about
Toon menu

Voorbij individuele gedragsverandering: een pleidooi voor een herpolitisering van milieuactie

De heilige graal van duurzame ontwikkeling is vandaag ‘individuele gedragsverandering’, aldus Tim Jackson. Op deze tendens gaan we in dit artikel dieper in. Dit is een pleidooi - voorbij individuele gedragsverandering - voor een herpolitisering van milieu-actie.
woensdag 7 april 2010

Anneleen Kenis

Milieubeweging op een nieuw spoor?

De milieubeweging lijkt vandaag op een nieuw spoor. Het is niet langer wij tegen zij, niet langer op de barricades of met kettingen vastgeklonken aan de poorten van een industrieterrein. Het protestmodel hangt in een kadertje aan de muur als herinnering aan vervlogen dagen. Win-winsituaties zijn het nieuwe ordewoord, evenals consumentengedrag, lobbying, multipartijensamenwerking, en vooral niet anti of tegen zijn.

Deze heroriëntering komt niet uit de lucht gevallen. Zowel in het beleidsdiscours als in de academische literatuur vinden we soortgelijke tendensen terug.

Eén opvallende trend daarbij is de groeiende focus op individuele gedragsverandering als dé ultieme oplossing om de klimaatverandering en andere ecologische problemen tegen te gaan (o.a. Defra, 2008; Kollmuss & Agyeman, 2002; Stevenson & Keehn, 2006). Zoals Professor Tim Jackson (2005) stelt: ‘Gedragsverandering is in sneltempo een soort van heilige graal aan het worden wat duurzame ontwikkeling betreft’ (p.121). Je hoeft niet ver te kijken om vast te stellen dat individuele gedragsverandering een belangrijke focus is van tal van milieubewegingen vandaag. 

Weer de peer, Blije bloemen of Met belgerinkel naar de winkel, u kent de campagnes wellicht allemaal. Ze moedigen mensen aan in het eigen individuele leven het milieu minder te belasten, door bijvoorbeeld afval te sorteren, biovoeding te kopen of de waterkraan dicht te draaien tijdens het tandenpoetsen.

Even opvallend is dat er daarbij de laatste jaren een tendens is om mensen steeds minder aan de hand van kennis tot deze gedragsverandering aan te zetten. Meer kennis zou immers niet tot het gewenste resultaat leiden (o.a. Jackson, 2005; Kollmuss & Agyeman, 2002). Ondanks een stijgende kennis van de milieuproblematiek blijven heel wat mensen de auto verkiezen boven de trein, gloeilampen boven spaarlampen en hamburgers boven bonen. Daarom verlegde men de voorbije jaren de focus naar andere maatregelen zoals economische stimulansen of marketingtechnieken die het gedrag van mensen op een meer directe wijze beïnvloeden (Aertsen et al., 2009; Jackson, 2005; McKenzie-Mohr & Smith, 1999). 

Voorbeelden hiervan zijn campagnes die het gewenste milieuvriendelijke gedrag trachten te bevorderen door het te koppelen aan positieve emoties zoals vrijheid, vriendschap of seks1. Hierbij wordt echter iets te snel aan de vraag voorbij gegaan waarom meer kennis van de milieuproblematiek niet altijd tot de gehoopte individuele gedragsverandering leidt.

In wat volgt zal ik ingaan op het concept van individuele gedragsverandering dat vandaag, al dan niet expliciet, de centrale focus van heel wat milieuorganisaties dreigt te worden, en een aantal kritische bedenkingen formuleren bij de theoretische modellen die rond dat concept werden opgebouwd2.

Enkel de onmiddellijke impact telt
Over de marginalisering van indirecte milieuacties

Om te beginnen: wordt er met een focus op individuele gedragsverandering niet voorbijgegaan aan een hele waaier van acties die verder gaan dan het minimaliseren van de eigen negatieve milieu-impact door te werken aan meer fundamentele en structurele verandering (Clover, 2002)? Het onderscheid tussen deze twee soorten van acties wordt in de literatuur vaak aangeduid als het verschil tussen zogenaamde directe en indirecte milieuacties (Jensen & Schnack, 2006). Daarbij staan directe acties voor acties die de impact op het milieu onmiddellijk reduceren, zoals recycleren, minder met de auto rijden of biologisch voedsel kopen. Indirecte milieuacties zijn bijvoorbeeld petities, manifestaties of het schrijven van lezersbrieven.

