about
Toon menu
Analyse

Tien dagen die de wereld deden wankelen. Honderd jaar Oktoberrevolutie

Grote revoluties zijn hun tijd doorgaans ver vooruit. Ze streven doelstellingen na die een vooruitgang zijn t.a.v. voorgaande historische fases. De Oktoberrevolutie was de eerste grootschalige poging om een einde te stellen aan de miserie en onderdrukking van het kapitalisme. Ze heeft een beslissende stempel gedrukt op de twintigste eeuw. Tijd voor een terugblik.
woensdag 25 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Band met WOI

Terwijl de vierjarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog dik over halfweg is, is het de beurt aan een nieuwe honderdjarige herdenking: de Oktoberrevolutie, die in 1917 heeft plaats gevonden in het Russische Rijk en tot het ontstaan van de Sovjet-Unie leidde. De overlapping van beide honderdjarige herdenkingen is geen toeval want er was een nauwe samenhang tussen beide.

WOI begon als een conflict tussen de toenmalige Europese grootmachten in de hoop op een versteviging en uitbreiding van hun machtspositie. Maar na vier jaar van steeds grotere uitzichtloze militaire strijd en de daarmee gepaard gaande enorme verslechtering van de levensomstandigheden in de oorlogvoerende naties, leidde WOI naar de ondergang van niet minder dan vier keizerrijken. Het tsaristische Rusland haalde zelfs het einde van de oorlog niet. De troonsafstand van tsaar Nicolaas II in maart 1917, betekende meteen de ondergang van 300 jaar heerschappij van de Romanov dynastie. Het einde van WOI in november 1918 leidde vervolgens tot de ondergang van het Duitse Keizerrijk, de Habsburgse dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk.


Voorgeschiedenis

WO I betekende in zekere zin de genadeslag voor het tsaristische rijk waaraan een lange periode van onrust en interne conflicten voorafging. Na de afschaffing van de lijfeigenschap in 1861 en de daaropvolgende doorbraak van de industriële revolutie, groeide de ontevredenheid tegenover het autoritaire tsarenregime. In 1881 werd tsaar Alexander II vermoord door een groepje samenzweerders. Bij een moordpoging op de nieuwe tsaar Alexander III was ook de oudere broer van Lenin betrokken. Hij werd gearresteerd en in 1887 ter dood veroordeeld. Lenin en anderen trokken hieruit hun conclusies en sloten zich aan bij de in 1898 opgerichte Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP), de voorloper van de latere communistische partij.

Op het platteland heersten nog feodale toestanden. Grootgrondbezitters zwaaiden de plak. Zij maakten 0,3 procent van de rurale bevolking uit maar bezaten meer dan de helft van alle grond. De leefomstandigheden van de Russische boeren was vergelijkbaar met die van de Franse en Belgische boeren uit de veertiende eeuw. Boeren opstanden werden keer op keer genadeloos neergeslagen.

Ook in de steden was er veel misnoegdheid. Tegen het einde van de negentiende werd de ontevredenheid onder de bevolking steeds groter en dat leidde na de nederlaag van Rusland in de Russisch-Japanse oorlog (1904/1905) tot muiterij in het leger en talrijke betogingen. Op de ‘Bloedige zondag’ (9 januari 1905) schoot de keizerlijke garde in Sint-Petersburg honderden betogers neer. Het gevolg was nog meer betogingen en stakingen en de tsaar zag zich genoodzaakt toegevingen te doen met economische hervormingen en een eerste, nog heel elitaire volksvertegenwoordiging in de Doema (parlement). Maar de voorgestelde hervormingen brachten niet echt verbetering en de onrust bleef aanhouden.

Ondertussen was de RSDAP opgesplitst in twee partijen: de eerder gematigde Mensjewieken en de radicale Bolsjewieken. Bij het begin van WO I leek het er even op dat de tsaar opnieuw de touwtjes stevig in handen kreeg en de onrust de plaats ruimde voor enthousiast patriottisme. Het was slechts schijn. Naarmate de oorlog vorderde leed het tsaristische leger steeds grotere nederlagen en geraakte de economie steeds meer ontwricht. Tegen het einde van 1916 stond Rusland op de rand van een totale militaire en economische ineenstorting. De tol aan mensenlevens was bijzonder hoog. Tweeënhalf miljoen Russen werden afgeslacht. De ontevredenheid die sinds 1905 sluimerende geraakte in een stroomversnelling en bereikte zijn hoogtepunt in 1917 en zijn definitieve beslag tijdens de Oktoberrevolutie.

 

Van de Februarirevolutie …

Eind februari 1917 braken er in Petrograd zware onlusten uit. Op enkele dagen tijd groeiden stakingen in de munitiefabrieken uit tot een algemene staking. De vrouwen kwamen steeds talrijker op straat om brood te eisen. ‘Brood en werk’ werd de allesoverheersende slogan en kort daarop werd ‘stop de oorlog’, de oorzaak van alles, daaraan toegevoegd. Toen de elitetroepen van de tsaar niet langer bereid waren om op de opstandelingen te schieten, stortte het tsarenrijk op enkele dagen tijd in elkaar. De Februarirevolutie was een feit.

Op 2 maart 1917 deed tsaar Nicolaas II troonsafstand. Er werd een voorlopige regering gevormd onder leiding van prins Lvov en met steun van bijna alle tsaristische oppositiekrachten. Behalve de Bolsjewieken. Want ondertussen werden in Petrograd en andere grote steden, overal sovjets, raden van arbeiders en soldaten opgericht. Zo ontstond de periode van de ‘dubbele macht’.

Een cruciaal verschilpunt was de kwestie van de oorlog. De Bolsjewieken waren de enigen die de oorlog wilden beëindigen. Dat was nodig om alle aandacht te kunnen richten op de sociale en economische problemen. De voorlopige regering daarentegen was voorstander om de oorlog voort te zetten.

De leiders van de Bolsjewieken in ballingschap volgden de ontwikkelingen in hun thuisland nauwgezet op. De Duitse keizer hoopte dat de sovjets met hun standpunt ‘Stop de oorlog’ de bovenhand zouden halen en ging daarom akkoord om Lenin vanuit Zwitserland in een verzegelde treinwagon dwars door Duitsland naar Rusland te laten reizen.

Begin april kwam Lenin aan in Petrograd en verkondigde in zijn ‘Aprilstellingen’ dat alle macht naar de sovjets zou moeten gaan die radicaal werk moesten maken van de stopzetting van de oorlog, verdeling van de grond en voldoende voedsel voor iedereen. De spanningen tussen de voorlopige regering en de sovjets werden steeds groter naarmate de invloed van de Bolsjewieken in de sovjets toenam. Wanneer de voorlopige regering steeds meer onder controle kwam van de voormalige tsaristische generaals, moesten de Bolsjewistische leiders onderduiken of, zoals Lenin, opnieuw naar het buitenland vluchten.

 

… naar de Oktoberrevolutie

Begin oktober besliste een meerderheid van de Bolsjewistische leiders dat een gewapende opstand noodzakelijk was en dat de sovjets de leiding van de staat in handen moesten nemen. Op 25 oktober bestormden leden van de sovjets en sympathiserende soldaten het vroegere Winterpaleis van de tsaar in Petrograd en namen de leden van de voorlopige regering gevangen. Diezelfde avond kwam het tweede ‘Sovjetcongres van heel Rusland’ samen met 649 afgevaardigden, waarvan 390 Bolsjewieken, uit meer dan 400 plaatselijke sovjets uit alle regio’s van Rusland.

Het Sovjetcongres kondigde een wapenstilstand af met Duitsland, gaf grond aan wie hem bewerkte, voerde de achturendag in, nationaliseerde de banken en grote bedrijven en maakte een einde aan de discriminatie op basis van nationaliteit. Kort daarop volgden nog decreten over de arbeiderscontrole in de bedrijven en de scheiding van kerk en staat.

De reactie zou niet lang op zich laten wachten. De aanhangers van de voorlopige regering, de ‘witten’, gaven zich niet zomaar gewonnen. De elites van de buitenlandse grootmachten zagen een linkse revolutie in de achtertuin van Europa al evenmin zitten en bereidden een invasie voor.

Er was nog een andere belangrijke reden waarom de grootmachten deze rode revolutie in de kiem wilden smoren: het besmettingsgevaar. Enkele weken nadat de Bolsjewieken een wapenstilstand met Duitsland hadden afgekondigd trok een vloedgolf van politieke stakingen en anti-oorlogsdemonstraties door Midden-Europa. In heel wat landen was er acute oorlogsmoeheid en revolutionaire hoogspanning. In de naweeën van de oorlog brak er oproer uit Hongarije, Oostenrijk, Tsjechoslowakije, Bulgarije, Italië en Duitsland. De meeste opstanden waren slecht voorbereid en zwak georganiseerd. De repressie tegen deze opstanden was keihard.[1] Ze mislukten een voor een, maar deden wel alarmbellen rinkelen bij de elites.

Begin 1918 begon een burgeroorlog tussen de ‘roden’, de nieuwe Bolsjewistische machthebbers, en de ‘witten’, hierin gesteund door voormalige tsaristische generaals en talrijke geallieerde (Groot-Brittannië, VS, Frankrijk, Italië, Japan) interventies. De burgeroorlog duurde tot 1921 en kostte miljoenen slachtoffers, mede door de reusachtige hongersnood die ermee gepaard ging.

Eind 1922 werd de Unie der Socialistische Sovjetrepublieken (USSR) of Sovjet-Unie opgericht. In datzelfde jaar werd Lenin getroffen door een eerste beroerte, mogelijks een laat gevolg van een aanslag op hem in augustus 1918. Na nog een aantal beroertes stierf Lenin op 21 januari 1924. De politieke strijd om zijn opvolging was meteen de start van een nieuwe fase in de geschiedenis van de Sovjet-Unie.

 

Bilan van de revolutie

 

Economisch

Rusland was bij het begin van de revolutie een onderontwikkeld land. De geïndustrialiseerde landen produceerde per persoon 7 tot 10 keer zoveel staal, 10 tot 15 keer zoveel steenkool en 10 tot 20 keer zoveel energie. Het Russisch inkomen per inwoner was lager dan dat van Latijns-Amerika.[2] Naast de grote achterstand op de rijke landen waren de omstandigheden waarin het land zich moest ontwikkelen bijzonder ongunstig. Bovenop de verwoestingen van WOI werd het land tussen 1918 en 1921 geteisterd door een gewelddadige burgeroorlog en buitenlandse invasies. Twintig jaar later onderging het land de enorme verwoestingen van de Duitse invasie.[3] De prille revolutie had ondertussen ook af te rekenen met een economisch embargo. Tenslotte kon het land, in tegenstelling tot de meeste Westerse landen, niet rekenen op kolonies voor gratis of spotgoedkope grondstoffen en arbeid.

Ondanks die omstandigheden kende de Sovjet-Unie een spectaculaire groei. Tussen 1920 en 1938 steeg de industriële productie met meer dan 6.000 procent, in de rest van de wereld was dat gemiddeld 96 procent.[4] In dertig jaar tijd evolueerde het van een relatief achterlijk land tot een supermacht, dat op technologisch vlak kon wedijveren met de VS. En dat moest ook, omwille van veiligheidsredenen. In de jaren dertig moest het land versneld een militair apparaat uitbouwen om een dreigende vernietigingsoorlog door het nationaalsocialistische Duitsland te kunnen weerstaan. Vanaf de jaren vijftig werd het dan weer geconfronteerd met een nucleaire bewapeningswedloop.[5] De moderniseringsspurt die daarvan het gevolg was, gebeurde echter op geforceerde wijze en daar werd een hoge menselijke tol voor betaald.[6]

Vanaf het midden van de jaren vijftig zette zich een groeivertraging in. De economische groei was wel nog altijd behoorlijk, maar die vertaalde zich veel minder in meer en betere consumptieartikelen. Op dat vlak ontstond er een grote en blijvende achterstand t.o.v. van Westerse landen, wat leidde tot frustraties en minder steun aan de politieke leiding.[7] Maar zelfs met die groeivertraging en ondanks alle oorlogsellende groeide de economie tussen 1917 en 1989 toch nog anderhalve keer zo snel als in de rest van de wereld.[8]

Sociaal

De Oktoberrevolutie was een schreeuw tegen doffe ellende en onderontwikkeling. De schreeuw was niet tevergeefs. De nieuwe Sovjetrepubliek liet een sociale vooruitgang optekenen die ongezien was voor die tijd. Op korte termijn werd het analfabetisme uitgeroeid. De scholingsgraad bereikte al snel een vergelijkbaar peil met de geïndustrialiseerde landen. De werkloosheid werd geëlimineerd en de achturendag ingevoerd. De werkweek in de Sovjet-Unie was een van de kortste ter wereld. Er kwam een systeem van sociale zekerheid met een volwaardig pensioen. De discriminatie van vrouwen werd ongedaan gemaakt en abortus werd gelegaliseerd.

De levensverwachting ging met sprongen omhoog. Bij het begin van de revolutie stierven Sovjetburgers 16 jaar vroeger dan VS-burgers. In 1973 was dat verschil nog slechts twee en een half jaar.[9] Een nog belangrijker indicator voor sociale ontwikkeling is de kindersterfte onder de vijf jaar. In 1960 was die in de Sovjetrepublieken vier tot acht maal lager dan in de buurlanden, die veertig jaar voordien nog een zelfde ontwikkelingsniveau hadden.[10]

Internationale uitstraling

Het belang van de Oktoberrevolutie voor de recente wereldgeschiedenis kan moeilijk overschat worden. De Sovjet-Unie werd het zichtbare symbool van het socialistische alternatief voor het tot dan toe dominerende liberalisme en de kapitalistische samenleving. Heel de twintigste eeuw, inclusief een bijna halve eeuw durende Koude Oorlog, zou worden gedomineerd door de tegenstelling kapitalisme versus socialisme. Aan de socialistische kant was de Sovjet-Unie tot aan het einde van zijn bestaan in het begin van de jaren 90, de leidinggevende natie. In die zin was de Oktoberrevolutie bepalend voor het uitzicht van de twintigste eeuw.

Door deze revolutie was het socialisme niet langer een ver ideaal of een onbereikbare utopie maar een haalbare mogelijkheid. En het was een realiteit die aanstekelijk werkte. De Oktoberrevolutie lag mee aan de basis van talrijke andere revoluties en was de inspiratiebron voor tientallen bevrijdingsbewegingen over heel de wereld. In vele andere landen betekende de Sovjet-Unie een sterke steun bij het ontstaan en de ontwikkeling van communistische partijen. Veertig jaar na de bestorming van het Winterpaleis leefde een derde van de mensheid in een socialistisch land.[11]

Het bestaan en het succes van de communistische partijen wereldwijd zorgde op zijn beurt voor druk op de bestaande krachtsverhoudingen in de politiek. Zo waren werkgevers en traditionele politieke partijen uit schrik voor het succes van de communistische partijen, bereid tot grote toegevingen op sociaal vlak. Denken we maar aan ons eigen land na WOI en WOII. Belangrijke overwinningen van de arbeidersklasse in de Westerse democratieën zoals het Algemeen Stemrecht, de erkenning van de vakbonden, de uitbouw van het sociaal overleg en de sociale zekerheid zijn mede tot stand gekomen dankzij het bestaan van communistische partijen en de schrik die zij bij de werkgevers en de traditionele partijen teweeg brachten.

De Sovjet-Unie was tenslotte van beslissend belang bij twee centrale gebeurtenissen van de twintigste eeuw: het verslaan van het fascisme en de ineenstorting van het koloniaal systeem. In zowat alle bezette landen tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden de communistische partijen een voorhoederol in het verzet tegen het fascisme. Driekwart van de Duitse verliezen in WOII werden toegebracht door het Rode Leger. Zonder die verliezen had Europa wellicht gedurende tientallen jaren onder een fascistisch juk gezeten.[12] Ook bij de dekolonisatie speelde de Sovjet-Unie een belangrijke rol. Heel wat postkoloniale staten die een soevereine koers t.a.v. het Westen wilden varen konden rekenen op economische, technologische en militaire steun van Moskou, een steun die vaak onontbeerlijk was om te kunnen overleven.

Beoordeling

De last van de geschiedenis

Elke grote revolutie is zijn tijd ver vooruit. Grote revoluties schuiven principes naar voor en stellen eisen die een vooruitgang betekenen t.o.v. voorgaande historische fases. Daardoor weten ze heel veel enthousiasme op te wekken en tot lang nadien grote groepen mensen te begeesteren. Maar de realisatie van de doelstellingen van zo’n revoluties loopt meestal niet van een leien dakje. De last van de geschiedenis is loodzwaar.

Zo maakte de Franse Revolutie van politieke rechten en het gelijkheidsbeginsel een definitieve verworvenheid. De revolutie zelf echter leidde tot een ‘Schrikbewind’ en de invoering van de guillotine, tot het verbod op vakbonden en stakingen, en tot imperialistische veroveringsoorlogen o.l.v. Napoleon, waarbij 3,5 miljoen mensen het leven lieten.[13] Toch blijft de Franse Revolutie terecht een mijlpaal in de wereldgeschiedenis. Het is in dat licht dat de Oktoberrevolutie moet gezien en beoordeeld worden.

De architect van de Oktoberrevolutie, Lenin was zich heel goed bewust van het feit dat de verwezenlijking van de revolutionaire idealen niet eenvoudig zou zijn, maar tezelfdertijd dat er met de revolutie een beslissende stap was gezet in de geschiedenis: “De eerste overwinning is nog niet de eindoverwinning. Met de Oktoberrevolutie hebben we die overwinning behaald ondanks ongelofelijke moeilijkheden en ontberingen, en tegen de prijs van ongekend lijden. Dat ging ook gepaard met ernstige tegenslagen en fouten van onze kant. Maar we hebben een begin gemaakt. Wanneer, op welke datum en tijd, en in welk land de arbeiders dit proces afronden, is niet belangrijk. Het belangrijkste is dat het ijs gebroken is, dat de weg open is en de richting is getoond.”[14]

Mislukking of een klein mirakel?

Volgens de gangbare opvatting toont de Oktoberrevolutie aan dat het communisme niet werkt, dat het een mislukking is. Dat is de visie van de overwinnaars, die ook totaal geen rekening houdt met de omstandigheden waarin de revolutie moest plaatsvinden. Volgens de architecten van het marxisme zou een socialistische maatschappij het best gedijen in de meest geïndustrialiseerde gebieden van de wereld. Voor de levensvatbaarheid ervan was het bovendien nodig dat een socialistische revolutie in verschillende landen tegelijkertijd zou verlopen. In de Sovjet-Unie waren geen van beide voorwaarden voldaan: het land stond er alleen voor en moest het socialisme uitbouwen vanuit een hoofdzakelijk agrarische economie.

De imperialistische mogendheden hebben er ook alles aan gedaan om de revolutie te verzwakken en kapot te krijgen. Ze vielen het land verschillende keren binnen en legden een economisch en technologisch embargo op. Eind de jaren dertig moedigden ze nazi-Duitsland aan om zich te keren tegen de Sovjet-Unie in de hoop dat beide elkaar zouden uitputten en vernietigen.[15] De oorlogen en burgeroorlogen die het land de eerste 30 jaar teisterden betekenden niet alleen een economische aderlating maar beroofden de politieke leiding ook van bekwame en ervaren kaders. Met een economie volledig aan de grond werd het land vanaf de jaren vijftig ook nog eens geconfronteerd met een praktisch onbetaalbare bewapeningswedloop.

In die hachelijke omstandigheden is het een klein mirakel dat de Oktoberrevolutie er gekomen is en nog meer dat de Sovjetunie het zeventig jaar heeft volgehouden. In die context moet je het hele proces eerder omschrijven als een krachttoer i.p.v. het een mislukking te noemen.

In elk geval ziet een kleine meerderheid van de inwoners van de voormalige Sovjet-Unie de Oktoberrevolutie niet als een mislukking. Twintig jaar na de val van de Berlijnse Muur beoordeelde 54 procent het communisme als positief. 57 procent van de Oost-Duitsers zegt dat de DDR meer goede kanten had dan slechte en slechts 23 procent van de Tsjechen zegt dat ze nu een beter leven hebben. Vandaag betreurt 55 procent van de Russen de val van de Sovjet-Unie.[16]

Ernstige fouten

Dat het een krachttoer was betekent niet dat er geen belangrijke fouten gemaakt zijn. Het Sovjetsysteem is niet ten onder gegaan door een externe ingreep of tussenkomst. Het is van binnenuit geïmplodeerd ten gevolge van opgestapelde problemen, tekorten en verkeerde beslissingen.

  1. Democratisch deficit. De keuze voor zware industrie was omwille van veiligheidsredenen terecht, maar ging ten koste van de individuele consumptie. Voor zo’n moeilijke keuze is een breed draagvlak noodzakelijk. Dat houdt in dat je een grote meerderheid bewust achter die keuze moet zien te krijgen en dat de bevolking bij de besluitvorming wordt betrokken. Dat was zeker niet altijd het geval. De maatregelen werden vaak op een autoritaire en repressieve manier doorgevoerd. Vooral in de tweede helft van de jaren dertig liep het repressief optreden in bepaalde gevallen soms helemaal uit de hand, waardoor het vertrouwen van de bevolking in de leiding van het land sterk op de proef werd gesteld.

    Het systeem bood de Sovjetburger weliswaar een sterke sociale zekerheid maar tezelfdertijd ook een povere consumptie, zeker als het vergeleken werd met het Westen. Er waren heel wat restrictieve maatregelen en beperkingen op het reizen naar het buitenland.

    Dat alles veroorzaakte een algemeen gevoel van onverschilligheid en vervreemding. Arbeiders voelden zich geen ‘eigenaar’ van de productiemiddelen en waren weinig geneigd om harder of productiever te werken. Vooral vanaf de jaren zeventig nam dit serieuze proporties aan.

  2. Bureaucratisering. De uitbouw van het socialisme vereist een hoge graad van politiek bewustzijn en participatie van de bevolking. Beide zijn belangrijke taken voor de communistische partij. Maar, door het democratisch deficit werd de partij meer en meer een gebureaucratiseerde elite, die nog weinig voeling had met de gewone bevolking. De massaorganisaties werden op den duur transmissieriemen van de partij en verloren hun spirit en aantrekkingskracht bij de bevolking. De partij verspeelde daardoor heel wat krediet. Ze was hoe langer hoe minder in staat om de creativiteit en de actieve participatie van brede langen van de bevolking op te wekken voor de verdere ontwikkeling van het socialisme.
    De interne partijdemocratie werd uitgehold. Zelfgenoegzaamheid en laksheid staken de kop op. Bij de kaders steeg het carrièrisme en daalde de kwaliteit.

  3. Economisch model. Het economisch model was bijzonder doeltreffend om het land op een snelle manier uit de onderontwikkeling te halen. Voor een volgende fase moest dat model bijgesteld en geactualiseerd worden, en daar is men niet in geslaagd. Er werd een indrukwekkende vooruitgang geboekt op technologisch en wetenschappelijk vlak, maar die vertaalde zich niet in een economische sprong voorwaarts. Op het vlak van de consumptie en de landbouw bleef de groei ondermaats. Het model was uitstekend voor extensieve ontwikkeling (kwantitatieve groei, meer van hetzelfde) maar niet voor intensieve ontwikkeling (kwalitatieve groei gebaseerd op hogere productiviteit).

    Aan de ene kant werden wellicht te veel en te gemakkelijk marktelementen ingevoerd. Aan de andere kant werd de gehele economie verstaatst tot in de kleinste dienstverlening. Er was een zeer hoge graad van centralisatie die nuttig was in tijden van oorlog, maar onnodig in vredestijd. Ook werden materiële prikkels veel te snel afgeschaft.[17]

  4. Theoretische zwaktes. De Oktoberrevolutie was de eerste grootschalige poging om een socialistische maatschappij uit te bouwen. Er was geen gedetailleerde blauwdruk van waar het naar toe moest en evenmin een uitgebreid draaiboek van hoe er te geraken. Revolutionaire theorie is geen uitgewerkt receptenboek, dat af is, maar de synthese van de revolutionaire praktijk en ervaringen. Het is dus een ‘work in progress’. Op dat vlak zat het fout. De geproduceerde theorie uit de beginfase werd redelijk snel gecanoniseerd en afgesloten. Van een creatieve ontwikkeling en verrijking van de revolutionaire theorie was er na de beginperiode weinig of geen sprake meer.

    Er waren ook een aantal foutieve opvattingen. Om er enkele te noemen. Er was enerzijds een overschatting van de eigen mogelijkheden en een onderschatting van het langdurig en complex karakter van de overgangsfase tussen kapitalisme en communisme. Anderzijds was er een miskenning van de veerkracht van het kapitalisme. Aan de ideeënstrijd en het belang van cultuur, religie, enz. werd ook te weinig belang gehecht.

  5. De splitsing van de internationale communistische beweging. Na WOII leefde een derde van de mensheid in een socialistisch land, waren in heel wat derdewereldlanden socialistische kiemen aanwezig en beleefde het communisme een nooit gezien prestige. De eenheid tussen de communistische landen was een belangrijke machtsfactor op het wereldtoneel en bood daarnaast aan de communistische partijen wereldwijd een uitstekend forum voor de uitwisseling en verrijking van visies en opvattingen.

    De uitvergroting van politiek-ideologische verschillen leidde eind de jaren vijftig echter tot een breuk en zelfs vijandschap tussen China en de Sovjet-Unie. Het was een zware klap voor de communistische wereldbeweging en voor alle progressieve krachten wereldwijd. Het was tevens een godsgeschenk voor de VS, die zich onder Nixon duidelijk veel pragmatischer wist op te stellen.[18]

Deze tekortkomingen waren stuk voor stuk belangrijke mankementen of misstappen. Samen met de moeilijke omstandigheden hebben zij bijgedragen tot de implosie van het Sovjetsysteem eind de jaren tachtig. Toch waren deze problemen niet onoverkomelijk. Op de meest moeilijke momenten heeft de bevolking in de Sovjet-Unie blijk gegeven van grote veerkracht en motivatie om de problemen te overwinnen. Zo bijvoorbeeld in de oorlog tegen nazi-Duitsland en bij de heropbouw van het land na WOII. Halverwege de jaren tachtig heeft Gorbatsjov drastische hervormingen ingezet die uit de hand zijn gelopen en geleid hebben tot het einde van de Sovjet-Unie. Misschien was het toen al te laat om nog orde op zaken te krijgen.

Lessen van de geschiedenis

Volgens Marx en Engels was het socialisme het resultaat van de verscherping van de tegenstellingen binnen het kapitalisme. De ervaring van de Sovjet-Unie leert daarover minstens drie  zaken. Ten eerste dat een socialistische maatschappij een heel sterk potentieel in zich draagt om de calamiteiten van het kapitalisme te overwinnen, zowel op sociaal en economisch vlak, als met betrekking tot de broederlijke relaties tussen de landen.

De tweede les is dat dit potentieel niet automatisch wordt gerealiseerd eenmaal de maatschappij op socialistische leest is geschoeid. Moeilijke omstandigheden en foute beslissingen kunnen heel wat roet in het eten strooien. De weg naar het socialisme is complex, langdurig en niet onomkeerbaar.

Wie dacht dat het socialisme zich zou snel kunnen vestigen kijkt best eens naar de geschiedenis van het kapitalisme. Dat heeft zelf eeuwen nodig gehad om zich te kunnen vestigen, en dat gebeurde met vallen en opstaan.[19] Het uiteenspatten van de Sovjet-Unie was voor heel wat auteurs het bewijs van de mislukking van het socialistisch/communistisch maatschappijproject. De Amerikaanse politicoloog Fukuyama sprak zelfs over ‘het einde van de geschiedenis’ omdat het nu wel definitief bewezen was dat het neoliberaal kapitalisme de best mogelijke maatschappijvorm was.

Maar sinds de economische crisis van 2008 zijn steeds meer mensen overtuigd dat het neoliberaal kapitalisme allesbehalve de best mogelijk maatschappijvorm is. Het linkse maatschappijkritische gedachtegoed is sindsdien opnieuw aan een sterke opmars begonnen, zowel in meer gematigde (sociaalecologisch) als in meer radicale (socialistisch/communistisch) vorm. Om dit gedachtegoed om te zetten in concrete verwezenlijkingen hebben we misschien nood aan een nieuwe ‘Oktoberrevolutie’.

Annex 1. Tien dagen die de wereld deden wankelen

De titel van dit artikel verwijst naar een van de eerste boeken over de Oktoberrevolutie. Het boek was in de letterlijke betekenis van het woord, een ooggetuigenverslag. Het verscheen in 1919, nauwelijks twee jaar na de feiten, met als titel ‘Ten days that shook the world’. De auteur was de Amerikaanse journalist John Reed. Hij gaf zijn boek de ondertitel ‘reportage’ mee en dat was het ook. Net zoals bij een rechtstreekse tv-reportage vandaag, heb je bij het lezen van dit boek de indruk dat je zelf aanwezig bent bij de beschreven gebeurtenissen. Reed volgde de gebeurtenissen dan ook letterlijk op de voet, deed (straat)interviews met vele betrokkenen, volgde alle mogelijke vergaderingen, verzamelde talrijke muurkranten en zoveel mogelijk officiële en informele documenten en voorzag dit geheel van talrijke levensechte details en kleurrijke anekdotes.

