about
Toon menu

Actieve versus niet-actieve mensen. Hoe zit dat nu juist?

Jan Blommaert doorprikt het woordgebruik van Open-VLD voorzitster Gwendolyn Rutten. Haar voorstel om gezinnen met één inkomen niet langer fiscaal te bevoordelen is geen aanzet tot 'emancipatie' maar een dwangmaatregel om mensen in slecht betaalde, dienende baantjes te dwingen. Wat zij wil is komaf maken met alle andere, waardevolle "manieren waarop men bijdraagt tot de economie dan enkel via betaalde arbeid".
zaterdag 21 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Eén van de problemen die men meent te ontwaren in onze economie is dat er teveel “niet-actieve” mensen zijn. Men heeft het dan over de “activiteitsgraad” van de Belgische bevolking die te laag zou zijn (lees: lager dan in de landen waarmee we wensen te concurreren), dat er dus een te grote “niet-actieve” bevolking is, en dat zoiets een probleem schept. Welk probleem? Een probleem dat we al hebben ontmoet: wanneer er onvoldoende arbeidskrachten beschikbaar zijn liggen de lonen te hoog naar de zin van de ondernemers, en dat beïnvloedt dan de “concurrentiekracht” van onze economie (wiens economie?). In negatieve zin vanzelfsprekend, volgens de frame die we in het vorige hoofdstuk hebben bekeken.

Tot zover de dominante logica van deze frame. Het begrippenpaar “actief – niet-actief” klinkt buitengewoon objectief – daarover straks meer – maar het is opvallend hoe de begrippen meteen ook moreel worden geëvalueerd. We kunnen dat zo stellen:

Actieve mensen zijn goed bezig; niet-actieve mensen zijn parasitair en moeten geactiveerd worden.

Bovendien zijn deze begrippen ook politiek ingekleurd, en wel op deze manier:

Actieve mensen hoeven geen solidariteit tentoon te spreiden tegenover niet-actieve mensen; deze laatsten worden “in de hangmat gehouden” door socialisten en vakbonden.

Van objectiviteit is hier dus weinig sprake – gedenk onze grote uitgangspunten. Wat “objectief” klinkt is in wezen door-en-door gekleurd door de positie die men in dit debat inneemt. Immers, wat is de “objectieve” definitie van “niet-actief”? We vinden ze in de officiële statistieken van de overheid.[1]

“De inactieve bevolking omvat alle personen die niet economisch actief zijn, inclusief diegene jonger dan 15 jaar, namelijk: personen die zich uitsluitend met het huishouden bezig houden, die als vrijwilliger werken, studenten en gepensioneerden.”

“Niet economisch actief zijn”: om deze zinssnede te begrijpen moeten we teruggrijpen naar het vorige hoofdstuk. Men begrijpt hieronder wel iets heel specifieks:

“Actieve” mensen zijn mensen die inkomsten uit hun arbeid verkrijgen; zeg maar lonen, inkomsten als zelfstandige of werkloosheidsuitkeringen.

We zien dus dat de bijzonder nauwe definitie van economie uit het vorige hoofdstuk ook hier optreedt. Tenzij je “gaat werken” of “wil gaan werken” ben je niet economisch actief.

Een thuiswerkende partner die het werk doet dat anders door een kinderopvangdienst en huishoudhulp moet worden verricht, die de gezinsconsumptie beheert en de vakantieplannen maakt, de belastingsboekhouding van de zelfstandige echtgenoot/echtgenote doet, in het oudercomité van de school van de kinderen zetelt en zich ook nog eens inspant in een vrijwilligersorganisatie die de inkopen van bejaarden uit de buurt aan huis bezorgt – die is niet economisch actief, of anders gezegd: economisch onbestaand.

Een student die een opleiding volgt om binnen enkele jaren als hoogperformant biomedicus aan de slag te gaan in een goed boerend high-tech bedrijf: ook die bestaat niet als economische actor.

Een gepensioneerde die er veertig jaar arbeid op zitten heeft, goed heeft gespaard en z’n aanvullend pensioen spendeert om de nieuwbouw van de kinderen te helpen financieren: evenmin van economisch belang.

Door middel van deze absurd nauwe definitie zijn enorme bevolkingsgroepen simpelweg onzichtbaar gemaakt als economische actoren waarmee men rekening moet houden in het bekijken en begrijpen van de economische processen in onze samenleving. Meer nog: ze zijn zowel moreel als politiek als slecht bestempeld, want ze halen geen inkomen uit arbeid en “dragen dus niets bij” aan “de economie” in de zin die we al kennen.

Renteniers doen dat evenmin – de economische meerwaarde van mensen die leven van inkomsten uit speculatieve beleggingen is bijzonder onduidelijk, temeer omdat deze mensen doorgaans ook niet beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt, zoals dat heet.

Ze zijn echt “niet actief”. Ze moeten echter niet worden “geactiveerd” of uit hun “hangmat” worden gejaagd. Ook deze groep is onzichtbaar in dit deze frame, zij het voor heel andere redenen dan de vorige. Hier komt dan ook een eerste herformulering:

Er zijn veel meer manieren waarop men bijdraagt tot de economie dan enkel via betaalde arbeid.