Een eerste bedenking is dat dit onderscheid discutabel is (Jensen, 2002). Wanneer mensen bijvoorbeeld de werking van een steenkoolcentrale verhinderen, kan dat een heel directe impact hebben op het vlak van de CO2-uitstoot. Veel milieuactivisten reserveren de term directe actie dan ook precies voor dit soort acties. Een tweede bedenking is dat dergelijke acties door ze vaak niet eens als mogelijke alternetiven te vermelden gedevalueerd of gemarginaliseerd dreigen te worden (Clover, 2002; Courtenay-Hall & Rogers, 2002; Jensen, 2002). Zoals we verder zullen zien, moet de vraag gesteld worden of dit wel terecht is.

Een kwestie van individuele private moraal?

Niet enkel zogenaamde indirecte, maar ook collectieve acties dreigen in deze individuele benadering uit het gezichtsveld te verdwijnen. Het resultaat is een tendens tot individualisering van de oplossingen van de milieuproblematiek (Jensen, 2004).

Ook dat is niet zonder consequenties. Zoals Sandilands (1993) treffend beargumenteert:

‘Het schuift de verantwoordelijkheid in de schoenen van individuen en huishoudens en weg van overheden, bedrijven en internationale instellingen. Het ondermijnt zowel collectief als individueel verzet; het verandert politiek in acties zoals sorteren; ethiek in geen oververpakte producten kopen en milieuactivisme in het meebrengen van uw eigen herbruikbare tas naar de supermarkt. Hoe belangrijk deze acties ook zijn, geen van deze acties maken milieurestauratie publiek of collectief, geen van deze acties houdt een serieuze analyse van de sociale relaties en structuren in die ons in de huidige crisis gebracht hebben.’

Het discours rond individuele gedragsverandering dreigt niet alleen politieke kwesties tot morele te maken, het tendeert ook milieumoraliteit te privatiseren (Courtenay-Hall & Rogers, 2002). Met Chawla & Cushing (2007) moet de vraag gesteld worden of de meest effectieve acties niet collectief en publiek zijn, wanneer mensen zich organiseren om de overheid en industrie onder druk te zetten om in actie te komen voor het gemeenschappelijk welzijn.

Telt enkel de koopkrachtige vraag?

Het probleem met de individualisering en privatisering van de milieukwestie is nog meer uitgesproken in zoverre de focus op individueel consumentengedrag ligt. Genoeg koopkracht hebben wordt dan immers een voorwaarde om actie te kunnen ondernemen. Dit is wat het klassenvooroordeel van de duurzameconsumptiestrategie wordt genoemd (Courtenay-Hall & Rogers, 2002).

De problematische kant hiervan kan het meest duidelijk aangetoond worden vanuit een Noord-Zuidperspectief. Zo beschrijft de bekende ecofeministe Vandana Shiva (2005) bijvoorbeeld hoe de vraag van westerse consumenten naar biovoeding (inderdaad) tot de ontwikkeling van een grootschalige biologische agro-industrie in het Zuiden heeft geleid. Los van het feit dat veel van dit biologische voedsel niet op een ecologische en sociaal rechtvaardige manier gecultiveerd wordt, moet vastgesteld worden dat deze gezondere biologische producten geëxporteerd worden naar het rijke Noorden; terwijl de lokale bevolking het met de minder gezonde, conventioneel geproduceerde gewassen moet doen. Op deze manier worden (neo)koloniale relaties gereproduceerd. De meeste mensen in het Zuiden hebben immers niet de koopkracht om de macht van de consument te laten gelden. De wet van vraag en aanbod verschaft voor hen op geen enkele wijze een manier om in actie te komen. Precies daarom zal de milieustrijd in het Zuiden met andere middelen moeten worden gevoerd, en hetzelfde geldt voor vele mensen en plaatsen in het Noorden. 

