about
Toon menu
Essay

1918: Hoe de geallieerden op een golf van olie naar de overwinning zwommen

De Eerste Wereldoorlog begon als een klassieke clash tussen legers zoals in de tijd van Naopoleon. Maar het was ook een oorlog tussen koloniale mogendheden en op het einde wonnen de landen met de meeste kolonies, schrijft historicus en auteur Jacques Pauwels.
woensdag 7 november 2018

Bijna iedereen weet dat de Eerste Wereldoorlog eindigde met een Duitse capitulatie op 11 november, 1918. Maar slechts weinigen zijn ervan op de hoogte dat eerder in datzelfde jaar de Duitsers ei zo na de eindoverwinning in de wacht sleepten.

In de lente van 1918 lanceerde Duitsland aan het westfront een reusachtig offensief. Dat project, georkestreerd door generaal Ludendorff, kwam neer op een grote gok. Duitsland was op louter militair vlak nog wel sterk, maar het land was er in vele opzichten heel slecht aan toe. Door een blokkade ter zee, gehandhaafd door de Britse Royal Navy, werd het land geplaagd door een tekort aan allerlei producten, inclusief strategische grondstoffen en voedsel. Duitslands hongerige burgers zowel als militairen waren zodanig misnoegd en onrustig, dat gevreesd werd dat zij het revolutionaire voorbeeld zouden kunnen volgen dat hun Russische tegenhangers in 1917 hadden gegeven.

Reeds in het begin van het jaar waren Berlijn en andere grote steden getuige van demonstraties en opstootjes zowel als stakingen. Bovendien vertoonden de Oostenrijks-Hongaarse en andere bondgenoten verontrustende tekenen van oorlogsmoeheid. En aan het westfront begonnen de scharen der vijanden van het Reich sterk aan te zwellen naarmate steeds meer Amerikaanse troepen hun Franse en Britse wapenbroeders kwamen vervoegen. Onder die omstandigheden hoopte men vurig dat het geplande grote offensief de overwinning zou baren die al die problemen in rook zou doen opgaan.

Duits opmars

De aanval begon op de eerste lentedag van 1918, dus op 21 maart, om half vijf in de morgen, na een ongeziene beschieting door duizenden vuurmonden, en het ‘theater’ was een sector van het front waar in 1916 de Slag aan de Somme was uitgevochten. Aanvankelijk waren de resultaten indrukwekkend. De aanvallers slaagden erin om de Britse lijnen te doorbreken en snel vooruitgang te boeken. De Britten verloren al het terrein dat zij in 1916 met zoveel moeite hadden veroverd, en zij leden bovendien zware verliezen. Later in de lente en vroege zomer van 1918 volgden meer Duitse aanvallen, tegen de Britten in Flanders Fields en tegen de Fransen langs de Aisne en in de richting van Parijs, steeds met soortgelijke resultaten.

De Duitse opmars in de richting van Parijs werd echter tot staan gebracht door de Fransen – met aanzienlijke Amerikaanse hulp - in de Tweede Slag aan de Marne, die duurde van midden-juli tot begin augustus 1918. Het tij keerde definitief op 8 augustus. Toen lanceerden Franse, Britse, Canadese en Amerikaanse troepen tegelijkertijd een reusachtig tegenoffensief, en van toen af aan werden de Duitsers systematisch en onweerstaanbaar teruggedreven. Ludendorff zou die datum later beschrijven als de zwartste dag in de geschiedenis van het Duitse leger.

Een aantal factoren droegen bij tot de mislukking van het offensief. Bij de vooruitgang die de Duitsers maakten, kerfden zij diepe uitlopers in het geallieerde front. Maar daarbij maakten zij hun eigen lijnen aanzienlijk langer, met als gevolg dat hun reserves aan manschappen en materiaal verspreid i.p.v. geconcentreerd werden. Dat maakte hun opeenvolgende aanvallen telkens minder krachtig en stelde bovendien hun steeds langere flanken bloot aan geallieerde tegenaanvallen. Ook een psychologische factor speelde een rol. De Duitse soldaten beseften dat de omstandigheden voor een succesvol offensief aan het westelijk front sinds het begin van de oorlog in 1914 nog nooit zo goed geweest waren, en dat het opperbevel al zijn overblijvende middelen had ingezet om het te doen lukken en zo de oorlog te winnen. Het was alles of niets, nu of nooit.

