about
Toon menu

Cultuur als onderwerping

Enkele bedenkingen en vraagtekens bij onze ‘cultuur’ van alledag, die vaak lang niet zo onschuldig is als ze lijkt – en die niet alleen van nieuwkomers ‘aanpassing’ vraagt.
dinsdag 11 september 2018

1.

Laten we beginnen met een kleine uitweiding, over Nedjma van Kateb Yacine. Dit boek, dat vaak de roman fondateur van de hedendaagse Algerijnse literatuur wordt genoemd, verscheen in 1956, toen de vrijheidsoorlog al twee jaar bezig was, maar het werd bijna helemaal voordien geschreven. Individuele levensverhalen zijn erin verstrengeld met Algerijnse en Berberse geschiedenis, en met mythische overlevering; het gaat ook over twee steden die ooit toebehoorden aan de Numidiërs (van wie de Berbers afstammen) en naderhand Romeins werden: Constantine (in de oudheid Cirta) en Bône (nu Annaba, in de oudheid Hippo, de stad van Augustinus).

Het voornaamste recente historische moment in de tekst is 8 mei 1945, toen anti-Franse manifestaties rond Sétif en Guelma leidden tot een ongemeen bloedige repressie (duizenden - of tienduizenden? - Algerijnse doden). Van de vier hoofdpersonen zijn er twee direct betrokken bij die feiten; later blijken die vier vrienden, elk op zijn manier, aangetrokken te worden door dezelfde onvatbare vrouw, Nedjma (‘ster’), die onder meer staat voor de nog onbestaande natie; maar van eng nationalisme is hier geen sprake. Nedjma is een weerbarstige roman – door de complexe structuur en de poëtische densiteit van vele bladzijden. Pas enkele jaren geleden, te laat eigenlijk, kreeg dit meesterwerk een Nederlandse vertaling, die weinig weerklank vond.

Over Kateb Yacine (1929-1989) alleen nog het volgende. Yacine was zijn voornaam, maar ter herinnering aan de geplogenheden op zijn lagere school plaatste hij zijn achternaam eerst: een forse taaldaad. In de jaren vijftig en zestig schreef hij poëzie, proza en theater in het Frans, met succes, maar vanaf 1970 maakte en produceerde hij samen met niet-professionele acteurs en medewerkers toneelstukken in de Algerijns-Arabische en Berberse spreektaal. Vóór de onafhankelijkheid richtte Kateb zich tot de Fransen, om hun te zeggen dat Algerije en hijzelf niet Frans waren, maar daarna wilde hij de eigen bevolking bereiken, en dat kon evenmin met Frans als met het klassieke Arabisch (dat na de onafhankelijkheid van hogerhand werd gestimuleerd).

2.

In het vijfde hoofdstuk van Nedjma lezen we hoe (kort voor de gebeurtenissen van mei 1945) Mustapha, een lyceumleerling in het stadje Sétif, bij de directeur moet komen; deze confronteert hem met een antikolonialistische tekst die tussen zijn spullen gevonden is – brief of pamflet, waarschijnlijk geschreven door een kennis van de jongen. Een eerste door de directeur voorgelezen passage laakt het gebrek aan beroepsmogelijkheden voor zelfs de meest bevoorrechte Algerijnen; in een tweede passage geeft de opstandige auteur een citaat uit Tacitus’ Agricola, en hij voegt er een actualiserende zin aan toe waar de directeur niet om kan lachen:

‘“De Britten waren onbeschaafd en snel geneigd tot oorlog; hij (Agricola) deed persoonlijk zijn best om hen via een aangename levensstijl te laten wennen aan rust en vrede; hij liet de zoons van de bovenlaag onderwijzen en gaf aan Brits talent de voorkeur boven Gallische geleerdheid. Daarmee wekte hij enthousiasme voor welsprekendheid, terwijl men de taal der Romeinen tot dan toe had afgewezen. In het verlengde hiervan kreeg onze kleding prestige en kwamen toga's in zwang. Geleidelijk zakte men zo af tot verleidelijke, slechte gewoonten: brede galerijen, stoombaden, welverzorgde diners. Men wist nergens van en sprak van 'cultuur', terwijl het deel uitmaakte van hun slavernij.” Dat schrijft Tacitus. En dat is wat er nu gebeurt met ons, afstammelingen van de Numidiërs, tijdens de kolonisatie door de Galliërs!’

Mustapha luistert niet meer. Acht dagen geschorst.

In zijn eersteling De vita Iulii Agricolae (uit het jaar 98) beschreef Tacitus het leven van zijn schoonvader, met bijzondere aandacht voor diens activiteiten als gouverneur van de provincie Brittannië. Het standpunt van de schrijver is onverbloemd imperialistisch, wat hem niet weerhoudt om verovering en onderwerping scherp te doorzien. In een rede van de Britse leider Calgacus wordt afgegeven op vals taalgebruik: ‘Roven, moorden en plunderen noemen [de Romeinen] met een leugen “heerschappij” en als ze een woestenij hebben aangericht spreken ze van “vrede”.’ Zo klinkt het in de versie van Vincent Hunink, die ook door Hester Tollenaar gebruikt is in het Nederlandse Nedjma.

Er zitten aan de vertaling van Tollenaar/Hunink wat interessante probleempjes.

a. Kateb liet in het Tacitus-citaat enige woorden en zinnen weg, maar de opmerkelijkste afwijking van het origineel is een toevoeging: ‘[il] leur insinua qu’il préférerait, aux talents acquis des Gaulois, l’esprit naturel des Bretons’. Hij gaf hun bedekt te verstaan dat hij de voorkeur zou geven: dat werd helaas niet overgenomen in de Nederlandse tekst, hoewel het ‘het arglistige en achterbakse aspect’ (Geneviève Chovrelat) van Agricola’s politiek goed doet uitkomen.

b. ‘Men wist nergens van en sprak van “cultuur”, terwijl het deel uitmaakte van hun slavernij’ doet wat onhandig aan. Hun slaat terug op het onderwerp van de zin, dat dus beter ze zou zijn: ‘Ze wisten nergens van...’, of: ‘In hun onwetendheid (of: onervarenheid) spraken ze van cultuur...’ Het woord ‘cultuur’ – in het Frans ‘civilisation’ ̶  is hier de vertaling van humanitas; alleen al over dit verband tussen menselijkheid en cultuur zou er heel wat te zeggen vallen: slechts degenen die deel hebben aan de cultuur (onze cultuur) zijn echte mensen, maar een dun laagje cultuur laat de barbarij onverlet.

c. ‘Dat schrijft Tacitus. En dat is wat er nu gebeurt met ons, afstammelingen van de Numidiërs, tijdens de kolonisatie door de Galliërs!’ In het Frans: ‘Voilà ce qu’on lit dans Tacite. Voilà comment nous, descendants des Numides, subissons à présent la colonisation des Gaulois!’ Comment nous subissons impliceert, meen ik, dat niet alleen de handelwijze van de onderdrukkers gelijkend is, maar ook de subjectieve ervaring van de onderdrukten: net zo laten wij ons bedotten, inpakken! Er speelt dus zelfkritiek mee. Chovrelat merkt op dat Kateb hier herinnert ‘aan de geschiedenis en aan de verdwijning van grote mogendheden. De Numidiërs en de Galliërs werden overwonnen door de Romeinen, wier uitgestrekte rijk uiteindelijk uiteenviel. De Franse kolonisatie is een eeuw bezig  ̶  erg weinig in het licht van de geschiedenis, van het voorbijgaan van de tijd, van de toekomst die zich aftekent.’ De vergelijking met het Romeinse rijk impliceert dus vergankelijkheid, en veranderbaarheid.

Mustapha zelf behoort tot de ‘zoons van de bovenlaag’, die onderwijs ‘krijgen’, westerse kennis; tot die kennis behoort de klassieke literatuur, maar die wordt hier ontvreemd en misbruikt  ̶  ingezet als wapen tegen degenen die haar ‘gegeven’ hebben. En juist de schooldirecteur, een eminent vertegenwoordiger van de bezetters, mag ons die kritiek voorlezen! Zo wordt de verblinding van de onderdrukten in het citaat door de context opgeheven.

3.

Jullie kunnen zijn zoals wij! Het Tacitus-citaat gaat over aanpassing: over acculturatie of assimilatie of integratie, als middel om te onderwerpen of onderwerping efficiënter te maken. Elementen in dat proces zijn: taal, scholing, vleierij, kledij, pleziertjes, luxe … Het gaat wel degelijk over cultuur, cultuur hoofdzakelijk in de zin van manieren van leven, gedeelde opvattingen, gewoonten … : de dagelijkse cultuur. (Over de zondagse cultuur, die van kunst, entertainment, mode …, wil ik het later eens hebben.)

Uit koloniale situaties is het fenomeen bekend genoeg. Ter vergelijking geef ik enkele zinnen uit de eerste bewaarde tekst (1935) van de Martinikaanse dichter-politicus Aimé Césaire, die samen met Léopold Senghor en de Frans-Guyanees Léon-Gontran Damas de negritude-beweging begon (waarin het negatieve woord ‘nègre’ werd opgeëist en opgewaardeerd):

Op een dag bemachtigde de Neger de stropdas van de Blanke, greep een bolhoed, dirkte zich ermee op en ging er lachend vandoor ... Het was maar een spel, maar de Neger liet zich meeslepen door het spel [...] Hij ging in de leer bij de Blanken, hij wilde “Anders” worden: hij wilde “geassimileerd” worden.