De structurele verankering van de milieuproblematiek

Een focus op individuele gedragsverandering stelt nog een ander probleem: men dreigt voorbij te gaan aan de complexiteit van de milieuproblematiek (Jensen, 2002). Of: is de milieuproblematiek niet structureel verankerd in de wijze waarop de maatschappij georganiseerd is (Courtenay-Hall & Rogers, 2002)?

Dit kan op een erg eenvoudige manier geïllustreerd worden. Voor veel mensen zijn de hoge huurprijzen in grote steden onbetaalbaar, zodat zij bijgevolg geen andere keuze hebben dan een huis te kopen op den buiten. Zelfs als dat betekent dat ze elke dag uren moeten pendelen, met alle ecologische gevolgen van dien. Dergelijke eenvoudige voorbeelden laten zien dat het absoluut niet evident is om in eerste instantie naar het individuele niveau te kijken om de kloof te verklaren tussen wat mensen weten over het milieu en wat ze in feite doen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele mensen een zeker scepticisme vertonen als het over individuele gedragsverandering gaat. Opmerkelijk is dat dit scepticisme niet enkel aanwezig is bij mensen die zich weinig of niet engageren, maar ook bij zij die dat wel doen, zoals bleek uit onderzoek dat wij recent verrichtten (Kenis, 2010). Vaak worden vooral morele redenen aangegeven om vormen van individuele gedragsverandering in de praktijk te brengen (‘kwestie van geen slecht geweten te hebben’) zonder echt te geloven dat dit werkelijk op een of andere wijze de grondoorzaken van de milieuproblematiek treft3. Dat niet meer mensen zich engageren in individuele gedragsverandering, kan mogelijk niet alleen te maken hebben met het vaak gehanteerde, en nog steeds erg relevante, concept van klimaatscepticisme (Jones & De Meyere, 2008), maar ook met wat we strategiescepticisme kunnen noemen. 
Bij milieubewuste mensen lijkt alleszins niet de twijfel aan de aard en ernst van de klimaatproblematiek het probleem, noch het gebrek aan bereidheid (om wat voor sociale, psychische, culturele of andere reden dan ook) om daadwerkelijk in actie te komen, maar het ongeloof in de strategie van individuele gedragsverandering die nu dominant is.

Nog opmerkelijker is dat, voor zover er wel nog van klimaatscepticisme sprake blijkt te zijn, dit scepticisme voor een groot deel gebaseerd lijkt op een strategische inschatting(4). Net doordat mensen vaststellen dat er zo weinig structurele maatregelen worden genomen, geloven ze nog moeilijk dat er werkelijk iets reëel ernstigs en gevaarlijks aan de hand is. ‘Want als dit het geval was, dan zou de internationale gemeenschap toch wat serieuzer in actie komen, niet?’ Net door te focussen op oplossingen zoals gedragsverandering, zien velen in het klimaatsdiscours vooral een nieuwe truc van overheid en bedrijven ‘om gewone mensen nog maar eens de buikriem te laten aansnoeren’. Hierbij wijzen ze erop dat dit in het verleden wel vaker gebeurd is, bijvoorbeeld met het soberheidsbeleid. 
Hierbij dient benadrukt dat dit scepticisme niet zozeer beschouwd moet worden als een psychologisch fenomeen, een barrière of ongewenst in te beelden en te participeren in de realisatie gevoel dat overwonnen moet worden door daarvan. Een uitgebreider actiebegrip is nodig: individueel empowerment. Dit scepticisme tegenover de strategie van individuele gedragsverandering, is dikwijls een weloverwogen inschatting op basis van een analyse van de grondoorzaken van de huidige catastrofale milieusituatie. En zelfs als er sprake is van psychologische redenen om niet in actie te komen, moet met Clover (2002) de volgende bedenking worden gemaakt:

‘Ik heb ontdekt dat de twee belangrijkste obstakels die we moeten overwinnen angst en apathie zijn, en dat deze voor erg gegronde redenen in mensen aanwezig zijn’ (p.317). En ze vervolgt: ‘Concientización5 gaat erom mensen uit te dagen om diepere politieke connecties met de bestaande problemen te maken in plaats van deze te zien als louter de inadequaatheid van individuen of gedragsproblemen’ (p. 318).

