationale”, 19 juli 1920, Keuze uit zijn werken, deel 3, p. 411 en volgende.

2 John Maynard Keynes, La pauvreté dans l’abondance, éditions Gallimard, Paris, 2002, p.18. (Eigen vertaling)

3 De nationale boekhouding heeft simpelweg twee elementen toegevoegd: de regeringsuitgaven (G van Government) en de handelsbalans (als X staat voor de uitvoer en M voor de invoer, dan is de handelsbalans het verschil X-M). Het bruto binnenlands product (bbp, nog altijd Y) wordt dan als volgt opgedeeld: Y = C + I + G + (X - M).

4 Wij hebben een samenvatting gemaakt van zijn programma. Keynes heeft het zelf niet op die manier geformuleerd.

5 John Maynard Keynes, Théorie générale de l’emploi, de l’intérêt et de la monnaie, Payot, Parijs, 1979, p. 171. (Eigen vertaling)

6 Hij maakt geen globaal negatieve beoordeling van de Sovjet-Unie.

7 John Maynard Keynes, La pauvreté dans l’abondance, op. cit., p. 39. (Eigen vertaling)

8 We konden niet de hand leggen op meer gedetailleerde gegevens van de vaste activa.

9 Vastgoedleningen voor gezinnen die niet in staat waren ze af te lossen.

10 Er bestaan maar berekeningen van het bruto nationaal product (bnp) vanaf 1929. Het verschil tussen bnp en bbp zit in de details. Het bruto binnenlands product (bbp) schat de rijkdom aan goederen en geld van een bepaald land (de VS); het bnp schat de rijkdom van de inwoners van een land (de Amerikanen). Zo zal de winst van een buitenlands filiaal die naar het land van herkomst terugvloeit, meegerekend worden in het bbp van het land waar het filiaal zich bevindt, maar in het bnp van het land van het moederbedrijf.

11 John Maynard Keynes, Essais sur la monnaie et l’économie, éditions Payot, Parijs, 1972, p. 28. (Eigen vertaling)

12 Een denktank is een min of meer informele verzameling van mensen, vaak besluitnemers, die debatteren over gemeenschappelijke problemen. Voorbeelden zijn de Trilaterale commissie, de Bilderberggroep, het forum van Davos.

13Trends-Tendances, 6 mei 1993, p. 22. (Eigen vertaling)

Vond u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Klik hier om DeWereldMorgen.be te steunen via overschrijving.

Reageer (Spelregels)

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.

Reacties

vragen

Dank u voor het zeer interessante werkstuk.

Ik heb een aantal vragen:

1: U schrijft op het einde over uw ideale staat: 'waar de economie bestuurd wordt door een staat die met een relatief centraal plan de belangen van de meerderheid van de bevolking, de werknemers, garandeert'.
Vindt u dat China dit soort staat is, ze heeft een sterke mate van centrale planning?

2: Als de centrale planners in uw ideale staat op een bepaald moment minder oog hebben voor het geluk van iedereen, wat moet er dan gebeuren?
Mogen de centrale planners op democratische manier opzijgezet worden voor eventueel andere? Die eventueel de structuur van de economie veranderen?

Een derde verklaring

Het is nogal kort door de bocht om te stellen dat er vandaag "slechts twee overtuigende verklaringen" voor de crisis zijn: die van Keynes en het marxisme... Er is een derde, en die gaat uit van het feit dat IEDERE KRISIS gepaard ging met geldkontrakties door de centrale bank. Wie nog iets dieper graaft en begrijpt dat de Europese centrale banken door de Rothschilds werden gekontroleerd en de Fed door de Rockefellers werd opgericht en een privé-kartel is van de grootste privé-banken uit de VS, in tegenstelling tot de naïeve veronderstelling van de meeste mensen dat de centrale banken overheidsbedrijven zijn, dan is het veel eenvoudiger om alle krisissen uit de afgelopen twee eeuwen te begrijpen. Niet onbelangrijk is op te merken dat uit iedere krisis de banken groter worden (nu zijn ze zelfs TBTF), en dat er ook telkens opnieuw overnames gebeuren door grote bedrijven van de kleinere, die minder toegang hebben tot krediet. Iedere krisis is een stap verder in de totale monopolisering van de ekonomie.

Waarin Marx en Keynes fout zijn is dat ze veronderstellen dat het kapitalisme een "eerlijk spel" is, een "vrije markt". Die bestaat alleen voor ons, de kleine bedrijven en de werknemers. De grote multinationals zijn zodanig verweven met elkaar dat ze funktioneren als een grote moloch. In plaats van het vrije-markt-kapitalisme dat ons beloofd werd (en waar ik niets op tegen heb) zitten we in een systeem van een monopoliekapitalisme, waarin zelfs de politieke agenda (met inbegrip van alle oorlogen) voorgeschreven worden door deze grote multinationals.

Leestips : The creature of Jekyll Island van Edward Griffin en Vile Acts of Evil, Volume I, van Michael Kirchubel.

@ Guy

Marx heeft nooit beweerd dat "de vrije markt een eerlijk spel" zou zijn.
"Eerlijk" is trouwens een subjectief woord. Dat ligt voor bepaalde groepen mensen anders, afhankelijk van hun positie in de maatschappij en hun waarden die ze uitdragen. Easy to understand, right?
Marx heeft gewoon de systematiek uitgelegd. Hoe werkt kapitalisme? Hoe werkt de vrije markt? Wat zijn gevolgen, welke contradicties...etc
De werking ervan is iets waarin unanimiteit is zowel voor neoliberalen als voor marxisten. Immers kapitalisten bedienen zich zich van deze systematiek :) Het principe van winsmaximalisatie en meerwaarde als bron voor winst is een pijler.
De gevolgen en contradicties zijn wel zonneklaar door Marx en Engels beschreven, maar worden door neoliberalen als verboden kennis en halstarrig genegeerd. En er zijn dus decenia lang alternatieve verklaringen ontwikkeld die drijven op los zand, de één al wat obscuurder als de ander... om toch maar mensen te blijven strikken om het te aanvaarden. Om de contradicties niet te zien en zeker de economische systematiek niet in vraag te stellen.
Hop, weder om springen over de volgende crisis, met als springbok een nieuwe herverdelingsschok van arm naar rijk, met de staat als middel... Maar wie moet dan uiteindelijk de zonnebok zijn voor de publieke opnie?
Eenvoudig: de werkloze, de buitenlander, de Franstalige, de Moslim, de Jood, de oudere, de jongere, de klein-zelfstandige , enfin "de zondebok"... maar tevens en telken naast de kern, bliksemafleider van formaat en reeds gekend in de geschiedenis desastreuze gevolgen in termen van rascisme, fascisme, religieuze oorlogen, etnische conflicten en zuiveringen...
En dubbel cash voor de kapitalisten (=samenvattende term hé!, of moet hier nog een voetnoot zo lang als 'den Dikke Van Daele' bij?) :
1) zij worden niet geviseerd (danku staatsapparaat en media van de tijd)
2) ze leveren de oorlogseconomie die de gezaaide haat verder kan voeden (heel mooi voorbeeld in WO1 en WO2)
Zolang dat mensen dat bewustzijn niet hebben, dat nog niet inzien, gaan ze blijven gerold worden (elke verkiezing opnieuw)

En ingaand op de eigenheid van "een vrij markt lkapitalisme". Dit is eigenlijk de grootse grap van de eeuw (en al lang daarvoor) want eigenlijk een contradictio in terminis. Een vrije markt kapitalisme is kort samengevat de macht van de sterkste. De grotere eet de kleinere op en dit doormiddel van kapitaalkracht (ik ga nu niet heel die systematiek uit de doeken doen hé... ik veronderstel wel al gekend... en ook niet 1000 jaar liggen neuten over de uitzonderingskes en kommagetallen, die absoluut margediscussies zijn, al dan niet bedoeld om "niet te willen zien")
Je komt gewoon onvermijdelijk in deze systematiek tot monopolies die steeds grotere proporties aannemen en sector overschrijdend gaan... Enfin ook hier kan je zelf wel voorbeelden van bedenken die tekend genoeg zijn in omvang en impact (gewoon de kapitaalkracht en jaaromzet is al een goed begin om te begrijpen wie echt baas is hé...)
Vrije markt kapitalisme puur 'sang', is kort gezegd de vrijheid, de totale vrijheid om je eigen vrijheid uit te breiden en die van een ander af te bouwen. De vrijheid om alles maar dan ook alles te domineren, puur door de systeemregels (vastgelegd in talloze wetgevingen natuurlijk).... Zo helder en klaar...
Zo is straatarme in zulke filosofie even vrij, om elke dag water te bedelen, lucht te happen, maar ook om te sterven... Dat is de laatste vrijheid die de armsten overhouden. Want indien ook het water en de staanplats en de lucht "geprivatiseerd worden" heb je ook de vrijheid niet meer om deze ongebreideld te verbruiken...
Hoe scheef is zulk systeem? Daar moet je geen seconde over nadenken.

