about
Toon menu
Opinie

Theo Francken doet de publieke omgangscultuur geen goed

Naar aanleiding van de ‘dubieuze post’ van Theo Francken over mannen die zich schminken en lingerie dragen, stelt François Levrau zich de vraag of de vrijheid van meningsuiting moet ingekapseld worden in een publieke omgangscultuur waar ‘respect’ de norm is.
woensdag 29 augustus 2018

Op Facebook plaatste Theo Francken, Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, een bericht waarin hij zich afvraagt “of de wereld doordraait”. Hij stelt zich in het bijzonder vragen bij het feit dat er “mannen zijn die zich schminken, hun wenkbrauwen epileren, lingerie dragen, een sacoche dragen, zwanger worden, etc.” Echte mannen, zo stelt hij, hebben deze “ongein” niet nodig om “zich goed in hun vel te voelen”. Hij voegt er nog aan toe dat de mannen die het wel doen zich door zijn bericht niet hoeven aangevallen of beledigd te voelen daar het niks persoonlijk is, maar slechts een persoonlijke mening. In strikte zin doet Francken niets fout. Hij erkent dat mensen vrij zijn om te doen en te laten wat ze willen en maakt gewoon gebruik van zijn recht op vrije meningsuiting om zich vragen te stellen bij hoe sommige mannen zich ‘outen’. De vraag is echter of het verstandig is dat iemand met een publieke functie in het openbaar de draak steekt met de seksuele identiteit en genderidentiteit van bepaalde mensen.

Francken heeft een patent op het versturen van ‘dubieuze berichten’ op sociale media. Het lijkt erop dat hij zich van tijd tot tijd op de borst wil kloppen, vergelijkbaar met wat zo af en toe ook in Amerika gebeurt door een ander alfamannetje. Wat Francken echter met die berichten mist, is dat een samenleving niet alleen stabiel of cohesief is door het arsenaal van gedeelde rechten en wetten, maar dat er ook een breed gedragen gevoel van respect nodig is. Holebi’s en transgenders willen niet alleen ‘beschermd’ worden door goed verankerde wetten en rechten, ze willen ook gewoon aanvaard worden in de publieke ruimte. Het bericht van Francken doet weinig goed voor het begrip en de aanvaarding van holebi’s en transgenders in die publieke ruimte.

Spanningsveld

Interessant aan de post van Francken is hoe het spanningsveld komt bloot te liggen tussen wat men met het hoofd (cognitief, cerebraal) aanvaardt, namelijk de liberale principes van ‘vrijheid’, ‘gelijkheid’ en ‘solidariteit’ en wat men met de buik (emotioneel) mogelijks afkeurt. Zo is het één zaak om cerebraal de principes van gelijkheid, vrijheid en solidariteit te verdedigen, het is toch nog een andere zaak om die principes (en dan vooral het idee van solidariteit en tolerantie) in de praktijk te brengen en er ook gevoelsmatig mee in het reine te komen. Zo zijn we wellicht allemaal wel voor gelijkheid en vrijheid – sedert de Verlichting in de 18de eeuw wordt de politieke cultuur in de westerse democratieën op relatief stabiele wijze gevormd door de principes van vrijheid, gelijkheid en solidariteit die goed zijn ingekapseld in en worden beschermd door diverse wetten, rechten en instituties – maar we aanvaarden of begrijpen niet altijd de consequenties van die principes. We gaan er met andere woorden allemaal redelijk prat op behoorlijk tolerant te zijn, maar het blijft de vraag of we dat wel effectief/voldoende zijn. In de praktijk lopen we immers vaak in een boogje om diegene/datgene waarvoor we zogenaamd ‘tolerant’ zijn. Mensen zijn ook gewoonlijk een stuk toleranter voor datgene wat ze al kennen en kunnen begrijpen. Als iets teveel van ons verschilt, dan weten we ons daar weinig raad mee en worden we wat ‘sullig’, ‘angstig’ en misschien wel ‘agressief’. Het vreemde wordt dan geridiculiseerd of geassimileerd.

Op zoek naar geruststelling

Mensen tolereren gewoonlijk niet het ‘vreemde’ op zich, maar het ‘vreemde’ dat hen niet van henzelf doet vervreemden (lees: doet ongemakkelijk voelen). Er lijkt altijd een herkenbare brug naar het ‘ik’ nodig te zijn. Hoe groter de afstand tot het ‘ik’ of ruimer ‘onze cultuur’, hoe problematischer de vraag in verband met solidariteit en tolerantie. In de vele discussies over de multiculturele samenleving horen we vaak heel helder de roep om die brug: wat hebben ‘ze’ met ‘ons’ gemeen?! Vooral de islam lijkt dan kop van jut te zijn voor zover die wordt beschouwd als niet compatibel met ‘onze manier van leven’. In een liberale samenleving hebben mensen echter de vrijheid om – binnen een aantal krijtlijnen – hun leven vorm te geven volgens de patronen van een eigen conceptie van wat het goede leven behelst. Mensen zijn ook vrij om hun seksuele identiteit en genderidentiteit op hun manier te verkennen en te beleven. Die vrijheid maakt dat er heel wat mogelijk is, dus ook zaken die misschien wat ‘vreemd’ lijken.

Van politici mag worden verwacht dat ze mensen leren omgaan met die ‘vreemde’ diversiteit. Ze moeten mensen helpen omgaan met de gevolgen van de vrijheid die in onze samenleving als een kernwaarde wordt beschouwd. Immers, wanneer mensen zich onbehaaglijk voelen en niet kunnen worden gerustgesteld, dan komt de samenleving onder spanning en is de stabiliteit niet langer gegarandeerd. Mensen als Francken moeten er dus over waken dat ze de gevoelens van ‘angst’ en ‘agressie’ niet nodeloos aanwakkeren. Sterker nog, hij moet werk maken van een cohesieve samenleving en dat betekent dat ‘destructieve emoties’ worden omgebogen tot ‘constructieve emoties’.

Vrijheid en hoffelijkheid

Omdat men niet altijd en niet meteen ‘tolerant’ is voor het ‘vreemde’, is ‘tolerantie’ geen concept waarmee lichtzinnig moet omgesprongen worden. Aan ‘tolerantie’ kleeft een gewicht waarvan niet duidelijk is of elke samenleving het wel kan torsen. Of nog, de individuele vrijheid die we elkaar via de cerebrale principes gunnen, kan ertoe leiden dat we ons in onze eigen samenleving onbehaaglijk beginnen te voelen omdat we de ‘vreemde diversiteit’ niet kunnen begrijpen/plaatsen. De vrijheid lijkt zich dan als een boemerang in het gezicht van de vrije samenleving te keren. Het is daarom dus belangrijk om het recht op vrijheid te laten samengaan met de vormgeving van een bepaalde omgangscultuur die mensen helpt gerust te stellen. Dat betekent niet dat de vrijheid van meningsuiting moet beknot worden of dat mensen niet langer meer tegen een stootje zouden moeten kunnen. Het gaat erom dat de vrije meningsuiting wat kan ‘gedempt’ worden en dat ze, zeker door iemand met een publieke functie, verstandig moet worden gebruikt. We moeten, in de woorden van Robert Musil, onze aanvallen kleden “als de punt van floret, die buigzaam meegeeft en, om de steek vriendschappelijk af te zwakken, afgedempt is met een dopje” (365). Ook John Stuart Mill gaf al aan dat de vrijheid van meningsuiting niet verhindert dat men niet hoffelijk is. Hij stelt echter ook dat mensen daarom nog niet persé onhoffelijk moeten zijn. Als taal de kledij van de gedachte is, dan moeten we op zoek naar het maatpak waarin die gedachte het beste tot haar recht komt. De vrijheid van meningsuiting is dan wel in essentie een bescherming voor de ‘zwaksten’ (i.c. diegenen die er tegendraadse meningen op nahouden), ze kan ook verworden tot een rechtvaardiging voor de verbale brutaliteit van de ‘sterksten’ (i.c. diegenen die een dominante mening verkondigen). Dit is precies waarom het bericht van Theo Francken zo wrang aanvoelt.

Publieke omgangscultuur

Wat een duurzame liberale rechtstaat nodig heeft, is een moraliteit die niet enkel bestaat uit rationele principes (die cognitief worden aanvaard en worden verklankt in wetten en rechten), maar ook uit gedeelde gebruiken van het hart (een gedeelde emotionaliteit die tot uiting komt in de manier waarop mensen met elkaar omgaan). Als een samenleving niet wil bezwijken onder het gewicht van haar eigen principes, dan moeten de rechtstatelijke principes (en de gevolgen) ook ‘bottom up’ worden aanvaard. Het is op dit punt dat Theo Francken een voortrekkersrol heeft. Vanuit zijn publieke functie kan hij die belangrijke publieke omgangscultuur mee helpen vormgeven. Ofwel voedt hij het onbehagen, de angst en de agressie (“Draait de wereld door?”) ofwel erkent hij wat vrijheid betekent (Mensen hoeven niet te worden geviseerd op basis van gedrag dat wat buiten de norm valt, maar moeten worden aanvaard en gerespecteerd). Het is overigens vrij cynisch dat uitgerekend Theo Francken een tijdje terug ijverde voor een Nieuwkomersverklaring waarin stond dat nieuwkomers de principes van vrijheid en gelijkheid moeten onderschrijven. Misschien moet hij toch nog even goed lezen wat daarin stond en bepaalde zaken wat laten bezinken alvorens hij zo ‘sullig’, ‘angstig’ of ‘agressief’ in de digitale pen kruipt.

François Levrau is Doctor Sociale Wetenschappen en verbonden aan het Centrum Pieter Gillis van de Universiteit Antwerpen.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.