Demoraliserend

Paradoxaal genoeg was het succes van de aanval minstens gedeeltelijk verantwoordelijk voor zijn mislukking. Toen Duitse troepen Britse loopgraven en kazematten innamen, stelden zij vast dat die barstten van wapens en munitie, en van voorraden etenswaren en drank zoals zijzelf in geen jaren meer gezien hadden. De manschappen werden tevergeefs door hun officieren aangespoord om de volgende Britse of Franse stelling aan te vallen: ze verkozen te pauzeren om zich te goed te doen aan onder meer ingeblikt vlees en wijn. Talloze dergelijke onderbrekingen van de Duitse aanvallen boden de geallieerden telkens weer de gelegenheid om zich te reorganiseren, in te graven en reserves aan te voeren, o.a. Amerikaanse troepen, die op vele plaatsen ingezet werden om gaten te helpen dichten. Ook dat had een demoraliserend effect op de Duitsers; het wekte immers de indruk dat de geallieerden over onuitputtelijke reserves beschikten, niet alleen aan voedsel en oorlogsmateriaal, maar ook aan manschappen, aan ‘menselijk materiaal’.

Ondertussen leden de aanvallende Duitsers zelf aanzienlijke verliezen, 230.000 man alleen al gedurende de eerste twee weken en tussen maart en juli in totaal een half miljoen, volgens sommige bronnen zelfs een miljoen. Hoeveel keer nog moesten de Duitsers een geallieerde stelling bestormen vooraleer de vijand zou capituleren? Hoe konden ze winnen tegen een vijand met dergelijke onuitputtelijke voorraden aan materiaal en mensen?

Vrachtwagens

Er was echter nog een andere factor die de belangrijkste rol speelde bij de mislukking van het Duitse offensief in de lente en zomer van 1918. Indien de geallieerden er steeds weer in slaagden om de reserves in manschappen en materiaal aan te brengen die nodig waren om het Duitse offensief te vertragen en uiteindelijk tot stilstand te brengen, was dat omdat zij beschikten over duizenden vrachtwagens waarmee hun troepen snel overal konden vervoerd worden. Vooral de Fransen – die reeds eerder goed gebruik gemaakt hadden van gemotoriseerde voertuigen, bijvoorbeeld de Parijse taxi’s in de Slag aan de Marne in 1914 en de camions aan de Voie Sacrée in 1916 – produceerden uitstekende vrachtwagens, hoofdzakelijk modellen van Renault. Deze fabrikant zou tijdens de Groote Oorlog meer dan 9000 stuks leveren aan het Franse leger. De Britten, die de oorlog begonnen waren zonder één enkele vrachtwagen, beschikten in 1918 over niet minder dan 56.000 stuks. De Duitsers daarentegen transporteerden hun troepen nog steeds per trein, net zoals in 1914, maar op die manier waren cruciale sectoren van het front, zoals de Somme, moeilijk te bereiken. (In Noord-Frankrijk liepen de spoorwegen hoofdzakelijk van het noorden naar het zuiden, naar Parijs, en niet van het oosten naar het westen, naar de Kanaalkust, hoofdrichting van de Duitse aanvallen.)

In de onmiddellijke omgeving van het front zou men aan beide zijden overigens tot het einde van de oorlog voor het vervoer van goederen paarden en karren blijven gebruiken. Ook in dat opzicht waren de Duitsers benadeeld, want zij leden onder een groot tekort aan paarden en voeder, terwijl de de geallieerden paarden en muilezels in groten getale uit de VS invoerden. De superieure mobiliteit van de geallieerden speelde een belangrijke rol in hun succes. Ludendorff zou later verklaren dat de triomf van zijn tegenstanders in 1918 neerkwam op een overwinning van de Franse vrachtwagens op de Duitse treinen.

Die triomf kwam ook neer op een overwinning van de door firma’s zoals Dunlop en Michelin geproduceerde rubberen banden van geallieerde auto’s en vrachtwagens op de door Krupp geproduceerde stalen wielen van Duitse treinen. Algemeen gesproken kwam de overwinning van de Entente op de Centrale Mogendheden dus feitelijk neer op een overwinning van de economie, en vooral de industrie, van de geallieerden op de economie van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, een economie die wegens de Britse blokkade ter zee zwaar leed onder een tekort aan grondstoffen. ‘De economische en politieke nederlaag van Duitsland is onlosmakelijk verbonden met zijn economisch failliet’, heeft de Franse historicus Frédéric Rousseau gevat opgemerkt. De superioriteit van de geallieerde economieën had duidelijk te maken met het feit dat de Britse en Franse (en zelfs Belgische en Italiaanse) economieën beschikten over kolonies waar ze alles konden halen wat ze nodig hadden om een moderne oorlog te winnen, onder meer rubber en olie en andere ‘strategische’ grondstoffen – evenals coolies, spotgoedkope koloniale werkkrachten die de wegen herstelden en zelfs aanlegden waarlangs in de lente en zomer van 1918 de geallieerde troepen vervoerd werden.

Kolonialisme

De Groote Oorlog was een conflict tussen imperialistische rivalen, waarin de grote prijzen gevormd werden door gebieden vol grondstoffen en goedkope werkkrachten, troeven die de nationale economie van een land, en vooral zijn industrie, bevoordeelden en het land dus meer competitief en machtiger maakten. Het is dan ook geen toeval dat die oorlog gewonnen werd door de landen die reeds het rijkelijkst bedeeld waren met kolonies toen het conflict uitbarstte, namelijk de industriële grootmachten met de meeste kolonies. Met andere woorden: dat de machtigste imperialistische systemen — die van de Britten, Fransen en Amerikanen — triomfeerden tegenover een concurrerend imperialisme, dat van Duitsland, weliswaar een industriële superpower, maar relatief verstoken van koloniale bezittingen. Zo gezien is het zelfs verbazend dat het vier lange jaren duurde vooraleer de nederlaag van Duitsland een voldongen feit was.

Het is echter duidelijk dat de voordelen verbonden met het bezit van kolonies en dus van onbeperkte voorraden voedsel voor soldaten en burgers evenals rubber, petroleum en andere grondstoffen, slechts op lange termijn doorslaggevend konden worden. De hoofdreden daarvoor is het feit dat de oorlog in 1914 begon als een soort traditioneel gewapend conflict op het Europese vasteland zoals in de tijd van Napoleon, een conflict dat zich slechts traag zou omvormen tot een wereldwijde botsing tussen industriële titanen. De openingsfase ervan roept beelden op van ruiters, meer bepaald schetsen en schilderijen van Duitse uhlanen en Franse cuirassiers, gewapend met zwaarden en lansen, die fier ten tonele verschijnen als de voorhoede van de legers die doorheen open velden naar de vijandelijke horizont sjokken.