Marx heeft ook tevens heel goed uitgelegd wat het probleem is met pogingen om vrije markt te reguleren.
Heel technisch, heel logisch, heel wetenschappelijk (heel verboden kennis/taboe - en zeker in de economische hoge scholen door gans Vlaanderen)... Na de studie komt het als ik het vergelijk neer op het T-Virus uit die "Resident Evil" films... Ook een poging tot regulering van "het kwaad"... opnieuw en opnieuw en opnieuw.

Enfin, veel geluk nog met het herlezen van Marx vooraleer dingen in zijn mond te leggen. Eerst lezen, begrijpen en dan pas kritiek, niet andersom.

@svdl

In de eerste plaats mijn exkuses voor een zin die ik misschien slecht verwoord heb. Ik probeer het nog eens: VOOR MIJ is de vrije markt eerlijk, ja (onder bepaalde voorwaarden die zouden moeten afgesproken worden in een maatschappelijk debat - nadat de mensen EINDELIJK bewust worden van de onwenselijkheid van MNO's en banken TBTF - waarbij bvb. het kapitaal of het aantal werknemers van bedrijven beperkt wordt). Ik weet ook best dat Marx nooit gezegd heeft dat de vrije markt een eerlijk system is, wel dat Marx het kapitalisme analyseert als een “vrije markt”, en DAT is het centrale punt in mijn betoog : dat klopt bij nadere analyse helemaal niet.

U stelt dat de overgang van een vrije markt naar een monopoliekapitalisme “onvermijdelijk” is “omwille van de werking van de vrije markt”. Dat heb ik ook lang GELOOFD, tot ik mij wat meer verdiepte in de ekonomie en met mijn neus op de feiten werd gedrukt. Het werkt omgekeerd : monopolies worden verstrekt door de overheid, en niet van de minste : olie-boringen, mijnwinningen, centrale banken, etc. Superkapitalisten (archetypevoorbeelden : Rothschild en Rockefeller) BEGINNEN hun aktiviteiten met een monopolie, dat ze via hun “goede relaties” afdwingen en indien nodig met grove middelen verwerven. Deze ruimte is te kort om daar dieper over in te gaan (daar ben ik een boek over aan het schrijven), maar mocht u geïnteresseerd zijn en dit met een open blik willen lezen stuur ik u het manuscript graag op. Konstruktieve kritiek is welkom, maar u trekt nogal hard van stapel, vind ik : “Eerst lezen, begrijpen en dan pas kritiek, niet andersom”... (Bent u een lesgever of zo ?)

Persoonlijk heb ik mijn denkbeelden al tientallen keren bijgesteld, maar ik merk dat de meerderheid van de mensen het daar bijzonder moeilijk mee hebben. Sommigen blijven dwepen met "Das Capital" alsof het de Bijbel van het kapitalisme zou zijn. Daar ben ik het helemaal niet mee eens. Ik heb – als niet-ekonomist en gewoon uit interesse – de drie volumes van Das Capital gelezen. Daarin vond ik naast interessante dingen ook andere zaken waar ik op het moment van het lezen zelf of achteraf niet (langer) mee akkoord ging. Dat noemt men kritisch lezen en denken. Mag dat ?

U gaat bovendien niet echt in op mijn argumenten, in het bijzonder dat iedere krisis gepaard ging met geldkontrakties door de centrale bank (of een cartel van privé-banken). Hebt u daar al eens over nagedacht ? Michael Kirchubel heeft een schitterend boek geschreven waarin hij de opsomming maakt van alle recessies, depressies en “panics” van de afgelopen twee eeuwen. De korrelatie met de geldkontrakties is perfekt : 1815-21, 1832-34, 1837-44, 1857-59, 1865-67, 1873-79, 1882-85, 1896-97, 1907, 1910, 1913, 1918, 1920-21, 1923, 1929-41, 1945, 1949, 1953, 1958, 1960-61, 1969-70, 1973-75, 1980-82, 1990, 2001-2002, en 2008-2011.

@Guy, Volgens mij heeft Marx

@Guy, Volgens mij heeft Marx toch perfect beschreven dat de evolutie naar monopolistisch kapitalisme inherent is aan een de economische "Laissez faire" van de vrije markt en een logisch gevolg is van de accumulatie, concentratie en centralisatie van het kapitaal.

crisis als zaaigoed voor de volgende crisis

Geldcontracties zijn inderdaad steeds wederkerende fenomenen bij crississen. U heef trouwens mooi de belangrijkste crisissen uit de kapitalistische geschiedenis opgesomd. Deze contracties zijn wel eerder een gevolg, een reactie van het systeem op de crisis die telkens opnieuw wordt veroorzaakt door een overproductie... Deze wordt naargelang het jaartal en zijn tijdskader "opgelost" (of eerder gesproken verlegd als zaaigoed voor de volgende) door 3 in mijn beschouwing reeds gebruikte technieken:
- destructie van een deel van het productieapparaat (dit kan zijn door oorlogen (WO1 en WO2) of doormiddel van gigantische sluitingen (automobielsector))
- massale investering van overheidsgeld in de economie (keynes way) ofwel door directe donatie van overheidsgeld (de TBTF banken)
- massaal mensen op krediet laten kopen en dus de verdwenen vraag kunstmatig in leven houden (anders gezegd de overproductie verder zetten...) Zie koplopers ter wereld; de USA.