Om dit duidelijk te maken: vrijwilligerswerk behelst vaak activiteiten die de overheid, evenmin als de privésector, niet willen uitvoeren maar die wel degelijk een economisch effect hebben.[2] 

Om het voorbeeld van de boodschappendienst voor bejaarden te gebruiken: dit vrijwilligerswerk zorgt ervoor dat de bejaarde meer consumeert; laat hem/haar betalen voor die dienst, en de consumptie zal navenant dalen. Het gaat hier dus vaak om werk dat bijzonder “actief” is, een effectieve economisch relevante transactie inhoudt (ik doe werk voor iemand anders die daardoor z’n koopkrachtelders kan besteden) en vaak op geen enkele manier te financieren valt.

Stel je voor dat een school de leden van het oudercomité zou moeten betalen voor de geleverde diensten, of een ziekenhuis de diensten van mensen die langdurig zieken, palliatieve patiënten of zieke kinderen komen animeren?

"Het is dankzij die thuiswerkende partner dat de ingenieur zorgeloos naar het werk kan en dus zeer veel meerwaarde oplevert aan het bedrijf – het onbezoldigde werk van de partner is direct economisch rendabel voor het bedrijf, het wordt geschonken aan het bedrijf"

Stel je voor dat de ouders die extra kosten voor het oudercomité zouden moeten betalen, of de patiënten die genieten van de bezoekjes van vrijwilligers? Of om het nog iets snediger te stellen: stel je voor dat de diensten van Theo Francken zouden moeten betalen voor de vrijwillige opvang van vluchtelingen door burgers? Of dat een bedrijf een loon aan de thuiswerkende partner van één van haar meest productieve ingenieurs zou moeten betalen?

En waarom niet? Want het is dankzij die thuiswerkende partner dat de ingenieur zorgeloos naar het werk kan en dus zeer veel meerwaarde oplevert aan het bedrijf – het onbezoldigde werk van de partner is direct economisch rendabel voor het bedrijf, het wordt geschonken aan het bedrijf.[3]

We botsen hier op een fundamentele denkfout omtrent de waardering van vormen van werk die zich buiten het formele arbeidscircuit bevinden, maar die van extreem belang zijn voor het functioneren van de hele samenleving, en dus ook de economie. We kunnen deze herformulering bieden:

Het probleem van actieven versus niet-actieven is een probleem van de waardering van vormen van werk die zich buiten de formele arbeidsmarkt afspelen.

Diezelfde denkfout vinden we vanzelfsprekend terug in die andere kwestie: de creatie van arbeidsplaatsen (“jobs, jobs, jobs!”). Niet elke vorm van werk hoeft een (formele, betaalde) “job” te zijn – de voorbeelden van het oudercomité en de ziekenhuisanimatoren indachtig – maar moet wel maatschappelijk en politiek zichtbaar en gewaardeerd worden.

Het gaat erom dat niet elke vorm van werk te financieren en te formaliseren valt, maar dat er een balans moet gezocht worden tussen activiteiten binnen het formele arbeidscircuit en activiteiten daarbuiten. Men moet kunnen leven als producent én als consument om “economisch nuttig” te zijn, binnen zowel als buiten de formele arbeid, ervoor zowel als erna, en via werk voor onszelf zowel als voor anderen. Verliezen we die balans, dan worden we – paradoxaal in het licht van de frame – economisch minder nuttig.[4]

Diezelfde denkfout, dezelfde kromme logica, vinden we daarom eveneens in nog een ander domein, dat van de arbeidsprestaties. Men gaat ervan uit dat heel veel, heel lang en heel hard werken de enige wijze is waarop men “economisch nuttig” is.

Terwijl net rust, vrije tijd en een realistische arbeidsbelasting ervoor zorgen dat ondernemingen fitte en productieve arbeidskrachten hebben, dat de overheid een pak minder uitgaven heeft – in de gezondheidszorg, denk aan burnout en andere arbeidsgerelateerde aandoeningen – en de commerciële sector meer intensieve consumenten bij krijgt – een hobby is een vaak onuitputtelijke bron van consumptiegedrag. Geef mensen tijd buiten het werk, laat ze daarin “actief” zijn, en de economie zal er wel bij varen.

Dit is een door auteur Jan Blommaert licht herwerkt fragment uit  zijn boek “Let op je Woorden” (EPO 2016) (Zie Jan Blommaert: "Let op elk woord. Neem 'loonlast', voor wie is dat een last?").

[1] http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/arbeid_leven/werk/absoluut/. Ook http://www.werk.be/sites/default/files/cijfers/Lokale_cijfers/Publicaties/methodologische_rapporten/VAR_Definities_201105%5B1%5D.pdf

[2] Voor een voorbeeld, zie Uitgeputte vluchtelingenhelpers voelen zich uitgebuit door overheid in Brusselnieuws.be van 2

[3] Merk op dat dit geen absurde scenario’s zijn: er zijn mensen die wegblijven van de arbeidsmarkt omdat het inkomen dat ze daar zouden verkrijgen niet volstaat om zaken zoals kinderopvang te betalen; want als opa en oma niet gratis dat werk kunnen doen, dan kost dit bijzonder veel geld.

[4] Het werk van de Franse denker André Gorz is in dit opzicht zeer verhelderend. Zie André Gorz. Critique of Economic Reason. Verso, London, 1989.