about
Toon menu

Aanleg wegen in bossen beïnvloedt gedrag en overleven dieren

Vijfentachtig procent van de dieren wordt op de een of andere manier beïnvloed als het bos waarin ze leven wordt onderbroken door wegen of andere grenzen. Dat blijkt uit een internationale studie die deze week verscheen in Nature.
maandag 6 november 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Het is bekend dat fragmentatie invloed heeft op de biodiversiteit en ecosystemen, maar studies hiernaar beperkten zich tot nu toe tot bepaalde plaatsen en bepaalde soorten. In dit onderzoek werd gekeken naar de aanwezigheid van 1673 gewervelde soorten in 22 tropische regio’s in de Amerika’s, Azië en Afrika, inclusief bedreigde soorten zoals het Javaanse schubdier en de Midden-Amerikaanse tapir.

Onafgebroken bos

Van de soorten waarvan het aantal veranderde dicht bij de grenzen van het bos, nam 46 procent in aantal toe in de afgelopen decennia. Negenendertig procent nam in aantal af. Dat is goed nieuws voor sommige soorten, hoewel het leven aan de rand van het bos hun gedrag mogelijk wel beïnvloed heeft.

Soorten die liever dieper in het bos leefden, bereikten hun piekaantal echter op een afstand van 200 tot 400 meter van de bosrand. Deze soorten lijken afhankelijk van grote, onafgebroken stukken bos. Als bossen steeds meer gefragmenteerd worden, kunnen deze soorten verjaagd worden.

Onnodige wegen

In een andere, vorige week gepubliceerde studie wordt gewezen op de sterke toename van illegale houtkap, branden, speculatie met grond en stroperij in de buurt van wegen. William Laurance, hoofdauteur van die studie, zegt dat er zo’n 25 miljoen kilometer aan nieuwe wegen gepland is tot 2050, waarvan 90 procent in ontwikkelingslanden. In veel gevallen gaat het om wegen in tropische en subtropische gebieden.

Behalve op mogelijke milieuschade, wijst Laurance ook op de slechte kwaliteit van deze wegen, die vaak worden goedgekeurd door corrupte ambtenaren en waarvoor materialen van slechte kwaliteit worden gebruikt. Veel van deze wegen zouden volgens hem beter niet aangelegd kunnen worden, omdat ze “snel waardeloos kunnen worden door landverschuivingen, verzakkingen en kuilen.”