Met andere woorden, zou het niet kunnen dat precies omwille van het structurele karakter van de milieuproblematiek, acties die vandaag gemarginaliseerd worden als indirect, eigenlijk een centrale rol zouden moeten spelen? En als dat het geval is, moet de taak van de milieubeweging er dan ook niet in bestaan de huidige en toekomstige burgers in staat te stellen om zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak te ageren? Dit houdt in dat mensen in staat gesteld moeten worden zich alternatieve maatschappelijke ontwikkelingen in te beelden en te participeren in de realisatie daarvan. Een uitgebreider actiebegrip lijkt zich op te dringen, één waarin zowel directe als indirecte, individuele als collectieve milieuacties inbegrepen zijn.

Mensen als object of als subject van verandering? 

Zo’n breder actieconcept vraagt een meer uitgewerkte visie over wie de actor van verandering is. Worden mensen vanuit de optiek van individuele gedragsverandering namelijk niet eerder als objecten gezien dan als subjecten van het noodzakelijke veranderingsproces (Courtenay-Hall & Rogers, 2002; Jensen, 2002; Jensen & Schnack, 2006)? 

Dit geldt nog sterker voor alle pogingen om mensen hun gedrag te sturen via de eerder genoemde niet-rationele manieren, zoals allerhande marketingtechnieken (o.a. Aertsen et al., 2009; McKenzie-Mohr & Smith, 1999). Wie mensen hun gedrag op een directe manier wil beïnvloeden (Jackson, 2005) kan zich de omweg besparen om mensen rationeel te overtuigen. Mensen hoeven dan niet zelf hun conclusies te trekken of te beslissen over wat ze veranderenswaard vinden. In het geding is wat men eigenlijk fundamenteel wil bereiken. Als het doel louter gedragsverandering is, dan is het wellicht niet noodzakelijk dat kennis daarvan aan de basis ligt. Gedrag veranderen kan men ook, en misschien zelfs efficiënter, op basis van economische stimulansen, sociale druk of marketingtechnieken. Wil men echter bereiken dat mensen de competentie verwerven om zelf doelgericht in actie te treden, dan krijgen we een heel ander verhaal. Erg verhelderend op dit vlak is Hellesnes (1976) onderscheid tussen conditionering en educatie als twee vormen van socialisatie:

‘Conditioneringsocialisatie reduceert mensen tot objecten van politieke processen welke ze zelf niet als politiek herkennen; een geconditioneerd menselijk wezen is dus eerder een object van sturing en controle dan een denkend en agerend subject. Educatie betekent daarentegen dat mensen gesocialiseerd worden in relatie tot de complexiteiten van het probleem, welke bepalend zijn voor wat rond en met hen gebeurd. Educatiesocialisatie emancipeert mensen tot politieke subjecten’ (p. 18)

Een deel van de individuele benadering van gedragsverandering vertrekt met andere woorden van een soort behaviorisme waarin mensen niet langer als denkende wezens en bewuste burgers beschouwd worden. Op zijn best worden zij als bewuste consumenten beschouwd, maar zelfs dat is niet altijd het geval.
Wat voor verhouding gaan docenten, beleids-medewerkers of onderzoekers die met dit soort gedragsveranderingmodellen werken, aan met hun object, de mensen wiens gedrag gewijzigd moet worden? Maar al te vaak wordt zonder aarzelen over het sturen of beïnvloeden van gedragskeuzes gesproken alsof de onderzoeker, beleidsmedewerker of docent een transparant, gezagsvol en duidelijk zicht heeft op de aard en de richting van de nodige verandering (Courtenay-Hall & Rogers, 2002;

Gough, 2002). Nog eigenaardiger is dat velen zichzelf blijkbaar niet tot deze groep van te modelleren individuen beschouwen. Het is opmerkelijk dat zij voor zichzelf blijkbaar een andere soort activiteit zien weggelegd dan voor andere gewone mensen. Maar wat voor verhouding kennen zij tegenover hun eigen activiteit (het ontwikkelen van campagnes, het schrijven van opiniebijdragen, ...als ze enkel directe milieuacties als relevant beschouwen? En dit wordt des te problematischer naarmate er een elitaire houding binnensluipt tussen wij – de wetenden – en zij – die tot op heden te dom of egoïstisch zijn om hun gedrag in de juiste richting te veranderen.

