Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

Emancipatieprijs brengt moslims en niet-moslims samen

ANTWERPEN - Vrijdagavond vond in het Elzenveld in Antwerpen de uitreiking van de Emancipatieprijs plaats. Mohammed Ihkan was één van de laureaten. Deze documentairemaker is bekend vanwege zijn interculturele films. Aan de uitreiking ging een opmerkelijk lezing over media en moslims van Ico Maly vooraf.
zondag 31 oktober 2010

Foto 1: Mohammed Ihkan en Chris Schillemans van het CIB kregen de eerste prijs. Foto 2: Intercultural Dialogue Platform kreeg de tweede prijs. Foto 3: Ico Maly hield een opmerkelijke lezing (fotografie WALTERito). 

Voor de 13e keer organiseerde Voem vzw, Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie voor Moslims, de uitreiking van de Emancipatieprijs. Deze wordt uitgereikt aan organisaties en individuen die zich inzetten door Vlaamse moslims en niet-moslims dichter bij elkaar te brengen. 

Islammythe

Deze uitreiking werd voorafgegaan door een lezing van Ico Maly, inhoudelijk coördinator van Kif Kif. In zijn lezing stelde hij de mediaberichtgeving over moslims aan de kaak. Maly stelt namelijk dat het merendeel van deze berichten negatief zijn en telkens terugkomen in tijden van nieuwsschaarste. 

Daarnaast onbreekt het in deze berichten aan journalistieke correctheid, volgens Maly. Als voorbeeld nam hij de berichtgeving over de film "Turquaze". Gazet Van Antwerpen pakte na de voorvertoning van deze film uit met de kop 'Film met interculturele liefdesrelatie schokt Turken'. 

In werkelijkheid waren enkele ouders van kinderen geschokt door een seksscène, waarna zij de zaal verlieten, aldus Maly. De Standaard, Het Nieuwsblad en de VRT haalden de feiten daarna nog meer uit hun context. Waarmee er weer een nieuwe mythe rond moslims was ontstaan.

Geen ministers

Hoewel bijna alle ministers en Antwerpse schepenen waren uitgenodigd, was er bijna geen politici aanwezig. Minister Geert Bourgeois stuurde zijn kabinetschef om de prijzen uit te reiken. 

De eerste prijs ging naar de stichting Communicatie In Beeld (CIB) van documentairemakers Mohammed Ikhan en Chris Schillemans. Onlangs ging hun nieuwste film "Marokkaanse jongeren aan het woord" in première. Interculturaliteit en realisme zijn de toverwoorden van stichting CIB. 

De tweede prijs was voor Moskee Al-Buraq in Mechelen. Deze moskee levert zijn bijdrage aan de samenleving door uitwisselingsprojecten te organiseren. De derde en laatste prijs ging naar Intercultural Dialogue Platform, een organisatie die gemeenschappen bij elkaar brengt middels dialoog.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

3 reacties

  • door Eddy Daniels op maandag 1 november 2010

    bij de recensie in kwestie ben ik verplicht mijn reactie hier te posten, in de overtuiging dat beide thema's bij elkaar aansluiten.

    De islamofobie aan de kaak gesteld. Eddy Daniels

    Toegegeven: het recenseren van een boek met 34 bijdragen van dertig auteurs gespreid over net geen achthonderd bladzijden, is geen sinecure. Tot op zeker hoogte heeft Eric Hulsens zich op DeWereldMorgen.be (29/10) in zijn recensie van de bundel ‘De Islam. Kritiek op een politieke religie’ aanvankelijk correct van zijn taak gekweten. Gaandeweg is hij echter de pedalen gaan verliezen. Hij gaat namelijk met interessante bedenkingen in op de bijdrage van Frans Groenendijk over het begrip ‘islamofobie’. Het onderscheid dat hij maakt tussen het beschermen van het recht op godsdienstkritiek en het in vraag stellen van het recht op provocerende ontheiliging is zelfs erg waardevol, maar meteen kiest hij zijn feiten fout. Hij verwijst immers naar het persbureau AP dat geen foto’s wenste te verspreiden van brandende Korans, en situeert dit onder de tweede noemer, terwijl het om de eerste gaat. AP wenste toch geen korans te verbranden? Het wenste daarentegen geen foto’s te verspreiden van een dergelijke verbranding, een mogelijk nieuwsfeit waar het deontologisch in vrijheid over diende te berichten. De zelfcensuur betrof dus niet de daad zelf – die men inderdaad kan laken als overbodige provocatie – maar de weigering om een historisch gebeuren te documenteren. Hulsens begaat meteen een andere vergissing en vraagt zich af wat de auteurs zouden vinden van het verbranden van een Israëlische vlag. Dat gebeurt natuurlijk dikwijls genoeg, en daar bestaan wel degelijk foto’s van die ook door AP – terecht overigens – verspreid worden. Meer nog: ten tijde van de Vietnamoorlog heeft het Hooggerechtshof van de VS het verbranden van de Amerikaanse Stars & Stripes als legitieme vorm van vrije meningsuiting gekwalificeerd.

    De grote denkers van de Islam

    Verderop wordt Hulsens ironisch als hij het standpunt van de door hem gekritiseerde auteurs samenvat en hen verwijt te ontkennen dat de Islam grote denkers zou hebben. Nu ja, hij suggereert wel dat het evident is dat ze die hebben, maar hij zegt niet welke hij bedoelt. De waarheid is natuurlijk dat de grote denkers van de Islam – de Mutazillieten - sinds de twaalfde eeuw als ketters werden veroordeeld en dat de studie van hun geschriften sinds al-Ghazzali – die ‘de tweede stichter van de Islam’ wordt genoemd – verboden werd. Aan de toonaangevende al-Azhar-universiteit heeft de rector nog enkele jaren geleden de studie van filosofie principieel verboden, zo meldde Urbain Vermeulen in zijn knap boekje ‘Islam en Christendom; Het onmogelijk gesprek?’ (1999), omdat die de studenten af zou houden van het ware geloof. Sindsdien schijnt er weliswaar een leervak ‘Griekse filosofie’ op het programma gezet te zijn, maar de ingesteldheid van de Korangeleerden kennende is dat slechts een manier om met ontzettend primitieve argumenten te polemiseren. Als voorbeeld kunnen we het boekje van al-Bouti nemen over het leven van de profeet waarin deze de westerse geschiedschrijving verwijt dat ze redeneert in termen van oorzaak en gevolg, hierbij David Hume als getuige inroept, en verklaart dat de enige oorzaak van gebeurtenissen slechts het ingrijpen van God kan zijn. In dat verband is het ook niet overbodig eraan te herinneren dat aan diezelfde al-Azhar een geleerde takfir of ‘afvallige’ werd verklaard omdat hij ervoor gepleit had de Koran te bestuderen met de modern kritische methodes uit de Bijbelexegese. Het huwelijk van de man – de recent overleden Nasr Abu Zayd – werd zelfs tegen de zin van de echtgenote ontbonden verklaard omdat een moslima geen heidense man mag hebben. Beiden dienden te emigreren naar Nederland. Hoe je dan nog tot grote denkers kunt komen als je het verbod krijgt om kritisch te denken, is mij daarom een raadsel. Datzelfde geldt trouwens voor het eeuwige voorbeeld van de tolerante Islamcultuur, het al-Andalus van de Ummayaden (zelfs het omstreden centrum in New-York werd naar hen ‘Cordoba’ genoemd). Alle shariascholen vandaag, zij wezen sunnitisch of sji’itisch, veroordelen de Ummayaden als aartsketters. Hoe een traditie model kan staan voor de tolerantie van een ideologie, als die ideologie die traditie verwerpt, is mij weer een raadsel. Hulsens citeert vervolgens een zinnetje buiten context uit mijn bijdrage in de bundel over de verhouding van Mohammed tot de joden en ontkent op sarcastische toon dat de Koran- en Hadith-lectuur een aanmoediging zou bevatten tot concentratiekampen en Shoah. Hij zegt er niet bij dat mijn bijdrage uitgerekend een Hadith-episode analyseert waarin Mohammed het toejuichte dat zevenhonderd joden werden uitgemoord om geen andere reden dan dat zij hem in de weg liepen (ze hadden hem niet eens bestreden, ze wàren er gewoon). Ook Bat Ye’or wordt onderuit gehaald, de joodse dame van Egyptische afkomst die het begrip ‘dhimmitude’ veralgemeende als term om aan te duiden hoe de Islam aanhangers van andere godsdiensten slechts duldt als zij zich onderdanig opstellen ten overstaan van de Islam. Ook de bewering dat de Islam delinquent gedrag bevordert wordt door Hulsens belachelijk gemaakt. Maar hoe verklaart hij dan een centraal begrip in de Jihad, de term’ghazwa’ – onze termen ‘razzia’ of ‘raid’ zijn ervan afgeleid – dat gewoonweg ‘plundering’ betekent? In Turkse traditie werd een strijder voor het geloof zelfs onverbloemd een ‘gazi’ genoemd, een rover dus. Kan Hulsens zich niet indenken dat islamitische ‘jongeren’ in de leerstelling uit de Koran dat je ongelovigen mag uitschudden of vermoorden (sura 47:4), een aanmoediging vinden voor baldadig gedrag, ook als zij de moskee niet of nauwelijks bezoeken en de Koran amper kennen?

    Bijdrage tot Europese cultuur

    Hulsens herhaalt dan de vaak gehoorde bewering dat de Islam een onuitwisbaar onderdeel is van de Europese cultuur. Laten we wel wezen: de Islam drong via twee richtingen Europa binnen, eerst in Spanje, dan in de Balkan. In Spanje was het hoogtepunt het schitterende emiraat / kalifaat van Cordoba waar de Nestoriaanse vertalingen van Aristoteles in het Arabisch gered werden voor de vervolging in het Oosten. Volgens de hedendaagse Korangeleerden, volgens àlle hedendaagse Korangeleerden, was dat dus ketters. Het werd trouwens vanaf de twaalfde eeuw afgelost door de Tahwid-fanatici, de Almoraviden en Almohaden, die daarna verdreven werden door de inderdaad even intolerante Reconquista-katholieken. De intolerantie begon echter – en dat wordt in het verhaal over Cordoba en al-Andalus verdoezeld – onder de Islamitische religieus correcte woestijnstammen die het Ummayadische pluralisme vernietigden, waarna de filosofie van Ibn Sina (Avicenna) en Ibn Rush (Averroës) slechts gered werd aan de universiteit van Parijs, met name door de dominicaan Thomas van Aquino en later door de franciscaan William Ockham. De andere golf was die van de Ottomaanse Turken in de Balkan. Op geïsoleerde groepen na (als de Albanezen en de Bosniërs) slaagden zij er nergens in de Islam te doen doordringen. Meer nog: zij bleven eeuwenlang gehaat omwille van de instelling van de ‘devșirme’, het gebruik om niet slechts schatting te eisen van de onderworpen christenen, maar ook de levering van stevige kinderen die dan ingelijfd werden in Islamitische krijgsscholen en omgevormd tot Janitsaren, fanatieke keurstrijders in dienst van de sultan. Gesystematiseerde kinderroof in naam van het ware geloof, het is een toch wel aparte manier om onderdeel te worden van de Europese cultuur. Zo bruin bakten zelfs onze pedofiele priesters het niet. (Er is wel één voorbeeld van kinderroof onder pauselijke auspiciën in de negentiende eeuw, de beroemde kwestie Edgardo Mortara, een joods kind dat ‘per ongeluk’ gedoopt was en dus katholiek diende te worden opgevoed; Gie Van den Berghe heeft de zaak grondig bestudeerd). Hulsens maakt ook de stelling belachelijk dat de Koran en het Nieuwe Testament inhoudelijk haaks op elkaar staan. Als hij een vergelijking trekt tussen Koran en Oude Testament, dan kan ik hem nog volgen: beide boeken ademen dezelfde tribale sfeer van minachting tegenover andere volkeren of andersdenkenden (op dat vlak ben ik het met enkele van mijn medeauteurs grondig oneens). Als Geert Wilders dus de Koran wil verbieden omdat hij te sterk lijkt op Mein Kampf, dan ook de joodse Bijbel of Tenah (in werkelijkheid vind ik dat ook Mein Kampf niet moet verboden maar gelezen dient te worden als afschrikwekkend voorbeeld tot wat een zieke ideologie leiden kan). Maar Hulsens betwist dus dat het Nieuwe Testament daar grondig van verschilt en doet dat door te wijzen op het misbruik dat in het Christendom sinds Constantijn gemaakt werd van het Oude Testament. Dat was echter na drie eeuwen constant vervolgd te zijn. Ik daag hem echter uit om één citaat uit de geloofsbronnen, de christelijke Evangeliën of Epistels, te citeren dat als racistisch kan worden beschouwd. De waarheid is dat het Christendom in zijn duistere periodes altijd weer teruggreep naar de joodse Bijbel en in zijn humane momenten terugviel op het Nieuwe Testament. Dat ademt nu eenmaal – tot spijt van wie het benijdt – een sfeer uit van universalisme en broederlijkheid, die later de fundamenten zijn geworden van de humanistische leer van de mensenrechten. Daar waar de Koran zijn gelovigen zelfs afraadt om vriendschappen aan te gaan met joden of christenen (sura 5:51); en de Bijbel de vreemdelingen slechts in bescherming neemt zolang zij ‘gerim’ zijn (vreemdelingen die zich als dhimmi’s aan het jodendom onderwerpen, Dt 24:19-22) maar niet als zij ‘gojim’ zijn (vreemdelingen die er andere leefregels op nahouden – Lev 19:18).

