about
Toon menu
Opinie

Waarom de Vlaamse hoeraberichten over innovatie niet kloppen

dinsdag 17 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Nog nooit was er zoveel Vlaams budget voor wetenschap en innovatie, juichte Vlaams minister van Innovatie Philippe Muyters in 2016. Met de verhoging zette de minister een stap om tegemoet te komen aan het verlangen van de Vlaamse regering (en de verplichting van Europa) om tegen 2020 1 procent van het Vlaamse BBP te besteden aan Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). In 2017 kwam er nog eens 195 miljoen bovenop. Een goede zaak zou u zeggen? Helaas. Aan het huidige tempo zal er in 2020 bijna 500 miljoen éxtra nodig zijn om de 1 procent te halen. Een rekeningetje voor de volgende regering? Daar lijkt het op.

Hoe het werkt

Innovatie is erg belangrijk voor onze bedrijven en economie. Een deel van de concurrentiepositie van ons land wordt bepaald door de loonkosten, maar lang niet helemaal. Ook wetenschap en innovatie zijn minstens even cruciaal voor de productiviteit en economische groei, zéker voor een open, kennis gedreven economie als de onze.

Hoe meer we inzetten op innovatie, hoe kleiner het risico dat we in een negatieve spiraal van almaar meer druk op de lonen terecht komen.

De vraag is hoe je hier vanuit het beleid op kan inzetten en bedrijven kan aanmoedigen om te investeren in innovatie en onderzoek en ontwikkeling (O&O)?

Ter rechterzijde horen we vaak dat de regering daarvoor in de eerste plaats moet inzetten op het verlagen van, u raadt het nooit, … de loonkosten. Dat werd echter weerlegd door twee professoren van de Universiteit Gent, die uit hun onderzoek concluderen dat loonmatiging bedrijfsinvesteringen in innovatie absoluut niet stimuleert.

Gerichte investeringen vanuit de overheid in hoger onderwijs en in onderzoek en ontwikkeling in de publieke sector doen dat echter wel. Ook de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie wees er in zijn adviezen al herhaaldelijk op dat publieke O&O uitgaven een belangrijke hefboom creëren om private O&O investeringen te mobiliseren.

Wat we daarvoor opzij zetten

Net daarom volgt ook de SERV al sinds zijn oprichting het innovatiebeleid van de Vlaamse regering zeer nauw op de voet. Dat doet hij met zeer veel expertise en steeds in overleg met de Vlaamse sociale partners. Sinds enkele jaren heeft de SERV ook het engagement opgenomen om dat systematisch vanuit een begrotingsoptiek op te volgen. De vraag is eenvoudig: hoeveel middelen worden er jaarlijks in de Vlaamse begroting vrijgemaakt voor O&O?

Deze middelen kunnen op hun beurt afgezet worden ten opzichte van het – in dit geval Vlaamse – Bruto Binnenlands Product, waardoor men de ‘O&O-intensiteit’ van een land of regio krijgt. Wanneer we dat uitsluitend voor de publiek gefinancierde O&O uitgaven doen, kan land of regio gemakkelijk vergeleken worden met buurlanden of een breder internationaal perspectief. Uit onderstaande figuur blijkt dat met een publieke O&O intensiteit van 0,66 procent in 2015, waarbij dus uitsluitend rekening wordt gehouden met de middelen uit de Vlaamse begroting, Vlaanderen hoger dan het Europese gemiddelde scoort, maar absoluut niet tot de koplopers behoort.

Fig 1 Greg

Nochtans heeft Vlaamse regering het engagement opgenomen om tegen 2020 minstens 1% van het BBP te investeren in O&O.

Dat kadert overigens in een bredere beleidsdoelstelling: in de Europa 2020 strategie wordt het doel voorop gesteld om tegen 2020 3 procent van het BBP aan O&O te spenderen (de zogenaamde ‘Barcelona doelstelling’). Het uitgangspunt daarbij is dat overheden 1 procent van de O&O uitgaven voor hun rekening nemen, en het bedrijfsleven 2 procent zou financieren.

De Vlaamse regering en de sociale partners binnen de SERV namen deze beleidsdoelstelling over. Zowel in het Innovatiepact (2003), het Pact 2020 (2009) als het laatste Vlaamse Regeerakkoord (2014) werd de ambitie hernomen om de 3 procent-norm voor O&O te halen tegen 2020, met dezelfde verdeling tussen publieke en private middelen zoals opgenomen in de Barcelona doelstelling.

