Meer dan ooit heeft de wereld nood aan onafhankelijke journalistiek.

Meer dan ooit is het nodig om een tegengeluid te laten horen.

Steun daarom DeWereldMorgen.be

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

Internet, een core interest van China

Het conflict tussen de Chinese overheid en Google begint op een echte soap te lijken. Is dit een verhaal van censuur versus vrijheid? Dirk Nimmegeers van ChinaSquare geeft tekst en uitleg.
zaterdag 27 maart 2010

Hacking werd door Google aangevoerd als reden om zich niet langer te voegen naar de censuurregels van gastland China. Google krijgt de steun en medewerking van de regering Obama die een campagne is begonnen tegen wat men vooral in het Westen censuur noemt en wat in China regulering heet.

Het is intussen duidelijk op welke manier het Amerikaanse bedrijf aan de ene kant China verlaat maar aan de andere kant ook blijft om het internetbeleid te kunnen bestoken. Google laat zijn zoekmachine uitwijken naar Hong Kong waar het gebruik kan maken van grotere burgerlijke vrijheden in het kader van ‘1 land met 2 systemen’. Beijing kan voor die manoeuvre weinig waardering opbrengen.


Hacken of gehackt worden

De censuurdiscussie lijkt de kern van de zaak te zijn in de kwestie Google maar om een of andere reden gooien de Amerikanen hacken en censureren op één hoop.
China heeft zich krachtig verweerd tegen de beschuldiging van het hacken en wijst erop dat de VS en Google nog niets meer hebben gedaan dan insinueren dat er aanvallen uitgevoerd zijn op de zoekmachine (en nagaan of ze bondgenoten kunnen vinden in de Wereldhandelsorganisatie, WTO, om via deze affaire China aan te pakken).
China zegt het hacken krachtig te bestrijden en het liefst samen met de internationale gemeenschap.
Het land moet zich echter wel voorbereiden op een mogelijke oorlog in cyberspace en een beroep doen op de brains van zijn internetgeneratie.

China hamert erop dat zodra Google en de Amerikaanse overheid de nodige concrete informatie doorspelen zij samen met hen zullen kunnen onderzoeken wat er precies gebeurd is en wie ervoor verantwoordelijk zijn, maar zegt Zhou Yonglin van het CNCERT: ‘China heeft van Google nog geen enkel concreet rapport ontvangen...’ (CNCERT is het sinds 2000 opererende Computer Network Emergency Response Technical Team, Zhou werd op 22 januari geïnterviewd door Xinhuawang, Xinhuanet).
De uitspraken van Nicole Wong, onderdirecteur van Google, voor een comité Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden in de VS wijzen ook in die richting: ‘wij zijn te weten gekomen dat de aanvallen uit China kwamen’maar‘we zijn niet van plan om te zeggen wie de aanvallen uitvoert’, om er dan vroom aan toe te voegen ‘we hopen dat de Chinese regering met Amerikaanse ambtenaren zou samenwerken bij het onderzoek’.

Beijing betoogt dat hacken een misdaad is, dat de Chinese staat en de Chinese bedrijven zelf de slachtoffers zijn van gegevensdiefstal en computersabotage die onder andere miljoenenverliezen veroorzaken. Vooralsnog zitten de meeste en meest bekwame hackers in de VS. Beijing heeft zijn wetgeving terzake aangescherpt en sluit zich graag aan bij de internationale strijd tegen dit verschijnsel.
Zhou Yonglin: “Er ‘zitten’ nu 384 miljoen Chinezen ‘op’ internet en 233 miljoen op internet via mobiele telefoons. In 2009 werden maar liefst 262.000 IP-adressen besmet met een Trojan horse. De bronnen van die malware kwamen in 165.000 gevallen uit het buitenland, vooral (16,61 %) uit de VS.
Er werden 42.000 websites onklaar gemaakt, waarvan 2.765 sites van overheidsinstanties, tot op regeringsniveau toe. Meer dan de helft van de belangrijkste 20 aanvallen gebeurden vanuit het buitenland.
Ook de Amerikaanse computerbeveiliger Symantec, wees er in 2008 op dat 25 % van alle cyberaanvallen ter wereld van een hoofdkwartier in de VS kwamen. Botprogramma’s hadden 33 % van alle servers in de VS overgenomen en 43 % van alle phishing sites in de wereld zaten in de VS.
China is het grootste slachtoffer van cyberaanvallen: het aantal computers dat bij ons door een botprogramma is geïnfiltreerd bedraagt 13 % van alle computers ter wereld.”
Chinawatcher Willy Lam, vroeger SCMP en nu Jamestown Foundation, citeert Zhou’s cijfers en zijn schatting dat er verder elke maand 18 miljoen pc’s plat gingen door virussen.

Vorig jaar heeft Beijing een wet tegen het hacken herzien zodat er nu tot zeven jaar gevangenisstraf voor staat. Zhou Yonglin noemt in het interview met Xinhuawang nog een hele reeks wetten, maatregelen en procedures die CNCERT, netwerkoperatoren, providers van domeinnamen en verkopers van beveiligingsprogramma’s in de gelegenheid stellen informatie uit te wisselen en de computermisdaad met vereende krachten aan te pakken.
Er zijn volgens hem intussen al heel wat successen behaald in de strijd tegen Trojan horses en botnets.
Zo is er onder andere hulp geboden aan 50 organisaties met gevoelige en belangrijke informatiesystemen: banken en verzekeringen, energiebedrijven, luchtvaartbedrijven enz.
China is ook internationaal actief op het terrein van internetbeveiliging.
Het neemt deel aan de activiteiten rond het thema van APEC, ASEAN en de Shanghai Cooperation Organization (SCO), maar er is ook nuttig beveiligingswerk verricht voor bedrijven uit de VS die aan cyberaanvallen blootstonden zoals eBay and JPMorgan Chase.
 
De Chinese overheid en het leger ontkennen formeel dat ze de opdracht hebben gegeven om websites of blogs van Google en van Chinese staatsburgers te hacken.
Het is weliswaar een, overigens algemeen bekend, feit dat de Chinese overheid de beste computertechnici opspoort en rekruteert. Dat gebeurt echter in vele landen en het wil volgens Beijing nog niet zeggen dat de instellingen waar IT-specialisten worden opgeleid handelen op verzoek of zelfs op commando van de overheid.
Toch verhult China niet, zoals bleek tijdens de algemene vergadering van het Volkscongres, dat het zijn leger klaar maakt voor de steeds grotere rol die informatica en internet in de moderne oorlogsvoering spelen.
Moeten we ook hierbij aan hacken denken? Hacken is een vage term die in de omgangstaal zowel gebruikt wordt voor criminele als voor niet-criminele activiteiten. Verder zijn er kwalitatieve en kwantitatieve verschillen tussen de inbraken, en het eigenzinnige programmeren van figuren uit de hacker-subcultuur enerzijds en de cyberaanvallen van geheime diensten en militaire apparaten anderzijds.
Het zou wel erg onverantwoord zijn van de Chinese overheid en defensie om de ontwikkelingen op het gebied van cyberwarfare te negeren. Er is echter nu geen volwaardige oorlog aan de gang. Het is bovendien denkbaar dat een staat zich moet voorzien van wapens die hij zelf niet als eerste wil inzetten, waar hij zelfs tegen is, zoals kernbewapening bijvoorbeeld.

Het is zeer de vraag of de Chinese overheid zich bezighoudt met het hacken van de websites en blogs van activisten en opposanten, zoals Google heeft beweerd. Het multinationale internetbedrijf doet alsof er geen verschil is tussen een hightech aanval op Amerikaanse bedrijven of instellingen en het geknutsel om in de mailbox van dissidenten te kunnen gluren, maar dat is natuurlijk onzin. Altijd heeft Beijing de webactiviteiten van deze tegenstanders op andere en in hun ogen afdoende manieren bestreden: filteren of domweg sluiten. Waarom zou de regering nu een wapen inzetten dat niet alleen overdreven is, maar ook nog illegaal en contraproductief?

Internet een core interest

‘Het is onredelijk om van een land te zeggen dat het een harde lijn volgt, als het zijn wezenlijke belangen - core interests - en waardigheid verdedigt, zeker voor wie het blijkbaar zelf normaal vindt om de belangen van anderen met de voeten te treden’ aldus de Chinese minister van Buitenlandse Zaken in de marge van de algemene vergadering van het Nationaal Volkscongres.
Hij doelde op de wrijvingen tussen de VS en de Volksrepubliek. Internet werd niet genoemd, maar was wellicht niet ver weg.
In de koers die Hu Jintao en Wen Jiabao hebben uitgezet speelt de wijze waarop het internet vorm krijgt een hoofdrol.
Soft power, een voortgezette ontwikkeling op wetenschappelijke basis, een democratisering geleid door de CPC: bij al die punten staat ook internet hoog op de agenda.
Met zijn tweeduizend kranten, tienduizend tijdschriften, honderden uitgeverijen van boeken, audiovisueel materiaal en webpublicaties mag China zich nu al een uitgeverssupermacht noemen. Het is de bedoeling van de overheidsdienst die hierover gaat, het ‘Algemene Administratieve Bestuur van de Pers en de Uitgeverswereld’ om dit terrein van de soft power nog uit te breiden. De mediasector moet zelfs sneller groeien dan de economie in haar geheel. De grootste nieuwe uitdaging is uitgeven via digitale weg, het net en de mobiele telefoon.

Democratisering op zijn Chinees betekent onder andere dat de partij steeds actiever naar wegen zoekt om de bevolking te raadplegen, de instemming van de burgers te krijgen en verantwoording af te leggen. Ook hier staat het internet centraal: allerlei websites van de overheid, maar ook forums die in verschillende mate onafhankelijk van die overheid opereren hebben bij deze geleide democratisering een belangrijke functie.

Er is echter een duidelijke grens: de politici in partijafdelingen en volkscongressen laten niet toe dat er ook initiatieven en uitvoeringsbesluiten worden genomen door organen van buiten de partij.
Gevraagd en ongevraagd adviesrecht, aansprakelijkheid gaan erop vooruit. Om instemmingsrecht en reële invloed op de uitvoerende macht uit te oefenen moet je echter nog altijd bij de CPC en bij de volkscongressen zijn.
Een mooi voorbeeld van dit onderscheid is hoe er wordt omgegaan met de kwestie van de hukou. Dat is de registratie waardoor je ofwel als plattelands-, ofwel als stadsbewoner te boek staat. De roep om dat systeem te hervormen of zelfs af te schaffen en zo de discriminaties van interne migranten te verminderen klinkt steeds luider. In zijn veelbesproken chatsessie met duizenden internetgebruikers zei premier Wen Jiabao bijvoorbeeld: ‘het belangrijkste is om de hukou te hervormen zodat de migranten kunnen integreren in de stad.’ Toen echter 14 kranten tegelijk in een hoofdartikel om een afschaffing van de hukou vroegen, enkele dagen voor de algemene vergadering van het Nationaal Volkscongres, werd dat niet op prijs gesteld en het heeft een van de betrokkenen zijn baan gekost. Het wordt niet geaccepteerd dat een groep burgers de volksvertegenwoordigers tot handelen probeert te dwingen. Wie wil lobbyen, moet dat doen binnen de partij en de overheidsstructuren. De actie, die - pikant detail - juist niet via internet maar via een ouderwets medium gebeurde, had voor Beijing net iets te veel van een poging om een alternatieve politieke organisatie te vormen.

Het verschil tussen van invloed zijn op de politiek (advies en meningsuiting) en druk zetten op de besluitvorming (acties en initiatieven) wordt helder aangegeven en geaccepteerd door iemand als Wei Shouhua (online naam Huazi). Huazi is de webmaster van tianya.cn, een populair onafhankelijk discussieforum waar soms zeer gevoelige, vooral sociale, thema’s aan bod komen. ‘Wij zien op de forums weinig discussies die de beleidsvorming van de staat kunnen beïnvloeden, maar de forums zijn voor de overheid zeker een kanaal geworden dat hun directe informatie geeft over wat er leeft in de publieke opinie. Persoonlijk denk ik dat de autoriteiten daar alleen maar bij kunnen winnen. Ik ben blij dat ze de laatste jaren op alle niveaus meer en meer belangstelling tonen voor wat er online geventileerd wordt. Tianya is van gewone mensen; nu een derde van de bevolking vertrouwd is met internet, is de inbreng van intellectuelen kleiner geworden. De surfers op onze website hebben het meestal over persoonlijke zaken en het gewone bestaan. Daarin uiten ze op hun manier het patriottisme, dat is voor hen het nationale belang. Het gaat op Tianya dus minder over grote staatszaken en meer over kritiek op wanbeheer en corruptie in hun directe omgeving. Het voordeel is dat de stemmen op onze website authentiek en vaak eerlijker zijn.’

De strijd om het web

Het internetbeleid is een belangrijk onderdeel geworden van het politieke landschap. De CPC en de staat zien in internet een te veroveren of te heroveren medium. Het is duidelijk dat de regering en de CPC hierbij een leerproces doormaken om internet te gebruiken als medium voor interactief beleid. Boeiende burgerinitiatieven worden getolereerd en soms aangemoedigd.

De meeste traditionele media zijn nog steeds van de staat, hoewel bijvoorbeeld een aantal in hoge mate onafhankelijke publicaties zich hebben kunnen opwerken  het medialandschap: het financieel-economische blad Caijing of de pers in Hong Kong die praktisch helemaal autonoom publiceert in het kader van ‘een land, twee systemen’, de 14 bovenvermelde kranten van het Hukou-artikel zijn allemaal commerciële d.w.z. niet partijgebonden kranten.
Internet is vanaf het begin veel meer het domein van particuliere websites, forums en andere initiatieven geweest. Anonimiteit, schuilnamen e.d. maken internet aantrekkelijk voor al wie een persoonlijk, individueel of zelfs dissident geluid wil laten horen. Er bestaat een stroming die in het web een kans ziet om een ‘vrije pers’ te laten ontstaan.
Het heeft niet lang geduurd voor de officiële media online gingen en een groot deel van de Chinese internetcontent is tegenwoordig afkomstig van of goedgekeurd door de overheid. Voor het China Media Project (CMP) gaat dit te ver:
‘Ze gebruiken de financiële macht van staatsaandelen voor een nationale internettelevisie en voor de video’s van het persagentschap Xinhua... Ze zullen zoekmachines, real-time communicatie en games opzetten. Alle mediatieke kanten van internet zullen worden genationaliseerd en gemonopoliseerd.’ CMP is een studiecentrum voor journalistiek in China verbonden aan de universiteit van Hong Kong. Belangrijke medewerkers zijn opposanten van de regering en teleurgestelde of zeer kritische Chinese journalisten. Hun artikelen getuigen van een grondig wantrouwen voor de politieke leiders. Hun project bepleit een commercieel medialandschap zonder staatsinmenging. Het is dan ook logisch dat CMP veel sympathie heeft voor de oproep van Charta 08 voor de afschaffing van het machtsmonopolie van de CPC.

Op de website van het China Media Project valt ook weinig positiefs te lezen over een andere tactiek die de overheid toepast om in te grijpen op het internetdomein, de zogenaamde ‘commentatoren’.
Niet lang geleden plaatste de provinciale regering van Gansu een vacature voor 650 ‘medewerkers om de publieke opinie te begeleiden’ door opiniestukken en bijdragen aan online discussies te plaatsen. Opeens bleek dat heel wat politici, gezagsdragers en organisaties dit soort ambtenaren in dienst hadden die vaak ook opdracht kregen om opzettelijk een ander standpunt in te nemen en zo een debat te creëren. Op het net en in de klassieke media ontspon zich inderdaad een debat, maar dan over het systeem van deze anonieme of onder een schuilnaam opererende ‘netizens’ in overheidsdienst. Vooral het feit dat het om betaalde krachten ging zorgde voor veel sarcastische reacties en de commentatoren kregen de bijnaam ‘soldaten van 50 cent’ (5 mao dang) vanwege het loon dat ze voor hun stukken kregen. De commentatoren van westerse media en van groepen in Hong Kong, zoals het China Media Project, deden gretig mee aan het gescheld.
Maar er waren ook verdedigers van de door de regeringen ingezette ‘opiniebegeleiders’. Zij voerden aan dat er onder de ambtenaren die dat werk deden wel degelijk overtuigde mensen zaten, dat het niet alleen maar povere broodschrijvers waren. De vergelijking werd ook gemaakt met de spin doctors van westerse regeringen en met de commerciële public relations die overal bestaat, ook in China en ook op het web. Een aantal opiniemakers zag er een gewenst tegengewicht in voor de soms wilde en onverantwoorde uitlatingen op vele internetforums (een verschijnsel dat trouwens ook over de hele wereld bekend is). Velen vonden echter dat de anonieme commentatoren uiteindelijk contraproductief zijn: ze wekken eerder weerstand op en zijn makkelijk te ontmaskeren door ‘een generatie van twitteraars’.

Een andere aanpak krijgt meer en meer de voorkeur. Wu Hao, een CPC-voorlichter uit Yunnan, staat erom bekend dat hij systematisch weigert om negatief nieuws in de doofpot te stoppen. ‘In plaats van pogingen te doen om heimelijk invloed uit te oefenen op de publieke opinie, moeten openbare ambtenaren in het openbaar antwoord geven op kritieken en met oplossingen komen’, zo is zijn standpunt.
Volgens Southern Weekend (ook wel Southern Weekly), een veelgelezen commercieel weekblad uit Guangdong, wordt in een toenemend aantal provincies zijn voorbeeld gevolgd.
Eigenlijk sluiten de zogenaamde chatsessies van hooggeplaatste politici daar enigszins bij aan. In 2008 beantwoordde president Hu Jintao een aantal vragen dat hem online werd gesteld op het Qiangguo (‘maak China sterk’) Forum van de website van het Volksdagblad. Het jaar daarna deed premier Wen Jiabao dat nog eens over met een vervolg dit jaar op www.gov.cn, de regeringswebsite in samenwerking met  www.xinhuanet.com het web van het officiële persagentschap. De sessie duurde 2 uur en er namen 300.000 burgers aan deel. Sommigen relativeren de betekenis hiervan en zeggen dat de gesprekken met een boogje om hete hangijzers heenliepen of dat de premier beter met ernstige en deskundige opiniemakers had kunnen praten dan met de willekeurige gewone surfers die wel zin hadden in een rechtstreeks contact met een topleider. Daar staat tegenover dat er veel onderwerpen ter tafel kwamen die wel degelijk de belangen van de gewone man raakten. De twee topleiders hebben een trend gezet. Net zoals Wen hebben leden van de Raadgevende Politieke Conferentie, de Chinese senaat, blogs geopend vlak voor hun jaarlijkse vergadering. Bovendien hebben de woorden en de vriendelijke en persoonlijke toon van Wen Jiabao wel impact gehad, vooral zijn ‘hoop dat de gewone mensen een waardiger leven zullen krijgen’ of zijn stelling dat ‘een samenleving waarin de rijkdom geconcentreerd is in de handen van een minderheid wel onrechtvaardig en onstabiel moet zijn’. Zijn gesprekspartners hebben ook onthouden dat als er weer namaak en minderwaardige producten opduiken, er streng en meedogenloos zal worden gestraft (dit in antwoord op een vraag over een nieuwe partij melaminemelk). Niet alleen de regeringsvriendelijke waarnemers waren onder de indruk, zelfs een belangrijke redacteur van het hierboven genoemde China Media Project dacht dat Wen Jiabao het eerlijk meende.

Het is duidelijk dat er op het web een strijd woedt voor de harten en de geesten van de internetgebruikers. Hoe groot de kritische stroming is en hoe groot de vijandige richting waartegen de CPC en de overheid het moeten opnemen is moeilijk precies in te schatten. Voorlopig lijkt het er op dat het publiek vrij positief reageert op de initiatieven vanuit de gevestigde orde. Zhan Sheng van Phoenix TV meent dat ‘de invloed van Chinese internetgebruikers China geleidelijk aan en in alle rust aan het bijsturen is. De vele en ingewikkelde problemen vragen om een positieve houding en open communicatie met het publiek. ... Over de inspanningen van de regering op dit vlak moet niet cynisch worden gedaan.’ (Phoenix is gevestigd in Hong Kong, een niet-gouvernementele tv-zender die door zijn diplomatische houding soms programma’s mag maken over onderwerpen die normaal gesproken taboe zijn).

Niet zonder grenzen

De bereidheid om te luisteren en een dialoog te voeren stopt bij bepaalde onderwerpen en verschijnselen.
Natuurlijk zijn er in alle landen grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Met het Britse ‘contempt of court’ kan, om de rechtsgang niet in gevaar te brengen, kranten verboden worden over bepaalde zaken te schrijven. In België vertellen de media ons nog altijd hoeveel kernraketten er in Kleine Brogel liggen. Het principe van een ‘dwingende maatschappelijke noodzaak’ geeft het Europees hof voor de Rechten van de Mens een middel om de persvrijheid te beperken. Dat soort regulering wordt echter in China heel ruim geïnterpreteerd en toegepast, volgens sommigen maar al te ruim. Beijing verrechtvaardigt dit met het argument van de noodzaak om eerst de economie en de instellingen op orde te brengen en met de individuele rechten wat voorzichtiger en trager te gaan, net zoals in andere Aziatische landen. Ook wordt aangevoerd dat de chaos van de Culturele Revolutie nog steeds niet vergeten is, dat China worstelt met de complexe problemen van een derdewereldland en vele achterstanden moet inhalen. De regering wijst op de kwetsbaarheid van de economie en van de instellingen.
Als Dai Bingguo, de hoogste regeringsadviseur, de core interests van China definieert heeft hij het over ‘het vasthouden aan het fundamentele politieke systeem dat nu in China bestaat, een systeem van samenwerking en overleg tussen verschillende partijen onder de leiding van de CPC’ en over ‘de nationale veiligheid, de soevereiniteit en territoriale onschendbaarheid, de duurzame en stabiele ontwikkeling van de economie en de maatschappij.’ Stuk voor stuk zaken die volgens Beijing via het internet ofwel gediend worden ofwel in het gedrang kunnen komen. Wie van China eist dat het een fundamenteel ander internetbeleid gaat voeren (wat Hilary Clinton van plan lijkt te zijn) raakt aan die kernbelangen.

Wat wordt er dan als bedreigend gezien?


Pornografie: China wil geen toestanden zoals in het westen of in de buurlanden, de regering vindt dat ze de jeugd moet beschermen tegen bepaalde soorten content. Porno en prostitutie bestaan en zijn toegenomen sinds 1978. Ze worden min of meer oogluikend toegelaten, maar het is logisch dat een socialistisch systeem eerder dan een neoliberaal systeem grenzen trekt voor de mate waarin het lichaam van mensen (in de eerste plaats vrouwen en jongeren) als koopwaar kan worden behandeld. De strijd tegen de pornografie is zeker niet louter een voorwendsel om de censuur te verhullen.
De ‘grote taboeonderwerpen’ zijn Tibet, Xinjiang, Taiwan, zaken van territoriale integriteit en eenheid. Van de rellen in de buitenprovincies heeft Beijing geleerd dat inmenging uit en door het buitenland niet moet worden onderschat, dat de separatistische groepen gevaarlijk kunnen uithalen en internet als wapen kunnen inzetten bijv. de geruchten over etnische massamoord die via het net en via e-mail werden verspreid en olie op het vuur waren in Xinjiang.
Tiananmen, falungong, ‘mensenrechtenactivisten’ vormen voor de CPC een bedreiging van haar machtsmonopolie en van de sociale cohesie die broodnodig is in een land met zeer snelle ontwikkeling en waar alle vaste waarden dooreengeschud worden.
Daarnaast zijn er ‘kleine onderwerpen’ die ook regelmatig worden weggefilterd: schandalen, rampen, rellen enz... De overheid wil paniek op basis van valse geruchten vermijden en vindt dat wanneer er eenmaal efficiënte remedies getroffen zijn, verdere discussie alleen maar tweedracht zaait. Vandaar dat ze de acties die Ai Weiwei hardnekkig blijft voeren rond de kwestie van de omgekomen schoolkinderen in de aardbeving van Sichuan net zo hardnekkig blijft blokkeren.

Bepaalde websites en blogs over de hierboven genoemd thema’s en buitenlandse sociale netwerken waarop activisten zich kunnen organiseren, zoals Facebook, Twitter enz. worden gefilterd, geblokkeerd of verboden. Websites met een vergunning krijgen het verzoek om zelf de content in te gaten te houden en te filteren indien nodig en meestal geven ze daar (zoals Google tot voor kort) ook aan toe. Li Yizhong, minister van Industrie en Informatietechnologie heeft tegenover Phoenix TV verklaard dat er een zuivering bezig is, die nog wel een tijdje kan duren en waarbij 136.000 websites gesloten zijn omdat ze niet geregistreerd waren of schadelijke inhoud bevatten. Hij heeft toegegeven dat het zekere voor het onzeker wordt genomen, dat een aantal websites tijdelijk buiten werking zijn, dat persoonlijke of kleine websites een tijdlang collateral damage kunnen oplopen en dat er ook wel fouten worden gemaakt. Volgens de minister is het beslist niet de bedoeling om websites blijvend te blokkeren als ze schadelijke info bevatten maar verder legaal functioneren. Ook zijn onlangs de regels verstrakt: je moet voor het oprichten van een website op papier en met persoonsbewijzen vergunning vragen.
De ergernis hierover zal natuurlijk niet tot de buitenlanders beperkt blijven. Toch mag je aannemen dat slechts een kleine groep er echt een punt van verzet van maakt, zoals de beheerder van Tianya opmerkte (zie boven) de gegroeide en veranderde internetgemeenschap is vooral bezig met zaken die het dagelijkse leven aangaan: belastingen, huizenprijzen en huren, de geboortepolitiek en de gezondheidszorg. Of ze gebruiken internet voor e-shopping, e-business, voor ontspanning en persoonlijke contacten. Partij en regering moeten wellicht uitkijken dat ze hun inspanningen om de internetgeneratie de hand te reiken niet ondergraven door de teugels te strak aan te halen en door al te censurerend, of zoals zij het noemen regulerend te werk te gaan.

Een andere kijk?

De censoren/regulatoren zijn soms overijverig, dat is zo. Maar zullen wij als westerse linksen het erop wagen om af en toe op een andere manier naar Beijing te kijken? Dan kunnen we zien hoe de Chinese leiders een weg zoeken om datgene te beschermen wat voor hen de meest wezenlijke belangen van het land zijn. Met vallen en opstaan.

Bronnen: Global Times, Xinhua, South China Morning Post, Guardian, Volkskrant (NL), China Media Project, Danwei.org, Le Monde 


Dirk Nimmegeers 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.