Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Interview

Hoeveel toekomst heeft het verleden?

Het verleden is nooit weg. Met regelmaat draaien we de klok even terug en houden we grote herdenkingen. Zoals bij de viering van een halve eeuw Expo ’58 gaat het vaak om een kritiekloze herdenking, en om een herinnering aan hoe we vroeger de toekomst droomden. Een gesprek met historicus Berber Bevernage en theaterwetenschapper Frederik Le Roy.
woensdag 10 november 2010
doc

Leven we in een nostalgische tijd?

Berber Bevernage: ‘Ik vind het interessant om de hele memory boom te kaderen in wat de Franse historicus François Hartog “historiciteitsregimes” noemt. Die verwijzen naar de specifieke manier waarop een cultuur omgaat met tijd en met de temporele dimensies van verleden, heden en toekomst. Hartog zegt dat we in een soort “presentisme” leven, met een obsessie voor het heden, en een tegenwoordig verleden. Dat contrasteert met het oude regime van het traditionalisme, waarbij de relatie met het verleden er meer een was van loyaliteit. Tegenwoordig zien we de geschiedenis niet meer als grote leermeester; Historia Magistra Vitae is een lege gemeenplaats geworden. Maar het contrasteert ook met de obsessie voor de toekomst, zoals in de 19e, begin 20e eeuw. Vandaag geldt noch een traditionalistische omgang met het verleden, noch een progressieve focus op de toekomst.

Frederik Le Roy: ‘We zijn in de ban van een verleden dat zich gemakkelijk laat consumeren. Een verleden dat kritiekloos wordt opgeroepen. Ik weet niet of het een nieuw fenomeen is. Het debat over erfgoed, bijvoorbeeld, is aan het eind van de jaren 1980, begin jaren 1990, zeer intensief gevoerd, en dan vooral in Groot-Brittannië. Een boek als Heritage Industry nam het ontstaan van de vele heritage parks en erfgoedprogramma’s, van museumdorpen tot re-enactments, op de korrel. Het ging zelfs zo ver dat iemand voorstelde om een ticket booth aan Heathrow te installeren, in plaats van een douane. Die “presentistische” geheugencultuur is dus niet eenduidig. Ze lokt ook tegenreacties uit. Ook in de moderniteit waren er reacties tegen het toen heersende futuristisch tijdsregime. We moeten net op zoek naar dit soort tegenbewegingen.’

Bevernage: ‘Er bestaan op zijn minst twee grote herinneringsculturen. Enerzijds is er de nostalgische reactie uit angst voor vergankelijkheid die gepaard gaat met de hyper- en postmoderniteit, technologische vernieuwing,... De Duitse, conservatieve filosoof Herman Lübbe sprak al in de vroege jaren 1980 over “musealisering” als gevolg van het ineenkrimpen van het heden door continue verandering. Anderzijds is er de reactie op historische trauma’s. Zo wordt het historische discours in waarheidscommissies, zoals die van Zuid-Afrika of Sierra Leone, niet zozeer ingezet om een conserverende herinnering tot stand te brengen, maar vooral om de geschiedenis “af te sluiten”.’

Bestaat er een link tussen nostalgie en politiek conservatisme?

Bevernage: ‘Sommige conservatieve politieke bewegingen, zoals het radicaal Vlaams-nationalisme, proberen een geheel eigen “historiciteitsregime” te installeren door eigen feestdagen in te voeren, of door bewust voor archaïsch taalgebruik of anachronistische vestimentaire trends te kiezen, enz. De politieke inzet van noties van tijd en historiciteit is natuurlijk geen monopolie van één bepaalde politieke stroming. Tijdens de Franse revolutie waren de klokken het eerste waarop geschoten werd, zodat de tijd werd stilgezet en men de tijd tot “onze tijd” kon uitroepen. Of Chavez, die in Venezuela de klok een halfuur terugdraait en zo de tijd niet meer gelijk laat lopen met de rest van die tijdszone. Er zit altijd iets subversiefs in het creëren van je eigen tijd.’