Dergelijke machtsmechanismen vallen bij uitstek binnen het kader van wat Foucault (1994) gouvernementalité noemde: de macht die burgers tracht te produceren die het best bij haar beleid passen en probeert op die manier effecten te bereiken op populatieniveau (bijvoorbeeld een reductie in de uitstoot van broeikasgassen). De specificiteit ervan bestaat erin dat individuen ertoe gebracht moeten worden zichzelf te reguleren door zichzelf te zien als morele subjecten. Foucault merkte echter ook op dat met elke machtsverhouding verzet gepaard gaat, ook wat subtielere vormen van machtsuitoefening, zoals gouvernementalité, betreft. Vanuit dit oogpunt is het niet verwonderlijk dat heel wat sensibiliseringscampagnes rond milieuvriendelijker gedrag bij veel mensen een felle weerstand oproepen (Kenis, 2010). Eigenaardig genoeg niet enkel, of niet in de eerste plaats, bij mensen die weinig of niet aan gedragsverandering doen, maar ook bij wie zich erg bewust is van de milieuproblematiek en relatief gezien een lage persoonlijke ecologische voetafdruk heeft. Hun kritiek benadrukt de paternalistische en culpabiliserende elementen die in deze campagnes aanwezig zijn.Bovendien verwerpt ze de nieuwe tendens in de milieubeweging om zich van de weinig flatterende reclametechnieken van de bedrijfswereld te bedienen.

Kennis over grondoorzaken, alternatieven en veranderingsstrategieën

Het is opmerkelijk dat men zich bij de zogenaamde kloof tussen kennis en actie niet alleen nauwelijks de vraag stelt of men wel de juiste soort acties op het oog heeft, maar evenmin of mensen wel de juiste soort milieukennis meekregen. Het weten waarvan vertrokken wordt, blijkt immers heel vaak betrekking te hebben op een louter natuurkundige kennis over de aard en de gevolgen van de milieuproblematiek (Rickinson, 2001). Maar als het doel erin bestaat verandering te bewerkstelligen, dan volgt hieruit dat ook de kennis die daarvoor nodig is, in essentie actiegericht moet zijn.

Jensen (2002) onderscheidt vier verschillende dimensies van actiegerichte kennis. De eerste dimensie is de natuurkundige kennis over de aard van de milieuproblemen en de gevolgen ervan. Dit soort kennis kan leiden tot bezorgdheid en angst, welke een aanknopingspunt kunnen zijn voor actie.

Als dit soort kennis geïsoleerd blijft, kan ze echter evenzeer tot verlamming leiden, omdat het geen verklaring biedt waarom deze problemen zich voordoen, laat staan hoe bijgedragen kan worden aan een oplossing ervoor.
Vandaar de noodzaak van een tweede kennisdimensie, die van de grondoorzaken van milieuproblemen. Deze dimensie gaat onder andere over de menselijke en maatschappelijke factoren die aan de basis liggen van de milieucrisis. De derde dimensie is de kennis over mogelijke strategieën voor verandering. Hier gaat het zowel over kennis over hoe men zijn eigen leven meer duurzaam kan vormgeven, als over hoe men kan bijdragen aan het veranderen van de maatschappelijke condities als zodanig. De vierde en laatste dimensie heeft betrekking op kennis over alternatieven.

Verandering is maar mogelijk als men ziet dat de huidige wereld niet de enige mogelijke is. Er is geen krachtiger motivatie voor verandering dan de verbeelding van een alternatief. Op deze manier ontstaat een complexer en meer gedifferentieerd begrip van kennis die relevant is voor effectieve milieuactie.