In de eerste 2 gevallen is het duidelijk dat de grote groep van de mensen verarmen, dat het aandeel van het BNP dat naar werkenden gaat kleiner wordt tov het aandeel dat naar aandeelhouders gaat. Dit in directe mate (door sluitingen, loonsverminderingen, etc...) of indirect (door de staatskas te plunderen en de bevolinken ervoor te laten opdraaien)
In het laatse geval wordt de mensen een rad voor de ogen gedraaid. Een enorme zeepbel/krdietbel wordt gecreëerd en de werkenden zijn toch de klos.... (zie de drastische verarming inde USAen de subrime/huizencrisis als één voorbeeld)

Wat "Das Capital" betreft: Lees het nog een 4de keer. 't Is een moeilijk boek, maar tevens ook ondubbelzinning, klaar, expliciet en logisch.
Het is niet "de bijbel" zoals je beweert, maar zeker het eerste deel is een handboek voor de beginnende kapitalist om te weten waar zijn winst vandaan komt, wat ermee gedaan en hoe je dmv een bedrijf kapitaal accumuleert. Het beschrijf heel technisch het woord 'uitbuiting' in wetenscghappelijke notatie: het technisch stelen van een deel van de meerwaarde geleverd door de arbeidstijd van de "werknemer". Een regel bij wet vastgelegd en als grondslag voor de mogelijkheid van het begrip "winst" en dusdanig de mogelijkheid tot kapitaalaccumulatie.
Enfin, toch nog eens heel goed doornemen. Elke grootkapitalist beseft heel heel heel goed waarover het gaat, tot in zijn diepste zelf.
Geen huichelarij op dat niveau meer. :-)

De naam 'vrije markt' is niet door Marx uitgevonden. Ik denk niet dat hij het dan deze naam zou gegeven hebben moest hij de keus hebben. Nu goed, dat zullen we nooit weten. De 'vrije markt' als begrip is een conceptuele beschrijving door de grondleggers van het kapitalisme zelf bedacht. Marx heeft deze "term" dus bestudeerd en beschreven.
Nu ja, in die zin is de absolute vrije markteconomie een vrije markt aangezien het economisch alles toelaat. Alles is te koop en wie bezit, bepaalt...bepaaltwat er gebeurt met de winst (met de georganiseerde en wettelijke diefstal van meerwarde). Dat is eigenlijk de enige en meest belangrijke regel wat een kapitalistische staat tot een kapitalistische staat maakt (inderdaad heel grondige simplificatie, maar kwestie van de kern aan te boren :-))
De absolute vrije markt is inderdaad zo vrij, dat de één de vrijheid heeft om de ander zijn vrijheid in te perken, as much as possible... Doordat alles wordt aanzien als koopwaar, ALLES, is bijgevolg het leven en alle biologische noodwendigheid van de mensn niet vrij.
In die zin is je conclusie juist dat de vrije markt niet vrij kan zijn. In die zin zeg ik dan ook dat het een contradictio in terminis is.
Een heel degoutante, perfide logica, een zwaar venijn, een gigantische leugen waarvan we allen totaal geïndoctrineerd zijn....

U begrijptt nu toch wel waarom het kapitalistische systeem telkens opnieuw in overproductie gaat hé? Waarom het niet anders kan? Waarom het de logica zelve is? U begrijpt nu toch wat er telkens opnieuw gebeurt in kapitalistische staten om crisissen tijdelij kte bezweren? Welke middelen en truucs wordern toegepast en welk deel van de bevolking afziet?
Laten we hopen,... ogen en oren openhouden.

Lening Aanbieding (Apply Now)

hallo,

Mijn naam is de heer Wesley Smith, zal ik graag te worden
uw lening Kredietgever.

Ik ben een legitieme geldschieter en een agent investeerder I
bieden op korte
of lange termijn, veilig of ongedekte leningen Business,
Persoonlijk, Thuis, Auto, Schuld
Consolidatie leningen met 5,5%. Voor meer informatie over
hoe te lenen e-mail te verwerven
me: wesleysmithfinances@gmail.com