Boekrecensie, Samenleving, Politiek - walterlotens

Naar een filosofie van Buen Vivir

De interculturele filosoof Wil Heeffer heeft met ‘Van roofbouw naar opbouw’ een belangrijk boek geschreven over wat hij de ‘bevrijdingsfilosofie’ van Latijns-Amerika noemt en waarin het inheemse concept Buen Vivir een prominente rol speelt. Omdat ik zelf al heel lang met dit thema bezig ben ga ik als recensent mijn boekje graag te buiten en verwerk ik ook eigen inzichten en ervaringen in deze bespreking. Dit boek nodigt ertoe uit. Het zegt iets over het inspirerende karakter ervan.

donderdag 25 april 2019 18:42

Ooit was Latijns-Amerika een hot item in de westerse berichtgeving. Linkse publicaties en tijdschriften die zich bogen over dat revolutionaire continent verschenen op het einde van vorige eeuw en ook nog tijdens de millenniumwissel aan een hoog tempo. Dat elan, en ook de belangstelling voor Latijns-Amerika daaraan verbonden, zijn echter weggedeemsterd en als het continent dan toch nog eens in het nieuws komt – zoals met de recente ontwikkelingen in landen als Nicaragua en Brazilië bijvoorbeeld – is dat om politiek omgekeerde redenen.

Wil Heeffer gaat met ‘Van roofbouw naar opbouw’ tegen die tijdgeest in en bovendien is deze Nederlander en Latijns-Amerikakenner een interculturele filosoof waardoor deze publicatie vanuit een ongewone invalshoek vertrekt, met name, zoals de ambitieuze ondertitel van zijn boek luidt ‘de oorsprong en ontwikkeling van de Latijns-Amerikaanse filosofie’.

Bevrijdingsfilosofie

Heeffers boek bestaat uit zeven korte hoofdstukken waarvan de eerste drie chronologisch zijn opgevat (Precolumbiaanse, Columbiaanse en Postcolumbiaanse tijd) en die op het eerste gezicht weinig nieuwe inzichten aanbrengen – de houding van het dominante, arrogante westen en zijn conquistadores die de onwetende inheemsen niet alleen een katholiek lesje gingen leren maar vooral ook hun bodemrijkdommen gingen buitenslepen – , ware het niet dat hij daarmee in een boeiend tweede deel aan de slag gaat om de Latijns- Amerikaanse filosofie die hij onder de noemer ‘bevrijdingsfilosofie’ samenbrengt, in beeld te krijgen.

Dat begrip hanteert hij naar analogie van wat in de katholieke kerk als uitvloeisel van Vaticanum II ‘bevrijdingstheologie’ wordt genoemd en waaraan bekende namen zoals die van Ivan Illich, Dom Hélder Câmara, Óscar Romero, Camilo Torres, Gustavo Gutiérrez, José Comblin en Paolo Freire en nog zovele anderen, ook Nederlandse en Belgische priesters, verbonden zijn. Zij zochten op basis van christelijke uitgangspunten naar een antwoord op de vraag hoe een socialisme dat paste op de Latijns-Amerikaanse condition humaine te realiseren. De meesten onder hen waren niet alleen theologen, maar ook antropologen die met veel respect de inheemse tradities bestudeerden.

‘Voor al die stromingen gold dat een ontvoogding moest worden gebaseerd op het ethisch erfgoed van de oude Zuid-Amerikaanse culturen, een bevrijding uit de westerse logica van de geschiedenis.’ (p. 94) Volgens Heeffer gaat het in wat hij de bevrijdingsfilosofie noemt om een kritische reflectie op uitgangspunten die zowel richtinggevend zijn voor het goede leven (het ‘Buen Vivir’) als voor goed samenleven. Om die benadering te ontwikkelen beroept Heeffer zich voornamelijk op het werk van Enrique Dussel, een in het Westen amper bekende Argentijns-Mexicaanse filosoof, die in zijn werk een bio-ethische en eco-humanistische ethiek wist te ontwikkelen. In de plaats van een antropocentrische plaats staat de mens in een biocentrische relatie tot de aarde, tot la madre tierra, tot la Pachamama: de aarde als gemeenschappelijk erfgoed en als gemeenschappelijke leefwereld.

De kosmische wees

Toch aarzelt Dussel om de cosmovisión van de Andinobewoner – hij verwijst meestal naar die regio – als een filosofie te benoemen, want die kosmovisie valt niet in te passen in westerse, filosofische categorieën. Ook dat is op zich een onderzoeksvraag van eerste orde. Heeffer verwijst in dat verband ook naar de Nederlandse antropoloog Arij Ouweneel die zich afvroeg: ‘Kunnen wij als niet-Indiaanse onderzoekers uit de West-Europese stedelijke wereld het heden en verleden van die Indiaanse samenleving wel bevatten?’ Kun je als onderzoeker zelf ooit een ‘hombre andino’ worden? Of blijf je, ook als antropoloog, altijd een tussenfiguur, een go-between die tussen twee culturen loopt en beide op elkaar probeer te betrekken?

Dat is een vraagstelling waarmee ik zelf tijdens mijn vele reizen en langdurige verblijven in Latijns-Amerika vaak geconfronteerd werd, onder meer in mijn contacten met de Boliviaanse muzikant en schrijver Mario Gutierrez. Vandaar even dit zijsprongetje in deze recensie. Gutierrez stierf veel te jong in Borgerhout, ver van zijn Andesland, maar hij liet een uniek boek na met als titel ‘De kosmische wees’ dat nooit is gepubliceerd, maar waarvan ik een manuscript in handen kreeg. Het is een uniek boek omdat het geschreven is vanuit het Aymaradenken over de westerse wereld. In zijn inleiding schrijft hij: ‘Het is het werk van een indiaan die beschrijft hoe de moderne mens afgesneden is van de kosmische orde en daardoor volgens hem een kunstmatige ontzielde maatschappij schept.’

Dat is op zijn minst een zeer bijzondere en weinig voorkomende invalshoek. In zijn voorwoord verduidelijkt Gutierrez verder waarom hij deze tekst moest schrijven. ‘De overtuiging groeide bij mij nadat ik talloze mannen en vrouwen ontmoet heb, die met chartervluchten tegelijk in mijn land aankomen, er een verlengde vakantie nemen, en vervolgens na hun terugkeer het definitieve verhaal schrijven over hun observaties van de indianen uit de Andes of uit het Amazonegebied. Hun boeken verschijnen en op slag worden de schrijvers ervan beschouwd als kenners van mijn land.’ Dat is inderdaad een groot gevaar.

Ik heb nog steeds een gekopieerde versie van de Nederlandse vertaling in mijn bezit. Vanuit zijn Aymarawijsheid geeft Mario Gutierrez daarin op zijn zachte manier een bikkelharde kritiek op de westerse samenleving. Een paragraaf die ik met potlood heb aangestreept, begint zo: ‘Voor ons, indianen, is elke menselijke maatschappij sinds oeroude tijden een afbeelding van het universum dat ons omgeeft. De mens kan alleen maar in harmonie leven door respect te hebben voor de heilige wet van de natuur. Deze wet van evenwicht en van harmonie maakt alle handelingen die uitgaan van de geest, de ziel en het lichaam levend.’

Gutierrez betreurt echter dat deze Aymarawijsheid dreigt te verdwijnen. Hij schrijft: ‘Tegenwoordig is dit denkbeeld van het geheiligd zijn bijna overal verdwenen. Slechts enkele gemeenschappen hebben deze kosmische wijsheid behouden en leven nog in harmonie daarmee. Maar de moderne beschaving probeert deze lastige getuigen uit een bijna vergeten verleden uit te roeien. Het zijn immers toeschouwers van de ontaarding van de hedendaagse wereld.’

Ton Lemaires waarschuwing 

De Nederlandse antropoloog en filosoof Ton Lemaire wijst in ‘De Indiaan in ons bewustzijn’ ook nog op een andere gevaar. Hoewel Lemaire zelf ten zeerste geïnteresseerd is in het inheemse denken, blijft hij op zijn hoede voor wat hij noemt ‘vormen van neoprimitivisme’. Hij waarschuwt in dat boek voor een idealisering van de inheemse levenswijze door goedwillende westerlingen en wellicht door hedendaagse indianen zelf.

‘Wij moeten ons hoeden voor een assimilatie van een geïdealiseerde indiaanse authenticiteit aan de verlangens van een vervreemde westerse minderheid. Weliswaar kan vervreemding van de eigen civilisatie onze ogen openen voor de zin van andere culturen, maar het wantrouwen van de ideologiekritiek moet ons ervan weerhouden de Ander te idealiseren of te sublimeren, zoals we trouwens eveneens gereserveerd moeten staan tegenover de verheerlijking door indianen zelf van hun eigen leefwijze en verleden.’[i] 

Buen Vivir

Vooral in het laatste hoofdstuk ‘Buen Vivir’ is Wil Heeffer op zijn best. Het draagt als duidelijke ondertitel ‘over oude inzichten en de nieuwe mens’ en de auteur probeert daarin aan de hand van Alberto Acosta, Ecuadoraanse auteur en criticus van Rafael Correa, en van de Uruguayaanse ecofilosoof Eduardo Gudynas een schets te brengen van de filosofía del buen vivir. Het gaat volgens Acosta bij Buen Vivir om een nog vaag idee in (weder)opbouw, om een levensfilosofie in wording. Het is geen academische beschouwing en ook geen programma van een of andere politieke partij. Het komt voort uit een duizendjarige denkwijze uit de Andes en het Amazonegebied.

Je zou het, en dat is in deze mijn toevoeging, een inheemse utopie kunnen noemen die aanspreekt in de milieubeweging, de degrowth- maar ook in de commonsbeweging en zelfs in het municipalisme zoals het zich ontwikkelt in een aantal westerse steden en gemeenten in de wereld. Wat kan men leren van de ervaringen van volken die sinds onheuglijke tijden een waardig en harmonieus leven leid(d)en? We hebben een kennistheorie van het zuidelijk halfrond nodig,’ schrijft de Portugese socioloog Boaventura de Sousa Santos zeer terecht. Zeker in de Spaanse rebelse steden zoals Madrid en Barcelona is dat gedachtegoed binnen gedrongen en probeert men daar ook elementen van in praktijk om te zetten.

‘De filosofía del buen vivir plaatst harmonie tegenover hegemonie, instandhouding tegenover roofbouw, respect tegenover uitbuiting, zorg dragen tegenover er recht op hebben.’ (p. 121) Wil Heeffer voegt er nog aan toe: ‘Centraal staan de zorg voor moeder aarde, het streven naar sociale rechtvaardigheid, het inzetten op economische veranderingen die niet gebaseerd zijn op de logica van private winstvermeerdering maar die gericht zijn op het versterken van solidariteit, en het bevorderen van reciprociteit op basis van meedoen en gehoord worden.’ (p. 117) Zeer belangrijk is ook dat de bevrijdingsfilosofie pleit voor een participatieve opvatting van democratie waarbij alle lagen in de samenleving worden geconsulteerd ter realisatie van een consensus die het welzijn van allen waarborgt.

Die principes van het ‘goed (samen) leven’, zo vermeldt Heeffer, werden intussen ingeschreven in de nieuwe grondwetten van Bolivia en Ecuador, niet toevallig twee Andeslanden met een zeer grote inheemse bevolking. In Bolivia hanteert men de term vivir bien of buen vivir wat de Spaanse vertaling is van het Aymara suma qamaña en in Ecuador spreekt men liever over Buen Vivir als vertaling van het daar meer gesproken Quechua sumak kawsay. Zij kunnen ongetwijfeld een inspirerend voorbeeld zijn voor een beweging van onderuit in het westen die de bouwstenen wil leggen van een nieuwe sociaalecologische samenleving.

Kritische benadering

Het onder de aandacht brengen van die levensfilosofie in wording is zeker de grote verdienste van Wil Heeffer, maar dat mag zeker niet leiden tot wat Ton Lemaire hierboven nieuwe vormen van neoprimitivisme noemt. Misschien heeft het met de beknoptheid van dit boek te maken, maar op sommige plaatsen miste ik toch enige toelichting over de manier waarop er met het Buen Vivir wordt omgesprongen, ook in Bolivia en Ecuador waar het begrip nochtans gemunt werd.

Een progressieve constituante kan inspirerend zijn om een lange termijnrichting aan te geven, maar daar heb je nog geen andere maatschappij voor, zoals ook het concept van Buen Vivir op dit ogenblik niet meer kan zijn dan een nieuwe levensfilosofie in wording en dan nog een met veel tegenkanting en niet van de minste … ook uit eigen rangen. De Boliviaan Pablo Solon en de Ecuadoraan Alberto Acosta behoren daartoe.

Pablo Solon, betrokken bij het opstellen van de Boliviaanse grondwet, was tussen 2009 en 2011 Boliviaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties. In 2011 brak hij met de regering-Morales en werd in april 2012 directeur van de in Bangkok gevestigde ngo Focus on the Global South. ‘Mijn grootste teleurstelling is geweest dat mijn eigen regering de principes niet heeft toegepast waarvoor wij internationaal opkwamen. Men kan niet iets poneren zonder het ook toe te passen in het eigen leven. Dat is de reden waarom ik niet langer betrokken ben bij de regering-Morales.’ [ii]

De econoom Alberto Acosta legde in Ecuador ongeveer eenzelfde weg af. Hij was onder Rafael Correa minister van energie en mijnbouw en voorzitter van de Grondwetgevende Vergadering en in die hoedanigheid een van de geestelijke vaders van het Buen Vivir, en nu een van de scherpste critici van het politieke bewind in Ecuador.

Met deze laatste kritische opmerking wil ik de waardevolle benadering van de interculturele filosoof Wil Heeffer geen oneer aandoen, maar er alleen op wijzen dat het politieke spanningsveld waarin deze filosofie geïntroduceerd wordt onvoldoende belicht werd. Misschien had Wil Heeffers boek naast een filosofische ook een meer politicologische benadering verdiend waardoor ook de moeilijkheden bij het implementeren van het concept ‘Buen Vivir’ aan bod hadden kunnen komen.

Bronnen:

[i] Ton Lemaire (1986). De Indiaan in ons bewustzijn. De ontmoeting van de Oude met de Nieuwe Wereld. Baarn, p. 303

[ii] Mijn vertaling van een interview met Solon in: Transnational Institute, juni 2012

 

Wil Heeffer, Van roofbouw naar opbouw, oorsprong en ontwikkeling van de Latijns-Amerikaanse filosofie, ISVW Uitgevers, Leusden, 2019, 175 blz. ISBN 9789492538536, 24, 95 euro

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!