about
Toon menu
Opinie

Voor Omar

In het Noordstation waar dagelijks mensen als mieren door elkaar snelwandelen naar huis, school, werk, vindt parallel ook een soort oorlog plaats, van mensen die er al een hele strijd hebben opzitten, maar nog niet veilig zijn.
woensdag 27 december 2017

Merry Christmas, zei een van hen met een grijns. Zijn buurman vroeg me hoe lang dat feest duurt, ‘Vijf dagen?’ Eentje maar, zei ik, of twee, als je vandaag meerekent. ‘Vandaag zijn er minder mensen, waarschijnlijk omdat het een feestdag is.’

Elke avond verschijnen vrijwilligers aan het Maximiliaanpark om mensen onderdak te bieden, soms meer dan anders, nu met kerstmis meer. Als ik na dit gesprek thuiskom, ben ik blij met die vrijwilligers, want al denk ik niet dat ze het probleem oplossen, ze geven misschien wel wat broodnodige warmte. Die kunnen de vluchtelingen gebruiken na alles dat ze hebben meegemaakt. Want al geloof ik in de rekbaarheid van incasseringsvermogen, ook in traumatische ervaringen.

En die hebben ze, naar wat ik ervan begrijp, allemaal in overvloed. Ze zijn stuk voor stuk gevlucht voor oorlog en als ik hen vraag of ze niet bang zijn, kijken ze me lachend, maar vriendelijk aan. En iemand zegt: ‘Sommigen zijn al jaren onderweg, zonder eten, zonder onderdak. We zitten hier al maanden, misschien nog jaren.’ Ik herinner me niet meer woordelijk wat er werd gezegd, maar ik denk dat het erop neer kwam dat angst er eigenlijk niet meer echt toe doet. Het is een antwoord dat ik waarschijnlijk zelf had kunnen bedenken, maar nu ik het heb gehoord, is het toch anders. Ik heb het gevoel beter te begrijpen wat ik heb gezien, nu ik, na een half jaar eindelijk de moed had om iemand aan te spreken uit de massa die lijkt te leven in het station van Brussel-Noord.

Midden juli wandelde ik er naar buiten door de hoofdingang, het weer was erg grijs, er was niet veel volk, wel een ziekenwagen en een politieauto, een groot stuk van de straat was afgespannen. Een man werd op een brancard in de ziekenwagen gerold, het zag er ernstig uit. Ik zag nergens sporen van een mogelijk ongeluk. Een groep mannen wandelde uit de richting van het Maximiliaanpark naar het ongeluk. Er hing geen agressieve sfeer, het was stil, ik dacht niet dat er gevochten was, maar wel dat er iets heftig was gebeurd. Thuis zocht ik op of er iets over in het nieuws was verschenen.

Pas een week later, stootte ik toevallig op een opiniestuk, waarin met verontwaardiging werd geschreven over het grote verschil in media-aandacht, tussen een foto van een aangespoeld kind in een ander land, en een minderjarige die sterft in het centrum van onze eigen hoofdstad. Omar, een Soedanese jongen had zich onder een bus richting Engeland verstopt, maar enkele honderden meters verder viel hij eraf. De buschauffeur had het niet gemerkt en reed door. De jongen stierf aan zijn verwondingen, volgens het ene artikel nog in de ziekenwagen, volgens het andere pas in het hospitaal.

Ik deed er tot nu over om te bedenken dat ik het niet uit mijn hoofd kreeg, omdat ik niet kon vatten waarom en hoe je onder een bus gaat hangen om 200 km verder te raken, in de hoop een land te bereiken waar je dan misschien werk vindt. Ik hoopte een antwoord te krijgen door met Omar’s lotgenoten te praten, dacht dat ze misschien gelijkaardige plannen hadden en hem wie weet ook hadden gekend. Dus ging ik naar het station, al dacht ik ook dat er misschien niemand zou zijn, omdat het kerstavond was en omdat ik had gelezen dat de politie net hardhandig had opgetreden tegen de mensen zonder papieren die zich daar bevinden.

Maar een van de jongemannen uit het groepje Soedanezen, Libanezen en Syriërs dat ik aansprak, had Omar gekend, zijn verhaal had iedereen al gehoord. Het was wel het enige sterfgeval waar ze vanaf wisten, al had gisteren ook iemand zijn armen gebroken door onder een bus te gaan hangen. Ze proberen het regelmatig, alleen of in groepjes, onderaan een bus in een speciale ruimte, of in een camion.

Iemand had Omar gewaarschuwd, dat de bus die hij had uitgekozen gevaarlijk was, maar zelf had hij het wel veilig ingeschat. Het houdt de anderen niet tegen hun kans te wagen, want in Engeland is er werk. Jezelf hier, in België als vluchteling aanmelden betekent dat je misschien wordt teruggestuurd, of in een andere Europese stad terechtkomt. Dan is de kans op werk kleiner, vertellen ze me.

Ze vragen zich af waarom ik zoveel vragen stel, maar beantwoorden ze wel met veel geduld. En al staan ze niet achter de manier waarop de Belgische overheid hun situatie aanpakt, ik heb het gevoel dat ze de maanden, misschien jaren die ze zullen doorbrengen in het park en het station, er gewoon bijnemen. Ze lijken het minder waanzinnig te vinden dan ik. Ik bedenk me dat ze zich eigenlijk nog steeds in een oorlogssituatie bevinden, waarin ze zich dapper gedragen.

De beslissing van Omar wordt er minder onbegrijpelijk door, maar de situatie in Brussel-Noord niet. In het station waar dagelijks mensen als mieren door elkaar snelwandelen naar huis, school, werk, vindt parallel ook een soort oorlog plaats, van mensen die er al een hele strijd hebben opzitten, maar nog niet veilig zijn. Voor hun basisbehoeften zijn ze afhankelijk van vrijwilligers. Ze moeten op hun hoede zijn en telkens opnieuw proberen ontsnappen, naar een plaats waar ze kunnen wonen en werken. Want dat is het enige wat ze willen en nodig hebben, net als iedereen, zoals een van hen me vertelde.


Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.