Dit laat ons toe kanttekeningen te maken bij vele van de gangbare campagnes vande milieubeweging. Die focussen immers dikwijls enkel op de eerste dimensie, die van de natuurkundige kennis over de aard van het probleem en zijn gevolgen. Als ook nog zogenaamde actiegerichte kennis aan bod komt, is het meestal kennis die meteen de nodige conclusies voorschrijft, zonder de stap van de analyse van de grondoorzaken en visies op alternatieven te maken6. Dat ligt aan de basis van het eerder besproken risico op conditionering, evenals van het begrijpelijke verzet daartegen. Een mogelijke verklaring voor de vastgestelde kloof tussen kennis en actie heeft dan ook niet alleen betrekking op het type actie, maar ook op het type van kennis dat vaak centraal staat. Acties die ook aandacht besteden aan de andere kennisdimensies, zouden wel eens meer effect kunnen hebben. 

Postpolitiek of herpolitisering?

Hierbij is het belangrijk om te zien dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen de eerste kennisdimensie en de rest. Van zodra men het over grondoorzaken, strategieën en alternatieven heeft, betreedt men hoe dan ook een meer ideologisch of politiek terrein, en het lijkt me essentieel dat in dit debat ook zo te erkennen.

Het individuele gedragsveranderingmodel maakt daarentegen abstractie van fundamentele debatten en conflicten over grondoorzaken, strategieën en alternatieve toekomstmogelijkheden. Dit is typerend voor de huidige postpolitieke tendens met betrekking tot de milieukwestie (Swyngedouw, 2007). Deze ontwijkt de analyse van maatschappelijke structuren en blijft blind voor belangentegenstellingen, conflicten tussen uiteenlopende toekomstmogelijkheden en strategieën om deze te realiseren. Dit wordt onder meer duidelijk wanneer louter technische oplossingen naar voren worden geschoven (zoals spiegels in de ruimte, zoutkristallen die wolken moeten bewerken of andere absurde vormen van geo-engineering) of het oprichten van nieuwe markten in CO2, bossen, of andere – tot op heden nog niet gecommodificeerde –natuurelementen, om op die manier de klimaatverandering op een zogenaamd kostenefficiënte manier tegen te gaan. Maar evenzeer in het naar voren schuiven van het individuele gedragsveranderingmodel als heilige graal in de transitie naar een duurzame samenleving (Jackson, 2005, p. 121)

Het probleem met zulke gedepolitiseerde klimaatbenaderingen is dat ze het noodzakelijke en democratische debat over de milieukwestie vermijden. Als er geen plaats is voor confrontatie tussen verschillende opvattingen over hoe de samenleving georganiseerd moet worden, dan is volgens de bekende politiek filosofe Chantal Mouffe (2005) geen democratie mogelijk. De praktijken die vooropgesteld worden door de geo-engineers of vrijemarkteconomen dragen niet bij tot de creatie van een democratische publieke ruimte of debat, net zo min als het individuele gedragsverandering model dat doet.

Dit wil uiteraard niet zeggen dat individuele gedragsverandering simpelweg verworpen moet worden. Sinds de tweede feministische golf wordt terecht geclaimd dat het persoonlijke politiek is; en dit is even waar voor milieugerelateerd gedrag 11 als voor andere vormen van persoonlijk gedrag. Feministen hebben echter nooit de bedoeling gehad daarmee het persoonlijke van de ruimere politieke context te isoleren, zoals heel wat bepleiters van individuele gedragsverandering vandaag wel doen. Integendeel, hun intentie was net om persoonlijke acties vanuit het perspectief van deze ruimere context, en in termen van hun politieke gevolgen, te bekijken. Bovendien had de stelling dat het persoonlijke politiek is, nooit de bedoeling om het private tot de enige legitieme plaats van actie te maken. In die mate dat onze impact op het milieu gemedieerd wordt door het maatschappelijke, heeft de milieukwestie een onvermijdelijk publiek moment (Dobson, 2006). In plaats van mee te gaan in het heersende discours en voornamelijk in te zettenop individuele gedragsverandering, zou de maatschappelijke opdracht van de milieubeweging dan ook precies hierin kunnen bestaan het denken en het debat over analyse, strategie en alternatieven aan te wakkeren. Een belangrijke doelstelling van de milieubeweging zou er misschien zelfs precies in kunnen liggen, de waardegeladenheid van het heersende discours te laten zien en te tonen dat er verschillende opties openstaan. Oog in oog met de aard en ernst van de klimaatproblematiek is het niet (langer) verdedigbaar om te doen alsof er maar één mogelijke analyse is, het individuele (consumptie)gedrag is het probleem, en maar één strategie, individuele gedragsverandering.