Assimilatie betekent voor de jonge Césaire imitatie, na-aperij, die door niemand wordt gewaardeerd. Hij ziet assimilatie hier als een fase die volgt op de onderwerping (asservissement) – en die zelf de plaats moet ruimen voor emancipatie: zichzelf worden en zichzelf zijn, être soi. ‘Onderwerping en assimilatie lijken op elkaar: het zijn twee vormen van passiviteit. In die twee periodes was de Neger in gelijke mate steriel. Emancipatie, daarentegen, is actie en creatie.’ Césaire lijkt, net als de laatdunkende Tacitus, de onderdrukten medeverantwoordelijk te stellen voor hun inauthentieke aanpassing. Later (1959) zou hij het nog anders formuleren: in de koloniale maatschappij bestond niet alleen een hiërarchie van meester en dienaar, maar ook een van schepper en consument, en de gekoloniseerde moest van consument tot schepper worden. Is die tweede hiërarchie niet juist de hardnekkigste, althans in de geest van de kolonisator? Bij zijn vertrek uit de pcf (1956) verweet Césaire de Franse communisten onder meer hun ‘verstokt assimilationisme’ en hun overtuiging dat de Europese ontwikkelingsweg de enig mogelijke was. Hij eiste voor de gekoloniseerde ‘het recht op initiatief’ op.

Kleding fungeert in Césaires eerste tekst als beeld, als een materieel pars pro toto van de assimilatie. Je vindt dat terug in ’Solde’, een van de bekendste vroege gedichten van zijn collega Damas:

J’ai l’impression d’être ridicule

dans leurs souliers

dans leur smoking

dans leur plastron

dans leur faux-col

dans leur monocle

dans leur melon

Maar aan het eind is er ook schuldbesef: ‘Ik denk dat ik belachelijk ben / tussen hen medeplichtige / tussen hen pooier / tussen hen moordenaar / mijn handen gruwelijk rood / van het bloed van hun be-scha-ving’. In een ander beroemd vers, ‘Hoquet’, herinnert de ‘mulat’ Damas zich zijn moeder, die niet wilde dat hij zich als een ‘neger’ gedroeg, en zeurde over tafelmanieren en godsdienst en zijn lessen leren, en uiteraard over taal – in regels die ook aangehaald worden in het eerste boek van Frantz Fanon:

Taisez-vous

Vous ai-je ou non dit qu’il vous fallait parler français

le français de France

le français du français

le français français

Houria Bouteldja citeert een mooi verhaal over een minder verkrampte moeder, een immigrante in Frankrijk die terugblikkend aan haar opgegroeide dochter vertelt

dat als ze me naar school bracht, ik probeerde mijn hand uit de hare los te maken, want naarmate de school en de juf in zicht kwamen zag ze dat ik me over haar schaamde, over haar kleren in opzichtige kleuren, haar hoofddoek, haar Arabisch gekleurde Frans… En ze hield mijn hand nog steviger vast tot we er waren, en ging soms zo ver dat ze met de juf praatte.

(De taalsituatie en de taalopvatting van Kateb en Césaire waren niet helemaal dezelfde, en Césaire onderging niet de evolutie van Kateb. Beiden echter beschouwden het Frans als een oorlogsbuit, iets waar ze om gevochten hadden en dat hun voordeel bracht, onder meer een uitweg uit het regionale. Ze wilden die taal niet passief opnemen maar haar voor eigen doeleinden omvormen, of zelfs verminken. Kateb in 1958: ‘de echte dichters hebben de taal altijd geradbraakt [écorché], ook de moedertaal. Taaldestructie is minstens even belangrijk als taalproductie [son élaboration]’. Ook de moedertaal: uiteindelijk gaat het niet alleen om dichters uit de periferie, élke ware dichter gaat de taal te lijf.)

4.

