Bron: Pixabay
Opinie, Europa, Economie, Politiek - IPS

Brexit voedt misplaatste nostalgie naar Britse Rijk

Nu de gevolgen van de zelfgekozen Britse 'no-deal' exit uit de Europese Unie steeds duidelijker worden, flakkert er nostalgie op naar het Britse Rijk. Dat Britse verlangen naar vroeger is gebaseerd op foute aannames en getuigt van nauwelijks verholen neokolonialisme, stellen de economen Anis Chowdhury en Jomo Kwame Sundaram.

dinsdag 12 maart 2019 23:51

Hoewel in de jaren 80 onder het bewind van Thatcher afstand werd genomen van het Commonwealth, proberen sommige leiders van de Britse Conservatives de koloniale connecties nu plots opnieuw tot leven te wekken. Dat doen ze in steeds wanhopiger pogingen om het isolement te vermijden waarin de Britten door eigen toedoen verzeild dreigen te geraken, na de scheiding van hun EU-buren aan de overkant van het Kanaal.

Nostalgie naar het Britse Rijk

Een van de nieuwe mythes, ontstaan door de Brexit, is dat de Britse kolonies geen economische winsten bezorgden aan Groot-Brittannië. Er wordt integendeel gesuggereerd dat de koloniale besturen een enorme investering vroegen van Groot-Brittannië zelf. Het Rijk, zo wordt zelfs beweerd, zou zo lang in stand gehouden zijn dankzij de Britse zin voor verantwoordelijkheid.  Het nieuwe mantra is dat het Britse beleid hielp de kolonies van het rijk zich te ‘ontwikkelen’. En India was natuurlijk het juweel op de Britse kroon.

India’s voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Shashi Tharoor ontkrachtte vele van dergelijke mythes die het Britse Rijk verdedigen en vrijpleiten van schuld. Niet in het minst de theorieën van geschiedkundige Niall Ferguson, voormalig professor aan Oxford en Harvard. De voornaamste stelling van Ferguson was dat de gekoloniseerde landen zich ontwikkelden dankzij het Britse imperialisme, en die opvatting raakte wijdverbreid door de invloedrijke BBC-televisiereeks ‘Empire’.

De Maleisische sultan Nazrin Sha onderstreept daarentegen in zijn boek juist de cruciale bijdrage van de grondstoffen die uit de Maleisische kolonie werden geëxporteerd tussen 1900 en 1940. Andere studies wijzen erop dat het Britse herstel na de oorlog grotendeels samenging met de exportwinsten uit de kolonie in Zuid-Oost Azië.

Minder bekend is de zorgvuldige analyse door Utsa Patnaik van bijna twee eeuwen belasting- en handelsgegevens. Zij schat dat Groot-Brittannië bijna 45 miljoen dollar winst uit het Indiase subcontinent perste tussen 1765 en 1938, het equivalent van 17 keer het huidige Britse bbp.

Koloniaal overschot

Nadat de Engelse East India Company (EIC) de controle kreeg over de Indiase export, ‘kochten’ de EIC-handelaars Indiase goederen – met belastinginkomsten die in India werden geïnd. Toen de Britse kroon de EIC verving, verdween dat monopolie en moesten de handelaren in Londen goud geven in ruil voor roepies om Indiase producten te kopen.

Onder de monetaire regels van het Britse Rijk werden de handelswinsten van de kolonies beschouwd als Brits en dus ingeboekt als tekort in hun eigen ‘landelijke’ boekhouding, ondanks de vaak grote handelsoverschotten in vergelijking met andere landen tijdens de Grote Depressie.

India moest lenen van Groot-Brittannië om zijn eigen import te financieren. Zodoende bleef het land door een relatie van schulden verbonden met Groot-Brittannië.

Het zal dan ook niet verbazen dat twee eeuwen Brits bewind het inkomen per hoofd van de bevolking in India niet significant heeft doen stijgen. Integendeel, dat inkomen zakte met de helft in de tweede helft van de 19de eeuw, en de levensverwachting zakte met een vijfde tussen 1870 en 1920! Helaas stierven tientallen miljoenen mensen door hongersnoden die vermeden had kunnen worden, veroorzaakt door koloniale beleidsbeslissingen, waaronder twee periodes van hongersnood in Bengalen.

Geen excuses voor slavernij

Groot-Brittannië gebruikte zijn frauduleuze winsten uit de kolonies voor diverse doeleinden, waaronder verdere koloniale expansie in Azië en Afrika. Belastingbetalers in de kolonies betaalden dus niet enkel voor het bestuur van hun eigen uitbuiting, maar ook voor de verdere expansie van het Britse Rijk elders en voor de oorlogvoering door Groot-Brittannië.

Ook de middelen die nodig waren voor de Industriële Revolutie kwamen grotendeels uit de koloniale gebieden. Later werd de expansie van het kolonialisme en buitenlandse investeringen ermee gefinancierd, tot en met de Europese kolonistennederzettingen.

Net als het opus magnum van Eduardo Galeano, Open Veins of Latin-America, heeft Walter Rodney’s klassieker How Europe Underdeveloped Africa aangetoond hoe slavernij en andere imperialistische economische beleidsmaatregelen Afrika veranderden, uitbuitten en brutaliseerden.

In The Empire Strikes Back schat Robert Beckford dat Groot-Brittannië niet minder dan 7.500 miljard dollar zou moeten betalen als schadeloosstelling voor de Britse rol in de transatlantische slavenhandel, en meer bepaald 4.000 miljard voor onbetaalde lonen, 2.500 miljard voor onterechte verrijking en 1000 miljard dollar voor pijn en lijden.

Groot-Brittannië heeft nooit zijn excuses aangeboden voor de slavernij of het kolonialisme, wat het wel heeft gedaan voor de Ierse aardappelhongersnood. Er is nooit een publieke erkenning gekomen van de rijkdom die uit de kolonies werd gezogen en hoe dat geld aan de basis ligt van de investeringen, fabrieken, handel en de welvaart van het moderne Groot-Brittannië.

Neo-kolonialisme

Nu de Brexit op til is, steekt er nu een nieuw discours op van nostalgie naar het Britse Rijk en een glansrol voor het Commonwealth, dat werd afgeschreven door Maggie Thatcher. Meer dan de helft van de Britten blijkt vandaag te geloven dat het Britse imperialisme nuttig en goed was voor de kolonies.

Die veronderstelling maakt duidelijk dat de Britten zichzelf een rad voor ogen draaien. Het toont ook de verholen Britse neokoloniale honger naar energiebronnen en mineralen, en de rol van Groot-Brittannië als belastingparadijs voor opportunistische financiën. Ook het Britse leiderschap inzake imperialisme op wereldschaal spreekt er duidelijk uit, zij het nu in een tweederangsrol naast de Verenigde Staten, waarmee Groot-Brittannië een bijzondere band heeft.

Professor Jomo Kwame Sundaram was adjunct secretaris-generaal voor Economische Ontwikkeling bij de Verenigde Naties, en adjunct directeur-generaal bij de Voedsel en Landbouw Organisatie (FAO). Hij ontving in 2007 de Wassily Leontief prijs voor het verleggen van grenzen inzake economisch denken.

Professor Anis Chowdhury werkte 8 jaar bij de Verenigde Naties in het departement Economische en Sociale Zaken (UN-DESA). Hij doceerde Economie aan de universiteit van Western Sydney in Australië, de Nationale Universiteit van  Singapore, de Universiteit van New England in Australië en de Universiteit van Manitoba in Canada.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!