_________________________________________

Bio

Anneleen Kenis is master in de psychologie en de duurzame ontwikkeling en menselijke ecologie. Momenteel is ze als onderzoekster verbonden aan de KULeuven (departement Aard- en Omgevingswetenschappen) waar ze werkt aan een doctoraat over ecologisch burgerschap, bewegingsopbouw en politisering.

Bibliografie

Aertsen, C. et al. (2009). Designing Change. Social marketing voor duurzaamheidstransities. Brussel: Change Designers. Chawla, L. & Cushing, D.F. (2007). Education for strategic environmental behavior. Environmental Education Research, 13(4), 437-452. Clover, D. (2002). Traversing the Gap: concientización, educative-activism in environmental adult education. Environmental Education Research, 8(3), 315-323. Courtenay-Hall, P. & Rogers, L. (2002). Gaps in Mind: problems in environmental knowledge-behaviour modelling research. Environmental Education Research, 8(3), 283-297. Defra (2008). A framework for pro-environmental behaviours. London: Department for Environment, Food and Rural Affairs. Dobson, A. (2006). Citizenship. In Dobson, A. & Eckerley, R. (Eds.) Political Theory and the Ecological Challenge. Cambridge: University Press. Foucault, M. (1994). Power. London: Penguin Books. Gough, S. (2002). Whose Gap? Whose Mind? Plural Rationalities and Disappearing Academics. Environmental Education Research, 8(3), 273-282. Hellesnes, J. (1976). Socialisering og Teknokrati (Socialization and Technocracy). Copenhagen: Gyldendal. Jackson, T. (2005). Motivating Sustainable Consumption. A review of evidence on consumer behaviourand behavioural change. Surrey: SDRN.

Jensen, B.B. (2002). Knowledge, Action and Pro-environmental Behaviour. Environmental Education Research, 8(3), 325-334.

Jensen, B.B. (2004). Environmental and health education viewed from an action-oriented perspective: a case from Denmark. Journal of Curriculum Studies, 36 (4), 405 – 425.

Jensen, B.B. & Schnack, K. (2006). The action competence approach in environmental education. Environmental Education Research, 12(3-4), 471-486.

Jones, P.T. & De Meyere, V. (2008). Klimaatsceptici in het tegenoffensief. Streven, 75 (1), 33-47.

Kenis, A. (2010). Beyond individual behaviour change: the role of power, knowledge and strategy in tackling climate change. [submitted].

Kollmuss, A. & Agyeman, J. (2002). Mind the Gap: why do people act environmentally and what are the barriers to pro-environmental behavior? Environmental Education Research, 8(3), 239-260.

McKenzie-Mohr, D. & Smith, W. (1999) Fostering Sustainable Behavior: an introduction to community-based social marketing. Canada: New Society Publishers.

Mouffe, C. (2005). On the political. London: Routledge.

Rickinson, M. (2001). Learners and Learning in Environmental Education: a critical review of the evidence. Environmental Education Research, 7(3), 208-320.

Sandilands, C. (1993). On ‘green’ consumerism: environmental privatization and family values. Canadian Women Studies, 13(3), 45-47.

Stevenson, G. & Keehn, B. (2006). I will if you will. Towards sustainable consumption. London: SDC/NCC.

Shiva, V. (2005), Earth Democracy. Justice, Sustainability and Peace, Zed Books, London.

Swyngedouw, E. (2007). Impossible “Sustainability” and the Postpolitical Condition. In Krueger & Gibbs. The Sustainable Development Paradox. London: The Guilford Press.

