Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Boekrecensie

Red de democratie: met octopus en jazzband

‘Red de democratie!’ nodigt uit tot actie en reflectie. Dit boek is het allemaal geworden: all-in one. De activist in Claeys heeft de essayist mee aan boord gehesen en samen kijken ze met dat dubbele petje op naar de systeemfouten en naar de oplossingen voor de werking van de representatieve democratie.
donderdag 7 juni 2018

Ook de schrijfstijl van Claeys vertrekt van een all-in one formule. Hij maakt een hybride tekst waarin hij zelf als de zoekende ik-persoon aanwezig is en waarin hij in sommige passages een stukje van zijn cv blootlegt. Zijn zeer goede pen, een van zijn handelsmerken zoals trouwens ook aanwezig bij een gedreven auteur als David Van Reybrouck, blijft voortdurend het commando voeren en maakt van al deze elementen een boeiend geheel. Ondanks of misschien dankzij zijn activistencarrière is de schrijver in hem toch verder kunnen blijven groeien.

En of de democratie zo kan gered worden? Misschien. ‘Of werd er toch geen rebels momentum gemist?’, vraagt de recensent zich af.

Een eendagsvlieg kun je Manu Claeys zeker niet noemen. Ongeveer vijftien jaar geleden zat hij als beginnend essayist (Het Vlaams Blok in elk van ons) en schrijver in spe samen met andere kompanen uit zijn buurt rond de keukentafel om een gedurfd overkappingsverhaal voor het overvolle oud-Borgerhout bij elkaar te denken. Claeys is met zijn 54 jaar een post-soixantehuitard, maar door zijn paardenstaart-voorkomen en vooral door zijn langdurige aanwezigheid als rebelse burger in het publieke domein - hij is al jaren voorzitter van stRaten-generaal - is hij een waardige exponent van de contestatiebeweging die ‘Sous les pavés il y a la plage’ hoog in het vaandel voerde. De grijze draden in zijn lange haren zijn de visuele sporen die langdurig verzet van onderuit hebben nagelaten. Achter het serene, ogenschijnlijk bijna boeddhistische uiterlijk gaat een taaie en schijnbaar geduldige oud-strijder schuil: een man die van vele grote en kleine maatschappelijke ‘oorlogen’ thuis is, maar hij is ook iemand met zeer weinig tijd zoals dat wel vaker opgaat voor een actievoerder én intellectueel.

Als spreekbuis van de actiegroep stRaten-generaal, later burgerbeweging genoemd, had hij in de voorbije jaren wel andere katten te geselen. De actievoerder stond de schrijver in hem in de weg. Oosterweel, het dossier van de Antwerpse mobiliteit, slorpte al zijn tijd op, én ook die van zijn kompaan Peter Verhaeghe, en dan heb ik het nog niet eens over Wim Van Hees en Peter Vermeulen en al die Ademloos- en Ringland- vrijwilligers die al jaren mee hun plaats op de barricaden hebben ingenomen. 

Van ‘Stilstand’ naar beweging 

In 2013 was het dan toch zo ver. Toen lag er ineens een vuistdik boek, getiteld ‘Stilstand’, in de boekhandel dat een kroniek is geworden van acht jaar wrikken en wroeten in de marge van twee actiegroepen - stRaten-generaal begon in 2005 en Ademloos ontstond in 2008 (Ringland was nog in aanmaak) - rond een van de grootste mobiliteitsprojecten in België ooit. Het was het werk van een boos geworden Manu Claeys. De ondertitel ‘Over machtspolitiek, betweterbestuur en achterkamerdemocratie’ liegt er immers niet om. Hij is geladen én beschuldigend. In dit megadossier ging het inderdaad om ‘beter weten’ gekoppeld aan een blind optimisme voor het eigen project en wie het daarmee niet eens was werd, dixit Claeys, onder vuur genomen door de ‘drietrapsraket’ van de machtspolitiek. Voortschrijdend inzicht? Mon oeil! Van een iterative deliberation, zoals het in de Angelsaksische literatuur heet, was er in Vlaamse velden nog lang geen sprake. In die fase stond men nog met getrokken messen tegenover elkaar. De onderzoekers Eva Wolf en Wouter Van Dooren schrijven daarover in hun boek ‘De waarde van weerstand’: ‘Politici focussen vanuit de electorale cyclus die voor hen ligt - (daadkracht tonen door verbaal te jongleren met uitdrukkingen als ‘de schop in de grond’) -, terwijl actievoerders die zich tegen Oosterweel verzetten vanuit een langetermijnvisie op de effecten van infrastructuur van een veel wijdere tijdshorizon vertrokken. Door die verschillende tijdshorizonten werd de tijd (en de bijhorende deadlines) een brandstof voor conflict.’ (p. 87)

En toch is het ook een hoopvol boek, zo eindigt Manu Claeys ‘Stilstand’, want uiteindelijk is er wel beweging ontstaan, maar dan op plekken waar de traditionele politici de minste impact hebben: van onderuit. Van stilstand naar beweging dus.

Actie en reflectie: all in one 

En nu ligt er ‘Red de democratie!’ Op de cover staat deze dwingende uitnodiging met een zwaar uitroepteken met daaronder de skyline van New York, maar het had ook die van Antwerpen of van om het even welke stad in de wereld kunnen zijn. De grootstedelijke problemen zijn ongeveer overal dezelfde, de vaak weinig democratische benadering ervan jammer genoeg ook. Zoals wel vaker zegt de ondertitel die in twee delen uiteenvalt meer dan de titel: ‘waarom het systeem hapert en wat we eraan kunnen doen’.

‘Red de democratie!’ is alweer een kanjer van een boek, maar in een heel andere, meer hoopvolle toon gecomponeerd, want in de voorbije vijf jaar is er veel gebeurd rond heel de Oosterweelsaga. Ook in het denken van Manu Claeys. Dat blijkt uit dit boek dat zowel uitnodigt tot actie als tot reflectie. ‘Red de democratie!’ is het allemaal geworden: all-in one. De activist in Claeys heeft de essayist mee aan boord gehesen en samen kijken ze met dat dubbele petje op naar het algemene en het specifieke, naar de systeemfouten en naar de oplossingen voor de werking van de representatieve democratie. Ik vermoed dat de activist Claeys zich niet alleen uitgedaagd voelde maar zich ook behoorlijk geërgerd moet hebben aan de vaak gratuite, maar nijdige uitspraken van politici die spraken over ‘de dictatuur van minderheden’ of die het denigrerend hadden over ‘die drie man en een paardenkop’. Van deze politici noemt de auteur fijntjes geen namen, maar de aandachtige lezer weet dat hij onder meer Marc Van Peel en Kris Peeters bedoelt. Dit boek kan ook worden gelezen als een uitgestelde, maar zeer onderbouwde weerlegging van die aanteigingen door de essayist in hem.

Ook de schrijfstijl van Claeys vertrekt van een all-in one formule. Hij schrijft een hybride tekst waarin hij zelf als de zoekende ik-persoon aanwezig is en waarin hij in sommige passages een stukje van zijn persoonlijke geschiedenis blootlegt. Door zijn langdurige verblijven in de VS kan hij terugvallen op mooie, maar voor een Nederlandstalige lezer allicht minder gekende voorbeelden uit de States. Het summiere levensverhaal bijvoorbeeld van Jane Jacobs, de vrouw die honderd jaar na haar geboorte the greatest thinker of the 20th century werd genoemd en die nu als het prototype van de moderne stadsactiviste wordt beschouwd. Deze werkwijze stelt hem ook in staat om aan de hand van zijn cv een stukje te reconstrueren van een maatschappelijke tijd waarin hij zijn danspasjes heeft gezet. Zo vermeldt hij terloops dat Vlaanderen enkele weken nadat hij en zijn vrouw, de schrijfster Anne Provoost, waren teruggekeerd uit de Verenigde Staten een eerste commerciële zender kreeg, die mee zijn stempel is gaan drukken op de routines van de democratie. Het VTM-tijdperk was aangebroken.

Verder zijn er de vele referenties naar literatuur en onderzoek (vooral van Angelsaksische origine zoals John Keane, Simon Tormey, Kate Raworth, John Dryzek, Rebecca Solnit, Robert en Edward Skidelsky en Naomi Klein, maar ook in ons taalgebied met veel verwijzingen naar Luc Huyse, Filip De Rynck, Eva Wolf en Wouter Van Dooren en nog vele anderen.) Hij spreekt ook met veel lof over de onderzoeksjournaliste en activiste Carole Cadwalladr die het schandaal van Cambridge Analityca rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen aan het licht bracht. Deze zeer onvolledige opsomming mag zeker niet de indruk wekken dat Claeys zijn bibliotheek in dit boek heeft uitgestort. Zijn zeer goede pen, een van zijn handelsmerken zoals trouwens ook aanwezig bij een gedreven auteur als David Van Reybrouck, blijft voortdurend het commando voeren en maakt van al deze onderdelen een boeiend geheel. Ondanks of misschien dank zij zijn activistencarrière is de schrijver in hem toch verder kunnen blijven groeien.

Un train peut en cacher un autre 

Zoals de ondertitel aangeeft, valt het lijvige boek dat uit zeven hoofdstukken bestaat, uiteen in twee grote delen. De eerste drie (‘De verloren jaren’, ‘de falende democratie’ en ‘de illusie van representatie’) geven het algemeen kader aan waarom volgens de analyse van Claeys het democratisch systeem hapert. Hij schetst zeer uitvoerig een niet zo fraai beeld van de werking van de representatieve democratie ‘waarin de burger gedegradeerd wordt tot kiezer en de politicus tot electorale kansberekenaar.’ (p. 265)

In deze hoofdstukken is voornamelijk de erudiete essayist aan het woord die met historische, filosofische en sociologische zijsprongetjes, en indien nodig ook goed onderbouwd met cijfermateriaal, zijn basistelling aankondigt en toelicht: ‘Politieke democratisering betekent dat we voorbij de notie van representatie moeten durven kijken.’ (p. 166) En hij voegt er dadelijk aan toe: ‘Het is mijn overtuiging dat het volwaardig integreren van burgerparticipatie in de politieke besluitvorming een essentiële stap zal blijken bij de noodzakelijke heropwaardering van die besluitvorming.’ (p. 167) Dat betekent voor Claeys dat de representatieve democratie en de participatieve democratie niet tegen elkaar moeten worden uitgespeeld maar in elkaar verweven kunnen worden.

Het Un train peut en cacher un autre-effect speelt in heel dit boek ook een zeer belangrijke rol. Het protest tegen een beslissing, zoals het bouwen van een Lange Wapper-brug kan tegelijk verandering beogen op andere terreinen. Op dat van de democratie bijvoorbeeld. ‘In oktober 1998 waren bewoners van het Antwerpse Zuid, die zich later verenigden in stRaten-generaal, verontwaardigd over het rooien van Japanse kerselaars. Maar minstens even verbolgen waren ze over het gebrek aan inspraak. In juni 2013 streden jonge Turken voor het behoud van hun bomen op het Taksimplein, maar hun strijd ging ook over het toenemende autoritarisme van Recep Tayip Erdogan, de eerste minister.’ (p. 298).

Verzet begint van onderuit en vaak met wat schijnbaar kleine dingen. Het verhaal van de overkoepelende buurtvereniging De Ploeg waarnaar Claeys vaak verwijst en zelf bij betrokken is, is er zo een waarbij de verborgen trein de ‘representatieve democratie’ blijkt te zijn.

Een jazzy octopus 

Een dynamische basisdemocratie die een werkelijke participatie aan het maatschappelijke leven kan garanderen moet veel meer zijn dan die symbolische ontmoeting tijdens de traditionele stembusgang. Het politieke moet meer dan ooit gaan om de stem van onderuit en om het respect- en begripvol omspringen met de energie die daaruit voortvloeit. Claeys hanteert in zijn boek het beeld van de octopus om te verduidelijken hoe we daarbij te werk kunnen gaan. Net zoals die nieuwe democratie heeft een octopus drie harten, acht armen en een brein dat verdeeld zit over het hele lijf. In het octopusmodel hoeven burgers niet langer toeschouwers te blijven bij de partijpolitieke strijd van anderen, machteloos toekijkend en zich uiteindelijk afwenden. Ze worden zelf politieke actoren, op verschillende manieren. Zij zijn belangrijke actoren in een participatieve en sociale stadsvernieuwing die van onderuit groeit. Claeys voegt er nog een ander beeld aan toe, dat van de jazzband. ‘De orkestleider bepaalt in een wisselwerking met de anderen hoe het stuk klinkt. Hij geeft opdracht, zet lijnen uit; geeft wenken. Maar bovenal vertrouwt hij zijn bandleden.’ (p. 17) Dit avontuurlijke van de jazzband en het autonome handelen van de octopusarmen moeten volgens Claeys in de participatieve democratie binnengebracht worden. 

Burgerparticipatie

Vanuit dat beeld kan ook een volwaardige burgerparticipatie in het besluitvormingsproces opgezet worden. In hoofdstuk vijf ‘Burgerparticipatie: deelnemen aan de procedures’ reikt de auteur enkele belangrijke vuistregels aan om goede deliberatieve processen op gang te brengen: het creëren van een veilige ruimte voor overleg tussen de verschillende stakeholders is er daar een van. Als voorbeeld hiervan schetst Claeys hoe de gevoerde dialoog tussen het buurtcomité De Ploeg, een projectontwikkelaar, de bouwheer en de architecten geleid heeft tot een betere oplossing voor de tweede bouwfase rond het Antwerpse Kievitplein. Socioloog Luc Huyse vermeldde in ‘De democratie voorbij’ trouwens het optreden van De Ploeg als een voorbeeld van good practice om de democratie te verrijken. Eenzelfde procedure met werkbanken, samenwerkingen tussen ambtenaren, experten en georganiseerde burgers, werd opgenomen in het zogenaamde Toekomstverbond dat werd afgesloten met de Vlaamse regering rond Oosterweel, het ontwikkelen van het haventracé en het uitwerken van het Routeplan 2030.

Manu Claeys vindt steun voor het ontwikkelen in een veilige ruimte van deliberatieve processen tussen zeer verschillende stakeholders bij de onderzoekers Eva Wolf en Wouter Van Dooren die in ‘De waarde van weerstand’ de Oosterweelcase plaatsen in het kader van wat de Australische politicoloog John Keane de monitory democracy of, in het Nederlands, de alerte democratie, noemt. De macht die politici door verkiezingen verwerven, wordt door een toenemend aantal actoren kritisch onderzocht. Daar situeert zich de verschuiving van de parlementaire naar de alerte democratie. Keane noemt ze monitors en dat kunnen media, consumentenverenigingen, denktanks, beroepsassociaties, belangengroepen, vakbonden en beleidsonderzoekers zijn. Enkele monitors in Oosterweel zijn stRaten-Generaal, Ademloos, Ringland, de Antwerpse televisie, de Gazet van Antwerpen, VOKA, de havengemeenschap, het Rekenhof, de Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening, de adviesbureaus, de referendumkiezers, de Facebook-groepen en twitteraars.

Keane ziet geen naderende ondergang van de democratie, maar juist een democratie waarin meer mensen meer inbreng hebben dan ooit te voren. Die optimistische benadering is ook aanwezig in de voorlopige evaluatie van het Oosterweeldossier door Wolf en Van Dooren. ‘Dankzij een alerte democratie hebben Antwerpen en Vlaanderen nu zicht op een project dat betere kansen biedt voor zowel leefbaarheid als mobiliteit.’ (p. 178) Oosterweel is volgens hen geen symptoom van een zieke, maar van een veerkrachtige democratie, want schrijven zij als besluit: weerstand is zuurstof voor de politiek.

In het laatste hoofdstuk ‘De kwetsbare plant’ verdedigt Claeys het Toekomstverbond. Natuurlijk, want hij heeft ongetwijfeld de contouren van wat de participatieve democratische besluitvorming in deze mega case zou kunnen worden mee binnengebracht. Om die ambitieuze onderneming - un train peut en cacher un autre - durft hij het aan om als laatste zin van zijn boek (met een slag om de arm) te schrijven: ‘En zo redden we de democratie, want aan toegewijde burgers ontbreekt het niet, wel aan bestuursculturen die de toewijding alle kansen geven.’ 

Het rebelse momentum 

Ik zei het al: ‘Red de democratie!’ nodigt ook uit tot reflectie. Ook voor mij. Vandaar deze toevoeging. Er was misschien ook een ander scenario denkbaar geweest om ‘de democratie te redden’ en dat op een andere, meer radicale manier. Op een bepaald moment toen de burgerbewegingen en hun achterban 75.000 handtekeningen hadden verzameld voor een nieuwe volksraadpleging en het er bovendien naar uitzag dat ze juridisch hun gelijk zouden halen, had Antwerpen de kracht van onderuit kunnen vinden om een echte rebelse stad te worden. Vrijwel alle voorwaarden om een radicale politieke omslag te maken waren toen aanwezig: een mega infrastructureel probleem dat met de leefbaarheid in de ruimste betekenis van een stad te maken had, een stuntelende overheid, de dreiging van een nieuw referendum, een steeds maar groeiende en zeer geëngageerde achterban, een zeer sterke groep van vrijwilligers en enkele sterke, partijloze figuren die als spreekbuis optraden van een aantal burgerbewegingen die de rangen sloten en de pers meekregen.

Antwerpen had een rebelse stad kunnen worden. Die gemeentelijke bewegingen van onderuit – ‘municipalisme’ zoals de Amerikaanse anarchist Murray Bookchin de term ijkte - krijgt op dit ogenblik vorm in kleinere gemeentes (bijvoorbeeld in Saillans in de Vercors en Tordères in de Franse Pyreneeën, Valsamoggia in de buurt van het Italiaanse Bologna, Marinaleda en Cádiz in Andalucía, Frome in het Engelse Summerset, Ciempozuelos bij Madrid, Ferrol in Galicië), maar ook in grotere steden (Grenoble, Rennes, Napels, Porto Alegre, Rosario en Valparaiso) is de participatieve democratie met vallen en opstaan in werking getreden.

Neem nu Spanje. In 2011 was het sociaal protest van onderuit uitgemond in de indignados beweging – denk ook maar aan het pamflet ‘Indignez-vous’ van Stéphane Hessel – die de Madrileense Plaza del Sol veroverde. ‘De twee slogans die in Madrid het meest gescandeerd werden – ‘Democracia real YA!’ (Echte democratie nu!) en ‘No nos representan’ (Zij vertegenwoordigen ons niet) – drukten de afwijzing van de representatieve democratie uit en een verlangen naar directe democratie, om de lacunes van een verzwakte staat te vullen.’[i] Uit de Spaanse indignados van 15-M is niet alleen later Podemos gegroeid, maar werd ook de voedingsbodem gevonden voor wat achteraf las ciudades rebeldes zullen worden. De meest frappante uitingen hiervan zijn Barcelona en Madrid, die door de ‘alcaldes del cambio’ – Ada Colau en Manuela Carmena – tot ‘rebelse steden’ werden omgevormd. In de lente van 2015 wilde een aantal burgerbewegingen in Spanje ‘de stad teruggeven’ aan zijn bewoners. Op de verkiezingsavond gebeurde wat niemand verwachtte: in Barcelona en Madrid hielden hun kopstukken, twee vrouwen die nooit eerder een politiek ambt uitoefenden, een overwinningstoespraak.

Dat had ook in Antwerpen gekund met een Manu Claeys of een Peter Vermeulen van Ringland als lijstaanvoerder van een burgerbeweging die het ‘schoon verdiep’ had kunnen veroveren door de zalen van De Roma en de Horta en nog veel openbare plaatsen te doen daveren van enthousiasme. Sí, se puede! Yes, we can. Dat momentum om de democratie op die manier te kunnen redden is nu voorbij. Er is nu gekozen voor een andere marsrichting om hetzelfde te bereiken. Misschien kan Antwerpen dan op termijn toch nog een echte rebelse stad worden. Ik hoop het.


Notes:

[i] Johny Lenaerts, Rebelse steden in Spanje, www.dewereldmorgen.be van 16 januari 2017


Manu Claeys, Red de democratie! waarom het systeem hapert en wat we eraan kunnen doen, uitgeverijpolis, Pelckmans Uitgevers, Kalmthout, 365 blz. ISBN 978-94-6310-215-5, prijs: 21,99 euro

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.