Essay -

De slapende soeverein: over selectieve democratie bij links en rechts

Volgens Anton Jäger heeft zowel de rechterzijde als de linkerzijde boter op het hoofd in het debat over het migratiepact. De democratische optie wordt steeds uitgesloten en dat is nefast.

donderdag 3 januari 2019 11:03

Meer dan acht jaar geleden – toen de N-VA nog niet in de Belgische regering zat, het Verenigd Koninkrijk nog deel uitmaakte van de Europese Unie, en Trump geen president was – publiceerde een Vlaamse hoofdredacteur een berucht boekje.

De auteur zelf was sedert enkele jaren aangesteld bij het magazine Trends, boetiekblad van het Nieuw-Vlaamse patronaat. Zijn traktaat was vindbaar in het vak economie en handelde over de doodsstrijd van een recente uitvinding in de Europese staatskunde — de euromunt. Het einde van de euro werd verkocht als kritische analyse van die eenheidsmunt, die sinds 2011 in een existentiële crisis verzeild was geraakt, toen private banken de Griekse staat met bankroet bedreigden en massaal leningen introkken. De auteur gaf toen aan:

Op termijn zullen de economische problemen van de euro de Griekse democratie in gevaar brengen…. Je kunt hier subtiel over doen maar eigenlijk chanteren de banken de overheden: Koop die schuld van ons terug of wij dumpen het hele zootje en dan is het gedaan met de euro.”

Dergelijke kritische kijk werd zelfs beaamd door de toenmalige aanvoerder van de PVDA in zijn boek Hoe durven ze?, die de analyses gebruikte voor zijn ontleding van het hedendaagse kapitalisme.

Vijf jaar later bevond de auteur van bovenstaande zinnen zich opeens aan het hoofd van een kersvers Belgisch kabinet. Hij had ook een ministerpost Financiën beet, en werd een vergaderzaal in de Brusselse Commissiegebouw ingetrokken, samen met Wolfgang Schaüble en Jeroen Dijsselbloem.

Eén van de aanwezigen rapporteerde toen over het gedrag van de man in kwestie: “Hij was zoals die grijze mensen in het politbureau die hun kaartje omhoog staken.” De beschuldigde rechtvaardigde zijn gedrag later met volgende woorden. “Je kunt geen duurzame muntunie uitbouwen als de leden hun soevereiniteit integraal willen behouden.”

Hij echode een gelijkaardig gevoel toen twee jaar later Paul Magnette bezwaar aantekende tegen de Belgische deelname aan het bilaterale CETA-akkoord. ‘“Financiële markten bewijzen politici een grote dienst”, zo dacht hij, “door “politici onder druk te zetten om te doen wat absoluut gedaan moet worden.” “In een onbewaakt moment zou je haast wensen dat België ook wat meer onder druk van de markten komt te staan.” Financiële intimidatie als politiek drukkingsmiddel.

Op het eerste zicht valt er Johan Van Overtveldt – de man waarover we het hier hebben en gewezen minister economie bij af in de betreurde regering Michel – natuurlijk weinig te verwijten. Als Vlaamse boekhouder met een voorkeur voor Milton Friedman (die, zoals de vorige jaren bleek, soms moeite heeft met basale rekensommen) is zijn status als loopjongen voor het Duitse grootkapitaal niet verbazingwekkend. Van Overtveldt is enkel het meest beeldige voorbeeld van Nietzsche’s “dat in de loop van de geschiedenis mensen inzien dat de ijzeren noodzaak noch van ijzer of noodzakelijk is.”

Wat wel verbazingwekkend is, daarentegen, is het vermogen van Van Overtveldts partij om zich in de laatste weken als soevereiniteitsminnende club te herijken. Van Sander Loones tot Bart De Wever tot Peter De Roover: er is geen N-VA coryfee die de voorbije weken geen uitspraken heeft gedaan over de nood om de “Belgische (sic) soevereiniteit” te verdedigen tegen oikofobe slopers. Volgens de partijwebsite is de N-VA van oordeel “dat we met het migratiepact een belangrijk deel van onze soevereiniteit uit handen geven.” “Wij aanvaarden niet”, zo stelt het document, “dat ons migratiebeleid tegen de wil van de bevolking in onmogelijk kan worden gemaakt. In onze democratie beslissen wij, de soevereiniteit ligt bij de bevolking. Dat is voor ons een kwestie van principe.”

Het is verleidelijk om deze uitspraken als een zoveelste geval van rechtse hypocrisie af te doen. Rechts wil open grenzen voor het grote geld, maar weigert in te zien hoe hun nationalistisch project zelf onder de groene zoden komt te liggen door toedoen van het neoliberalisme – dat al wat heilig is ontheiligt en elk kerkgebouw omvormt tot een supermarkt. Zo zou het monsterverbond dat de N-VA als conservatieve partij met een intrinsiek dynamisch kapitalisme aangaat, dat “het vaste vloeibaar maakt” (Marx), niet eeuwig blijven duren.

 

Hayek als inspirator

Bij nader inzien blijkt de combinatie die door Van Overtveldt, Loones en De Roover wordt uitgedragen – identitaire zelfbeschikking thuis, economische onderwerping internationaal – echter veel minder contradictorisch. De partiële soevereiniteitsopvattingen van de N-VA passen in wezen perfect binnen de grote inspirator van hun “broodheer” VOKA, waar de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek sinds vele jaren als vaste literatuur geldt.

Als intellectuele grootvader van het neoliberalisme hield Hayek er zelf enkele merkwaardige, maar daarom niet minder interessante, meningen over staatssoevereiniteit op na. De econoom stelde dat zijn ideale wereld (de utopie van een door de staat gegarandeerde vrije markt) er eentje was waar kapitaal zo mobiel mogelijk was en zich vliegensvlug van de ene naar de andere plaats op deze planeet kon bewegen (‘delokaliseren’). Het ‘recht op kapitaalvlucht’ gold als het allereerste mensenrecht.

Dat kapitalistisch kosmopolitisme kwam er wel onder voorbehoud. Als voormalig inwoner van Wenen in de jaren 1920 was Hayek ook bekend met de ongewisse gevolgen van het vrij verkeer van een andere productiefactor: arbeid.

Nadat in 1918 in Rusland een burgeroorlog tussen procommunistische en anticommunistische troepen uitbrak (niet zelden vergezeld door orgieën van anti-Joods geweld), vluchtten talrijke Oost-Europese Joden naar het westen om aan pogroms te ontsnappen. Een van hun vluchtplaatsen was de Oostenrijkse hoofdstad, die in de jaren 1920 overrompeld werd door Joodse vluchtelingen. Die overspoelden een reeds krappe arbeidsmarkt, wat etnische spanningen in de stad opjoeg. Zoals hij in 1978 in een brief aan de Londense Times bekende, was de “plotse toevloed van grote aantallen Galicische en Poolse Joden die té anders waren om gemakkelijk te worden opgenomen” een voorname voedingsbron van het fascisme. De gebeurtenis indachtig stelde Hayek dat zijn neoliberale wereldorde steeds het vrij verkeer van kapitaal diende te verzekeren, maar niet dat van arbeid.

Hayeks uitspraken vertellen ons een heleboel over de specificiteit van het neoliberale migratieregime dat de laatste dertig jaar is opgebouwd, zowel in Europa als in de VS. Terwijl de late negentiende eeuw gekenmerkt werd door een ongeziene mobiliteit zowel voor arbeid als kapitaal, is de bewegingsvrijheid van de neoliberale arbeidersklasse hoogst beperkt. De Hongaarse intellectueel Gaspar Tamas omschreef dit ooit als “deregulering voor het kapitaal” gecombineerd met de “strengste regulering voor arbeid.” Oftewel: geld reist waar het kan, terwijl arbeid overal nieuwe muren tegemoetziet.

Een deel van het verhaal is natuurlijk de poging van nationale parlementen om de eisen van immigranten af te wegen tegen de zogenaamde ‘inheemse’ arbeidersklasse — migratiestops zijn nu eenmaal een stuk makkelijker af te dwingen dan kapitaalcontroles, en welvaartschauvinisme is een machtig electoraal wapen. Dat is echter niet de enige lezing van de huidige migratiemanie. Een restrictief migratieregime is in zekere zin ook veel rationeler voor de voorstanders van de huidige neoliberale wereldorde. De ongebreidelde bewegingsvrijheid van het kapitaal houdt niet alleen potentieel hogere winstmarges in. Het betekent tevens toegenomen economische onzekerheid, waarbij crises en crisettes een vast onderdeel van het geopolitieke landschap worden. Kapitalisten kunnen om de haverklap geld in nieuwe, speculatieve industrieën pompen, om na de hausse hun boeltje weer in te pakken en weg te trekken. De factor ‘arbeid’ (oftewel, werknemers) moet daarvoor dus gedisciplineerd, zodat die op elk moment paraat kan staan wanneer een verse kapitalistische goudkoorts zijn aanvang kent. Dat vereist sterke maar holle staten, die als “marktpolitie” altijd de basis van de kapitalistische orde – het privaatbezit – kunnen herbevestigen, maar geen publieke inspraak tolereren als er eisen tot herverdeling worden gesteld.

Dat betekent nog geen vrijheid van verplaatsing voor arbeiders. Dat zou impliceren dat die laatsten daarmee even gemakkelijk zouden kunnen wegtrekken wanneer het kapitaal geen aantrekkelijke loonaanbiedingen in de uitstalling heeft. Eerder het omgekeerde: het doel van Trumpiaanse grenscontroles is om een permanent dienstbare onderklasse te scheppen die met een fluitsignaal klaar moet staan om de laagste lonen te accepteren.

‘Soevereiniteit’ betekent voor de neoliberale N-VA vooral de vrijheid om thuis identitaire illusies te beleven, terwijl de beslissingsmacht over economisch beleid in elitaire handen blijft. Zoals Matthias Somers in De Morgen onlangs aangaf, heeft de N-VA geen enkel probleem met een “verdrag waardoor een bedrijf de EU voor een arbitragehof kan slepen wanneer wij onze regelgeving zouden aanpassen en het bedrijf vreest daardoor minder winst te kunnen maken.” “Over die vrijwillige overgave van democratische beslissingsmacht”, zo stelt hij, sprak de N-VA in 2016 “geen kwaad woord.”

 

Technocratische machinerie

Men zou denken dat er ter linkerzijde dan ook in unisono geprotesteerd zou worden tegen dergelijke houding, en dat links volmondig de kaart van de zelfbeschikking trekt. Dat blijkt echter nog eens tegen te vallen. Neem een recent stuk van Groen-kopstuk Kristof Calvo en Wouter De Vriendt op Knack, waarin beide mannen zich aan een vertrouwelijke verdediging van het VN-pact wagen. Zoals ze aangeven:

“Een grensoverschrijdende kwestie als migratie heeft per definitie méér internationale oplossingen nodig, méér multilaterale afstemming, en méér VN…. Onze diplomatieke geloofwaardigheid staat op het spel. België heeft een traditie van multilateralisme en is voortrekker van integratie. Ons land staat aan de kant van de Verlichting. Als daarover twijfel rijst, als wij met ons volle verstand kiezen voor een minderheidspositie binnen de Europese Unie en ons scharen achter populistisch rechts, verliezen wij glans en betalen wij een prijs.”

Er is natuurlijk heel wat rook geblazen over de vraag of het verdrag in kwestie nu wel of niet juridisch bindend zou zijn. Eén zaak staat echter buiten kijf: het verdrag verwijst enkele bevoegdheden over immigratie mogelijkerwijs naar internationale gerechtshoven, die buiten het bereik van nationale jurisdicties liggen.