Noten

1. Denk bijvoorbeeld aan de ‘verleidelijk veggie’ campagne van EVA waarbij vegetarisme gepromoot wordt door het te koppelen aan beelden van vrouwen als lustobject. Dit is niet enkel problematisch omdat men zo het gedrag van mensen ‘direct’ tracht te sturen, maar uiteraard ook omdat op die manier het heersende seksisme wordt gelegitimeerd (als zelfs een progressieve organisatie dat soort beelden gebruikt!). Het is een typisch probleem van een one issue aanpak, die blind dreigt te blijven voor de bredere context en voor de zaken waar andere progressieve bewegingen voor opkomen. Fundamenteel is het een uiting van depolitisering.

2. Voor de duidelijkheid, met dit pleidooi wil ik niet zeggen dat ik ‘tegen’ deze vormen van individuele gedragsverandering ben. Net als u ben ik al jaren vegetariër, koop ik biogroenten het liefst van dicht bij huis en zweer ik bij fiets en trein in plaats van de auto. Toch is het belangrijk de politieke consequenties van dit discours wat nauwer onder de loep te nemen, en ons de vraag te stellen of (ook) andere strategieën vandaag niet aangewezen zijn. 

3. Woorden of zinnen tussen dubbele aanhalingstekens zijn verwoordingen van mensen die ik interviewde over de klimaatproblematiek. 

4. Hierbij wordt klimaatscepticisme bij ‘gewone’ mensen bedoeld. Van klimaatscepticisme bij managers, politici of professoren maak ik even abstractie, daar dit volgens mij vaak weinig met scepticisme, en veel met belangen te maken heeft. 

5. Het begrip concientización werd ontwikkeld door de bekende Braziliaanse pedagoog Paulo Freire en kan vertaald worden als het ontwikkelen van een ‘kritisch bewustzijn’. 

6. Men geeft bijvoorbeeld een uiteenzetting over de aard en de gevolgen van de klimaatproblematiek, en men eindigt met een a priori voorgeschreven waslijst van wat gedaan moet worden om dit tegen te gaan: de verwarming enkele graden lager zetten en een dikke trui aandoen, de fiets nemen in plaats van de auto ... De film van Al Gore is daar een goed voorbeeld van. Wat echter overgeslagen wordt is een analyse van de grondoorzaken en visies op maatschappelijke alternatieven.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

reacties

2 reacties

  • door Marcus op dinsdag 13 april 2010

    Interesante tekst, maar misschien net iets te vaag. En dit: "Voor veel mensen zijn de hoge huurprijzen in grote steden onbetaalbaar, zodat zij bijgevolg geen andere keuze hebben dan een huis te kopen op den buiten. Zelfs als dat betekent dat ze elke dag uren moeten pendelen, met alle ecologische gevolgen van dien. Dergelijke eenvoudige voorbeelden laten zien dat het absoluut niet evident is om in eerste instantie naar het individuele niveau te kijken om de kloof te verklaren tussen wat mensen weten over het milieu en wat ze in feite doen." is volledig onjuist. Zeker in Vlaanderen willen de mensen 'op den buiten' leven, en zeker niet in de stad. Veel Vlamingen hebben absoluut geen goede relatie met de stad. Hoge huurprijzen zijn vooral voor armen in steden een probleem, die meestal geen werk of eerder slechtbetaald werk hebben. De arbeidsmobiliteit - verhuizen naar waar je werkt - is in Vlaanderen héél klein, dat is al bestudeerd en past overigens beter in uw verhaal dan 'mensen die verplicht zouden zijn op de buiten te gaan wonen'.

  • door Thomas op dinsdag 20 april 2010

    Ik vind het een zeer interessante piste. Maar het is niet gemakkelijk om binnen de milieubeweging het te hebben over analyse, strategieën en alternatieven aangezien die veel te vaak gelinkt worden aan politieke/ideologische keuzes. En de milieubeweging wil juist zo veel mogelijk bereiken door daar geen standpunt over in te nemen.

    Misschien moet de milieubeweging maar nadenken over mogelijke alternatieven (en dus steeds meerdere opties geven), waardoor ze toch al tonen dat er andere mogelijkheden zijn, zonder 1 standpunt in te nemen. Maar ook over de analyse kan je nu al weer praten denk ik. Jarenlang was het not done om woorden als milieuproblemen en kapitalisme in één zin te gebruiken, maar stilaan kan het alweer (zeker na de financiële crisis).

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties