about
Toon menu

Het einde van de psychotherapie. Alors on danse?

Wanneer las je voor het laatst een boek waarin Freud en Marx broederlijk in één zin stonden? Ofwel was dat ergens in de jaren zeventig, toen je nog wilde haren had, ofwel ben je jonger en ken je die namen alleen vaag van... ja, welke les was dat nu ook alweer?
vrijdag 20 augustus 2010

In beide gevallen, en in alle andere, is Paul Verhaeghe’s Het einde van de psychotherapie een echte aanrader. De Gentse professor psychologie zoekt naar een nieuw verhaal voor de psychotherapeuten van vandaag. Onderweg legt hij ons uit wat een mens is en neemt hij uiterst grondig en onderbouwd de hedendaagse psychiatrie en farmaceutische sector op de korrel.

Zot zijn doe je samen

Freud heeft altijd moeite gedaan om wat hij ontdekte over de menselijke geest te verwerken in interessante analyses over de hele maatschappij. Paul Verhaeghe doet hem dat na. Hij bewijst eens te meer dat een gezonde kijk op de menselijke psychologie nodig is om ook de wereld rondom te kennen en te begrijpen.

De rode draad door het boek is een vraag. Waarom werken de klassieke therapievormen – zoals de psychoanalyse, met sofa en vrije associatie – steeds minder? Interessant is dat Verhaeghe, in tegenstelling tot veel anderen, niet zegt dat het aan de patiënten zelf ligt. De auteur neemt onze hele samenleving in het vizier. Hij legt de band tussen politiek, economie en de mens als individu.

Het ‘nieuwe kapitalisme’, stelt hij, met haar roekeloze arbeidsritme en marktgerichte logica, tast stabiele sociale relaties aan. Een voorbeeld van eigen makelij: heel vaak is het gezinsleven het eerste slachtoffer van zowel overdreven werkdruk als werkloosheid. Hetzelfde geldt voor een solidaire sfeer op het werk. Nochtans hebben we, als kind en als volwassene, een ‘veilige thuis’ nodig om voor onszelf en samen met anderen een stevige identiteit op te bouwen. Het leert ons om onze driften te controleren en een zin in het leven te zien. Vallen er te veel zekerheden weg, dan krijg je wat de auteur omschrijft als een steeds groter wordende groep ‘anonieme individuen in tijden van eenzaamheid’…

Wat pillen willen

Het is evenmin toevallig, vervolgt Verhaeghe zijn betoog, dat ondertussen verhalen hoogtij vieren die alle psychische problemen afschuiven op het individu (in plaats van ze in hun maatschappelijke context te plaatsen). De opgang van biologisering (‘blame the body’!) en van kant en klare diagnoses gaan hand in hand. Het zijn jouw genen, jouw hormonen, jouw problemen. Je bént ADHD’er, depressief, schizofreen. Een politieke, sociale of economische context is er niet. En vooral: behalve pillen slikken, kan je er niets aan doen.

De hoeveelheid filosofische argumenten om de hedendaagse psychiatrie aan te pakken, blijft in het boek binnen de perken. De auteur bedient zich eerder van een hele hoop data en conclusies uit divers wetenschappelijk onderzoek. Het maakt zijn verhaal een stuk sterker.

De laatste twintig jaar is in naam van de wetenschap het ene na het andere syndroom toegevoegd aan de Diagnostical and Statistical Manual of Mental Distorders, de hedendaagse bijbel van de psychiatrie. We denken aan aan ADHD, allerlei depressies en zelfs ‘maatschappelijk ongewenst gedrag’ …

Of DSM echt een bijdrage tot de wetenschap betekent, is zeer de vraag. Zo kan je volgens de ‘wetenschappelijke’ definitie op 256 verschillende manieren borderline ‘zijn’ (je moet aan 5 van 9 kenmerken voldoen). En toch zijn deze diagnoses meer en meer een dwingend kader waar therapeuten niet buiten mogen. Nog erger, aan elke prefabdiagnose hangt ondertussen een verplichte dosis medicatie vast.

Over dit laatste is Verhaeghe duidelijk. Niet alleen beschrijft hij uitvoerig hoe overschat het therapeutische effect van veel medicijnen is. Hij wijst eveneens op de ongezonde greep van de farmalobby op het wetenschappelijk onderzoek naar die producten.

Minder mens, nieuwe patiënten

De overdaad aan biologie en readymadediagnoses is op twee manieren erg ingrijpend.

Enerzijds leven we voor de auteur in ‘het tijdperk der onschuldigen’. Wie zich slecht voelt en ondertussen andere mensen kwetst, kan het altijd op de genen steken. De persoonlijke verantwoordelijkheid, toch een belangrijk iets als mens, gaat verloren. Op dit punt is Verhaeghe ook streng voor de eigen winkel. Want waren er vroeger niet heel wat psychotherapeuten die alles – of toch veel – reduceerden tot ‘een ongelukkige jeugd’? Zo gaven ze zelf de aanzet tot de opkomst van een onbehandelbare onschuld.

Een tweede zaak is essentieel voor therapie en zoveel meer. Genen en hormonen vallen niet zomaar te veranderen, je kan ze hooguit uitzetten. De psychiatrische aanpak van vandaag stuurt dus aan op ‘verdoving’ als therapie. Waar dit boek veeleer een pleidooi is voor het omgekeerde: ‘meer mens’ en meer bewustzijn (de symptomen die het leven te moeilijk maken bewust gaan bewerken via de band met de therapeut). Met DSM en pillen als breekijzer biedt het ‘nieuw kapitalisme’ ‘minder mens’ aan als oplossing voor de menselijke reactie op een zeer harde samenleving.

Zodoende krijgen therapeuten steeds meer mensen over de vloer die voor hun menselijke onvolkomenheden geen woorden vinden. Ze hebben ‘geen geschiedenis’, krijgen die niet gedacht of uitgelegd en werken alles lichamelijk uit. Op hun eigen lijf eerst, dan op dat van anderen.

Freud moest met de Weense burgers op zijn sofa een therapeutische relatie – overdracht – zien op te bouwen met als doel stap voor stap met hen hun ‘zijn’ uiteen te halen en weer steviger ineen te puzzelen. De uitdaging voor de nieuwe therapeuten is net omgekeerd. Ze moeten samen met hun patiënten op zoek naar aanknopingspunten om een echte identiteit op te bouwen.

Een voorbeeld uit het boek. Er is een jongen die al sinds zijn geboorte van instelling naar instelling verhuist. Zijn vader is spoorloos, zijn moeder zit in een psychiatrische instelling. Alles loopt vlot tot zijn puberteit, maar dan botst het. Steeds harder en harder: hij is agressief, pleegt een diefstal, loopt weg. De therapeut is ervan overtuigd dat de jongen een geschiedenis nodig heeft, en stapt met hem in de auto, op zoek naar de vader. De man blijkt inmiddels overleden te zijn. Ze horen niet veel goeds over hem, maar iemand weet te vertellen dat hij “een goeie stielman” is geweest. En daar maakt de jongen zijn verhaal van. Hij wordt metser, een goeie…

Linkse militanten en de overdracht

Wat kunnen we als niet-therapeuten met zo’n boek aanvangen?

Eerst en vooral is, wie op zoek is naar een goede, maatschappelijk ingebedde kritiek op de hedendaagse psychiatrie, bij Paul Verhaeghe aan het juiste adres.

Verder is het interessant om een bijzonderheid uit het boek te lichten. Wat Verhaeghe als geen ander weet uit te leggen is de functie van ‘de overdracht’, de relatie tussen patiënt en therapeut. Wie meer uitleg wil over dit concept leest best grondig het boek. Verhaeghe schat de invloed van een goede overdracht voor een geslaagde therapie zelfs hoger in dan die van het gevolgde therapeutische concept, zoals analyse, gedragstherapie, pillen…

Op dit punt valt een onmiskenbare link te leggen naar wat we ‘politieke overdracht’ kunnen noemen. Wie aan politiek doet, bouwt immers evengoed relaties op met het brede publiek, bepaalde groepen mensen, als collega’s en buren.

In het verhaal van de therapeut en de jongen zonder vader, gedraagt de therapeut zich als een militant: iemand die kennis en ervaring inzet om ‘meer mens’ te maken. Ook al is zijn engagement niet politiek.
We moeten ons afvragen of ‘overdracht’ op dezelfde manier niet de meest centrale factor is in de politiek van onderuit, waarbij politieke militanten en gewone mensen samen het soort relaties opbouwen die veilig en hecht genoeg zijn om een strijd te winnen.

En in die zin wordt het dan ook hoog tijd dat de socialisten en marxisten van vandaag de zoektocht naar de meest werkzame ‘politieke overdracht’ centraal gaan stellen in hun denken, analyses en werk, in plaats van elkaar een steriele concurrentie aan te doen over de ‘meest heilzame therapie’ - op politiek vlak: de ismes en hun afgeleiden.

Laat ons niet teveel tijd meer verliezen. De miljarden van de crisis zijn immers evenzeer een bittere pil om te slikken.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

4 reacties

  • door JohnnyVanHove op vrijdag 27 augustus 2010

    mooi dat dit aan bod komt en erg fijn dat er over de theorie van Erich Fromm/Herbert Marcuse nog wordt nagedacht - ik neem aan dat Verhaeghe uitvoerig naar hen verwijst (ik zag hun namen niet meteen staan in het artikel)...?

    • door Natan Hertogen op maandag 30 augustus 2010

      Verhaeghe vertrekt in het boek vanuit Freud en Lacan om samenlevingskritiek te geven. Marx lijkt hij heel even op te voeren als symbool voor het soort maatschappijkritiek dat hij geeft, zonder daar uitvoerig op in te gaan. Hij verwijst dus opvallend genoeg niet naar Fromm, Marcuse, Reich... Waarschijnlijk omdat het doel van het boek niet is, en misschien uit een soort terughoudendheid tegenover die denkers. Al maakt hij wel de intellectuele opening ervoor. Het is dan ook echt een boek over welke therapie vandaag werkt en waarom (of omgekeerd). Wie dat allemaal wel doet is bvb. Zizek.

  • door Peter Bormans op vrijdag 27 augustus 2010

    Szasz, Foudraine, Laing, Fromm...ik heb ze allemaal gelezen en inmiddels al weer lang weggedaan. Freud en Marx sluiten elkjaar inderdaad helemaal niet uit, n'en déplaise dogmatische marxist-leninisten. De naam die dan het eerst opkomt is die van Reich natuurlijk. Jammer dat die zelf een beetje gaga geworden is in de States. Hij had een goeie synthese kunnen maken, zoals hij dat overigens al gedaan heeft in zijn boek over de massapsychologie van het fascisme.

  • door Jo Labens op vrijdag 27 augustus 2010

    Eindelijk nog eens een verantwoorde analyse

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties