Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

Kolonialisme leeft voort in westers duurzaamheidsstreven

Westerse landen ondermijnen pogingen om te komen tot een meer gelijkwaardige, duurzame toekomst voor iedereen, schrijft milieujournalist Zafirah Zein. Het duurzaamheidsstreven lijdt volgens haar onder een "ingesleten koloniale mentaliteit."
donderdag 21 februari 2019

Het Scandinavische modemerk Ganni veroorzaakte nauwelijks ophef toen het de Copenhagen Fashion Week dit jaar afsloot met een show met een duurzaam thema en de titel "Life on Earth."

Aangezien duurzaamheid nu een consumententrend is, is het niet verwonderlijk dat een luxemerk dat beschreven wordt als "een magneet voor coole meisjes in de hele wereld", zichzelf tot doel heeft gesteld het straatimago op te poetsen met een duurzaamheidsshow.

Wat is het probleem? Foto's van achtergestelde vrouwen uit ontwikkelingslanden dienden als decor voor een catwalk met vooral blanke, Europese modellen in designerkleding. Voor het verhaal van deze vrouwen was geen aandacht, en ook niet voor de vraag hoe dat in relatie staat tot het merk, of tot duurzaamheid.

Tientallen jaren na het kolonialisme dreigt westerse dominantie op het gebied van duurzame ontwikkeling en milieubescherming pogingen om tot een meer gelijkwaardige, duurzame toekomst te komen, te ondermijnen.

Superioriteit

Anna Nadim Saber, een fashionblogger in New York, noemde het merk op haar blog "problematisch" en deelde een lange Instagrampost: "Dit is een breder patroon van exploitatie in de mode-industrie. Het zijn precies de vrouwen op die foto's die het meest lijden onder onze industrie: Ze krijgen lage lonen en werken in slechte omstandigheden in sweatshops die kleding maken voor veel westerse merken."

De mode-industrie, zegt ze, "moet niet langer vals zingen en blind zijn voor haar eigen, ingesleten koloniale mentaliteit."

Saber bleek een van de weinige stemmen uit de modebusiness die Ganni's misstap aankaartte. Maar haar opmerkingen resoneren met een ongemakkelijk gevoel dat ik al een paar maanden heb als ik over duurzame ontwikkeling schrijf.

Ganni's pogingen om duurzaamheid te promoten zijn niet alleen misplaatst; ze bestendigen noties van ongelijkheid en westerse superioriteit met beelden die andere gemeenschappen niet goed representeren. En er blijkt gebrek aan werkelijke betrokkenheid bij wereldwijde problemen uit.

Deze "valse zang" door westerse merken bevestigt ook de verontrustende perceptie dat het wereldwijde verhaal over duurzaamheid de schuld afschuift van, en zelfs applaus toekent aan, degenen die al lange tijd de oorzaak en aanjager zijn van deze wereldwijde problemen.

Dit heeft zijn wortels in een koloniale houding en cultureel imperialisme – kwesties die voortkomen uit de historische relatie tussen ooit gekolonialiseerde landen en hun voormalige kolonisatoren, en uit ongelijke machtsstructuren tussen Noord en Zuid.

Ecokolonialisme?

De term ecokolonialisme zie je praktisch niet in de mainstream media, als het gaat over duurzaamheid. Overheden en burgergroepen wereldwijd gebruikten het recentelijk wel om te verwijzen naar gedrag en beleid van rijke, westerse landen die momenteel het luidst hun stem laten horen als het gaat om milieubescherming.

Eerder dit jaar beschuldigde de Maleisische Federale Landontwikkelingsautoriteit (Felda) de Europese Unie van "economische kolonisatie", vanwege haar plan om palmolie in biobrandstoffen te verbieden in 2020 om ontbossing tegen te gaan. Het land beweert ook dat een dergelijk verbod "discriminatoir" is. Dat zou zo zijn omdat het Europese oliehoudende gewassen zoals koolzaad en zonnebloemen bevoordeelt, en tegelijkertijd de aandacht afleidt van binnenlandse milieuproblemen.

In een interview zei een woordvoerder van Felda dat "het hier gaat om dezelfde koloniale houding, de witte man die ons van verre wil besturen."

Europese prioriteiten

Palmolie levert een aanzienlijke bijdrage aan de economie van Aziatische landen die het exporteren.  Het gaat dan om landen zoals Indonesië en Maleisië, waar kleine boeren goed zijn voor bijna de helft van de palmolieproductie. Zij zijn van dit product afhankelijk om te overleven.

Europa houdt in dit geval alleen rekening met zijn eigen prioriteiten en niet met die van mensen in Maleisië en Indonesië, terwijl palmolie nog steeds gebruikt wordt in allerlei andere producten, variërend van zeep en cosmetica tot crackers en ijsjes.

Een gewas bevriezen dat erg belangrijk is voor het versnellen van de sociale en economische ontwikkeling van veel landen in Afrika en Zuidoost-Azië, draagt een schaduw van neokolonialisme met zich mee: een sterk land oefent controle uit over een ander land via economische en monetaire middelen.

Plasticafval

Een andere kwestie die ruikt naar groen imperialisme, is de handel in plasticafval. Die trok afgelopen jaar de aandacht toen China besloot de import van plasticafval te verbieden om het milieu te beschermen.

Een stap die leidde tot stevig protest van onder meer Britse en Amerikaanse bedrijven, die nu zelf hun plastic moeten verwerken. De directeur van het Institute for Scrap Recycling Industries in Washington zei zelfs: "Geven ze (in China) wel om het wereldwijde milieu of gaat het alleen om hun eigen omgeving, want we gooien nu prima materialen weg als gevolg van hun acties.”

Sommige spelers in de markt kozen voor de gemakkelijke oplossing, door hun afval naar Zuidoost-Azië te verschepen. Te veel om te verwerken door de lokale havens en recyclagebedrijven, waardoor landen zoals Maleisië, Vietnam en Thailand zich gingen roeren. Ook zij verboden vervolgens de import van plastic.

Overconsumptie

Thailand en Vietnam behoren tot de vijf landen die wereldwijd bovenaan de lijst met vervuilers van zeeën en rivieren staan. Ze zijn daardoor het doelwit van internationale kritiek op hun afvalbeleid en niet-duurzame consumentengedrag. Dat terwijl ze doorgaans het laatste station zijn voor afval dat geproduceerd is door rijke landen.

Op deze manier is een vertekend beeld ontstaan van ons wereldwijd afval, waarin rijke landen – waar vaker sprake is van overconsumptie – de schuld van zich afschuiven.

De aandacht van de media gaat vaak naar de oceanen in Azië die vervuild zijn met plastic, en tegelijkertijd naar westerse initiatieven zoals het verbieden van plastic rietjes en de overstap naar meer duurzame items. Een verandering van levensstijl die niet haalbaar is voor velen in ontwikkelingslanden.

Of zoals verwoord in dit artikel geografie-experts van de University of Guelph in Canada: "Als we afval begrijpen, niet als iets wat geproduceerd wordt door de acties van een groep individuen, maar eerder als een product van sociaaleconomische systemen die afval veroorzaken en verspilling stimuleren, ontstaan problemen met de heersende redenering. We zien dan dat westerse consumenten onderdeel zijn van het probleem en dat ook zij verantwoordelijkheid dragen."

Niet-westerse duurzaamheid

Chandran Nair, de Maleisische oprichter van de denktank Global Institute for Tomorrow in Hong Kong, schrijft in zijn boek 'The Sustainable State' dat het probleem is dat duurzame ontwikkeling tegenwoordig eerder gezien wordt vanuit het perspectief van gevorderde economieën dan vanuit ontwikkelingslanden.

Hij constateert dat discussies vaak geleid worden door westerse experts, die zelden wijzen op de niet-duurzame manier waarop hun eigen economieën gegroeid zijn. In een gesprek met Nair tijdens de Abu Dhabi Sustainability Week stelde hij dat het door het Westen gedomineerde duurzaamheidsdenken vaak hypocriet is en een overblijfsel van koloniale gewoonten zoals paternalisme, het afschuiven van de schuld op het slachtoffer en het exporteren van problemen.

Ook is het zo dat het bij veel duurzaamheidsevents en paneldiscussies ontbreekt aan de diversiteit die goed zou zijn om kwesties aan te roeren waar een meerderheid van de wereldbevolking mee te maken heeft. In plaats daarvan zien we blanke mannen in pak. Dit geldt net zo goed voor ngo's: groene bewegingen in Azië worden vaak geleid door westerse expats.

Radicaal anders

Ik heb het altijd ironisch gevonden dat het Westen de wereld naar een duurzame toekomst moet leiden, na een periode waarin het westerse economische model – gebaseerd is op overconsumptie die van de wereld een vuilnisbelt heeft gemaakt – bijna wereldwijd ingang vond.

"De minst duurzame samenlevingen zijn de westerse, maar ze maken daar een Aziatisch probleem van", zei Nair. "Deze samenlevingen bieden ons nu ook oplossingen aan, bedacht door hun denkers en experts. In dat plaatje klopt iets niet."

In het gesprek werd de fout in het huidige verhaal blootgelegd: duurzaamheid richt zich vaak op de eisen en behoeften van rijke, vooral westerse landen, terwijl de meer complexe barrières waar het grootste deel van de wereld tegenaan loopt als het gaat om het duurzaamheidsstreven, buiten beschouwing blijven.

Echte oplossingen zijn alleen mogelijk als het wereldwijde gesprek radicaal anders wordt gevoerd. Het moet geworteld zijn in lokale behoeften en contexten, en gevoerd worden op basis van kennis, ideeën en beleid die onafhankelijk zijn van westerse modellen.

Duurzaamheidsstreven moet ook inclusiever worden als het gaat om stemmen buiten de westerse mainstream – vooral die van gemeenschappen die daardoor al lange tijd gemarginaliseerd zijn. Het moet streven naar een eerlijke representatie zonder herhaling van de schadelijke koloniale mentaliteit.

Als dat niet gebeurt, lopen we het risico een wereldwijde structuur van ongelijkheid te stimuleren die de zoektocht naar duurzaamheid niet ten goede komt.

Bron: Eco-Business

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.