Dat op de voet volgen van de gebeurtenissen geeft een zeer levendig beeld van de toenmalige chaos. Maar het zorgt ook bij de lezer voor de nodige ‘verwarring’. Gelukkig begint de auteur zijn boek met een overzicht van de talrijke politieke partijen en andere relevante organisaties, alsook van de wisselende parlementaire procedures. De eerste hoofdstukken schetsen de directe voorgeschiedenis tijdens het jaar 1917. Maar het grootste deel van het boek is het verhaal dag op dag, soms bijna uur na uur, van de gebeurtenissen in oktober/november van dat jaar.

Reed laat er geen twijfel over bestaan dat zijn sympathie voluit naar de Bolsjewisten gaat. Deze openlijke keuze wordt ruimschoots goed gemaakt door de eerlijkheid en de gedrevenheid waarmee hij zijn verhaal brengt. Tot op vandaag, o.a. door de afdeling journalistiek van de New York University en de krant The Guardian, wordt zijn boek beschouwd als een van de belangrijkste journalistieke documenten van de twintigste eeuw.

John Reed, ‘Tien dagen die de wereld deden wankelen’, Reportage, Reeks Kritische Klassieken 14, Uitgeverij Schokland i.s.m. Uitgeverij EPO 2017, herziene vertaling met nawoord, 320p., 24 euro.

Annex 2. Oktoberrevolutie in november?

In 1582 schakelden de meeste Europese landen over op de Gregoriaanse kalender. Niet zo Rusland en het reusachtige tsarenrijk. Dat behield tot 1 februari 1918 de Juliaanse kalender.  Op die dag stapte het nieuwe Rusland over op 14 februari. Het verschil tussen beide kalenders bedroeg in de 20ste eeuw 13 dagen. De op 25 oktober gedateerde Russische Oktoberrevolutie viel voor de meeste andere landen dan ook op 7 november. Ook John Reed volgt in zijn boek (zie kader) daarom de Juliaanse kalender.

Beknopte Bibliografie

Aust M., ‘Die Russische Revolution. Vom Zarenreich zum Sowjetimperium’, München 2017
Frantzen D., ‘Van Revolutie tot Perestrojka’, Brussel 1994
Hartmann C., ‘Unternehmen Barbarossa. Der deutsche Krieg im Osten 1941–1945’, München 2011
Haumann H. (ed.), ‘Die Russische Revolution 1917’, Köln 2016
Hobsbawm E., ‘Een eeuw van uitersten. De twintigste eeuw 1914-1991’, Utrecht 1994
Reed J., ‘Tien dagen die de wereld deden wankelen’, de Bilt 2017
Rodríguez García J., ‘El derrumbe del socialismo en Europa’, Havana 2016
Soete L., ‘Het Sovjet-Duitse niet-aanvalspact van 23 augustus 1939’, Berchem 1989
Vanden Berghe Y., ‘Het grote misverstand. Een geschiedenis van de Koude Oorlog (1917-1990)’, Leuven 1987

 

Voetnoten

[1] In Duitsland was het de sociaaldemocratische regering die met behulp van de zogenaamde Freikorps de arbeidersopstand genadeloos neersloeg. Wikipedia

[2] Frantzen D., ‘Van Revolutie tot Perestrojka’, Brussel 1994, p. 29; Maddison A., Contours of the World Economy, 1-2030 AD, New York 2007, p. 382.

[3] Als gevolg van WOI en daaropvolgende militaire invasie en burgeroorlog was de industriële productie in 1920 gedaald tot op 20 procent van het niveau van 1913 en de voedselproductie tot op 60 procent. Als gevolg van WOII was de bevolking gedaald van 194 miljoen naar 170 miljoen. 30.000 fabrieken waren vernietigd. De landbouwproductie was gehalveerd en 1.710 steden en 30.000 dorpen waren grotendeels of volledig vernietigd. In termen van economische ontwikkeling betekende WOII een verlies van negen jaar.
Frantzen D., ‘Van Revolutie tot Perestrojka’, p. 59; Vanden Berghe Y., ‘Het grote misverstand. Een geschiedenis van de Koude Oorlog (1917-1990)’, Leuven 1987, p. 66; Rodríguez García J., ‘El derrumbe del socialismo en Europa’, Havana 2016, p. 17.

[4] Kennedy P., ‘De wisselkoers van de macht. De economische en militaire opkomst en neergang van de grote mogendheden tussen 1500 en 2000’, p. 336.

[5] De militaire uitgaven als procent van het BNP steeg van 3,4 procent in 1933 tot 33 procent in 1940. In de jaren vijftig steeg het opnieuw tot 24 procent. Nove A., ‘An economic history of the U.S.S.R., 1917-1991’, Londen 1992, p. 230 en 328.

[6] Het gaat hier over de zogenaamde collectivisatie. Om de investeringen in de zware industrie te kunnen financieren rekende men op het surplus van de landbouw. En om dat surplus te kunnen inzetten werd de landbouw gecollectiviseerd. Dat was zeer tegen de zin van vooral de middelgrote boeren, de ‘koelaks’, die het proces boycotten. Dat leidde tot gedwongen deportaties en hongersnoden. Naargelang de bronnen – die gezien de Koude Oorlogssfeer niet altijd even betrouwbaar zijn – kostte dat aan tienduizenden tot miljoenen mensen het leven.

[7] In 1982 hadden West-Duitsers bijna viermaal zoveel consumptiegoederen als Sovjetburgers en 2,3 maal zoveel als Oost-Duitsers. De Wessies hadden in verhouding ook zesmaal zoveel wagens als de Ossies. Frantzen D., ‘Van Revolutie tot Perestrojka’, p. 193

[8] In de rest van de wereld was er in die periode een economische groei van 240%, in de Sovjet-Unie was 375%. Latijns-Amerika was in 1917 de regio die een gelijkaardig bnp per inwoner had als de Sovjet-Unie. Die regio tekende een groei op van 251% in die periode.
Maddison A., The World Economy. A Millennial Perspective, OESO 2001, p. 264 en 330.

[9] 'Life expectancy in the USA, 1900-98'; Roser M., 'Life Expectancy'.

[10] Vincente Navarro, ‘Has socialism failed ? An analysis of health indicators under socialism’, International Journal of Health. Services, Volume 22, Number 4, p. 583-601, 1992.

[11] Hobsbawm E., ‘Een eeuw van uitersten. De twintigste eeuw 1914-1991’, Utrecht 1994, p. 74 en 85.

[12] Tharoor I., ‘How the Soviet Union helped save the world from Hitler during World War II’, The Independent 9 mei 2016; Wikipedia.

[13] Het Schrikbewind of ‘La Terreur’ is de periode van 1792 tot 1794 waarin de revolutionaire leiding de strijd aanbond tegen alle krachten die de revolutie bedreigde. Daarbij werden tienduizenden mensen vermoord. Dat het er bloeddorstig aan toeging blijkt ook uit de Marseillaise. Dat is het lied dat de revolutionairen zongen bij hun intocht in Parijs en dat later de nationale hymne werd van Frankrijk. Het refrein luidt als volgt: “Te wapen, burgers! Vormt uw bataljonnen! Laten we marcheren, marcheren, zodat het onreine bloed onze voren doordrenkt.”
Wikipedia Terreur; Wikipedia Wet Le Chapelier; Wikipedia Napoleontische oorlogen; Wikipedia Marseillaise.

[14] Lenin, ‘Fourth Anniversary of the October Revolution’.

[15] Dat was de hoofdteneur in zowel Groot-Brittannië als Frankrijk. Nazi-Duitsland werd ook niet afgesneden van de internationale kapitaalwereld, naar het einde van de jaren dertig toe groeiden de buitenlandse investeringen in Duitsland zelfs. Soete L., ‘Het Sovjet-Duitse niet-aanvalspact van 23 augustus 1939’, Berchem 1989, p. 98-110; Pauwels J., ‘De mythe van de ‘goede oorlog’. Amerika en de Tweede Wereldoorlog’, Berchem 2000, p. 39.

[16] 54 procent slaat op de voormalige inwoners van het Oostblok. Dat is een gemiddelde. In sommige landen liggen de cijfers hoger. Iets meer dan 60 procent van de Bulgaren vindt het communistisch regime beter dan het huidige, bij de Roemen is dat 63 procent, bij de Hongaren 72 procent, bij de Wit-Russen 78 procent, bij de Serven 81 procent en bij de Oekraïners 90 procent.
Bonstein J., ‘Majority of Eastern Germans Feel Life Better under Communism’, Der Spiegel 3 juli 2009; Pew Research Center, ‘Russia: Public Backs Putin, Crimea’s Secession’, 8 mei 2014; Pew Research Center, ‘Hungary: Better Off Under Communism?’, 28 april 2010; Mudeva A., ‘SPECIAL REPORT: In eastern Europe, people pine for socialism’, Reuters 8 november 2009, ; Biray K, ‘Communist nostalgia in Eastern Europe: longing for the pastOpenDemocracy 10 November 2015; ‘Poll: Many Czechs say they had better life under Communism’, Prague Monitor 21 november 2011 Dragomir E., ‘In Romania, Opinion Polls Show Nostalgia for Communism’, Balkaninsight 2011; ‘Serbia Poll: Life Was Better Under Tito’, Balkaninsight 24 december 2010.

[17] Marx had in de ontwikkeling naar het communisme een tussenfase voorzien: het socialisme. In de socialistische fase spelen materiële prikkels nog een belangrijke rol, in het communisme vervallen die. Of zoals Marx het formuleerde: in het communisme krijgt iedereen ‘naar zijn behoeften’, in het socialisme was er nog plaats voor ongelijkheid en dus voor loon naar werk. Marx K., ‘Kritiek op het programma van Gotha’.

[18] In 1969 liepen de spanningen tussen China en de Sovjet-Unie hoog op. President Nixon speelde daar handig op in en zocht toenadering tot China. Zo wist hij het communistisch kamp nog meer te verdelen en stond hij sterker in zijn strijd tegen Moskou. Dat was o.a. van nut in de oorlog tegen Vietnam.

[19] Zo’ vijfhonderd jaar geleden waren er al de eerste pogingen in Italiaanse stadsstaten, maar die mislukten. Arrighi G., ‘The Long Twentieth Century. Money, Power and the Origins of Our Times’, London 1994, p. 109-126.