Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu
Interview

Monumentaal koloniaal: tijd voor een gesprek op gelijke voet

Koloniale standbeelden zijn meer dan ooit voorwerp van controverse. Verwijzen ze naar helden uit een roemrijk verleden, of zijn het iconische beelden die vooral de herinnering vasthouden aan de zwartste bladzijden uit de geschiedenis? Voor onderzoekster Véronique Clette-Gakuba en spoken-word-kunstenaar Seckou Ouologuem, allebei druk in de weer om die talrijke koloniale monumenten te her-denken, hoeven ze niet te verdwijnen.
donderdag 24 mei 2018

Enkele dagen nadat begin dit jaar het borstbeeld van Leopold II uit het Dudenpark in Vorst spoorloos verdween en op al even miraculeuze wijze vervangen werd door een exemplaar in vogelzaad, ontmoet ik Veronique Clette-Gakuba en Seckou Ouologuem in de Koninginnegalerij in hartje Brussel. Hoewel ze allebei al jaren geëngageerd zijn in de strijd tegen deze koloniale relikwieën, weet geen van beiden die toch wel mysterieuze verdwijning op te helderen.

Véronique Clette is verbonden aan de ULB, waar ze onderzoek doet binnen het centrum METICES. Haar engagement rond koloniale monumenten werd geprikkeld tijdens een succesvolle protestactie in 2015 tegen een gepland evenement van Geoffroy Commans van Brachène, Brussels schepen van Stedelijke Ontwikkeling en Erfgoed, voor de 150ste verjaardag van de troonsbestijging van koning Leopold II. Er was een royale viering gepland met alle ministers, plus een conferentie over de bijdrage van de koning-bouwheer aan de architectuur van Brussel.

'Iemand die zijn knie op een andere mens zet: als symbool zegt dat toch alles?'

Er zou rond zijn standbeeld ook een ceremonie plaatsvinden. Verschillende collectieven, zoals Mémoire Coloniale, La Nouvelle Voie Anticoloniale, Change en Movement X, hebben zich toen geroerd. De Brusselse autoriteiten kregen schrik voor opstootjes en annuleerden hun ceremonie. Toen is het voor Véronique allemaal begonnen. Daar hoorde ze voor het eerst helder en haast unaniem: ‘Dit pikken we niet meer, we gaan dit tegenhouden, we gaan dit ontwrichten.’

Het verzet van spoken-word-kunstenaar Seckou Ouologuem tegen koloniale monumenten begon twee jaar eerder na een artikel van activist en historicus Omar Ba op De Wereld Morgen: ‘Aimé Césaire en de koloniale gedachten’. Daarin las hij voor het eerst dat pater-missionaris Constant Pierre-Joseph De Deken een standbeeld heeft in Wilrijk, als eerbetoon voor alle zogenaamde ‘goede werken’ van deze scheutist voor de ontwikkeling van Congo.

Hoewel hij er bijna dagelijks voorbij fietste, zag Ouologuem nu pas hoe De Deken vanuit zijn superieure positie als antropoloog-missionaris met zijn knie op een voorovergebogen Congolees steunde. ‘Onderdrukking pur sang, dus. Dat valt toch niet te rationaliseren? Iemand die zijn knie op een andere mens zet: als symbool zegt dat toch alles? Elke dag passeren er mensen langs dat standbeeld, maar ze blijven onverschillig, het raakt hen niet. Dat is precies het probleem. Het racisme is zo geïnstitutionaliseerd dat mensen het nog amper zien.’

Na de geslaagde actie tegen de viering aan het Leopold II-standbeeld op het Troonplein vormde Véronique een collectief, waarmee ze een kritische tekst publiceerde in Le Soir: ‘Comment décoloniser le statue de Leopold II?’. Aan het opiniestuk hing een open call: kunstenaars werden uitgedaagd om een werk voor te stellen dat de gevoeligheden rond het standbeeld zou prikkelen op een dekoloniale en niet-eurocentrische manier.

Het collectief wilde mensen doen praten over koloniaal geweld, uiteraard, maar ook verbanden leggen met het koloniale heden hier in België en daar in Afrika, in Rwanda en Congo, met hoe systemen van exploitatie daar tot op vandaag voortduren. Voorbij het louter neo- of antikoloniale perspectief wilden Véronique en co niet enkel het verleden, maar ook het heden laten her-denken, herbekijken en bekritiseren.

Een jaar lang gingen ze aan de slag met studenten van de kunstacademie ERG-Saint-Luc in Brussel, om hun alternatieve ‘monumenten’ uiteindelijk tentoon te stellen in Het Bos in Antwerpen en Brass’Art in Molenbeek. Hoewel die tentoonstelling artiesten en activisten tot op vandaag blijft inspireren, is Véronique zelf kritisch. ‘Ik had gehoopt dat de studenten meer verbeelding aan de dag zouden leggen, dat ze ook andere helden of grote namen uit de koloniale geschiedenis zouden onderzoeken en aanpakken.’

'Leopold II is voor mij niet eens het hoofdpersonage van onze koloniale geschiedenis.'

Ondanks intensieve samenwerking tussen het collectief en de professoren, bleken de voornamelijk witte studenten zich vooral te focussen op Leopold II, met het ironische effect dat zijn beeltenis juist vermenigvuldigd werd. ‘Vanuit alle hoeken van de exporuimte keek hij je aan. Terwijl hij voor mij niet eens het hoofdpersonage is van onze koloniale geschiedenis, maar deel uitmaakt van een hele lijn en een heel netwerk.’

Ouologuem hield uiteindelijk een sit-in om de bewuste koloniale beeltenis van pater De Deken aan te klagen, met artistieke interventies van onder meer Ted Bwatu, Elisabeth Severino Fernandes, Sascha Reunes en Younes van den Broeck aka ‘Spitler’. Samen met specialisten van het Afrikaans Platform en het Afrikamuseum in Tervuren formuleerden ze een duidend statement rond pater De Deken en de wandaden van het regime van Leopold II. Daarnaast schonken ze het district van Wilrijk een duurzaam plakkaat met een accurate historische contextualisering en een kritisch gedicht.

Een pagina op sociale media en een hashtag: meer hadden ze niet nodig om het zevenuurjournaal te halen. Nadat ook #decolonizebelgium viraal ging, staakte het stadsbestuur van Wilrijk de plannen om het standbeeld opnieuw in het centrum van de gemeente te plaatsen. Vervolgens heeft de gemeente de tekst van het collectief haast integraal laten drukken op een bordje naast het standbeeld. Het gedicht en de kritiek lieten ze wel achterwege.

Wat kunnen kunstenaars bijdragen aan de dekolonisering van onze publieke ruimte?

Clette: ‘In de eerste plaats extra verbeelding, memorabele “tegenbeelden”. Zo stelde kunstenaar Laura Nsengiyumva na onze oproep in Le Soir voor om het beeld van Leopold II op zijn paard om te keren en er een ijsbeeld van te maken, op een sokkel van verwarmende lampen. Het standbeeld zou dan langzaam smelten, tot niets meer dan een plas water. Laura zou dan die verschillende fasen van ontbinding minutieus filmen. Zo wilde ze de traagheid van het dekolonisatieproces in vraag stellen, maar tegelijk wijzen op de onherroepelijkheid ervan. Een tweede idee was om brieven aan Leopold II voor te lezen, om eer te betonen aan alle activisten die in de loop van de tijd in interactie zijn gegaan met zijn beeld. Dat zou ons eraan helpen herinneren dat áls er al verandering is, die er gekomen is dankzij illegale interventies, dankzij activisme, veel meer dan via politiek overleg of officieel publiek debat. Dit project zou juist eer bewijzen aan het debat, aan de strijd, aan de discussies die erover ontstaan zijn dankzij activisten. Laura’s werk zou een belangrijk project kunnen zijn, maar daarvoor hebben we uiteraard veel middelen nodig. Die hebben we nog niet.’

'Als er al verandering is, is die er gekomen dankzij illegale interventies, veel meer dan via politiek overleg'

Ouologuem: ‘Een ander goed voorbeeld is het project On Monumental Silence in Extra City: als antwoord op het standbeeld van De Deken maakte de Ghanese artiest en beeldhouwer Ibrahim Mahama een standbeeld van klei, waarover hij vervolgens met geïnteresseerden in gesprek ging voor een tweede versie in rubber. Zijn beeld gaat niet uit van dominantie. Zo geven artistieke ingrepen een tastbare en zichtbare kritiek, die mensen raakt en provoceert en deel wordt van de strijd in de publieke ruimte. Zo’n kunstwerk is een voorstel: laat ons gewoon samen een nieuw beeld maken, en misschien lukt het niet meteen, maar we moeten het recht opeisen om onze eigen fouten te maken, want we weten dat macht corrumpeert, dat is al duizenden jaren zo, daarom moeten we transparant en als groep samenwerken, horizontaal.’

Clette: ‘Kunstenaars kunnen in zulke gedeelde processen perfect fungeren als de verbindende schakel. Ik denk aan een nieuw project in Frankrijk, Les Nouveaux Commanditaires, van een groep kunstenaars die zich voor interventies in de publieke ruimte laten inspireren door ideeën van buurtbewoners. Dat is precies hoe ik ook zou willen werken rond die standbeelden. De uitdaging is dan wel om sterke ‘commanditaires’ of ‘vennoten’ te vinden, die echt samen kunnen nadenken over stedelijke uitdagingen in relatie tot die koloniale monumenten.’

Kunstenaars mogen misschien ook meer dan activisten, omdat het ‘kunst’ is wat ze doen?

Clette: ‘Dat blijft heel dubbel. Ik moet denken aan het moment dat we met één groepje studenten van het ERG-Saint-Luc een zeil in was over het standbeeld van Leopold II hebben gehangen, met daarop allerlei koloniale symbolen en andere tekenen van dominantie. Was is een beladen materie, ze komt namelijk uit Java, ‘Nederlands-Indië’. Dus zelfs de batik en de patronen van Afrikaans textiel hebben een koloniale component, ook al worden ze gezien als zeer authentiek Afrikaans. De politie was aanwezig bij onze actie, maar reageerde niet. Dat verwonderde mij. Omdat we in volle terreuralarm zaten, en het naast de aanslagen en de terreurdreiging haast niks voorstelt om een doek over het beeld van Leopold II te leggen? Of omdat het witte studenten waren? Of omdat het er artistiek en dus braaf en goedaardig uitzag? Kunst kan confronteren, maar ook depolitiseren.’

Mochten jullie zelf in het stadsbestuur zitten, wat zouden jullie met die beelden aanvangen?

Een actiegroep die voor gelijke rechten opkomt, mag best unapologetic zijn.

Ouologuem: ‘Het belangrijkste punt van #decolonizebelgium was dat je die standbeelden, hoe racistisch ze ook zijn, moet kunnen contextualiseren. Je kan toch niet zeggen: “Gooi ze allemaal kapot!” Wil iemand dat toch doen, dan denk ik dat die daar best voor uitkomt en het opeist met naam en toenaam: zo’n standbeeld bewerken bij klaarlichte dag, in het volle zicht van de politie en de camera’s, om aan te tonen dat het je menens is. Want als je ‘s nachts iets verwijdert of beschadigt, wordt het gezien als vandalisme. Een actiegroep die voor gelijke rechten opkomt, mag dus best unapologetic zijn. Het is ook heel belangrijk om de media te bespelen, als je politiek iets wil veranderen. Zolang de publieke perceptie niet inziet dat iets schadelijk is, pakken we het probleem niet duurzaam aan. Daarom moet onze koloniale geschiedenis ook gewoon op school onderwezen worden.’

Waarom heeft het geen zin om zo’n standbeeld af te breken?

Ouologuem: ‘Het zal even snel weer opgebouwd worden. En anders zal het gewoon verdwijnen, maar dat neemt het racisme nog niet weg. Je moet dus vooral het gesprek durven aangaan of zo’n beeld überhaupt wel een plaats heeft in de publieke ruimte. Je zou die monumenten bijvoorbeeld kunnen samenbrengen op een aparte plek, weg uit de openbare ruimte, in een soort van “foute tijdsgeest-museum”, zoals Rachida Aziz voorstelt. Ik ben daar voor, maar wie zal daarmee akkoord gaan? Niemand wil zijn schaamte, zijn schande zo op de voorgrond plaatsen. Dat gaat in tegen de natuur van de mens: er worden zoveel schandelijke episodes uit onze geschiedenissen verborgen gehouden. Je kan die koloniale standbeelden dus niet zomaar verwerpen, je mag ze niet laten verdwijnen, en al zeker niet omdat ze nog steeds actueel zijn. Dan vermijd je een belangrijk gesprek. Tegelijk kan je geen racistische symbolen in publieke ruimtes laten staan. Dus is de hamvraag: hoe kan je de racistische en kapitalistische ideologie achter zo’n standbeeld juist extra zichtbaar maken?’

Je zou die monumenten bijvoorbeeld kunnen samenbrengen in een soort van 'foute tijdsgeest-museum'

Clette: ‘Ik ben er zelf ook steeds minder voor om die beelden volledig te laten verwijderen. Samen met het standbeeld ontwricht je zo ook de koloniale geschiedenis, vergeet je de strijd die ertegen geleverd is. Sommigen vrezen dan dat mensen van de Afrikaanse diaspora in België de ene mythe door een andere willen vervangen: Leopold II door Lumumba, zeg maar. Daaraan merk je de angst voor de immigrant die de boel hier zogezegd wil overnemen en het Westen kapot wil. Maar dat is totaal niet wat ik wil, en vele anderen evenmin. Het is geen verhaal van opbod en overwinning. Er moet veeleer plaats gemaakt worden voor een bredere waaier aan verhalen en geschiedenissen, voor personages die minder stereotiep zijn, die andere vormen van bestaan uitdragen. De verbeelding moet open gehouden worden. Dat alles zou ons kracht moeten geven om na te denken over de toekomst. Welke sporen laten migranten na in de stad, niet als individuen maar als groep? Kunnen zij mee een gezicht geven aan de stad?’

In hoeverre kan je het effect van zulke ingrepen op koloniale beelden sturen? Wat is de uiteindelijke inzet?

Ouologuem: ‘Om het even wat je maakt – in de publieke ruimte of op Facebook – alles hangt af van hoe het geïnterpreteerd wordt. Dat is iets heel subjectiefs. Maar wat niet normaal is, wat verder gaat dan interpretatie, is dat mensen zich aangevallen voelen, geprovoceerd. Het gaat dan niet meer over vrijheid van meningsuiting, want jij valt me aan zonder dat ik een weerwoord heb of me kan verdedigen. Dat gebeurt elke dag. Elke keer als ik in Antwerpen naar het Centraal Station fiets, zie ik Leopold II, een massamoordenaar, verheerlijkt op de muren.’

'Elke keer als ik in Antwerpen naar het Centraal Station fiets, zie ik Leopold II, een massamoordenaar, verheerlijkt op de muren.'

Clette: ‘Het gaat uiteindelijk ook niet enkel om die paar standbeelden, het gaat veel verder. Het gaat ook om de hele urbanisatie van Brussel, om gebouwen als Thermae Palace in Oostende, of het oude gerechtsgebouw in Antwerpen… Die standbeelden zijn maar een klein onderdeel van ons koloniaal erfgoed. Alleen al de sporen van Leopold II verbergen een hele structuur, een hele achterliggende economie en cultuur.’

Ouologuem: ‘Je moet weten hoe onze hele geschiedenis werkt. Er is altijd een systeem dat een vorig systeem opeet of overheerst, zowel ethisch als economisch en staatkundig. Zolang we niet geïnformeerd zijn, kunnen we moeilijk het gesprek aangaan. Vandaag is er bovendien een hele structuur in zwang die de ongelijke verhoudingen tegen elkaar uitspeelt en zo de economie van het racisme draaiende houdt. Dat maakt een echt gesprek op gelijke voet onmogelijk.’

Clette: ‘In het beste geval grijpt de politiek onze acties aan om het te hebben over de herdenking van het koloniale verleden, als een afgebakend historisch hoofdstuk, een specifiek moment in de geschiedenis. Intussen worden de linken met actuele geopolitieke toestanden weggeknipt, alsof die visuele koloniale sporen geen deel uitmaken van een heel kluwen, een complexe hedendaagse structuur. Telkens zie je dezelfde cirkel terugkeren. Eerst het voorstel om het beeld weg te nemen, daarna toch maar zand erover en herbeginnen met een witte bladzijde. Het toegevoegde bord met context is maar een eerste stap, een goed begin. Maar daarmee is de kous niet af. Er moet een toekomstdimensie in het gesprek komen, die helaas haast altijd ontbreekt.’

Heb je soms niet het gevoel dat je tegen de bierkaai aan het vechten bent?

'Die standbeelden behoren dus duidelijk niet tot het verleden. Ze worden perfect onderhouden door de groendienst.'

Clette: ‘Er zijn in elk geval sterke tegenkrachten, ja. Je merkt het alleen al aan de media, die ons na de actie rond de 150ste verjaardag van Leopolds troonsbestijging afschilderden als vandalen, terwijl er zeker niet alleen met verf was gegooid. Ook Eric Labat is komen zingen, er was een ceremonie met kaarsjes, een herdenking, een toespraak… Toch word je gediaboliseerd. Nog veelzeggender is de stedelijke onderhoudsdienst voor die beelden. Toen we daar toestemming gingen vragen voor het project met de studenten van het ERG-Saint-Luc, bleek dat onmogelijk, want er waren net bloemen geplant! En nog geen uur na onze nachtelijke actie hadden zij het beeld alweer helemaal opgepoetst en in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Die standbeelden behoren dus duidelijk niet tot het verleden. Het zijn geen half geërodeerde relieken, overdekt met mos. Zoals Félix Baras mooi in beeld bracht in een kortfilm, worden ze perfect onderhouden door de groendienst, als een deel van de strijd. En zo is er een hele achterban die wil dat die beelden blijven staan: mensen die brieven schrijven naar het museum in Tervuren, die in actiecomités zitten of de trol uithangen op internet. Zij worden nooit in beeld gebracht, maar strijden even hard voor het behoud van koloniale standbeelden als wij ertegen. Gesteund door de politiek.’

Hoe verklaar je die bijna onevenredige tegenstand?

Clette: ‘Zulke standbeelden zijn duidelijk meer dan objecten op zich, en niet alleen voor ons. Je krijgt het gevoel dat Leopold II en zijn entourage deel uitmaken van een bepaalde mythe. En dat hun standbeelden symbolen zijn geworden tegen een mogelijke collectieve emancipatie van bepaalde groepen. Veel mensen vinden in deze samenleving geen plek van waaruit ze veilig en vrijuit kunnen spreken, hun verhaal kunnen doen. We bevinden ons continu in een taboezone. Je kan geen kritiek ten gronde leveren, want omschrijvingen als “witte bourgeoisie”, “witte kapitalisten” of “witte samenleving” zijn niet geoorloofd. Er is een grote groep die geen zelfkritiek toestaat, die weigert naar zichzelf of het eigen verleden te kijken. Er is geen gesprek over, want zij zijn de norm. Daarom wordt de nalatenschap van Leopold II nog altijd geëerd, of zijn er toch minstens steeds weer pogingen om hem te recupereren. Dat verontrust mij vaak in die debatten rond Leopold II: als er al kritiek komt, dan klinkt die altijd opvallend genuanceerd, om de schone schijn van België hoog te houden.’

Dit artikel komt uit het nummer Dekolonisering van Rekto:Verso.

 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.