Het feit dat we een utopisch verlangen zouden missen, wordt ook vaak als een van de oorzaken van de huidige herinneringsboom naar voren geschoven.

Le Roy: ‘Heiner Müller gebruikt daarvoor de term “herinnering aan de toekomst”: een moment waarop we niet herinnerd worden aan het verleden as such, maar aan het beeld dat het verleden van de toekomst had. Wanneer je bijvoorbeeld teruggrijpt naar de idee van revolutie, is het moment van hoop op verandering veel belangrijker dan de eigenlijke historische gebeurtenis.’

Bevernage: ‘Philips gebruikt in zijn reclamecampagne retrokeukentoestellen, recht uit een Amerikaans huisgezin van de late jaren 1950. Die toestellen moesten toen futuristisch lijken. Dat moeten ze nu nog, maar hoe verbeelden we vandaag een futuristisch ogend toestel? Door naar de toekomst van het verleden te verwijzen. Want dat is het oorspronkelijke futurisme. Films à la Blade Runner doen nog altijd futuristischer aan dan ons huidige cleane, minimalistische toekomstbeeld. Een moderne keuken en naar de maan vliegen waren toen de absolute toekomst; de oorspronkelijke utopie van “iedereen een mixer”.’

Le Roy: ‘Retro is ook een heel goed voorbeeld van een nostalgie die ons niet ondervraagt over ons toekomstbeeld vandaag. Dat doet het jonge Duitse theatercollectief andcompany&co bijvoorbeeld wel. In hun voorstellingen vertrekken ze van de herinnering aan het communisme, het futuristische regime bij uitstek. Ze gooien bewust de chronologische tijd overboord en stellen zich voor als tijdreizigers op scène die een mix maken van de geschiedenis. Ze herinneren ons aan hoe ons heden in het verleden gedroomd werd.’

Sluit de manier waarop wij met het verleden omgaan een toekomstvisie uit?

Bevernage: ‘Binnen het huidige dominante historiciteitsregime is er een heel duidelijke relatie tussen het aannemen van een herinnerende terminologie en het ontkennen van de macht te hebben om te ageren. Als mijn grootmoeder bijvoorbeeld “in mijn tijd” zegt, dan zegt ze eigenlijk twee dingen. Ze toont mij dat ze, in tegenstelling tot mezelf, haar eigen tijd al kan beschouwen. Maar ze zegt ook: “mijn tijd” is de tijd waarin ik nog een stempel kon drukken, waarin ik nog kon ageren, de dingen nog in handen had. Het is vooral een kwestie van actief of passief. Als je dat extrapoleert op de samenleving, dreigt dat op langere termijn eigenlijk vooral te leiden tot passiviteit, tot een contemplerende houding eerder dan een actieve houding die zegt: “deze tijd beheersen we nog”.

Dat verklaart waarom bewegingen zoals die van de Argentijnse Madres de Plaza de Mayo radicaal weigeren om te rouwen. Zeker in het Westen is de rouw er, in maatschappelijke termen, vooral op gericht om het heden van het “dode gewicht” van het verleden te ontdoen. Het rouwen dient het leven. De Madres zullen ook nooit in termen van herinnering spreken. Er verdwijnt iemand en dezelfde dag komen mensen op straat om “persoon x nooit te vergeten”. Maar dat is nog geen verleden, dus je mag niet spreken in termen van herinnering of van vergetelheid.

Bij waarheidscommissies denken veel westerlingen er niet aan dat men bijvoorbeeld in Sierra Leone anders met het verleden omgaat dan wij. Zo merkte men dat veel slachtoffers niet wilden komen getuigen omdat zij geloven dat je door te praten over het verleden, dat verleden terug opwekt, en dat je door het noemen van de naam van de doden hun rust verstoort. Omdat wij op een totaal andere manier met tijd en met de doden omgaan, kunnen wij op een veel vrijblijvendere manier omgaan met herinneringen.’

Hoe kun je het collectieve geheugen op een prikkelende manier representeren?