Zoals Fernand Keuleneer aangeeft, is de filosofie die de CETA-akkoorden en het Migratiepact onderschrijft eentje waarin “de ultieme beslissingsmacht naar onduidelijke supranationale organen (wordt) verlegd” in naam van de troebele roep der “mensenrechten”. Terwijl staten nog steeds de spil vormen van de huidige politieke orde (denk aan China), trachten dergelijke verdragen de interne eerder dan de externe soevereiniteit van staten uit te hollen – oftewel, de banden die staten behouden met middenveldorganisaties zoals vakbonden, belangengroepen en burgerbewegingen. Aldus wordt de “interstatelijke orde” getransformeerd in een wild westen waarin onverkozen machten (de ECB, de Commissie, de WHO) “in om het even welk statelijk of maatschappelijk domein kunnen ingrijpen.”

Dat lijkt Calvo edoch weinig te deren. Onbezorgd stelt hij dat het verdrag wel degelijk voldoet aan de “noden van het Belgische bedrijfsleven”, en dat de “competenties” van vluchtelingen zullen “worden gematcht (sic) aan de noden van de markt.” De breuk met het huidige immigratieregime lijkt dus miniem. Het recht op immigratie wordt nog altijd gedefinieerd in het kader van het vrij verkeer van waren – in dit geval de waar ‘arbeid’. In Calvo’s universum ontlenen personen hun recht tot mobiliteit dus niet aan hun status als burgers. Ze ontlenen die veeleer aan hun marktwaarde, bepaald door de bewegingen van een onpersoonlijke arbeidsmarkt.1

Men kan het natuurlijk eens zijn met Calvo’s ambitie om de tragedie van de vluchtelingencrisis koste wat het kost te beëindigen. Tegen goede bedoelingen valt weinig in te brengen, en incantatorische formules als “Verlichting” en “volle verstand” zijn inderdaad bedwelmend. Maar de waarheid heeft ook haar rechten. De argumenten van Calvo en Wouters voor het verdrag gaan een stuk verder dan morele goedkeuring, of een loutere vraag tot diplomatische geloofwaardigheid. Impliciet lijken ze in te stemmen met het idee dat de enige manier waarop immigratie — of elke andere kwestie trouwens — zich in de eenentwintigste eeuw politiek laat organiseren erin bestaat om de zeggenschap over het veld in kwestie uit de handen van bevolkingen zelf te nemen.

Die houding is geen nieuwigheid bij Groen. Zoals Calvo zelf aangaf naar aanleiding van het Griekse referendum in 2015 – dat door de regering Tsipras werd uitgevaardigd ter toetsing van het laatste Europese besparingsvoorstel – had Syriza volgens hem “heel vreemd onderhandeld.” “Het plotse referendum en het niet valoriseren ervan in de vorm van een nieuw voorstel”, zo stelde hij, “zorgden onvermijdelijk voor twijfel en wantrouwen bij de andere europartners.” Dat de onderhandelingen met die ‘partners’ steevast met dreiging van een opdrogende munttoevoer plaatsvonden – een vorm van “financieel terrorisme”, zoals Yanis Varoufakis aangaf – schuift Calvo gemakshalve terzijde. Soevereiniteit is toch een negentiende-eeuwse schim. Maar verderop lonkt eigenlijk het idee dat een humaan immigratiebeleid of een werkbare muntunie alleen maar door antidemocratische middelen kan worden afgedwongen: een bevolking overtuigen is sowieso een verloren zaak, gezien de inherente vooroordelen daar aan de overkant.

Wat ten gronde ligt aan argumenten à la Calvo is dus – behalve een vreemde, enigszins elitaire weerzin tegenover populaire macht – ook een stuitende politieke lethargie. Calvo uit een onwil om het debat over een genereus grenzenbeleid ooit in nationale contexten te winnen. In de plaats moet het recht op immigratie en economische samenwerking internationaal worden gecodificeerd, en overgelaten aan onverkozen organen — rechters, hoven en ander technocratische machinerie.

Calvo’s hoegenaamd ‘linkse’ pleidooi voor een gastvrij immigratiebeleid vertoont op den duur dus even partiële kantjes als de selectieve soevereiniteitsliefde van de N-VA. Beiden geloven dat bepaalde sferen van de besluitvorming afgeschermd moeten worden van de democratische stem. Beiden geloven in wezen dat echte politieke onafhankelijkheid een droom is. De ene stipuleert dit door te stellen dat democratisch beheer van de economie onvermijdelijk ‘populistisch’ is (horresco referens) ; de andere door te beweren dat politieke controle over immigratie door het volk zelf, en niet door het kapitaal, op den duur alleen maar in concentratiekampen kan eindigen (voor het tweede zorgt Groens voorbeeld Macron zelf wel).

Op links is dergelijke dubbelzinnigheid schadelijk. De twintigste-eeuwse en negentiende-eeuwse arbeidersbeweging heeft lang en hard gestreden om zich een plekje te verschaffen in absolutistische staten die nog tot de jaren twintig door aristocratieën en hun burgerlijke lakeien werden bestuurd. Zoals Antoon Roosens – een van de voornaamste Vlaamse marxisten van de twintigste eeuw – ooit stelde, was “de moderne natiestaat de eerste, en tot hiertoe enige politieke structuur is, waarbinnen de arbeidende klassen een historisch ongeëvenaard welvaartspeil wisten te bereiken, evenals een weliswaar onvolmaakt, maar niettemin reëel inspraakrecht in de politieke besluitvorming.”

Het staat niet in de sterren geschreven dat de natiestaat ook in de eenentwintigste eeuw de onoverkomelijke arena voor links zal zijn. Sommigen zullen zelfs beweren dat de Europese sfeer nu al een grotere emancipatorische mogelijkheid biedt. Wat wel buiten kijf staat, daarentegen, is dat een linkse politiek die een weg zoekt voorbij de democratisch bekrachtiging weinig, tot geen, toekomst heeft. Zoals de Engelse schrijver Philip Cunliffe aangeeft, is elk links programma dat “niet op een massabasis is geconstrueerd” en geïmplementeerd kan worden zonder “populaire soevereiniteit en democratische vernieuwing” uiteindelijk “betekenisloos.”2

Dat betekent nog geen ‘flinkse’ tournures op z’n SP’s of Aufheben, waarbij een onveranderbare populaire wil wordt ingeroepen om een hardvochtig immigratiebeleid als onvermijdelijk te typeren. In plaats van serviel voor een publieke opinie te buigen, of immigratie over te laten aan hoge machten, moet links eerder een geduldige en duurzame dialoog aangaan met een achterban over de voordelen van een genereus grenzenbeleid, dat uiteindelijk dezelfde bewegingsvrijheden kan gunnen aan arbeid als aan het kapitaal. Anders volgt een gezichtsverlies dat vele malen beschamender is dan het legertje boekhouders bij de N-VA.

 

 

Noten

1 Het verschil met een oude, Jakobijnse traditie van het vreemdelingenrecht – die Frankrijk na de Revolutie tot vrijhaven voor “vrienden van de vrijheid” uitriep en iedere politieke vluchteling die naar onafhankelijkheid snakte een plaats gunde – blijft frappantDat betekent niet dat de eeuwige tegenstelling van het asielrecht – ‘verdienende vluchteling’ versus ‘niet-verdienende’ – hier ook geen rol speelde, aangezien het Franse asielrecht tirannen altijd benadeelde. De vraag is eerder of dit een beter beginpunt vormt voor asielrechtelijke discussies dan loutere ‘marktconformiteit’.

2 Tinneke Beeckman geeft hier terecht toe dat “rechtse partijen het soevereiniteits­ideaal ingepalmd hebben”, terwijl zij zich zelf niet kan voorstellen dat beslissingsmacht ooit voorbij het nationale kan worden georganiseerd.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!