Om deze ambitie waar te maken, tekende de Vlaamse regering een budgettair groeipad uit voor wat betreft de publieke uitgaven die aan O&O zouden worden besteed. Na enkele bescheiden opstappen in 2015 (20 miljoen euro) en 2016 (5 miljoen euro), was het de bedoeling om in 2017 en 2018 tot een totaalbedrag van 220 miljoen euro aan bijkomende middelen te komen. Dat groeipad zou vervolgens oplopen tot een totaal terugkerend bedrag van 500 miljoen euro in 2019 bijkomende middelen ten opzichte van 2014. Onderstaande tabel geeft het afgesproken groeipad mooi weer.

fig 2 Greg

Bron: VRWI advies 199B

Waarom dat onvoldoende is

In een advies dat in maart 2016 aan de minister bezorgd werd, stelde de SERV reeds vast dat dat groeipad en de aangekondigde opstappen onvoldoende zouden zijn om als Vlaamse overheid tegen 2020 de 1 procent norm te halen. In tegendeel, om tegen 2020 een publiek gefinancierde O&O-intensiteit van 1 procent te bereiken zou bovenop de reeds voorziene extra begrotingsmiddelen in het groeipad, een extra opstap van 388,76 miljoen euro vereist zijn.

De recente Speurgids 2017, een jaarlijkse publicatie waarin het Vlaamse overheidsbudget voor het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie wordt gefileerd, geeft aan dat de kloof sindsdien nog groter is geworden.

fig 3 Greg

Bron: Speurgids 2017

Hieruit blijkt dat de O&O-intensiteit de laatste jaren redelijk schommelt.

Vooral bij het aantreden van de huidige Vlaamse regering namen de middelen die in de Vlaamse begroting werden voorzien voor O&O sterk af. Momenteel zitten we met een O&O intensiteit van 0,78% nog steeds lager dan op het einde van de vorige legislatuur.

De groene lijn toont aan hoe de geraamde O&O-intensiteit lineair zou moeten evolueren, wil men in 2020 de 1 procent norm halen. De lichtblauwe lijn toont aan hoe de geraamde O&O-intensiteit zou evolueren met de aangekondigde opstappen. Dat bevestigt duidelijk wat de SERV reeds eerder vaststelde: met het aangekondigde groeipad komen we er niet.

Volgens de auteurs van de Speurgids 2017 zal in 2020 een opstap nodig zijn van maar liefst 793 miljoen euro ten opzichte van de begrotingsopmaak 2017. Dat betekent een jaarlijkse opstap van 264 miljoen euro de komende drie jaar. Als we rekening houden met de aankondigde opstappen in 2018 en 2019 (320 miljoen euro, waarvan 280 miljoen voorzien in het groeipad, en 40 miljoen euro eenmalige uitgaven), zal er in 2020 nog steeds 473 miljoen euro nodig zijn om de 1 procent-norm te halen.

Ook in 2017 kwam de SERV tot de dezelfde vaststelling, en merkte daar bovendien bij op dat de ramingen die in de Speurgids gehanteerd werden nog eerder conservatief waren. Een eerste reden hiervoor is dat het niet gaat om bedragen die uitsluitend uit de Vlaamse begroting komen. Ook het Vlaamse aandeel in federale overheidskredieten en Europese onderzoeksprogramma’s worden meegeteld. Ten tweede werd vastgesteld dat opstappen die de afgelopen jaren voorzien waren, niet voor de volle honderd procent naar O&O-investeringen gingen.

Slechts een deel van de middelen ging effectief naar O&O, en de overige middelen naar het bedrijfsleven onder de vorm van KMO groeisubsidies en ondernemerschapsondersteuning.

En wat we daaraan kunnen doen

Vlaams minister Muyters, bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid, heeft een belangrijke hefboom in handen om de Vlaams economie en haar bedrijven klaar te stomen voor de uitdagingen van de 21e eeuw (zoals de digitalisering bijvoorbeeld).

Als het hem écht menens is om de performantie van onze kenniseconomie op peil te houden, moet hij zich aan de gemaakte afspraken houden en een paar tanden bijsteken. Anders schuift hij de rekening alleen maar door naar de volgende Vlaamse regering.

Wij zijn alvast benieuwd naar wat de Vlaamse Begroting 2018 te bieden zal hebben.

Dit artikel verscheen ook op ABVV-Experten.
Auteur: Greg Verhoeven, adviseur begroting, economie en mobiliteit op de Studiedienst van het Vlaams ABVV