about
Toon menu
Interview

Wat moeten Vlaamse gemeenten post 14 oktober 2018 doen om armoede aan te pakken?

In 33 Vlaamse gemeenten ligt het aantal kinderen dat in armoede geboren wordt boven de 10%, in 11 daarvan boven de 20% en in één zelfs boven de 30%. Het licht knippert méér dan oranje, waarschuwde organisatie Decenniumdoelen vorige week toen die met een lokale armoedebarometer voor alle 33 gemeenten de ernst van de armoedesituatie blootlegde. De gemeenteraadsverkiezingen zijn net geweest en 17 oktober is Werelddag van de Armoede, hét moment om te horen wat gemeenten moeten doen om de armoede aan te pakken. Coördinator Michel Debruyne vertelt.
woensdag 17 oktober 2018

Eerst even een korte uitleg. Wat is een lokale armoedebarometer precies? Michel Debruyne, coördinator van Decenniumdoelen: “Een lokale armoedebarometer is een instrument waarmee we gegevens op vlak van alle aspecten rond armoede, zoals arbeid, inkomen, wonen, gezondheid, onderwijs en samenleving per gemeente verzamelen. Daarmee willen we aan het komende gemeentebestuur het signaal geven armoede ernstig te nemen.” 

In die zin is de lokale armoedebarometer volgens Debruyne meer een monitor dan een barometer. “Een barometer geeft aan of het goed of slecht gaat. Deze is meer een monitor omdat een gemeente eigenlijk niet verantwoordelijk is voor de hoeveelheid leefloon die mensen krijgen of de kwaliteit van scholen die aanwezig zijn. De gemeente is maar een actor waarbinnen gekeken moet worden hoe we met alle aspecten kunnen werken en hoe we zelf daarop kunnen wegen.”

Debruyne noemt het vluchtelingenbeleid als voorbeeld. “Het gaat hier om een mondiale kwestie waarbij een gemeente aan de oorzaak niet veel kan doen. Maar een gemeente kan wel invloed uitoefenen op hóe ze hen willen opvangen.”

De diepte en omvang van de armoede in Vlaanderen

Vlaanderen heeft een armoedepercentage van 10 procent. Met de lokale armoedebarometer zijn de 33 gemeenten geanalyseerd die een hogere armoedepercentage hebben. “Voor deze gemeenten geldt de lokale armoedebarometer effectief als een signaal voor wat zij kunnen doen rond armoede”, zegt Debruyne.

De Vlaamse en federale gemiddelden verbergen soms de diepte en omvang van de armoede. De belangrijkste conclusies van de lokale armoedebarometer voor deze 33 gemeenten? Elf gemeenten hebben een kinderarmoede van meer dan 20 procent. In Antwerpen ligt het aantal kinderen dat in armoede geboren wordt zelfs boven de 30 procent. En in alle overige gemeenten ligt dit percentage sowieso boven de 10 procent. Daarnaast is het aantal mensen met een leefloon het afgelopen jaar gestegen. Op 2 gemeenten na daalt de werkloosheid wel.

Sinds de vorige gemeenteraadsverkiezingen zijn de meeste gemeenten meer dan ooit gevoelig geworden voor de armoedeproblematiek. “Dat is een verbetering op zich”, stelt Debruyne. “We merken het door van de campagne ‘Ieders Stem Telt’ en welzijnsschakels te horen dat ze door hun gemeente steeds meer gevraagd worden voor input in het lokale armoedebeleid.”

In de meeste gemeenten lag kinderarmoede tot 2010 tussen de 5 à 6 procent volgens Debruyne. “Vanaf toen is dat heel snel gestegen. Antwerpen en Gent zijn Vlaamse gemeenten waar de armoede altijd hoog is geweest. Daar vertrokken de armoedecijfers van een hoog niveau en stijgen langzaam. Ieper, daarentegen, is een gemeente waar de armoede vanaf 2010 ineens heel erg is gestegen, terwijl het ervoor er bijna niet was. Dat heeft niet te maken met het gemeentebeleid, maar met het mondiaal en federaal beleid, waardoor armoede stijgt. De gemeenten die geconfronteerd worden met een grote groep mensen in armoede, die zie je er nu effectief iets aan proberen doen.” 

Heel wat gemeenten experimenteren met hun beleid rond armoede, ziet Debruyne. “Ze stellen zich de vraag: hoe kunnen we mensen meer helpen uit de armoede te geraken? Er is een charter gelanceerd om kinderarmoede tegen te gaan. Gemeenten zoals Kortrijk, Gent en Tienen zijn bezig rond maaltijdregelingen op scholen, zetten in op samenwerkingen rond armoede, en gaan de straten op en naar de huizen toe om mensen te helpen, in plaats van dat ze op kantoor blijven.”

Gemeenten moeten solidair zijn met elkaar

Maar er zijn ook gemeenten die niks doen, of heel weinig en proberen de boot zo veel mogelijk af te houden. Debruyne: “Dit is een probleem dat we zien. Eén op de vier gemeenten gaat licht achteruit met zijn beleid rond armoede. Deze gemeenten proberen géén sociale huisvesting te bouwen en géén sociaal beleid op te stellen, om er maar voor te zorgen dat mensen in armoede níet in hun gemeenten komen wonen. Dat terwijl er solidariteit zou moeten zijn met gemeenten waar de armoedesituatie wel erg is.” 

Het sociale huisvestingsbeleid is waar volgens Debruyne sinds de vorige gemeenteraadsverkiezingen bij veel gemeenten de grootste achteruitgang te zien is. “Voor 2010 voerden bijna alle gemeenten min of meer een zelfde beleid uit. Sindsdien is er een vorm van polarisering opgetreden, doordat er gemeenten zijn die het effectief goed willen doen, en andere gemeenten een beleid voeren dat eerder afstoot.”

Gemeenten en mensen worden hierdoor tegen elkaar op gezet, verklaart Debruyne. “Dat is nefast, zeker voor mensen die leven in armoede. Bovendien is het een mythe om te denken dat mensen door een ‘afschrik’-beleid verhuizen naar gemeenten waar er meer mogelijkheden voor hen zijn. Ze blijven daar waar ze een netwerk hebben opgebouwd en waar hun kinderen naar school gaan. Niet investeren in sociale woningen, is mensen naar de dure private markt duwen. Met meer armoede tot gevolg. “Een ‘afschrik’-beleid zorgt er dus alleen maar voor dat een groep mensen in armoede in Vlaanderen minder kansen krijgt dan groepen mensen in armoede ergens anders in Vlaanderen.” 

En voor gemeenten waar de armoede lager ligt, is de verantwoordelijkheid voor een sociaal beleid even groot. Zij kunnen namelijk de gemeenten met hogere armoedecijfers steunen, benadrukt Decenniumdoelen. Hun woonbeleid bepaalt of zij mensen in of nabij armoede een kans geven, hun sociaal beleid bepaalt of mensen in armoede hulp komen vragen. Decenniumdoelen vindt het onbegrijpelijk dat niet alle gemeenten deze verantwoordelijkheid opnemen. Dat ze armoede niet solidair samen bestrijden.

Voor alle mensen in armoede of nabij armoede gelden dezelfde vragen en dezelfde problemen. Als gemeente moet je daarin dus een zelfde beleid voeren. Debruyne vergelijkt het met een bouwbedrijf dat voor het aanvragen van een bouwvergunning zowel in Leuven als in Oostende hetzelfde behandeld wil worden. Debruyne: “Bij het aanpakken van armoede op lokaal niveau zie je dat niet meer.” 

De lokale armoedebarometers zetten de verantwoordelijkheden op scherp. Vlaanderen en de federale overheid zorgen voor de middelen, instrumenten en contouren van het gemeentelijk armoedebestrijdingsbeleid. Gemeenten hebben de opdracht om binnen hun bevoegdheden het welzijn van alle bewoners te realiseren. En elke gemeente is mede verantwoordelijk voor de armoedecijfers van de naburige gemeente.

Wat kan een gemeente doen?

Wat kan een gemeente doen? Op basis van de lokale barometers ziet Debruyne drie zaken.

“Eén ervan is sociale huisvesting. Een gemeente kan kijken hoe hun lokale beleid hierrond is. Hoe meer een gemeente erin investeert hoe socialer het beleid. Maar we zien dus ook een aantal gemeenten die sociale huisvesting lichtjes proberen af te bouwen. Op basis van hun renovatiebeleid zijn de aantallen sociale huurwoningen in die gemeenten aan het dalen zijn en ze investeren niet meer in nieuwe sociale huurwoningen. Dat kan je zien als een proxy van een beleid dat niet open staat voor armoede.” 

Het tweede waar een gemeente invloed op kan uitoefenen om de armoede te verlagen is het onderwijsbeleid. “We zien bij een zevental gemeenten dat de schoolse achterstand van jongeren terug aan het stijgen is”, zegt Debruyne. “Dat is echt een probleem, want voor hen geldt een grotere kans op schooluitval en aan werk geraken is dan nog moeilijker. Het bieden van lokale onderwijskansen is een taak van de gemeente samen met de onderwijspartners. Investeren in een lokaal overlegplatform met alle onderwijsactoren is hierbij van belang. Die kunnen ervoor zorgen dat scholen gaan investeren in brugfiguren die leerlingen kunnen helpen, en dat er maaltijden zoals ontbijt en lunch op scholen geboden worden.”

Waarin een gemeente ook een belangrijke taak heeft is in het opvangen van mensen met een leefloon, stelt Debruyne. Op dit gebied zijn er volgens hem weer drie soorten beleid mogelijk. De gemeente kan ervoor kiezen gewoon zijn taak uit te voeren zoals opgelegd vanuit de federale overheid en niet meer dan dat. Of een gemeente kiest ervoor een 'afschrik'-beleid te voeren die aan mensen met een leefloon het gevoel geeft dat ze er niet mogen zijn en beter kunnen gaan werken. Of de gemeente besluit de mensen met een leefloon iets erbij te geven aangezien het leefloon maar liefst 20 procent onder de armoedegrens ligt. Dat kan ook inhouden dat de gemeente helpt bij het zoeken naar woningen en begeleidt in het vinden van werk. Hierin kan de gemeente een breed sociaal beleid ontwikkelen. “Wij pleiten uiteraard voor een breed sociaal beleid”, benadrukt Debruyne.

Voorbij de mythe gaan 

De gemeenteraadsverkiezingen zijn zojuist geweest en nieuwe coalities vormen zich in alle gemeenten. Het belangrijkste dat nu op gemeentelijk niveau moet gebeuren om armoede aan te pakken? “De Vlaamse en federale overheid moeten meer investeren in de gemeenten waar armoede groter is, daar moeten meer middelen naartoe gaan. En streven naar gelijke onderwijskansen en sociale huisvesting is essentieel voor deze gemeenten.”

Elke gemeente moet armoede au serieux nemen, waarschuwt Debruyne. “Voorbij de mythe gaan dat armoede eerder een schimmel is van de samenleving. Armoede is niet op zichzelf een probleem, maar het is een gevolg van de samenleving, dus die moet je helpen. En gemeenten moeten meer solidair naar elkaar zijn dan dat ze vandaag zijn. Kortom, een lokaal armoedebeleid post 14 oktober 2018 moet gaan over meer middelen, meer sociaal beleid en meer solidariteit.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.