Het kolonialisme in engere zin is voorbij, maar zijn enge gevolgen duren voort, we worden daar vandaag weer stevig met onze neus op gedrukt. En de assimilatie – die zich vaak in de westerse landen zelf afspeelt, en veelal integratie of inburgering heet – blijft een fel omstreden zaak. In november 2005, toen in de Franse banlieues rellen uitgebroken waren na de dood van twee door de politie opgejaagde jongens, ontving de toenmalige minister Sarkozy de vader van een van hen en mopperde achteraf over diens gebrekkige integratie: ‘il est venu habillé en boubou et il ne parlait pas bien le français’. Over kleding zwijg ik nu, maar wat taal betreft: niet alleen overheden vinden het vanzelfsprekend dat migranten Nederlands leren om te kunnen integreren in ‘de samenleving’ en ‘gelijke kansen’ te krijgen op de arbeidsmarkt. Maar zo simpel is het niet. Bij ons hebben onder anderen taalkundigen als Jef Verschueren en Jan Blommaert gewezen op de complexiteit van begrippen als ‘integratie’ en ‘samenleving’, op de betwistbaarheid van taalkennis als voorwaarde voor integratie, op het problematische van schoolse taal en schools leren… En gelukkig ontstaat in het onderwijs nu een tendens om positiever om te gaan met de diverse moedertalen. (In Vlaanderen spelen in deze kwestie ook de gekoesterde littekens van Franstalige overheersing een rol, en de formidabele onzekerheid en onenigheid over de vraag wélke soort(en) Nederlands de migranten zouden moeten leren.)

Maar bij aanpassing ligt de klemtoon niet per se op kleren of taal, het kan over allerlei andere normen en waarden en gebruiken gaan. Boeiend materiaal in dit verband valt te rapen in een brochure die de Vlaamse overheid in 2012 publiceerde: Migreren naar Vlaanderen – Starterspakket voor familiemigranten. In de eerste bladzijden lezen we: ‘Iedereen die migreert, krijgt vroeg of laat een cultuurschok. Veel migranten trekken zich dan terug en houden alleen nog contact met mensen uit hun eigen cultuur. Zo blijft die nieuwe omgeving vreemd en haast bedreigend.’ Zulke toestanden wil de brochure tegengaan, met zakelijke informatie maar ook sturing. Nederlands leren is dé mantra, dat helpt zelfs ‘om gelukkig te worden in Vlaanderen’. Enkele andere mededelingen en raadgevingen:

Hoe verschillend mensen ook zijn, in Vlaanderen is iedereen gelijk. Iedereen heeft dezelfde rechten en plichten, ongeacht geslacht, religie, afkomst, inkomen, uiterlijk, seksuele voorkeur. […] Vlaanderen kiest voor solidariteit tussen de mensen. […] Kinderen krijgen huiswerk. Als ouder kunt u hen daarbij helpen. [...] Mensen die oud worden, proberen zo lang mogelijk thuis te blijven wonen. […] Ook al zijn de familiebanden minder zichtbaar, toch vinden Vlamingen hun familie erg belangrijk. […] Het best is om altijd naar dezelfde dokter te gaan. […] Om u thuis te voelen in uw nieuwe omgeving is het aangewezen om kennis te maken met uw buren. […] Vlamingen leven niet op straat. Ze leven vooral in hun huis. Vlamingen houden van rust. Na 10 uur ’s avonds mag er geen lawaai meer gemaakt worden. Mensen gaan niet zomaar bij elkaar op bezoek. Ze maken meestal eerst een afspraak. Ze zijn gesteld op hun privacy. […] Veel Vlamingen zijn lid van een vereniging. Ze doen samen aan sport, jongeren spelen samen…

Dit alles maakt dus deel uit van de cultuur van de Vlamingen, of van alle of vele of de meeste Vlamingen, en immigranten moeten zich daarnaar voegen. Het valt op dat ideaal en realiteit niet onderscheiden worden, en dat gewoontes en plichten elkaar vaak aanvullen: het volstaat niet de wetten na te leven, aan hun dwang wordt de dwang van de cultuur toegevoegd. Misschien is het zelfs omgekeerd, moet je je eerst cultureel conformeren om geen misdrijven te plegen? Michel Foucault schreef over de 19de-eeuwse criminalisering van de lagere klasse (en merkwaardig genoeg valt hier het woord étranger): ‘niet door de misdaad vervreemdt men van de samenleving, maar de misdaad is veeleer het gevolg van het feit dat men als een vreemde in de samenleving staat’; en nota bene, de kloof tussen de orde en de onvoldoende gedisciplineerde onderdanen blijkt onder andere uit taalverschil en taalgebrek.

5.

In 2013 publiceerde De Standaard een interview met de N-VA-politica Liesbeth Homans, dat ophef maakte omdat Homans racisme ‘een relatief begrip’ noemde. Even verder zegt ze: ‘De Vlaming is soms zó beschaamd over de eigen taal of cultuur.’ Ik geloof dat niet, maar vooral, ik huiver van de implicatie dat ‘de Vlaming’ trots zou moeten zijn op zijn cultuur – want wordt de grens met racisme dan niet akelig dun? In onze trots leggen we zware nadruk op de ‘eigenheid’ van onze cultuur, we gaan daarin onze ‘identiteit’ zoeken. Dus: onze cultuur is etnisch of nationaal gemarkeerd, en ze staat naast/tegenover die van anderen. Die fixering deugt niet, ze sluit ons en de anderen op, gescheiden van elkaar, binnen schijnbaar homogene gehelen (terwijl er toch enorme ‘interne’ breuken zijn, en subculturen). En die trots, de afstandloze identificatie met wat van ons is, brengt automatisch asymmetrie mee: het onze is beter, superieur, en mag dus het andere overheersen. (In een nog niet antiek verleden dachten we op dezelfde manier over de cultuur van onze ‘zuil’ – maar intussen heeft een genadeloze groei naar consensus plaatsgevonden.)

Na heisa rond mogelijk kindermisbruik in een Antwerps ‘concentratieschooltje’ besloot de burgemeester, Homans’ partijgenoot Bart De Wever, dat het om massahysterie ging. In het VRT-tv-journaal (13-7-2013) zei hij: ‘massahysterie is niet het voorrecht van een bepaalde culturele gemeenschap, maar ik denk dat het in dit geval verergerd is doordat het zich binnen één etnische groep afspeelde die nogal susceptibel is voor ophitsing, dat weten we’. In die etnische groep is het zo, dat weten we. Fixatie, opsluiting, en dus onderwerping – van anderen, en van onszelf. Een van de boze reacties op Homans kwam van de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hij wist: ‘racisme staat haaks op al onze normen en waarden’. Haaks-op-al-onze! Hoewel goedbedoeld, ook hier fixatie en veralgemening (en verwarring van streefdoel en feiten): racisten zijn incidentele rotzakken in ons propere mandje  ̶  officieel wishful thinking. In feite maken racisme en anti-racisme allebei deel uit van de normen en waarden in Vlaanderen, en we kunnen kiezen, voor of tegen de anderen.

De fixering vergeet ook vaak hoe dingen razendsnel veranderd zijn binnen ‘onze’ cultuur. ‘In Vlaanderen zitten jongens en meisjes samen op school’, zegt de brochure; ja, dat is bijna algemeen – sinds ocharmen vijfendertig jaar. Zie voorts de houding tegenover homoseksualiteit, zie de als fatsoenlijk beschouwde vrouwenkleding. Als er wél enig bewustzijn van evolutie is, zoals in de volgende zinnen uit de brochure, moeten de anderen onze evolutie overnemen:

De meeste Vlamingen proberen gezond te leven. Veel mensen letten op hun voeding en eten gezond. Steeds meer mensen sporten en bewegen veel. En steeds minder mensen roken. Dat is overigens verboden op openbare plaatsen, in restaurants en in cafés omdat roken schadelijk is voor de gezondheid.

Cultuur en wet gaan weer hand in hand, de wet lijkt het minst belangrijk (‘overigens’). We zijn of doen ‘steeds minder’ van dit en ‘steeds meer’ van dat, en vinden het doodgewoon dat nieuwkomers daarin meegaan, ze mogen geen eigen evolutie hebben. Van die aanpassing zal hun ‘gezondheid’ trouwens profiteren: we leven nu eenmaal met een biopolitiek regime, waarin de overheid leven en lichaam van de burgers wil beheersen; nogal wat ‘culturele’ elementen hebben daarmee te maken.

Nog een ander punt dient hier genoemd, de selectiviteit. Homans:

Als ‘conservatief’ wil zeggen dat ik mijn kinderen leer om op te staan op de tram voor een oude vrouw, dan ben ik heel graag conservatief. Respect voor een aantal zaken, daar ontbreekt het soms aan vandaag. Het is niet hip om normen en waarden te hebben.

Oké, fijn, maar als je dergelijke vrij triviale regels niet relativeert, waarom doe je dat dan wel met het respect voor gekleurde of islamitische mensen? Het gaat bij zulke uitvallen altijd om een minieme selectie uit alle normen en waarden van een samenleving. Vaak komt bijvoorbeeld de nochtans opgehemelde waarde tolerantie in het gedrang – die veronderstelt dat je wat afstand neemt, zodat je je niet ergert aan een boerkini, of aan moslimvrouwen die voor vreemde mannen een andere groet gebruiken dan de handdruk.

Volg ons na, imiteer het beeld dat wij van onszelf hebben of willen tonen, zo gauw en zo volledig mogelijk. Wisselwerking met een ‘andere cultuur’ willen we niet, tenzij het om eten of muziek gaat. De anderen mogen alleen ontvangers zijn: passieve nabootsers.

Zo blijken de oude teksten van Aimé Césaire nog heel actueel, en we zouden er goed aan doen ze zorgvuldig te bestuderen als we radicale allochtone militanten van nu willen begrijpen. Neem Houria Bouteldja, met haar fameuze boek Les Blancs, les Juifs et nous (2016): niet alleen citeert ze geregeld de grote Martinikaan, ze denkt ook in zijn geest wanneer ze het officiële gelijkheidsdiscours weigert, ‘omdat wij beginnen te begrijpen dat we niet oplosbaar zijn in de witte en christelijke identiteit, maar ook omdat het egalitaristische project slechts een integratieproject is dat van ons Fransen “als de anderen” wil maken’. En, wij zullen bedelaars blijven ‘als we niet besluiten voor onszelf te kiezen’:

We zullen bedelaars zijn zolang we niet beslissen om te breken met onze bevoogders, degenen die beslissen voor ons, zonder ons en tegen ons […] zolang we de tegenstellingen die de witte wereld verdelen als universeel willen beschouwen […] zolang we gevangenen blijven van hun filosofie, hun esthetiek en hun kunst […] zolang we hun versie van de Geschiedenis niet ter discussie stellen.

6.

Bij het lezen van zo’n inburgeringsbrochure betwijfel ik soms of ik de normen en waarden van overheid en meerderheid wel voldoende deel: of ik zelf voldoende ingeburgerd ben. Er zijn wel meer mensen in dat geval, er is immers heterogeniteit, verdeeldheid, ook binnen de autochtone samenleving. Maar mijn gevoel van anderszijn of zelfs dissidentie houdt ijdelheid in, of zelfbehagen, want in feite zijn er natuurlijk een hoop elementen, een meerderheid allicht, waar ik geen probleem mee heb.

En dus, een stap verder. Dat onze cultuur immigranten onderwerpt is duidelijk, maar ze doet dat ook met ons. Passiviteit en imitatie zijn ook voor het Eigen Volk relevante begrippen, als te veel elementen van de dagelijkse cultuur klakkeloos geaccepteerd worden. Is de eigen cultuur ons wel zo eigen?

In elk geval is die cultuur minder spontaan dan we graag geloven: veel erin ontstaat of handhaaft zich onder een of andere soort pressie – dwang van hogerhand, sociale druk, onderwijs, mediapraat, reclame... Als wij ‘allemaal’ een huis willen kopen of nog liever bouwen, is dat niet omdat de Belgen ‘geboren worden’ met een baksteen in de maag, maar omdat we geleerd hebben dat het zo hoort. Als wij ‘allemaal’ autorijden, is dat omdat het op allerlei manieren gestimuleerd werd en wordt, en omdat niet kunnen rijden als een handicap geldt; en als nu een beetje meer mensen liever het openbaar vervoer of de fiets nemen, is dat geen zomaar gegroeide ‘mentaliteitswijziging’, maar het resultaat van nieuwe druk. (Anders Gaan Leven is allang opgenomen in de commercie.) Enzovoort: als wij ‘allemaal’ vinden dat we elke dag moeten douchen, dat we ons afval moeten sorteren, dat we naar de fitness moeten gaan, dat we van skivakanties of citytrips moeten houden, dat we ons grasveldje op tijd en stond moeten maaien, dat we wel paarden kunnen eten maar geen honden, dat we niet te veel kinderen mogen krijgen… En als we ‘allemaal’ pedofilie abnormaal vinden en verafschuwen terwijl we nucleaire gevechtsvliegtuigen…

De pressie van onze dagelijkse cultuur werkt ten kwade en ten goede, en heel in het algemeen gesproken valt er weinig aan te doen, het gaat meestal ‘vanzelf’. Maar specifieke dingen kunnen ter discussie gesteld worden, bewust afgewezen of bewust aanvaard.

Welke taal willen of moeten we spreken? ‘Correcte’ standaardtaal is voor de door foutenangst gekwelde Vlamingen grotendeels illusoir, maar een algemene tussentaal is even illusoir – en mensen gaan heus niet van nature zich nauwkeurig uitdrukken en bedrieglijke taal doorzien. Het slonzige nieuw-Vloms dat nu de Vlaamse tv onveilig maakt, is zelf alweer een cool model om na te volgen. Wij spreken uw taal, zo luidde een tijdlang de slogan van de financiële instelling KBC; we zouden ervoor moeten zorgen dat dat niet klopt, dat onze taal niet overeenstemt met die van bazen en bankiers en tv-clowns: misschien is dat zelfs een richtlijn voor goed Nederlands?

Het is prima dat je leert je zitplaats op de tram af te staan aan een bejaarde, en in de trein je schoenen niet op andere zitplaatsen te leggen, en geen afval op straat te gooien – zulke dingen kunnen het samenleven aangenamer maken. Het is niet slecht dat je leert te stoppen met roken en minder vlees te eten. Maar wat doen we met ‘beleefde’ aanspreekvormen en kledingvoorschriften? Als we maar beseffen dat het informele leren altijd óók disciplinering inhoudt, een min of meer zachte onderwerping aan een ‘regime’ – net als de kaders waarin wij onze verondersteld objectieve kennis opdoen. Toen begonnen werd met onderwijs in de gevangenis, was dat niet om idealistische redenen: transformatie van het gedrag was de voornaamste functie van detentie. En, vraagt Foucault: ‘Is het verwonderlijk dat de gevangenis lijkt op de fabriek, de school de kazerne, het hospitaal – en dat deze op hun beurt allemaal lijken op de gevangenis?’ Misschien is het zelfs nog benauwender als hippe scholen niet meer op gevangenissen lijken, want wat wordt daar verdonkeremaand?

Het gaat niet alleen om kleinigheden. Het gaat ook om de romans, films, amusementsprogramma’s… die we geacht worden goed te vinden, zonder oog voor hun ideologische donkerte en los van politieke overtuigingen (maar nu raak ik aan de zondagse cultuur). Erger, het gaat om valse denkbeelden, pakweg over democratie en gelijkheid of over terreurbestrijding en oorlog – denkbeelden die ons dag in dag uit op alle mogelijke manieren worden ingelepeld. En nog erger, het gaat over de tomeloze drang naar luxeconsumptie, die door geen enkele bestuurlijke overheid wordt ontmoedigd, verre van. Al die ellende hoort bij onze cultuur, en doorgaans zwijgen we er zedig over, want zowel die denkbeelden als die luxe zijn uiterst comfortabel.

Passiviteit, imitatie: lethargie, vadsigheid. Si prega di non disturbare, niet storen a.u.b., schamperde Césaire in 1959. Dat ging over gekoloniseerden, dus mensen zoals wij. Laat ons met rust, There Is No Alternative.

Passiviteit is antidemocratisch, antipolitiek. Want democratie, en dus politiek, betekent niet: ‘zich neerleggen’ bij de ‘beslissingen’ van ‘de meerderheid’. Het betekent: zich bemoeien met de gang van zaken. Er is democratie wanneer iemand spreekt zonder dat het van hem of haar verwacht wordt, en dan misschien iets zegt wat van hem of haar niet verwacht wordt. Er is geen democratie wanneer je je vrolijk en behaaglijk, of zelfs nors en onbehaaglijk, nestelt en koestert in een stilstaande of voortdenderende cultuur.

7.

Ik kijk nog even naar een aspect van de ‘cultuurschok’ dat niet direct en officieel door de overheid wordt geformuleerd, maar des te meer in conversaties en columns, zowel door liberalen als linksen, en vooral door intellectuelen: de ontkerstening. ‘De meeste Vlamingen’, zoals de meeste autochtone West-Europeanen, zijn niet godsdienstig – nooit geweest of allang niet meer. En velen zijn wel degelijk trots op althans dít element van ‘onze cultuur’! Een jonge, niet vreselijk devote Afghaan vertelde me dat hij kort na zijn aankomst aan een vrouw in het opvangcentrum vroeg wat haar geloof was, waarop zij parmantig en tot zijn verbijstering antwoordde dat ze ‘in niets’ geloofde. Soms lees of hoor je dat we de islam wel zullen kleinkrijgen, ‘zoals we het katholicisme hebben kleingekregen’: godsdienst als een jammerlijke rest die we moeten overwinnen.

Er zijn bij dat pretentieuze of agressieve atheïsme wel wat kanttekeningen te maken. Luister bijvoorbeeld naar deze twee militantes uit verschillende hoeken:

Nadine Rosa-Rosso, een communiste die ooit in de leiding van de PVDA/PTB zat, suggereert dat moslimmeisjes bij ons soms dankzij de steun van hun geloof (hoofddoek inbegrepen) de obstakels op weg naar de universiteit kunnen overwinnen, en ze hekelt de terughoudenheid of afkeer die links vaak toont tegenover islamitische verzetsbewegingen. Uit 2008:

de hele geschiedenis bewijst het, je kunt je beter verzetten als je een langetermijnperspectief hebt dan als je er geen hebt. In plaats van te beven voor de toename van religieuze gevoelens, zou links er beter aan doen een mondiaal maatschappijproject te ontwikkelen waarin de gelovige massa’s, die de overgrote meerderheid van de volkeren uitmaken, een volwaardige plaats hebben en niet meer behandeld worden als achterlijke barbaren die tot geen vooruitgang in staat zijn.

Houria Bouteldja, Indigène de la République, besluit haar boek provocerend met een hoofdstuk onder de titel ‘Allahoe akbar!’, waarin ze deels in dezelfde trant argumenteert: de immigrant haalt vaak kracht uit zijn geloof, terwijl hij ziet hoe de witte arbeider ‘ontwapend, beroofd van God, van het communisme en van elk maatschappelijk perspectief, uitgeleverd is aan het grootkapitaal’. Laten we voorbij het economische nut van de immigrant kijken, naar het nut dat hij heeft

om de herinnering mee te brengen en te bewaren aan solidaire maatschappijen, waarin een sterk collectief bewustzijn bestaat en iedereen zich verantwoordelijk voelt voor de groep. Het nut om te weerstaan aan de atomisering van de maatschappij, aan het uitzinnige individualisme. Het nut om het individu te beschermen tegen het naakte leven, in plaats van het ‘ieder voor zich’. Alles is al gezegd over de islam en het ‘communautarisme’, behalve deze in het oog springende evidentie die er nochtans de basis van is.

In de kreet ‘Allahoe akbar’ ziet Bouteldja een getuigenis van ‘nederigheid en gedurig bewustzijn van het vergankelijke’ – tegenover illusies over menselijke almacht, tegenover de vermeende superioriteit van wit over niet-wit, man over vrouw…, en volgens haar kun je dat moeiteloos begrijpen vanuit een profaan standpunt. Zij benadrukt dus het ‘egalitaire potentieel’ van de kreet: ‘de mensen, alle mensen, weer op hun plaats zetten, zonder enige hiërarchie’.

Sommigen zullen dat te dweperig of overspannen vinden, maar mij lijkt het overdenkenswaard. We zijn niet alleen het geloof in een beter leven na de dood verloren, maar ook het geloof in een betere maatschappij na de kapitalistische; en dat totale ongeloof (of nihilisme) waarop we zo prat gaan lijkt vaak niet meer dan een vorm van vermoeide resignatie, van berusting in de onontkoombare orde. Andermaal tina.


Bibliografie

Charles Bonn, Kateb Yacine: Nedjma, L’Harmattan, Parijs, 2009 (1990) (of: http://www.limag.refer.org/Textes/2009JourneesNedjma/BonnKaNe.pdf)

Houria Bouteldja, Les Blancs, les Juifs, et nous: Vers une politique de l’amour révolutionnaire, La Fabrique, Parijs, 2016

Bert Bultinck en Johan Faes, ‘Liesbeth Homans: “Voor het eerst ben ik echt gelukkig” - Sven De Ridder: “Ik ben altijd gelukkig”’, De Standaard (Weekblad), 17/18-8-2013 (en reacties daarop in De Standaard van 19-8)

Aimé Césaire, ‘Nègreries: Jeunesse noire et assimilation’ (1935), ‘Lettre à Maurice Thorez’ (1956) en ‘L’homme de culture et ses responsabilités’ (1959), alle drie opgenomen in: in: A.C., Poésie, Théâtre, Essais et Discours, CNRS / Présence Africaine, Parijs, 2013, resp. pp. 1292-1294, 1500-1508 en 1553-1559

Geneviève Chovrelat, ‘Intertextualité, subversion: Nedjma de Kateb Yacine’, in: Revue des lettres et de traduction, 13, 2008, pp. 448-468 (http://documents.irevues.inist.fr/bitstream/handle/2042/42120/2008_13_448-468.pdf?sequence=3)

Léon-Gontran Damas, Pigments – Névralgies, Présence Africaine, Parijs, 2005 (1972) (De bundel Pigments, waaruit de geciteerde gedichten komen, verscheen voor het eerst in 1937, met een voorwoord van Robert Desnos en een houtsnede van Frans Masereel)

Frantz Fanon, Peau noire, masques blancs, Éditions du Seuil, 1952

Michel Foucault, Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis, vert. Vertalerscollectief, Historische Uitgeverij, Groningen, 2010 (1989) (Surveiller et punir: Naissance de la prison, 1975)

Kathleen Gyssels ‘De “rampspoed” van Léon-Gontran Damas: Etniciteit en gender in Pigments en Névralgies’, in: Streven, 69/3, maart 2002, pp. 240-251 (Dit artikel over de ‘relatie tussen raciale of etnische identiteit en de seksuele identiteitsconstructie’ bespreekt o.a. de twee gedichten die ik citeer)

Kateb Yacine, Nedjma, Éditions du Seuil, Parijs, 1996 (1956)

-, Nedjma, vert. Hester Tollenaar, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2013 (Er bestaan ook oudere Engelse en Duitse vertalingen, die met een beetje moeite nog te vinden zijn.)

-, Le poète comme boxeur – Entretiens 1958-1989, red. Gilles Carpentier, Éditions du Seuil, Parijs, 1994

Migreren naar Vlaanderen, http://www.migreren.inburgering.be/en/brochure

Nadine Rosa-Rosso, Plus qu’hier et moins que demain: Contre le racisme, le colonialisme et la guerre, Antidote & La Guillotine, 2018

Tacitus, Het leven van Agricola / De Germanen, vert. Vincent Hunink, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2006 (2000)

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.