In de foto’s die in 1918 op de slagvelden genomen werden, daarentegen, schittert het paardenvolk door zijn afwezigheid, en in plaats ervan zien we infanteristen die naar het front vervoerd worden in vrachtwagens of optrekken achter tanks, gewapend met machinegeweren, handgranaten en vlammenwerpers, terwijl hoog boven hun hoofden vliegtuigen patrouilleren. In 1914 had Duitsland nog een kans om de oorlog te winnen, temeer daar het Reich over uitstekende spoorwegen beschikte om zijn troepen te vervoeren naar de fronten in het oosten zowel als het westen; het is op die manier dat een grote overwinning werd behaald op de Russen in Tannenberg. Maar in 1918 was Duitslands kans op een Endsieg reeds lang in rook opgegaan. (Hitler en zijn generaals zouden uit die ervaring het besluit trekken dat Duitsland, om een tweede uitgave van de Groote Oorlog te kunnen winnen, die oorlog snel zou moeten winnen; het is daarom dat zij voor de pinnen kwamen met het concept van ‘bliksemsnelle oorlogvoering’, Blitzkrieg, dat een Blitzsieg of ‘bliksemsnelle overwinning’ moest opleveren. Het lukte in 1939–1940 tegen Polen, Frankrijk en nog andere tegenstanders, maar de spectaculaire fiasco van de Blitzkrieg in de Sovjet-Unie in 1941 zou Duitsland opnieuw doen belanden in een lang aanslepende oorlog, onwinbaar wegens gebrek aan grondstoffen zoals rubber en olie.)

Petroleum

Rubber was niet de enige strategische grondstof waaraan de Duitsers een tekort en de geallieerden een overvloed hadden. Bovendien beschikten deze laatsten rijkelijk over de petroleum die hun steeds meer gemotoriseerde legers en luchtvloten nodig hadden. Tijdens hun eindoffensief in de herfst van 1918 zouden de geallieerden dagelijks 12.000 barrels – vaten van 159 liter – olie verbruiken. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Curzon, zou op een overwinningsdiner op 21 november niet ten onrechte verklaren dat ‘de geallieerden naar de overwinning gezwommen waren op een vloedgolf van olie’; en een Franse senator verklaarde dat ‘olie het bloed van de overwinning was geweest’.

Veel van die olie was afkomstig uit de Verenigde Staten en werd geleverd door Standard Oil, een firma van de Rockefellers die aan deze business veel geld verdiende – net zoals Renault veel centen verdiende aan de productie van de brandstofzuipende vrachtwagens. (Van de petroleum die door Frankrijk ingevoerd werd in 1917, kwam 82.6 percent uit de VS, en 47 percent werd geleverd door Standard Oil; in 1918 zou de VS verantwoordelijk zijn voor 89.4 percent van de door Frankrijk ingevoerde petroleum.) Het was maar logisch dat de in petroleum zwemmende geallieerden zich hadden voorzien van allerlei modern, gemotoriseerd en petroleumverbruikend materiaal. De Fransen hadden in 1918 niet alleen reusachtige hoeveelheden vrachtwagens, maar ook een grote luchtvloot. En zowel zij als de Britten beschikten in het laatste oorlogsjaar ook over met machinegeweren of kanonnen uitgeruste auto’s, en vooral over aanzienlijke aantallen tanks.

Dat waren niet de lompe en ineffectieve monsters die al in 1916 voor het eerst op het slagveld waren verschenen, maar tanks van uitstekende kwaliteit zoals de Renault FT, volgens sommigen ‘de eerste moderne tank ter wereld’. Indien de Duitsers over weinig of geen vrachtwagens of tanks beschikten, was dat ook omdat het hen ontbrak aan voldoende petroleum. Alleen uit Roemenië konden ze olie halen.

Verloren

Na die fatale 8ste augustus beseften de meeste Duitse soldaten dat de oorlog verloren was. Ze hadden er meer dan genoeg van en wilden naar huis in plaats van voor een verloren zaak hun leven te geven. Het Duitse leger begon uiteen te vallen, er heerste bijna geen discipline meer, het aantal deserties schoot de hoogte in en soldaten gaven zich massaal over. Tussen midden-juli 1918 en de wapenstilstand in november zouden 340.000 Duitsers zich overgeven of naar de vijand overlopen. Gevangenen maakten een ongeziene 70 percent uit van alle Duitse verliezen in die laatste oorlogsmaanden. Duitse soldaten gebruikten voortaan ook allerlei uitvluchten om niet naar het front te trekken, een praktijk die als ‘Drückebergerei’, ‘ontduikerij’, bekendstond.