Le Roy: ‘De uitdaging is om het verleden te “theatraliseren”, maar dan niet zoals dat gebeurt in erfgoedpraktijken onder de vorm van spektakel. In een controversieel videokunstwerk van de Poolse kunstenaar Artur Zmijewski, 80064 (2004), waarin de kunstenaar een Auschwitz-gevangene zijn vervaagde kampnummer opnieuw laat tatoeëren om het te “restaureren”, word je als historische getuige en participant aangesproken op je eigen rol als toeschouwer. Dat is geen evidente positie tegenover een dergelijk weerbarstig verleden. Kunst slaagt er ook in om de manier te bevragen waarop we naar het verleden kijken in bijvoorbeeld Hollywoodfilms. Zo is er het videowerk Spielberg’s List van de Israëlische kunstenaar Omer Fast. Hij bezocht de filmset voor de film Schindler’s List, in een dorp in Polen, enkele kilometers naast de overblijfselen van een bestaand concentratiekamp. Het werk toont ook interviews met figuranten die meespeelden in de film, maar soms ook zelf de Holocaust nog meemaakten. Als toeschouwer ben je er nooit zeker van wat echt of fictie is. Niemand zal in twijfel trekken dat de Holocaust tot ons culturele geheugen behoort terwijl we er in de meeste gevallen geen directe herinnering aan hebben. Fasts film wijst ons op het geconstrueerde karakter van die culturele herinnering, waarin onder meer films een belangrijke rol spelen.’

Bevernage: ‘Ik wil niet pessimistisch zijn, maar de gemiddelde Hollywoodfilm kan massaal veel meer impact hebben dan de hele geschiedschrijving. Een belangrijke voorwaarde om het collectieve geheugen te sturen is het collectief bereiken. Al bereik je de grote massa, dan nog bereik je geen collectief. Er is een verschil tussen een gedeelde herinnering en een gemeenschappelijke herinnering. Ik was in Manhattan tijdens de gebeurtenissen op 9/11 en zag hetzelfde gebeuren als al die Amerikanen rondom mij. Maar omdat ik geen doelwit was, herinner ik me de beelden niet op dezelfde manier. We hebben geen gemeenschappelijke herinnering.’


Wijst de recente (over)productie van artistieke re-enactments – in beeldende kunst, theater, dans – op een crisis in de kunst of zijn het interessante oefeningen om vandaag kritisch met het verleden om te gaan?

Le Roy: ‘Re-enactments van performances worden als een kritische praktijk naar voren geschoven, maar spelen tegelijk in op een nostalgische tendens. De voorstelling van Fabian Barba, die een re-enactment bracht van solo’s van Mary Wigman uit het begin van de jaren 1930, leidde tot een interessante publiekssamenstelling. Er zaten mensen die je zelden in het Kaaitheater ziet en die in de greep waren van de illusie van een authentieke Mary Wigman Evening die Barba wilde creëren. Tegelijk beseften ook zij dat je als toeschouwer van vandaag de voorstelling eigenlijk niet snapt omdat je de codes niet (meer) begrijpt. De spanning tussen historisch origineel en hedendaagse reconstructie werd zo heel toegankelijk en zelfs ervaarbaar gemaakt. Re-enactment is daarom een zegen voor dansprogrammatoren, omdat ze tot een reflectie over het medium dans aanzetten maar toch niet oeverloos conceptueel zijn. Bovendien opent re-enactment ook een kritisch discours over danshistoriografie en de mogelijkheden om een efemere kunstvorm als dans te beschrijven, te bewaren of door te geven. In het geval van Barba vertelt de voorstelling bijvoorbeeld ook iets over zijn eigen lichamelijke geheugen en de manier waarop een bepaalde danstaal doorheen de tijd doorheen lichamen overgedragen kon worden. Hoewel het een zeer accurate

re-enactment lijkt, wil Barba het historische niet sacraliseren maar net de afstand thematiseren.’

Bevernage: ‘Maar wat is dan precies de kritische beweging? Is het niet zeer minimalistisch om te reflecteren over hoe ik reflecteer? Om te reflecteren over mijn herinnering? Wat is die reflectie dan? Ze bouwen het verleden na en reflecteren daarover? En dat staat dan tegenover het bouwen aan de toekomst? We hebben het “neoterische” gehad, waarbij alles wat nieuw is, daarom ook goed is. Dat is belachelijk, maar dat is zeker ook het oude om het oude. Het oude om te reflecteren over hoe we met het oude omgaan, ja, dat is al beter. Het oude om te reflecteren over het nieuwe, is nog beter, maar is dat geen omweg? Waarom kunnen we niet meer gewoon over dat nieuwe bezig zijn? Je zit met een heel erg introspectieve focus binnen je eigen veld, en binnen de geschiedenis van je eigen veld, je komt niet meer naar buiten. Dat is een ander kenmerk van heel die herinneringscultuur; het gaat bijna altijd over onze eigen herinneringen. Ik sta sceptisch tegenover het vieren van onze eigen interne geschiedenis. Het is goed om aan zelfreflectie te doen, maar het doel moet altijd zijn om te reflecteren over de buitenwereld.’

auteurs Lotte De Voeght en Katrien Van Langenhove

DIt artikel verscheen ook in RektoVerso.be

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

2 reacties

  • door Thoelen Bart op donderdag 11 november 2010

    … en een wenselijke beleidsmatige aanvulling hierop.

    Met veel interesse en bewondering heb ik bovenstaand artikel gelezen. Deze reactie is dan ook geen kritiek, maar eerder een aanvulling op het thema. Persoonlijk geloof ik niet dat het verleden dat we vandaag zien zich makkelijk(er) laat consumeren zoals Frederik Le Roy terloops stelt, maar eerder dat de manier waarop dat verleden wordt voorgesteld zich vaak wel laat beperken tot het inspelen op zulk gedrag van het brede publiek. Over projecten als dat van andcompany&co kan ik daarom enkel zeggen: meer van dit en breder toegankelijk alsjeblieft. Ik blijf dan ook een beetje op mijn honger zitten in Vlaanderen, waar de populaire omgang met het verleden ons amper ondervraagt over onze rol als mens, maatschappij, cultuur vandaag. Want bij vele Vlaamse zogenaamde erfgoedprojecten kan de historisch geïnteresseerde niet anders dan consumerend omgaan met het geprefabriceerde verleden. Voor beleidsmakers en commerciële instanties is dit natuurlijk een troef: de makkelijke aandacht, het makkelijke geld weet u wel. In hun evaluatie beperken ze zich dan ook tot het berekenen van het aantal geschiedenisconsumenten om vervolgens wederom gemakkelijk te kunnen spreken van een geslaagd erfgoedproject. Dit terwijl ‘historisch bezig zijn’ eigenlijk niets te maken heeft met aantallen of oppervlakkige interesse op een vrij moment. Het zou volgens mij daarom ook interessanter zijn om eens te polsen of de georganiseerde representatie van het verleden zijn bezoekers aan het denken heeft gezet, of de historische interesse van dat moment zich verder heeft vertaald in een blijvende en beklijvende historische interesse, of de expositie zijn bezoekers er toe heeft kunnen bewegen om actuele gebeurtenissen uit pluriforme en nieuwe invalshoeken te benaderen. Een moeilijke evaluatie die ook commercieel niet bijster sexy is, en waar je minder mee kan uitpakken. Doch, wie oprecht de omgang met het verleden een warm hart toe draagt, zou af en toe ook eens deze manier van evalueren mogen gebruiken. Kortom, naar mijn mening mag er dus ook ingezet worden op historische projecten die hun bezoekers intellectueel uitdagen, in plaats van enkel dezen te propageren die beperkt blijven tot nostalgisch circus kijken of het verleden uitsluitend musealiseren.

    De tweede grote herinneringscultuur volgens Bevernage is het omgaan met het verleden in de vorm van waarheidscommissies. Deze is ontstaan vanuit de wens om een bepaald verleden af te sluiten of op te lossen. Eens te meer zal je zien dat wanneer er enkel wordt geëvalueerd op het feit dat de beoogde periode nu ook daadwerkelijk ‘afgesloten’ is of niet, de evaluatie meermaals negatief zal uitdraaien. Deze omgang met het verleden heeft, naar ik meen, dan ook geen toekomst. Het an sich verleden in haar gigantisch omvangrijke hoedanigheid kan in wezen toch onmogelijk een op te lossen probleem zijn. Door specifieke deeltjes van dat verleden (en men merkt steeds een herhaling van hetzelfde thema) op deze specifieke manier te benaderen, tonen we ons wel een kind van onze tijd. Dit perspectief vertelt waarschijnlijk meer over ons dan over ons verleden. Neig ik naar een minimalistisch reflecteren over hoe ik reflecteer? Misschien wel, maar zeker niet uitsluitend. Jezelf durven aanschouwen in je eigen werkproces kan één, maar ook slechts één tussen vele, manieren zijn van constructief bezig zijn met de studie van en de interesse voor het verleden.

    Maar niet enkel waarheidscommissies, ook de leerkracht en de beleidsmaker zien het verleden als een op te lossen probleem. Vanuit hun beroepsmatige omgang met de dingen lijken zij überhaupt dit enkel nog zo te kúnnen benaderen. Ook zij kunnen naderhand makkelijk het succes van hun toverformule van historisch bezig zijn staven aan de hand van vele voorgeprogrammeerde, uniforme en dus schijnbaar breed toepasbare evaluatie. Volgens mij is ook deze evaluatiemethodiek te beperkend. Keren we even terug naar de waarheidscommissies om dit te staven: Dezen bewijzen enkel hun meerwaarde wanneer ze haar participanten aanzet/verplicht tot een onderlinge bemiddelde dialoog over het verleden. Zij lijken echter te falen wanneer ze na het verzamelen van getuigenissen op de proppen komen met één verplicht verhaal waar eigenlijk niemand zich in terug kan vinden en dat bijgevolg de aversie ten aanzien van de ander en het gedeelde verleden net versterkt. Dit kan je ondermeer tussen de lijnen lezen van het bijzonder interessante boek “Alles gaat voorbij, behalve het verlelden” van socioloog Luc Huyse. Maar wat dan wel? Misschien kan de benadering van Raimon Panikkar wel een goede aanvulling wezen: Vertel mij wat je van het verleden ziet door jouw venster, en ik vertel jou wat ik zie. We zullen waarschijnlijk nooit een gemeenschappelijke kijk op hetzelfde verleden krijgen (iets wat door vele oprichters van commissies allerhande wel wordt beoogd), maar door wederzijdse input kunnen onze eigen beelden wel scherper worden gesteld op sommige aspecten en gerelativeerd op andere. Ondermeer zo haalt men de wind uit de zeilen van haatdragende en exclusieve discours, ondermeer zo doorprikt men hardnekkige mythen die het samenleven in het heden keer op keer bemoeilijken, en ondermeer zo krijgt kan dat stoffige verleden volgens mij alsnog bijdragen aan een maatschappelijk bewustere toekomst. De geschiedenisonderwijscontext in Vlaanderen kan, in een periode van stijgende interculturaliteit, dergelijke aanvulling op haar traditionele beschouwingen zeker gebruiken. Sterker nog, ik geloof dat deze aanvullende benadering noodzakelijk is als we geen veelheid aan exclusieve culturele getto’s willen creëren waarin niemand de ander nog lijkt te kennen. Op deze manier heeft het verleden volgens mij immers geen toekomst. Als politieke leuzen als ‘Eenheid in Diversiteit’ geen dode letter willen blijven, moet er worden ingezet op onderzoek naar wenselijkheid, inhoud en toepasbaarheid van aanvullende benaderingen van het verleden, zoals hierboven reeds één werd geschetst.

  • door Jaap den Haan op zaterdag 20 november 2010

    Het verleden is des te interessanter als er in de tussentijd niet erg veel is gebeurd. Dat geeft het gevoel dat we in de toekomst zijn beland. Maar het verleden kan nu ook actueler zijn dan toen.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties