We communiceren er vandaag de dag op los. Bij momenten lijkt communicatie zelfs het enige wat rest in onze samenleving. Hoe vaak stellen politici niet dat ze geen fout gemaakt hebben, maar dat ze 'het fout gecommuniceerd hebben', dat ze 'het zo niet bedoelden'. Ook in het kader van de interculturele samenleving komt communicatie snel bovendrijven. Aan de linkerzijde komt dan vaak het concept van de 'interculturele dialoog' in het vizier als oplossing voor allerhande zogenaamde integratieproblemen. Ook de rechterzijde stelt communicatie centraal als het over interculturaliteit gaat. Daar hoort men dan al te vaak dat men 'taboes wil doen sneuvelen', de dingen 'rechts voor de raap' wil kunnen 'benoemen'. En al snel gaat het dan natuurlijk over ‘de islam’ en de incompabiliteit van die ‘islam’ met onze democratie. In deze analyse bekijken we ‘communicatie’ en de bijdrage die ze levert aan het debat over de interculturele samenleving. We starten hiervoor eerst met enkele theoretische bespiegelingen over taal, ongelijkheid en de samenleving. Dit laat ons toe om dan diepgaand te reflecteren over de rol van ‘communicatie’ in de verschillende discoursen over de multiculturele samenleving.
Taal-in-actie
Taal, en dan vooral communiceren, is duidelijk een cruciaal gegeven in het politieke veld. Dat is op zich niet nieuw. De impact en de invulling van wat communicatie is in deze gemediatiseerde tijden is echter veranderd in de laatste decennia. In het debat over de interculturele samenleving neemt ‘communicatie’ een zeer prominente plaats in. Opvallend, vandaag de dag, is, dat beide partijen er in dit debat van uitgaan dat taal, communiceren, een cruciale rol speelt. Het ene kamp stelt dat het noodzakelijk is om ‘de dingen bij naam te noemen’, terwijl het andere kamp stelt dat we moeten ‘dialogeren tussen culturen’, willen we dichter bij een oplossing komen. Hoewel deze twee kampen op het eerste zicht twee diametraal tegenovergestelde visies vertolken, hebben ze meer gemeen dan op het eerste zicht lijkt. Meer nog: geen van beide visies biedt een oplossing voor de gestelde problemen.
We lopen hier echter op de zaken vooruit. Om bovenstaande stelling te duiden, is het noodzakelijk om eerst even stil te staan bij de relatie tussen taal, samenleving en ongelijkheid. Vervolgens moet ingezoomd worden op het concept communicatie. Dan pas kunnen we het hebben over ‘communicatie in de multiculturele samenleving’. Dat zullen we dan weer doen door twee verschillende posities in dat debat te analyseren. We zullen die vooral analyseren en beoordelen door te focussen op de bijdrage die deze discoursen leveren tot het uitbouwen van een rechtvaardige interculturele samenleving. We starten, zoals gezegd, met enkele bespiegelingen over taal en samenleving.
Taal als structurend element van de samenleving
Ik begin met een anekdote die mijn inziens behoorlijk wat draagwijdte kent en goed vertolkt wat bij velen schijnt te leven. Een tijd geleden was ik te gast aan de universiteit van Leuven om er in het kader van het feest van de filosofie in debat te treden over de Vrije Meningsuiting. Meermaals weerklonk daar de stelling bij het publiek en het panel dat “opinies vluchtig zijn”. Eenmaal uitgesproken lijken ze verdwenen te zijn, zonder enige impact op de realiteit. Opinies, taal en communicatie dus, lijken vrijblijvend te zijn. Alle meningen moeten bijgevolg vrij kunnen circuleren in de samenleving. Want zo gaat de redenering, als opinies niet vrij kunnen circuleren verdwijnen ze naar de ‘underground’. Ze worden dan niet alleen onzichtbaar, maar opeens ook potentieel gevaarlijk. Dat is vaak de onderliggende redenering bij al die pleidooien voor absolute en ongebreidelde vrije meningsuiting: de taboes moeten sneuvelen, we moeten nu eindelijk eens onomwonden kunnen zeggen waar het op staat. Dat is gezond voor een democratie, is dan het bijhorende argument. Een waarheid als een koe, zo lijkt het. Maar is het dat wel zo? Is deze gedachte zo onderbouwd als ze op het eerste gezicht lijkt?
Om die stellingen te kunnen beoordelen, moeten we onvermijdelijk eerst spreken over taal, en meer bepaald over de rol van taal in de structurering van de samenleving. Taal is alomtegenwoordig in ieders leven. We spreken constant, we schrijven en lezen e-mails, blogs, rapporten en artikels. In het straatbeeld schreeuwen vitrines, reclameborden en verkeersborden ons toe. Als we op het werk zijn en onze job eens onder de loep nemen, dan merken we dat die job een bij uitstek talige activiteit is, ook als we arbeider zijn. We geven orders of we krijgen er, we mailen er op los, we moeten evaluatie –en functioneringsgesprekken voeren. We hebben team –of stafvergaderingen en schrijven teamverslagen, rapporten of subsidiedossiers. Er moet inhoudelijk afgestemd worden, enzovoort. In elk van deze talige uitingen verbeelden we de wereld rondom ons, maar herscheppen tegelijkertijd ook diezelfde wereld. Taal is constant aanwezig in ons leven en veel zaken die we categoriseren onder ‘dingen doen’ of ‘werken’ betreffen eigenlijk een groot aandeel spreken, communiceren… taal dus.
Kortom, als we vijf minuten stilstaan bij ons eigen leven, dan merken we niet alleen dat we constant taal gebruiken, maar ook dat taal weldegelijk een handeling is. Als we een huis laten bouwen, dan doen we dat door taal te gebruiken. Dan zeggen we tegen de architect, de aannemer en de vele werkmannen hoe we het huis willen. En uiteindelijk, vaak na een lange lijdensweg, staat dat huis daar. Een heel simpel voorbeeld om te duiden dat taal zich weldegelijk uit in handelingen en dus ook zeer duidelijke materiële gevolgen heeft. Taal is niet vrijblijvend, maar heeft duidelijk een constructieve rol in de samenleving.
Taal en ongelijkheid
Taal en taal is echter twee. Het is immers duidelijk dat taal niet los staat van de context waarbinnen ze geuit wordt. Zo is de impact van de taal afhankelijk van de positie van de sprekers. Stel dat je een willekeurige bouwwerf uitzoekt en daar komt vertellen hoe het moet en wat je wenst. De kans dat men je voorstellen zomaar zal vertalen in de realiteit is uiterst minimaal. De impact en de betekenis van taal is dus afhankelijk van de positie die de spreker heeft. Als een Nederlander zegt “dat hij die Nederlanders beu is” zal dat een heel ander gewicht krijgen dan wanneer een allochtoon diezelfde zin uitspreekt. De betekenistoekenning zal verschillend zijn, net zoals de taxatie ervan. Bij de eerste veronderstelt men dat hij het recht heeft om dit te zeggen, bij de tweede verzeilen we voordat we het weten in het bekende ‘integratieparadigma’: “hij hoort hier niet, hij is niet aangepast”.
De positie die sprekers hebben, wordt op twee niveaus duidelijk, namelijk door talige en niet-talige cues. Starten we bij dat laatste, dan gaat het bijvoorbeeld over de functie die de persoon uitoefent (politicus, politieagent, professor, bouwheer, Opel-arbeider, …). Elk van deze functies geeft meer of minder gewicht aan wat de persoon uitspreekt. Als er een professor over DNA komt spreken in een duidingsprogramma dan zal dat meer gewicht krijgen dan wanneer Mohammed met de pet dit komt doen. Opvallend is wel, dat de mening van Jan met de pet over de interculturele samenleving doorgaans meer waarheid toegekend wordt dan een professor die al jarenlang onderzoek voert naar het thema dat ter sprake komt. De functie heeft een bepalende invloed op de betekenis en waarde die men toedicht aan de woorden die men uitspreekt. Ze kan de woorden meer of net minder gewicht geven.
Dergelijke ongelijkheden sluipen echter ook binnen in de taal, en in de waardering van verschillende talen en taalvarianten. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk als we de in België bejubelde meertaligheid onder de loep nemen. Dan zien we dat het enkel een bepaalde meertaligheid is die gewaardeerd wordt: namelijk de kennis van Frans, Engels en in zekere mate ook Duits en nu Chinees. De meertaligheid van onze migranten die naast Nederlands, ook nog eens Arabisch, Berbers, Slovaaks, Russisch of Turks spreken wordt echter niet gezien als een meerwaarde. Integendeel: er groeit meer en meer een consensus dat dergelijke meertaligheid negatief is. Maar ook binnen één en dezelfde taal bestaan verschillende varianten die elk gekoppeld zijn aan een bepaalde waarde die ‘men’ eraan toekent. Elke spreker heeft doorheen zijn leven bepaalde repertoires opgebouwd: als kind leren we onze ‘moedertaal’, doorheen onze schoolloopbaan leren we niet alleen de schoolse variant van het Nederlands, we leren er ook allerhande verschillende repertoires (1) : economisch Nederlands, politiek Nederlands, ... We leren ook allemaal een job en die job gaat opnieuw gepaard met een specifieke variant van het Nederlands. Er is dus niet 'een' Nederlands, maar er zijn verschillende ‘Nederlandsen’ naargelang de context. Zo spreekt een IT’er wel degelijk Nederlands, ook al zullen velen niet begrijpen waarover hij het heeft.
Nu, het punt dat er ‘verschillende Nederlandsen’ zijn, lijkt voor velen niet meer dan een spielerei. Niets is echter minder waar. Ongelijkheid wordt immers gereproduceerd doorheen de taal die we hanteren. Stel, je zit als arbeider opeens aan tafel met een groep professoren die discussiëren over de laatste politieke ontwikkelingen in België. En hoewel niemand elkaars functie kent, zal die toch snel duidelijk worden. Deze professoren spreken allemaal in de academische variant van het Nederlands. Ze spreken, meer bepaald, in het jargon van politicologen. De kans dat de arbeider niet helemaal begrijpt waarover het gaat, is vrij groot. Meer nog, als die arbeider zijn mening vertolkt, zal hij het repertoire dat hij ter beschikking heeft moeten hanteren. De kans is reëel dat dat niet het academisch Nederlands zal zijn, maar veeleer een mengeling tussen zijn dagelijks taalgebruik en het taalgebruik dat hij kent uit de media over dit onderwerp. Hij start dus vanuit een zeer ongelijke positie, niet alleen qua kennis en functie, maar ook qua talig repertoire. Kortom, niet alleen zijn ‘functie’ zal bepalend zijn in de waarde die men aan zijn boodschap toekent, maar ook zijn repertoire zal maken dat hij niet serieus genomen wordt. Taalkundig antropoloog Hymes verwoordt het als volgt: “Resources are hierarchised in terms of functional adequacy, and those who have different resources often find that they have unequal resources, because access to some rights and benefits in society is constrained by access to specific communicative (e.g. narrative) resources.” (2)
Of we al dan niet beschikken over bepaalde registers, hangt af van de context waarin we geboren, opgegroeid en geschoold zijn. Diezelfde registers zullen bovendien ook bepalend zijn in ons verdere leven. Kortom, onze talige repertoires zijn afhankelijk van de sociale, economische, politieke en culturele context waarbinnen we opgroeien en dragen daar de sporen van. Er is echter meer: ons talige repertoire bestendigt voor een stuk ook onze positie in de samenleving. Indien we door onze levensgeschiedenis enkel beschikken over informele of laaggewaardeerde varianten van het Nederlands, dan zal dat weldegelijk drempels opwerpen in het werkelijke leven. Het zal er bijvoorbeeld toe leiden dat je tot bepaalde jobs geen toegang hebt. Indien je enkel het ‘toog-Nederlands’ onder de knie hebt, dan is de kans dat je een job krijgt als nieuwslezer, leerkracht of secretaris van een politicus onbestaande, ook al beschik je wel over de nodige kwalificaties om die job uit te oefenen. Zo wordt in België, en in Vlaanderen in het bijzonder een enorm belang gehecht aan het Algemeen Nederlands, zowel in grammatica als in uitspraak. Zo wordt het zogenaamde pidgin-Nederlands van vele migranten, die weldegelijk grammaticaal correct Nederlands spreken, maar wel een dialectische klank gebruiken, zeer duidelijk als minderwaardig beschouwt. En die norm vertaalt zich onvermijdelijk in de structuur van de samenleving. Een Raymann (van het televisieprogramma Raymann is laat) zou in Vlaanderen bijvoorbeeld het scherm niet halen.
Er is dus sprake van bepaalde ruimtes (een samenleving, een bepaald bedrijf…) waar bepaalde soorten van taalgebruik aanvaard worden en andere niet aanvaard worden. Blommaert stelt dan ook: “Consequently, when people move through physical and social space (both are usually intertwined), they move through orders of indexicality affecting their ability to deploy communicative resources, and what functions well in one such unit may sudenly cease to function or lose parts of its functions in another such unit.” (3) Zo kan het Nederlands dat iemand spreekt in zijn wijk door de wijkbewoners beoordeeld worden als zeer goed. Een Nederlands waar men naar opkijkt. Datzelfde Nederlands kan in een geheel andere context net beoordeeld worden als ontoereikend, dialectisch, minder waard… Deze beoordelingen van taal en discours hangen af van individuen, organisaties en instellingen die de macht hebben om normen te bepalen en op te leggen. Deze 'centring institutions', zoals Silverstein ze noemt, kunnen opereren op een grote schaal (de wereld, het Westen, Europa, België…), een kleine schaal (de wijk, school, peergroup…) en alles wat daartussen valt. Het zijn deze 'centring institutions' die bepalend zijn voor het opleggen van de ‘doxa’. Ze bepalen welk taalgebruik waarde heeft en welk niet, hoe we moeten en kunnen spreken en wat niet kan gezegd worden.
Concreet betekent dit, dat de verschillende varianten van een taal die je beschikbaar hebt afhankelijk is van de context waarbinnen je opgroeit en geschoold bent. Naargelang die context waarbinnen je gesocialiseerd werd, zal je meer of minder middelen ter beschikking hebben om je leven uit te bouwen. Het is bijvoorbeeld al langer geweten dat de taal die kinderen van lager opgeleide klassen hanteren sterk verschilt van de schooltaal, terwijl de taal van de kinderen van hoog opgeleide ouders veel nauwer aansluit bij die schooltaal. Dat vertaalt zich in een achterstand bij kinderen van laag opgeleide ouders. Die achterstand wordt in België niet goedgemaakt doorheen de schoolloopbaan, en dat komt later tot uiting in hun positie op de arbeidsmarkt. Dat heeft dan weer tot gevolg dat ook zij in hun leven allerhande drempels zullen tegenkomen, en bovendien ook hun kinderen mogelijk ongewild opzadelen met die erfenis. Taal wordt getekend door de ongelijkheid in de samenleving en is tevens een structurerend element van die ongelijkheid.
Het medium van taal
Samenvattend hebben we dus het volgende gesteld.
1. Taal is helemaal niet zo vrijblijvend als men het vaak voorstelt, integendeel: we hebben vastgesteld dat taal een structurend element is van de omgeving rondom ons.
2. Taal en dan vooral de betekenis en de impact ervan is contextueel bepaald en afhankelijk van de positie van de sprekers.
3. Er zijn verschillende varianten van ‘het Nederlands’, en die varianten zijn afhankelijk van de context waarin we geboren, opgroeien en geschoold worden. Niet alle varianten zijn evenveel waard in elke context.
4. De taal die we ‘hebben’ is niet alleen een gevolg van ongelijke posities in de samenleving, het is ook een structurerend element van de ongelijkheid in de samenleving. Niet iedereen heeft dezelfde taal, niet iedere taalvariant is evenveel waard en die taalvarianten en de bijhorende waardeoordelen bestendigen ongelijkheid.
Er is echter nog een vijfde punt dat we in rekening moeten brengen, namelijk het medium waarmee of waarin we spreken. Het type medium waarin we spreken, is bepalend voor de reikwijdte en de impact van wat we zeggen, maar zal ook een bepalende rol spelen in de geloofwaardigheid van de boodschap. Een twitterbericht heeft vandaag (nog?) niet dezelfde waarde als een krantenartikel, dat op zijn beurt een andere waarde heeft dan een wetenschappelijk onderzoek. Het spreekt voor zich dat we, als we in onze tuin allerlei dingen staan te roepen, daar betrekkelijk weinig mensen mee zullen bereiken. Meer nog: wie ons hoort, zal in eerste instantie denken dat we gek zijn. Dus met de impact van dat 'medium’ valt het reuze mee. Dat verandert natuurlijk als we mogen roepen in een nieuwsuitzending op de nationale, regionale of stadszender. Niet alleen zullen we meer mensen bereiken, het feit dat we op televisie komen geeft meteen ook een bepaald gewicht aan onze boodschap. Onderliggend is dan de redenering: “aangezien men die man ruimte geeft om dit te komen zeggen in het nieuws, betekent dat die stem minimaal enige autoriteit bezit inzake het behandelde thema”. Het aura dat rond een medium hangt, straalt ook af op de spreker in dat medium. Dat geeft gewicht en autoriteit aan die mening, of ondermijnt die net. Het vergroot of verkleint dus zowel de impact als de reikwijdte van die boodschap.
Het medium heeft echter niet alleen invloed op de impact en de reikwijdte van de boodschap, ze legt ook allerhande beperkingen op aan die boodschap. Als we sms’en of twitteren hebben we slechts een beperkt aantal tekens ter beschikking om onze boodschap te verspreiden. Als we op televisie onze mening verkondigen doen we dat op een andere manier en in een ander register dan tijdens een opgezweept cafégesprek in de late uurtjes. Het is de context waarbinnen we taal hanteren die bepalend zal zijn voor welke variant we opteren, op voorwaarde dat we natuurlijk een keuze hebben. Op voorwaarde dus dat we over de gevraagde variant beschikken, en op voorwaarde dat we opmerken welke variant gevraagd wordt. Kortom, mocht je als expert gevraagd worden om duiding te geven in het nieuws over een bepaalde gebeurtenis en je doet dat in ‘toog-Nederlands’ doorspekt met allerhande scheldwoorden, dat zal het gewicht dat eraan gegeven wordt, bijzonder laag zijn. Kortom, niet alleen het medium maar ook de mate waarin een spreker zich kan aanpassen aan de vormvereisten van dat medium, is cruciaal.
Communicatie = propaganda?
Spreken in de mainstreammedia is niet zomaar spreken zoals we dat dag in, dag uit doen. Spreken in de media is wat vandaag “communicatie” genoemd wordt en dat is een hemelsbreed verschil. Want ook al kunnen mensen als sociale wezens niet ‘niet communiceren’, met communicatie in de media wordt vaak iets helemaal anders bedoeld. Als politici stellen dat er beter gecommuniceerd moet worden, dan bedoelt men veelal dat men een specifieke vorm van communicatie moet voeren. Dat is dan gemediatiseerde communicatie met scoren als doel: de andere partij in de hoek drummen en mensen overtuigen van je boodschap. Net zoals Jan Blommaert verwijs ik met 'communicatie' dus naar een heel bijzondere vorm van communicatie. Namelijk “… het communiceren met een duidelijk doel en binnen een competitieve ruimte waarin allerhande andere boodschappen circuleren. Het is jouw boodschap die punten moet scoren tégen die van anderen.” (4) Die communicatie betreft dus niet alleen publieke communicatie, het is ook communicatie in de media, met het doel te scoren.
Hoewel we dus allemaal kunnen ‘communiceren’, zijn we niet (allemaal) even onderlegd in die gemediatiseerde communicatie. Om die vorm van communicatie onder de knie te krijgen, moeten we beroep doen op communicatie-experts. En die behoefte is er blijkbaar massaal, want het aantal communicatieadviesbureaus is gigantisch toegenomen in de laatste decennia. Elk bedrijf heeft zijn opgeleide woordvoerder, elke politieke partij neemt communicatiedeskundigen onder de arm en de marketingsector heeft zo ook de politiek doordrongen. Daaruit leren we twee zaken. Ten eerste zien we dat nagenoeg iedereen die ‘communiceert’ in de media daarvoor trainingen heeft genoten. Wat natuurlijk impliceert dat niet iedereen kan ‘communiceren’. Het betreft dus een nicheproduct. Ten tweede zien we dat die ‘communicatie’ enorm veel geld kost en pas lukt met de ondersteuning van een professionele sector. Uit die twee vaststellingen moeten we tevens besluiten dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot deze media.
De toegang tot de media is namelijk niet vrij, maar onderhevig aan allerhande kwaliteitsoordelen door die media. Als je een opiniestuk in de krant wil zien verschijnen dan moet dat stuk een bepaalde lengte hebben, vlot geschreven zijn, inhaken op een reeds bestaande discussie. De auteur is liefst een reeds bekend persoon of vertegenwoordigt een voor de media relevante groep of organisatie. Wil je echter op het televisiescherm komen, dan moet je naast iets interessants te zeggen hebben ook ‘plakken op beeld’ en idealiter debiteer je ook een resem goedbekkende oneliners zodat je je boodschap ‘goed kan communiceren’. Een sensationeel feit aanbrengen zal ook tot de aanbeveling strekken. De communicatie in de media is dan ook niet zomaar spreken in een televisiestudio, het is uiterst geprofessionaliseerde communicatie die is toegespitst op het zo goed mogelijk positioneren van je boodschap in de markt der ideeën. Het gaat niet zozeer over het kenbaar maken van je standpunt, maar om het scoren. Daarvoor worden dus communicatiebureaus ingeschakeld, en daarom worden de mediafiguren tot het uiterste getraind om het tot een goed einde te brengen. Enkel als de boodschap, de spreker en zijn communicatiestijl passen bij de door de media vooropgestelde communicatiewijze en formats zal deze zonder blikken en blozen overgenomen worden.
Kortom, deze mediacommunicatie is niet alleen uiterst dure communicatie, ze bestendigt natuurlijk ook de ongelijkheid tussen de verschillende actoren. Enkel sprekers die het kunnen permitteren om dure communicatietrainingen te volgen en bovendien een belangrijke functie uitoefenen, zullen zich in de schijnwerpers kunnen wurmen. En enkel deze professioneel geproduceerde en gestileerde communicatie zal zonder kanttekeningen overgenomen worden in onze media. In die zin is deze communicatie natuurlijk niet zo gek veel verschillend van wat we kennen als propaganda. Als het goed gemaakte communicatie is (kort, bonding, duidelijk, sensationeel…), nemen de mainstreammedia die graag en zonder veel kritische vraagtekens over en circuleert ze dus massaal in onze samenleving.
Besluit deel 1: Gemediatiseerd taalgebruik en de constructie van de samenleving
In dit eerste deel hebben we geduid dat taal niet alleen een structurerend element van onze samenleving vormt, maar ook de sporen draagt van de ongelijkheid in de samenleving. Tevens is duidelijk dat niet iedere taal, of beter ieder discours evenveel impact heeft in de structurering van onze samenleving. Die impact hangt af van de autoriteit van de spreker, zijn discours en de wijze waarop die spreker dat discours vertolkt en de fora waarop hij dit discours kan naar buiten brengen. Niet iedere boodschap heeft evenveel impact op de constructie van de samenleving. Ministers hebben niet alleen een veel makkelijkere toegang tot de massamedia, ze hebben ook de middelen ter beschikking om dat discours klaar te stomen om te concurreren op de markt der ideeën. Ze zijn een van die “centring institutions” waarover Silverstein het had. Communicatie staat dus niet los van machtsverhoudingen in een samenleving en dus ook niet van ongelijkheid, integendeel ze is er een structurerend element van. Oproepen tot communicatie moet dus in dit kader begrepen worden. Dit zullen we in de volgende keer uitvoerig illustreren.
'Communicatie' in de multiculturele samenleving: deel 2
Na de omstandige uitleg over de relatie tussen taal en de samenleving in deel 1 van “‘Communicatie’ in de multiculturele samenleving” kunnen we overgaan naar de kern van deze bijdrage. Zoals reeds geduid kunnen we met een beetje veralgemening twee grote kampen ontwaren in de discussie over de interculturele samenleving. En bij beide kampen staat ‘communicatie’ centraal. Het ene kamp eist dan het recht op ‘om de taboes te doen sneuvelen’, het andere kamp roept op tot dialoog, tot communicatie. Hoewel dit op het eerste zicht tegenstrijdige posities lijken te zijn, delen ze enkele premissen. We duiden beide posities hieronder aan de hand van enkele concrete voorbeelden.
De taboes moeten sneuvelen
Het eerste kamp kunnen we categoriseren als ‘anti-intercultureel’ of ‘anti-islam’ in het bijzonder. Het is het kamp dat onder het mom van de ‘vrije meningsuiting’ het recht opeist om aan islam bashing te doen. We denken dan niet alleen aan politici als Wilders, Dewinter en Dedecker maar ook aan publicisten als Benno Barnard, Geert van Istendael en Wim van Rooy, net zoals journalisten aan als Mia Doornaert en Joost Zwagerman. Opmerkelijk aan al deze stemmen, ondanks de verschillen tussen hen, is dat ze kunnen rekenen op een gigantisch platform in de mainstreammedia. Ze zijn er prominent aanwezig, maar paradoxaal genoeg gebruiken ze dit platform om uit te schreeuwen dat ‘hun vrije meningsuiting’ beperkt wordt door ‘de moslims’. Deze moedige slachtoffers van ‘de islamisering’ huldigen zichzelf in het harnas van de nieuwe strijders van de verlichting. Ze strijden tegen wat zij ‘de islamisering’ van de samenleving noemen en voor ‘de verlichtingsidealen’. Ze doen dat door te communiceren op de belangrijkste fora van onze democratie: de media en het parlement.
Centraal in hun discours staat het verschil tussen ‘onze waarden en normen’ en ‘hun waarden en normen’. Deze twee pakketen waarden en normen zouden onvermijdelijk leiden tot botsingen. Integratieproblemen zijn dan louter problemen van twee culturen die niet zouden matchen. ‘Wij’ zijn dan de emanatie van de mensenrechten en de democratie. ‘Zij’ bevinden zich nog in een donker verleden, en worden herleid tot een monolithisch bedreigend blok van moslimfundamentalisten die de sharia willen invoeren en onze samenlevingen islamiseren. In hun discours moeten die moslims stante pede ‘ingeburgerd worden’, ze moeten zijn en spreken zoals ‘ons’. Enkel dan bewijzen ze dat ze ‘goede moslims’ zijn, dat ze hier horen.
Ayaan Hirsi Ali is hun voorbeeld van zo’n gematigde moslim, van iemand die doorheeft waar de klepel hangt. Dat is natuurlijk vreemd, want Hirsi Ali laat zelf geen gelegenheid voorbij gaan om te benadrukken dat zij geen moslim is, integendeel: haar discours schildert de hele islam af als een monolithisch en antidemocratisch blok. Alle moslim die het daar niet mee eens zijn, vormen dan ook een bedreiging, willen niet integreren, ook al benadrukken ze hun engagement aan de democratie en de mensenrechten. Die moslims worden dan bestempeld als 'schijngematigd'. Men heeft daar sinds Wim van Rooy ook een leuk concept voor gevonden: taqqiya, het zogezegde Koranische recht om te liegen tegen niet-moslims. Ook de schijnbaar gematigde moslims zijn dan in wezen wel degelijk fundamentalisten die het Westen haten, ze praten ons naar de mond en dat is hun koranische plicht. Dit discours sluit elke dialoog uit met moslims tenzij ze de islam afvallig zijn. Hier is dus geen roep naar dialoog te horen, maar een roep om een monoloog waarbij iedereen dezelfde stem moet laten horen.
Dat discours is wijdverspreid in onze samenlevingen, je vindt het bijna dagelijks terug in je krant of op het scherm. Het is ook duidelijk (politieke) ‘communicatie’ die scoort vandaag de dag, net omdat het perfect inhaakt op de gangbare formatcultuur in de nieuwsproductie. Het is politiek-ideologische communicatie of misschien accurater propaganda, die in de laatste twee decennia een uiterst dominant kader bezorgd heeft om te spreken en te denken over de interculturele samenleving. Het is vandaag de dag een type ‘communicatie’ waar de media dol op zijn, het staat immers garant voor de nodige aandacht. Niet teveel moeilijke nuances en complexiteit, het is sensationeel en wordt makkelijk verpakt in de heersende formatcultuur. Het is dus een taal die de laatste jaren behoorlijk wat ‘waard’ is geworden. Waar dergelijke communicatie in de jaren ’90 nog vrij marginaal was en gelabeld werd als extreemrechts en racistisch, is het vandaag uiterst waardevol. Het levert stemmen op, het doet boeken verkopen en de kijkcijfers de hoogte in gaan.
De interculturele dialoog
Het ‘andere kamp’ stelt daar tegenover niet zelden het concept van de interculturele dialoog. We moeten dan het gesprek aangaan met ‘die ander’ in onze samenleving. Elkaar leren kennen staat dan centraal. De interculturele dialoog moet opgang getrokken worden om de kloof tussen ‘ons’ en ‘hen’ te dichten. Dialoog en communicatie worden dan de instrumenten om onze samenleving terug leefbaar te maken. Politici richten rondetafels op om de interculturele dialoog te stimuleren, er worden subsidies uitgereikt om barbecues te organiseren in de wijk, en participatie wordt een sleutelterm in dit beleid. Iedereen moet dialogeren, iedereen moet participeren in de wijk, in de cultuurcentra, wijkraden... Het is met andere woorden een dwingende uitnodiging.
Die interculturele, interreligieuze dialoog gaat samen met slogans als ‘diversiteit is een verrijking’. Deze stemmen vinden de multiculturele samenleving een verrijking en ze schuiven tolerantie, respect en dialoog naar voren als de instrumenten om iedereen te overtuigen van de meerwaarde van de multiculturele samenleving. Als we elkaar maar kennen, begrijpen en respecteren dan zouden we met zijn allen inzien dat die multiculturele samenleving een verrijking is. Dit discours kende haar hoogdagen in de jaren negentig en begin van het nieuwe millennium. Vandaag zit het eerder in het verdomhoekje: het discours wordt door het andere kamp als de oorzaak van de multiculturele problemen gezien. Het is, met andere woorden, ‘communicatie’ die in solden staat, het is niet bijzonder waardevol meer in het medialandschap. It’s so nineties.
Dit discours werd in stelling gebracht tegen de extreemrechtse retoriek. Toch lijkt ook dit discours enkele kernpremissen van het extreemrechtse discours te bestendigen. Onderliggend aan het concept 'interculturele dialoog' liggen vaak enkele zaken die mijn inziens problematisch (kunnen) zijn. Ten eerste is er natuurlijk het cultuurbegrip dat men hanteert bij het opzetten van die interculturele dialoog. Dat cultuurbegrip lijkt te vaak, en helaas, niet veel te verschillen van de dominante invulling die gegeven wordt aan cultuur. Cultuur staat dan voor een bevolkingsgroep die schijnbaar dezelfde waarden, normen en gebruiken delen. Muntthee is dan Marokkaanse thee, zwarten kunnen goed dansen 'omdat het in hun bloed zit'... Nederlandse en Vlaamse Marokkanen zijn in die logica dragers van de Marokkaanse cultuur en niet van de Nederlandse of de Vlaamse cultuur. Ook al zijn ze hier geboren en hier opgegroeid. Zonder veel te overdrijven kunnen we stellen dat deze invulling niet alleen hoogst onwetenschappelijk is, ze is ook uiterst gevaarlijk want ze sluit mensen op in hokjes. Hoewel men niet kan twijfelen aan de goeie bedoelingen in dit 'kamp', krijgt cultuur een betekenis die nagenoeg niet meer te onderscheiden is van het rassenbegrip. Immers men gaat in dit cultuurbegrip er impliciet van uit dat die cultuur blijkbaar biologisch gereproduceerd wordt. De deelnemers van die interculturele dialoog worden dan gebombardeerd tot vertegenwoordigers van hun groep, hun cultuur. Niet zelden wordt dan ook gesproken in zinnen als ‘bij ons is dat zo…’. Op die manier belanden we voor dat we het weten terug in het bestendigen van het beeld dat ‘wij’ en ‘zij’ uiterst verschillend zijn. In tegenstelling tot het andere kamp, zien de vertegenwoordigers van de interculturele dialoog dit als een verrijking. Dat ‘zij’ hun cultuur hebben en ‘wij’ onze cultuur, wordt op deze manier verheven tot waarheid (met alle gevolgen voor degenen die afwijken van die norm). Terwijl in de realiteit deze categorieën niet afbakenbaar zijn, Bauman verwoordt het als volgt: “ ‘Cultuur’ gaat evenzeer over innovatie als over behoud; over discontinuïteit als over voortzetting; over vernieuwing als over traditie; evenzeer over routine als over het doorbreken van patronen; over het volgen van normen als het overstijgen van de norm; over het unieke als over het gewone; over verandering als over de monotomie van reproductie; over het onverwachte als het voorspelbare.” (5)
Een tweede probleem dat ik zie met dit discours is dat het propageren van de interculturele dialoog als instrument om samenlevingsproblemen te remediëren de realiteit van de interculturele samenleving uitgevlakt. Er lijkt geen sprake meer te zijn van ongelijkheid, van machtsonevenwichten in de samenleving maar ook de sociaaleconomische positie, de invloed van de soort migratie en andere sociologische feiten worden eigenlijk genegeerd door dit concept. De suggestie van de interculturele dialoog als oplossing voor allerhande samenlevingsproblemen is dan onvermijdelijk dezelfde als degene die het andere kamp zo prominent naar voorschuift: het is allemaal cultuur. Terwijl het ene kamp die culturele problemen wil bestrijden door die culturele verschillen uit te vlakken en zelfs te verbieden, houdt de andere een pleidooi om te dialogeren. De onderliggende premisse dat onze samenleving in culturele blokken zou op te delen zijn, wordt niet bestreden. Bovendien laat men ook de structuur van de samenleving buiten schot en daar lijkt mij de kern van het probleem te zitten. Dit wordt duidelijk als we twee casussen wat dieper belichten
Participatie en dialoog: waar zijn de moslims?
Zoomen we concreet in op deze oproep tot het participeren aan de interculturele dialoog, dan zien we onder dat rooskleurig oppervlak van goede bedoeling behoorlijk wat problemen. Om dit te illustreren haal ik twee voorbeelden aan uit de Vlaamse context: de concerten van 0110 en ‘de afwezigheid van allochtonen’ op deze dag tegen extreemrechts en voor tolerantie. De tweede casus is de oproep van schrijver Tom Naegels aan de moslims om meer te investeren in hun communicatie. Beide voorbeelden tonen enkele problematische aspecten van al die goedbedoelde oproepen tot dialoog en participatie.
0110: waar waren de allochtonen?
De 0110 concerten die Tom Barman, de charismatische frontman van dEUS, organiseerde, zorgden voor enkele maanden uitgebreide media-aandacht in Vlaanderen. Er was de heisa die het Vlaams Belang maakte over de concerten, er kwamen verschillende interviews met de verschillende artiesten en organisatoren,… 0110 zette in de verschillende steden tolerantie op het voorplan, en, het moet gezegd worden, de concerten waren, afgerekend op het aantal bezoekers en de media-aandacht een gigantisch succes. De dag nadien volgde al snel de kater. In De Morgen van 12/10 staat op pagina 4 de vraag “0110: waar waren de allochtonen?” centraal en op dezelfde dag bogen ook Terzake op Canvas zich over deze vraag. Opvallend was dat dit een tendens heeft geschapen voor de jaren die volgden: bij de meest uiteenlopende thema’s wordt steevast de vraag gesteld: waar zijn de allochtonen. Die vraag is zelden een informatieve vraag, een vraag waar men een antwoord op zoekt. Nee, de vraag komt steeds met een nauwelijks verhuld beschuldigend ondertoontje. Iets in de trand van, we doen nu iets tegen racisme en voor ‘hen’ en nu zijn ze er niet. Is dat niet het zoveelste bewijs van hun gebrek aan integratie, weerklinkt dan steeds als een retorische vraag.
Opvallend is echter dat de primeur van deze tendens gepaard gaat met een foto van deze 0110-concerten waar zonder veel moeite te doen tientallen allochtonen te tellen zijn. Bovendien behoeft men echt geen zeer dure en tijdsrovende onderzoeksjournalistiek te bedrijven om te weten te komen dat een groot aantal allochtonen niet alleen bezoeker was van het evenement, maar er ook actief aan meewerkte om die dag te realiseren. En dan spreken we nog niet over de vele allochtonen die actief waren in de vele zaken rondom het terrein (6). Dan brengen we tevens nog niet in rekening dat de aangeboden muziek op deze festivals nu niet echt als multicultureel kan omschreven worden en dat de 0110 –concerten samenvielen met het Suikerfeest. Dat is dus een beetje alsof allochtonen allerhande Raï-groepen zouden programmeren voor een concert tegen racisme op kerstavond en dan uitschreeuwen: waar zaten die autochtonen?
Bekijken we dit nu door het prisma van de interculturele dialoog en participatie, dan merken we verschillende zaken. Ten eerste is duidelijk dat participatie afhangt van je eigen voorkeur. We kunnen niet verwachten dat iedereen over de culturele codes, de culturele taal beschikt om een opera te appreciëren zolang deze competenties ongelijk verdeeld zijn. We worden allen opgevoed in een bepaalde omgeving waar bepaalde culturele praktijken normaal zijn en andere niet. Participatie zal dus sowieso afhankelijk zijn van de aangeleerde voorkeuren. Op een raï-avond zul je bitter weinig autochtonen aantreffen, net zoals je in de opera bitter weinig laaggeschoolden zal mogen verwelkomen. We kunnen dat betreuren, maar het antwoord is niet: geef de mensen die niet participeren de schuld. We komen dan onvermijdelijk bij de structuur van onze samenleving en van de verschillende instellingen terecht. Bovendien merken we dat ‘de allochtonen’ wel degelijk aanwezig waren (ondanks allerlei drempels) maar dat dit gewoonweg niet gezien werd door onze media.
Ook al laten allochtonen hun stem weerklinken, ze worden zelden gehoord. Dat is blijkbaar de les die we hieruit leren. Een les die trouwens keer op keer herhaald wordt in het licht van aanslagen. Na de moord op Theo van Gogh bijvoorbeeld hebben ongeveer alle allochtone middenveldorganisaties en bekende allochtonen deze gruwelijke moord luidkeels veroordeeld. Ze verstuurden persberichten en posten artikels om hun websites, toch slaagde onder andere Siegfried Bracke (VRT) erin om te vragen waarom we de gematigde moslims niet horen, waarom ze die daden niet afkeuren en waarom ze geen grote betogingen organiseren. Dat was lang niet de eerste keer, het is een constante sinds 9/11.
Lessen in communicatie en marketing
Tom Naegels, schrijver van de 'multiculturele roman' LOS en columnist bij De Standaard, schreef in 2005 een column “integratiemarketing”. Met lede ogen had hij aangezien dat de berichtgeving over het offerfeest de dominante beeldvorming bevestigde: “het Offerfeest, zoals getoond in alle grote media, bevestigde het beeld van moslims als wrede, bloeddorstige mensen.” (7) Hij vroeg zich vervolgens twee zaken af. Één: is dit de schuld van de media? "Voor een deel wel." Twee: hoe kan het beter? Als antwoord op deze laatste vraag houdt hij een onverkort pleidooi voor integratiemarketing: “Maar die organisaties die gezien worden als 'vertegenwoordigers van de gemeenschap' zouden er eens over kunnen denken om echt goeie spindoctors, marketeers en communicatie-experts in te huren. Niet als knieval voor het racisme, maar als zelfbewuste promotie. Het gaat de islamofobie niet van vandaag op morgen uit de wereld helpen, maar heeft het zin om, zoals nu, mokkend en mopperend thuis te zitten wachten tot dat als vanzelf gebeurt?” (8)
Zijn pleidooi lijkt op het eerste zicht hout te snijden. Als communicatie in de media verantwoordelijk is voor de slechte beeldvorming, dan kunnen allochtonen die veranderen door gerichte en professionele communicatie. Toch worden er enkele zaken over het hoofd gezien.
1. Dergelijke communicatie is zoals reeds aangestipt uiterst dure communicatie. Lang niet iedereen of iedere organisatie kan het permitteren om een communicatiedeskundige in te huren. De prijzen voor een dergelijke training variëren immers tussen de 500 euro tot enkele duizenden euro’s per dag. Het is dus een training die de ongelijkheid in de samenleving niet alleen bestendigt maar ook verder doet toenemen. De meeste (allochtone) middenveldsorganisaties kunnen dergelijke vormingen gewoonweg niet betalen. Bovendien is zo’n ondersteuning erop gericht om ‘te scoren’ met je boodschap. Meer nog, dat scoren is niet zelden belangrijker dan de boodschap. Ik heb het ‘voorrecht’ gehad om al meerdere van die trainingen te genieten en telkens heb ik het niet kunnen laten om daar de advocaat van de duivel te spelen. Meestal vraag ik het volgde: ik zou graag de boodschap verkondigen in de media, dat de huidige werking van de media onze democratie ondermijnt. Tot nu heb ik nog geen enkele van die communicatiedeskundigen weten ingaan op mijn vraag: ze stellen allen dat dit geen goede boodschap is: lees geen goed verkopende boodschap is. En zo zijn er tal van boodschappen die niet ‘te communiceren’ vallen.
2. Zo komen we bij mijn tweede punt, een punt dat ook Tom Naegels niet helemaal ontgaan is: “Ik weet dat moslims niet dol zijn op integratiemarketing. De meesten die ik ken, hangen de lijn aan dat ze niks fout doen, en dat ze dus ook niet de hele tijd moeten komen tonen hoe lief en ongevaarlijk ze wel zijn. Ze vinden het vernederend, een knieval voor het racisme.” (9) Hij voegt er nog aan toe dat hij het kan begrijpen. Maar, zegt hij, er is niets vernederend aan investeren in ‘communicatie’: alle grote bedrijven en politieke partijen doen het, dus waarom de moslims niet? Er zijn hier twee redenen voor De eerste is reeds aangehaald door Naegels zelf: namelijk dat deze vraag, “waarom veroordelen moslims niet en masse en zeer duidelijk zichtbaar in de media of in de straten deze wandaden niet” natuurlijk vertrekt van een twijfelachtige premisse: namelijk dat alle moslims deze daden zouden steunen als ze er zich niet publiekelijk van distantiëren. Het is trouwens een oproep die je enkel maar hoort als het over moslims gaat. Er wordt in de media nooit gevraagd waarom de katholieken zich niet openlijk distantiëren van de pedofilie in de kerk, net zoals je de oproep niet hoort als in de VS terug een anti-abortusgroep een abortuskliniek bestormt of zelfs aanslagen pleegt enz enz. Bovendien hebben moslims al lang geleerd dat ze dit moeten doen, en kwijten ze zich sinds jaren plichtsgetrouw van de hun opgelegde taak, alleen lijkt dat niet veel te veranderen. Er wordt nog altijd gesteld dat ‘we ze niet horen’.
Maar er is meer: het niet willen meedoen aan integratiemarketing heeft ook te maken met het basale feit dat het een illusie is dat de moslims in Vlaanderen slechts een gedeelde boodschap hebben. ‘De moslims’ zijn niet te vergelijken met Coca Cola of een politieke partij. ‘De moslims’ zijn even heterogeen samengesteld als ‘de Vlamingen’ of de ‘Belgen’. Bovendien is er dan nog het feit dat het zich beroepen op communicatiedeskundigen er ook voor zorgt dat je onderwerpt aan de opgelegde formatering en verkleutering. Je moet je met andere woorden aanpassen aan de 12 seconden regel, slechts een duidelijke, goed verkopende boodschap brengen met liefst zo weinig moeilijke woorden. Dat dit natuurlijk zeer vergaande consequenties heeft op je boodschap, op wat je kan ‘communiceren’ en wat je niet kan communiceren, staat buiten kijf. Hier komen we straks nog op.
3. Een derde probleem met dit pleidooi vinden we in het impliciet uitgangspunt dat moslims nu niet goed communiceren. Nochtans zijn er wel degelijk allochtonen/moslims en organisaties die het woord voeren in onze media. Het zijn er nog altijd te weinig, maar ze zijn er wel. We hebben het dan over mensen als Tarik Fraihi, Dyab Abou JahJah, Nadia Fadil, Sami Zemni, Naïma Charkaoui, … Nemen we Dyab Abou Jahjah als voorbeeld, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat hij zeer sterk ‘communiceerde’: zijn boodschap was scherp, bondig, sensationeel, en hij leefde onder zijn achterban. Volgens alle criteria een ‘goede communicator’ dus. Zó goed, dat die andere ‘goede communicator’, Filip Dewinter, het niet haalde in een debat met hem en prompt opstond en de televisiestudio’s verliet. Toch was JahJah al snel het voorwerp van een heuse demonisatiecampagne dat eindigde met een premier die opriep om desnoods de wet te veranderen om hem achter tralies te krijgen. Wat is hier aan de hand. Waarom heeft deze goede communicator niet geleid tot een afname van islamofobie, maar misschien net integendeel tot een toename van islamofobie? Wat Naegels niet lijkt op te merken is dat de betekenis van woorden niet inherent is aan het woord zelf, maar dat die betekenis toegekend wordt door de luisteraars. Of anders gezegd, betekenisconstructie is een dialogisch proces. Blommaert stelt het als volgt:”Value, meaning, and function are a matter of uptake, they have to be granted by others on the basis of the prevailing orders of indexicality, and increasingly also on the basis of their real or potential ‘market value’ as a cultural commodity.” (10) Het volstaat dus niet om ‘goed te communiceren’, de luisteraars moeten bereid zijn om de betekenis van de woorden te onderschrijven. Vandaag is het als moslim bijna onmogelijk om controle te hebben over je communicatie, want zelfs als je ‘gematigd’ bent, is de kans toch nog groot dat je gezien wordt als een salafi of fundi die aan taqiya doet. De marktwaarde van een intercultureel en democratisch discours uitgesproken door een moslim is behoorlijk laag in het Vlaamse gemediatiseerd debat.
Is het omdat je in zijn taal hoorde dat hij geen native speaker was? Of was het een gevolg van het feit dat hij geen autochtone Belg was? Of, en dat lijkt me aannemelijker, had men net een probleem met zijn inhoudelijke boodschap. Ik denk dat het mengeling is van alle voorgaande, maar vooral die laatste reden lijkt me doorslaggevend: het racisme in Vlaanderen, van Vlamingen aankaarten is het werkelijke taboe. Dat is een van die boodschappen die je niet verkocht krijgt. En daar ligt een van de kernproblemen, niet alle boodschappen vallen te communiceren in de hypercompetitieve ruimte van onze media.
4. En zo komen we bij een vierde probleem bij deze oproep om massaal aan ‘integratiemarketing’ te doen: marketing speelt in op bestaande overtuigingen. De boodschap moet inhaken op de leefwereld van tante Jeanne, zo leert men ‘communicatie’ aan. Met die marketing bestendig je dus best reeds bestaande denkbeelden. Het is al een veel complexere oefening om tegen deze tendensen in te gaan want dan scoor je maar zelden. Meestappen in integratiemarketing zorgt er dus bijna onvermijdelijk voor dat scoren op de eerste plaats komt te staan, terwijl de boodschap naar de achtergrond verdwijnt. De kans is uiterst reëel dat je je zaak weinig vooruit helpt hiermee en dat je dus voor een groot stuk meesurft op de door de media gecreëerde stem van de publieke opinie. Dat is natuurlijk een probleem, als je net die opinie en het aandeel van de media in de constructie van deze stem op de korrel wil nemen. Met deze boodschap scoor je niet bij tante Jeanne. Bovendien stel je ook de formatering van het maatschappelijk debat niet aan de kaak, maar bestendig je net die formatering. Dat laatste lijkt me een van de kernargumenten tegen integratiemarketing te zijn.
5. Mijn vijfde punt zit al verweven in alle voorgaande punten en is zo cruciaal dat het nog eens expliciet mag gemaakt worden. De integratiemarketing legt zich onvermijdelijk neer bij de huidige werking van onze mainstreammedia. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van deze media wordt niet in vraag gesteld. Nochtans is dat een uiterst belangrijke kwestie: het zijn immers de media die bepalen wie wel in beeld komt en wie niet, welke boodschap nieuwswaardig is en welke beter niet gehoord wordt. Hierin meegaan is eigenlijk onbegrijpelijk als men als doelstelling heeft de realiteit te veranderen. In plaats van het structurele probleem aan te pakken, moeten individuen zich organiseren, een boodschap uitdenken, peperdure communicatiedeskundigen onder de arm nemen om te communiceren zoals de media het graag horen. De verantwoordelijkheid wordt (voor de zoveelste maal) bij ‘de allochtoon’ en ‘de moslim’ in het bijzonder gelegd. Dat is uiterst problematisch, daar onze media vandaag zowel de inhoud als de architectuur van ons maatschappelijk debat uittekenen. En daar zijn behoorlijk wat zaken aan op te merken, en trouwens niet uitsluitend in het licht van de interculturele samenleving. Net daar moet aan gesleuteld worden. Een van de grote problemen in het gemediatiseerd debat, is immers het gebrek aan ruimte om de complexiteit van de samenleving te duiden in het spervuur van oneliners en bitse commentaren. Die verkleining van het perspectief in dat debat zorgt voor een stijging van het aantal stereotypen en een uitermate culturaliserend discours dat nagenoeg ongenaakbaar is. Het is immers een discours dat perfect inhaakt om die dominante formatcultuur. Een van de problemen is dus, dat de voorwaarden voor een deftig debat en een deftige beeldvorming niet aanwezig is. Dat is dus een prioritair strijdpunt van vele allochtonen, een strijdpunt dat integratiemarketing als onverkoopbaar aan de kant schuift.
6. Een laatste element dat ik in dit verband wil meegeven is het feit dat men er van uit gaat dat die negatieve beeldvorming ligt aan ‘hun communicatie’. Men gaat er dus vanuit dat het niets te maken heeft met de machtsverhoudingen in de samenleving, de sociaalculturele en economische positie van allochtonen, met hun opleidingsniveau en misschien nog belangrijker: hoe wij kijken naar hen? Met het feit dat ‘wij’ de macht in handen hebben om zowel het beeld over onszelf te creëren als het beeld over ‘de moslim’, maar dat die moslims slechts een zeer beperkte macht hebben om zichzelf te definiëren. Dit alles los je niet op door ‘te communiceren’, je lost het pas op door ongelijkheid aan te pakken.
En waar blijven de allochtone journalisten, mediamakers, bedrijfsleiders?
In dit licht is het verbazend dat we de vraag “waar zaten de allochtonen” wel te horen krijgen als het over “hun participatie” gaat in theater, op de 0110–concerten, barbecues, en zo, maar dat die vraag zelden of nooit opduikt als we nadenken over bijzonder lage aantal allochtone journalisten, mediamakers, bedrijfsleiders en politici. Daar vindt men het blijkbaar normaal dat er weinig allochtonen zijn (“ze zijn er niet” weerklinkt dan niet zelden). En als er dan toch eens over nagedacht wordt, komt men al snel bij de klassieke oneliner in deze: “we vinden ze niet”. Nochtans zijn ze er wel, ze solliciteren massaal voor de betalende stages binnen de VRT, ze vinden hun plaats bij Kif Kif, bij De Wereld Morgen, bij Stampmedia… Ze zijn er dus wel, maar ze worden zelden gezien en vaak nog minder op hun kwaliteiten beoordeeld. Het feit dat men zo lichtzinnig over de vraag gaat waar die allochtone prominenten zijn, toont de werkelijke malaise van vandaag: we stellen onszelf zelden in vraag. De roep om de taboes te doorbreken weerklinkt dan wel luid, het gaat altijd over ‘hun taboes’, nooit over ‘onze taboes’.
Meer nog, het feit dat allochtonen zelden tot op de hoogste niveaus geraken in onze samenleving lijkt helemaal geen issue te zijn. De structuur van onze samenleving wordt maar zelden bevraagd in de media, men communiceert liever ‘over de taboes’ die bij hen moeten sneuvelen. Racisme lijkt een uiterst marginaal fenomeen als we de mediawereld als de echte wereld zouden beschouwen. De sociaaleconomische ongelijkheid tussen allochtonen en autochtonen haalt soms het nieuws, maar dat lijkt geen impact te hebben op allerlei commentaren en analyses van sociale gebeurtenissen in onze multiculturele samenleving. Het zorgt er niet voor dat we sommige stemmen gewoonweg als ‘zeveraars’ boekstaven en hun discours laten voor wat het is. Integendeel, de cijfers zijn uiterst duidelijk: zowel de armoedecijfers als de werkloosheidscijfers bij allochtonen zijn ronduit dramatisch. En toch blijft het discours over hun culturele achterlijkheid als dé verklaring voor de meest uiteenlopende zaken de boventoon voeren. Meer nog, allochtonen komen zelden zelf aan het woord in deze analyses, ze zijn gewoonweg geen communicatiepartner. En als ze dan toch een stem krijgen in het maatschappelijk debat worden ze niet gezien als autoriteiten of deskundigen, maar als betrokken partij: ervaringsdeskundigen. Ze kiezen ervoor om zichzelf te verdedigen. Als moslims terrorisme afdoen als tegen ‘de islam’, wordt dat niet gezien als een afkeuring van terrorisme, maar als een afschermen van de islam. Hun communicatie krijgt dus behoorlijk minder waarde toegekend, ze wordt eenvoudig weg niet geloofd.
Het probleem is dus als volgt: allochtonen bevinden zich proportioneel meer in de lage regionen van de samenleving. Ze verdienen doorgaans minder dan autochtonen en zitten vaker in de werkloosheid. Allochtonen stromen veel te weinig door naar de universiteiten. De hooggeschoolde allochtonen vinden bovendien veel minder snel een job op hun niveau dan hun autochtone collega’s. Bovendien hebben vooral de moslims het zwaar te verduren de laatste decennia. Ze zijn het onderwerp van een hevig maatschappelijk debat die ‘hun cultuur’ als uiterst problematisch omschrijft. Zelf hebben ze in dit maatschappelijk debat bitter weinig in de pap te brokken. Al deze zaken zijn geen problemen eigen aan hen, aan ‘hun cultuur’ en wie ‘ze zijn’, maar zijn structurele problemen eigen aan de structuur van onze samenleving, de sociologische realiteit van de migratie, de economische situatie van ons land... En net door hun positie in de samenleving hebben ze bijzonder weinig impact op die structuur. Ze moeten er zich naar schikken, en hun strijd om rechtvaardigheid wordt ontkent en gezien als arrogant. Maar ze moeten wel participeren, ze moeten aanwezig op 0110, ze moeten communiceren in de media, ze moeten zich distantiëren van geweld in naam van hun religie, ze moeten onze taal spreken, ze moeten hun religieuze symbolen thuislaten, ze moeten… De structuur van onze samenleving staat echter zelden ter discussie, terwijl dat natuurlijk de kern van het probleem is. De beeldvorming over ‘hen’ is uiteindelijk een gevolg van die ongelijkheid en je kan die ongelijkheid niet ‘wegcommuniceren’. Als je die ongelijkheid en de negatieve beeldvorming wil aanpakken, dan heb je structurele maatregelen nodig. En die zijn eigenlijk weinig verschillend met de maatregelen die we genomen hebben in de laatste 5 decennia om de gelijkheid tussen man en vrouw dichterbij te krijgen, de maatregelen die we in jaren 1960 uitdachten om arbeiderskinderen naar de universiteit te krijgen. Het zijn structurele maatregelen op politiek, economisch en sociaal vlak. We moeten ervoor zorgen dat allochtonen steeds beter opgeleid worden, steeds beter doorstromen naar universiteiten en hogescholen. We moeten het racisme in onze samenleving daadkrachtig bestrijden. We moeten de verstikkende norm van het Algemeen Nederlands in vraag durven stellen. We moeten de huidige werking van onze mainstreammedia op de korrel nemen en daar terug ruimte maken voor een diepgaand debat. Enzoverder. Dat zijn natuurlijk allemaal veel complexere oefeningen dan ‘de moslims’ viseren, ze verplichten onze waarden en normen te leren en aan te hangen en luidkeels te roepen dat hun cultuur niet compatibel is met onze waarden. Deze maatregelen vergen moed, net omdat ze ingaan tegen de gangbare consensus.
Gemediatiseerde communicatie, de samenleving en ongelijkheid
Conclusie van dit alles: er bestaat niet zoiets als een machtsvrije dialoog. Elke dialoog is een gesprek tussen mensen die een verschillende posities bekleden in de samenleving, minder of meer elementen ter beschikking hebben om hun punt te maken. En minder of meer geloofwaardigheid worden toegedicht door de lezers. De werkelijke inzet is dus niet het ‘goed doen communiceren’ van ‘de moslimgemeenschap’ door het inhuren van communicatiedeskundigen. Het gaat niet zozeer om het oplossen van een communicatieprobleem, maar net om de randvoorwaarden te creëren zodat deze dialoog mogelijk is, dat ook ‘hun communicatie’ mag circuleren en ook gehoord wordt. Dat doen we niet door hun op inburgeringscursus te sturen en hen een communicatiebureau aan te smeren.
Het betekent wel dat we structurele maatregelen moeten nemen om de ongelijkheid in de samenleving aan te pakken. En dat is geen zaak van ‘communicatie’ maar van daadkracht, van doen en tegen de huidige stroom in te gaan. Communicatie is geen oplossing voor zeer reële, vooral materiële en structurele problemen in onze samenleving. Kortom willen we sleutelen aan de beeldvorming, dan moeten we niet massaal gaan inzetten op communicatietrainingen voor iedereen die niet goed in beeld komt. We moeten dan wel inzetten op twee elementen. Ten eerste moeten we ervoor zorgen dat die benadeelde groepen zelf de instrumenten in handen krijgen om hun beeldvorming mee te bepalen. Dat betekent dat we moeten sleutelen aan de ongelijkheid in de samenleving in het algemeen en in de media in het bijzonder. Eenmaal de ongelijkheid verdwijnt, zullen ook meer allochtonen in het nieuws komen als expert, politicus of bedrijfsleider in plaats van dader of ervaringsdeskundige in het ‘allochtoon-zijn’. Het tweede punt zou eigenlijk vanzelfsprekend te zijn, en dat punt gaat over de meest invloedrijke actor van beeldvorming in onze samenleving: namelijk de media. Ook journalisten zijn zich vaak bewust van die impact van de media, maar dat lijkt dan vooral pro forma te zijn. Want niet zelden ontslaan ze die media van hun verantwoordelijkheid in die beeldvorming door te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de partij die het slachtoffer is van die beeldvorming. Nochtans is het van cruciaal belang te onderstrepen dat de media, en de journalisten in het bijzonder, wel degelijk een verantwoordelijkheid dragen in deze. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van het journalistieke metier om gedegen journalistiek te bedrijven en dus ook de allochtonen correct in beeld te brengen.
Ico Maly is licentiaat in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen en post-licentiaat in de Ontwikkelingssamenwerking. Hij publiceert al jaren over beeldvorming en islam, racisme, en het Israëlisch-Palestijnse conflict. Hij is hoofdredacteur van Kif Kif Mediawatch.
Bronnen:
(1) BLOMMAERT (J.) & Van Avermaet (P.) 2008: Taal, onderwijs en de samenleving • De kloof tussen beleid en realiteit. EPO, Berchem.
(2) HYMES (D.). Etnography, Linguistics, Narrative inequality: Towards an understanding of voice. London: Taylor and Francis, 1996.
(3) BLOMMAERT (J.). Discourse. A critical introduction. Cambrige: Cambridge University Press, 2005.
(4) BLOMMAERT (J.). Communicatie en Spin. Kritiek van een modebegrip. Brussel, VUBPRESS, 2009.
(5) BAUMAN (Z.). Culture as Praxis. London, Sage, 1999.
(6) Indymedia, [0110] Waar waren de allochtonen: http://www.indymedia.be/?q=node/4577
(7) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(8) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(9) NAEGELS (T.). Spijkerschrift: Integratiemarketing. In De Standaard, 29 januari 2005.
(10) BLOMMAERT (J.). Discourse. A critical introduction. Cambrige: Cambridge University Press, 2005.