De epidemie van desertie, massa-overgaven en Drückebergerei nam in augustus en september 1918 zo’n proporties aan dat de situatie omschreven is als een ‘onuitgesproken militaire staking’. Zo zagen de manschappen het ook zelf. Duitse soldaten die zich terugtrokken, scholden optrekkende troepen dikwijls uit voor stakingsbrekers en ‘oorlogsrekkers’ (‘Kriegsverlängerer’).

Duitsland had te weinig soldaten over om oorlog te kunnen blijven voeren. Nog een andere factor die ertoe bijdroeg dat Berlijn er het bijltje bij neergooide, was het feit dat de situatie aan het thuisfront catastrofaal was. Wegens de blokkade door de Royal Navy leed de burgerbevolking steeds meer honger en veroorzaakte vooral bij kinderen, ouderlingen en vrouwen ongeziene ziekte en dood. De meest beruchte van de ziektes die toen toesloegen was de zogenaamde Spaanse Griep, oorspronkelijke bekend als de Vlaamse Griep omdat die epidemie naar het Reich werd gebracht door soldaten die van het front in Vlaanderen naar de Heimat terugkeerden.

Revolutie

De door de oorlog veroorzaakte miserie en dood voerden in Duitsland reeds vanaf 1917 tot een groeiende polarisering van de publieke opinie, namelijk tussen pacifisten met overwegend democratische, radicale en zelfs revolutionaire aspiraties, en haviken die doorgaans trouw bleven aan de keizerlijke gevestigde orde en er traditionele conservatieve, autoritaire en militaristische waarden op na hielden. In de herfst van 1918 behaalden de eersten de bovenhand omdat de grote meerderheid van de bevolking ten allen prijze vrede wilde. Net zoals in Rusland het jaar tevoren, zorgde die combinatie van oorlogsmoeheid en begeerte naar radicale politieke en sociale verandering bij soldaten zowel als burgers ervoor dat de oorlog in een context van revolutie ten einde liep.

Kort voor en na 1 november laaide het revolutionaire vuur op met muiterijen van de matrozen in Wilhelmshaven en Kiel en de oprichting van revolutionaire ‘raden’ van soldaten en arbeiders, geïnspireerd door de Russische ‘sovjets’, in steden zoals Berlijn, München en Straatsburg, de hoofdstad van de toen nog Duitse Elzas. Ludendorff – boegbeeld par excellence van gediscrediteerd militarisme, autoritarisme en conservatisme – moest zijn ontslag indienen en vluchtte naar het buitenland. Op 10 november verzocht een pasgevormde nieuwe regering, bestaande uit liberale en sociaal-democratische politiekers, de geallieerden om een wapenstilstand. De volgende dag werd vroeg in de morgen nabij Compiègne, in de spoorwegwagon die dienst deed als hoofdkwartier van de geallieerde opperbevelhebber, maarschalk Foch, een onvoorwaardelijke Duitse capitulatie ondertekend, en om 11 uur zwegen de kanonnen.

Gedurende de laatste oorlogsmaanden, terwijl honderdduizenden Duitse soldaten, overwegend van lage sociale komaf, ‘hun leven gaven’, zoals men dat zegt, voor de glorie van het Duitse Reich, had Keizer Wilhelm II zich opgehouden in zijn hoofdkwartkier in Spa, een Belgisch kuuroord wier naam ontspanning en luxe voor de bovenklasse oproept. Op 10 november deed hij daar afstand van zijn troon en vertrok dan onmiddellijk om zijn heil te zoeken in het neutrale Nederland. Die roemloze aftocht weerspiegelde het feit dat de Duitse nederlaag grotelijks het gevolg was van een tekort aan voertuigen en aan de petroleum die nodig was om die te gebruiken: hij vertrok niet per automobiel, maar per trein.

Jacques Pauwels is auteur van het boek De Groote Klassenoorlog 1914-1918, EPO Uitgeverij, 2014. Lees de recensie 'De Groote Klassenoorlog 1914-1918': geen classy maar class affair.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.