    Zijn bloed over onze kinderen

    Helemaal uit de bocht gaat Hulsens als hij schrijft dat het Mattheusevangelie de joden de schuld gaf van de executie van Jezus. Hij moet dat Evangelie toch eens lezen, dan zou hij merken dat de auteur tamelijk neutraal bericht hoe de aanwezige joden – in hun smeekbede aan Pliatus om Jezus terecht te stellen – de verantwoordelijkheid op zich nemen voor zijn dood, ‘zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ (Mt 27:25). Natuurlijk werd dat vers achteraf misbruikt, maar het oorzakelijke verband tussen de kruistochten en de pogroms tegen de joden is niet correct. Hulsens kan om te beginnen niet ontkennen dat de kruistochten meer dan vier eeuwen na de islamitische Jihad op gang zijn gekomen en dus inderdaad een antwoord waren op islamitische provocaties (met name van de Seldsjuk-Turken die pelgrims naar Jeruzalem het leven lastig maakten). Hij doet wel ironisch over de eruit voortvloeiende Jodenvervolging. Welnu, waar gebeurde die? In het Rijnland, niet door de pauselijk op gang gebrachte krijgstocht maar door een losgeslagen bende onder leiding van Peter de Kluizenaar die geen enkel officieel mandaat had voor zijn ‘volkskruistocht’ – de man was waarschijnlijk niet eens priester. Dat geldt trouwens voor de meeste Jodenvervolgingen in de geschiedenis: zij waren het werk of van hysterische volksmassa’s (bij epidemieën of kindermoorden); of van opportunistische vorsten (die geld hadden geleend bij joodse bankiers). De officiële kerk is daar steeds tegen opgetreden, zij het meestal laattijdig, aarzelend of onvoldoende – de joodse publicist Pinchas Lapide heeft dat uitvoerig gedocumenteerd. Maar het vermoorden van joden is nooit haar officiële politiek geweest, zelfs niet in het Spanje van de Inquisitie: die joden kwamen op de brandstapel die zich voor de schijn hadden bekeerd (de marrano’s) maar in het geheim joodse riten bleven volvoeren. Uiteraard niet goed te keuren vanuit de normen van vandaag, maar niet zo ongewoon volgens de normen van die tijd. De gevluchte joden werden vervolgens opgevangen door de Turken, ook niet uit menslievendheid, maar omdat het pas veroverde Istanbul een infusie nodig had van dynamische ambachtslieden die de Islam vanuit zijn ingebouwde lethargie zelf niet voortbrengen kon (Istanbul bleef een rijke stad tot de niet-moslims er begin twintigste eeuw massaal uit wegvluchtten of verdreven werden). Dat de kruisvaarders voorts geen lieverdjes waren is evident, net zo min als Karel de Grote tegenover de Saksen dat was, maar dat er grandioze veroveringen hebben plaatsgevonden in naam van het christendom – zoals die door de Islam wél zijn gebeurd – is ook weer niet waar. Zelfs de beroemde Albigenzenkruistocht van de vroege dertiende eeuw kwam niet op gang om een ketterij uit te roeien, maar omdat aanhangers van de katharen een pauselijke legaat hadden vermoord en de graaf van Toulouse weigerde de daders uit te leveren. Natuurlijk is het zo dat de kolonisatie door Spanjaarden en Portugezen zo laat als de zestiende eeuw begeleid werd door missionarissen. Het is ook zo dat die de eersten waren die de inheemse bevolking in bescherming namen tegen de conquistadores – denken we maar aan de dominicaan Bartolomeo de las Casas; of aan onze eigen Pedro da Gande, de Vlaamse franciscaan die in Mexico nog steeds als een volksheld vereerd wordt; of aan de film ‘The Mission’ met Robert de Niro over de jezuïeten die in Paraguay de Indianen groepeerden om ze te vrijwaren voor slavenjagers.

    De lessen van de Jihad

    Het is dus absoluut waar dat de kwalijke kanten van de kruistochten een imitatie waren van de Jihad, meer nog: het systeem van slaventransporten overzee hebben de Portugezen later van de Arabische Omanieten afgekeken (in Zanzibar en Muscate). Het past dus niet dat Eric Hulsens zich zo sarcastisch uitlaat over deze historische feiten, meer nog, dat hij een Evangeliecitaat – de Islam als ‘huis met vele woningen’ (Joh 14:2) – misbruikt om een historische waarheid te ontkennen: dat er één Koran bestaat; dat alle moslims van alle gezindten slechts deze ene Koran als absolute waarheid mogen accepteren; dat dit een oorlogszuchtig boek is; en dat – gelukkig maar, ben ik geneigd te zeggen – de meeste moslims die Koran amper gelezen hebben. Zij kennen meestal enkele verzen van buiten, vaak in een Arabische taal die zij niet eens begrijpen, zoals tot voor vijftig jaar de katholieken enkele Latijnse formules kenden en van de complexe Bijbelse verhalen slechts een gefilterde Gewijde Geschiedenis tot zich namen. Het is daarom absoluut niet waar – en daar gaat het in essentie om in het debat rond de term ‘islamofobie’ – dat angst voor of zelfs afkeer van de Islam noodzakelijkerwijze xenofoob of racistisch van karakter is, en angst of afkeer impliceert van of voor alle moslims. Islamofobie zet zich af tegen die moslims die de Koran wél in zijn geheel lezen en in toepassing willen brengen, een kleine minderheid die je als ‘jihadisten’ kunt bestempelen (Bin Laden kent de Koran zéér goed). Het gaat om mensen die van oordeel zijn dat de wereld aan Allah behoort; dat Allah blijkbaar zelf niet mans genoeg is om die wereld aan zich te onderwerpen; en dat zij dat dus in zijn plaats dienen te doen. Fellow travellers van de Jihadisten zijn niet de naïevelingen die dromen van een multiculturele idylle, maar wel zij die in naam van die idylle de werkelijkheid van de Jihad ontkennen. Ongeveer zoals er ooit ettelijke intellectuelen in Europa waren – ik heb er zelf ooit toe behoord – die mordicus de misdaden van Stalin ontkenden omdat zij zweefden in het geloof dat Lenin de grote heilsbrenger van deze planeet was. Of zoals er behoorlijk wat eerlijke schrijvers en kunstenaars waren die oprecht geloofden dat Duitsland in 1933 op de goede weg was omdat er zo’n mooie autosnelwegen werden gebouwd voor zo leuke volkswagens, bemand door frisse knapen met aan hun zijde jodelende Mädel met vlechten.

    De derde mooie droom

    Beide idylles zijn een pijnlijke illusie gebleken, maar nu is er dus de derde, die van de theeslurpende couscouseters die denken dat ze gelukzoekers – en daar is niets verkeerd aan – die afkomstig zijn uit landen met een achterlijke patriarchale cultuur vooruit helpen door hen voor te stellen als de ware democraten, en hen aanmoedigen daarbij de achterlijke patriarchale cultuur hier te introduceren die zij ginder zijn ontvlucht. Vluchtelingen voor bekrompenheid worden hier dan gepromoveerd tot lesgevers in ruimdenkendheid die in hun verheven gedachten dienen gerespecteerd te worden door de bekrompen westerlingen die waarde hechten aan de duur bevochten democratische traditie die hier voor een wijkplaats heeft gezorgd. Wat de fellow travellers daarbij nooit verklaren is waarom deze ongerepte ‘nobles sauvages’ steevast hun soelaas komen zoeken in het zogeheten racistische Westen waar zij zogezegd gediscrimineerd worden. Terwijl hun broeders die in de rijke Arabische oliestaten terecht komen de meest elementaire sociale rechten ontberen en in een toestand leven die feitelijk overeenkomt met slavernij. Zouden de naar rechtvaardigheid hunkerende mensenmassa’s die zich aan onze grenzen verdringen, zich dan allemaal van richting vergissen? En eigenlijk beter naar de golfstaten trekken waar recent enkele hoge gebouwen werden opgetrokken waarin zij als leden van dezelfde geloofsgemeenschap perfect liefdevol kunnen opgevangen worden? Het is een vraag die ik graag aan Eric Hulsens en zijn wapenbroeders voorleggen zou.

    Eddy Daniels

    • door Jochem op maandag 1 november 2010

      Eddy, Je hebt je reactie op de verkeerde plek gepost. Dit artikel is geen recensie, maar een verslag van een prijsuitreiking. Groeten, Jochem

  • door marc beyst op maandag 1 november 2010

    Net als de heer Daniëls vind ik het bijzonder eigenaardig dat er op de recensie van de heer Hulsens niet kon en kan gereageerd worden. Het was (is) zelfs de enige bijdrage de ik vond waarbij dat niet kan. Kan de redactie van De Werld Morgen die keuze toelichten of betreft het gewoon een technisch foutje?

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties