about
Toon menu
Boekrecensie

Le fond de l’air est rouge … et vert

Het laatste werk van Ludo De Witte krijgt in de pers de aandacht die het verdient. Dat is goed nieuws want het is een belangrijk boek dat de hot items van deze tijd rechttoe-rechtaan aansnijdt. 'Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op' nodigt uit om na te denken over de moeilijke vraag welke strategie we moeten aanwenden om die sociaalecologische samenleving voorbij het kapitalisme dichter bij te brengen. Ik ga hier als recensent-commentator graag op in.
maandag 9 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Le fond de l’air est rouge. Dat is de Franse titel van de cultfilm (in het Engels A Grin Without a Cat, een verwijzing naar een zinssnede uit Alice in Wonderland), waarmee de Franse documentairemaker Chris Marker in 1977 uitpakte. De eerste helft van de prent is gewijd aan de hoop en het idealisme van vóór mei 1968, de tweede helft toont de desillusie en de teleurstellingen van nadien. En toch: le fond de l’air est rouge. Dat dacht ook het revolutionaire kleinlinks van toen en hier (je weet wel: de SAP, AMADA); het was de droom van een roodgekleurde toekomst. 

De Witte en Klein

Neen, schrijft ecosocialist Ludo De Witte veertig jaar later, in zijn vlammend betoog: Le fond de l’air est rouge … et vert. Rood én groen moeten elkaar vinden in een gemeenschappelijke antikapitalistische strijd om deze planeet van de ondergang te redden. Daarmee zit hij op de lijn van denkers als André Gorz die ook over ‘politieke ecologie’ spreekt, Jaap Kruithof (o.m. ‘De mens aan de grens’) en Ton Lemaire (‘De val van Prometheus, ‘Verre velden’, ‘Onder dieren’), maar ook - recent - de socioloog en activist Stephen Bouquin die in zijn ‘Helemaal anders’ het ecosocialisme formuleert als een synthese tussen een democratisch socialisme en een politieke ecologie of, enigszins anders gezegd, een antikapitalistische ecologie met een socialisme dat zich heeft weten te bevrijden van autoritaire tendensen.

‘Om onze beschaving van een ecocide te redden, moeten we haar van het kapitalisme bevrijden’ (p. 12). Dat is de centrale stelling van De Wittes boek met de lange titel. ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op’ is de uitspraak van een Duitse politicus, niet met naam genoemd, die hiermee treffend illustreert met welke waanzin we worden geconfronteerd. De ondergang van Paaseiland is ons voorgegaan. Lees er ‘Ondergang’ van evolutionair bioloog Jared Diamond maar eens op na.

Ludo De Witte, een Afrikaspecialist met een brede maatschappelijke belangstelling, heeft zich zeer goed ingelezen, om zich te wagen aan een stand van de wereld. Hij is onder meer te rade gegaan bij het werk van de Canadese activiste Naomi Klein en dan voornamelijk bij haar This changes everything, Capitalism vs The Climate en ook bij haar recente No is not enough. Voor Ludo De Witte gaat Naomi Klein zelfs nog niet ver genoeg. Hij stelt zich in zijn recente werk op als een Nederlandstalige Klein in het kwadraat. Hoewel Naomi Klein in haar boeken het woord ‘ecosocialisme’ niet gebruikt, raakt de Canadese zachte anarchiste van ‘No logo’ almaar meer geradicaliseerd en ligt er volgens De Witte een duidelijk antikapitalistische grondtoon in haar recente werk.

Evenals Klein beschrijft De Witte in een eerste hoofdstuk ‘Slaapwandelend naar de afgrond’, met heel veel goed gedocumenteerde kennis en passie, op welk hellend vlak deze wereld verkeert. Maar dat is maar een opstap voor zijn zoektocht naar voorwaarden om te komen tot een rechtvaardige en duurzame samenleving voorbij het kapitalisme. 

Strategievraag

Welke strategie moeten we aanwenden om die sociaalecologische samenleving dichter bij te brengen? Dat is dé vraag die De Witte centraal plaatst in zijn boek. In ‘Gerommel in de marge’ rekent hij deskundig af met de ‘groene’ kapitalisten die én de aarde én het kapitalisme proberen te redden en daarvoor steunt hij o.m. op het uitstekende ‘De mythe van de groene economie’ van Anneleen Kenis en Mathias Lievens. In ‘Het falen van links’ hekelt hij de strategie van de traditioneel-groene en sociaaldemocratische bewegingen en partijen. ‘Om met Kurt Tucholsky te spreken: de eerste zijn komkommers, de tweede radijsjes: groen of rood vanbuiten, maar allebei wit vanbinnen.’ (p. 208).

De Witte haalt op verschillende plaatsen ook scherp uit naar ecologische voorbeelden van ‘klein verzet’ en deeleconomie (voedselteams, repaircafés, carpooling, LETS, etc) waarin hij vanuit zijn strategievraag geen heil ziet. ‘Het zijn mooie initiatieven, eilandjes van ‘microsocialisme’, maar op zichzelf brengen ze een paradigmawissel geen stap dichterbij.’ (p. 144). Figuren als ‘p2p’ Michel Bauwens (De wereld redden), John Restakis, maar ook Dirk Barrez met zijn pleidooi voor coöperaties, en vooral Dirk Holemans met zijn boek Vrijheid en zekerheid, krijgen vanuit die optiek heel wat kritiek te slikken. Soms gaat De Witte daarin volgens mij te ver: ‘Holemans brengt eigenlijk een fundamenteel antipolitieke boodschap: hou je met je buurt bezig, de beroepspolitici van Groen zullen zich wel met ‘de politiek’ bezighouden.’ (p. 159) Ook wanneer hij schrijft dat het revolutionair reformisme van Holemans volgens hem neerkomt ‘op een reformisme dat zijn naam niet wil zeggen’ (p. 169), gaat hij wel heel kort door de bocht, want in wezen gaat het hier om een revolutionaire strategie die door de ecosocialist avant la lettre André Gorz al in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd gelanceerd.

Gorz en Gramsci

Op een revolutie die alles ten goede zal veranderen, in de aard van ten days that shook the world zoals John Reed dat beschreef in verband met de Russische revolutie, moeten we niet hopen. Daarom koos Gorz voor een handelingsmodel dat hij contradictorisch ‘het revolutionair reformisme’ noemde. ‘Om een eenmalige frontale confrontatie tussen arbeid en kapitaal te vermijden wilde Gorz een ‘sluipend’ revolutionair proces op gang brengen dat het klassenbewustzijn zou doen ‘rijpen’. Om niet te vervallen in ordinair reformisme moest het hervormingspakket beantwoorden aan drie voorwaarden: ten eerste de voorgestelde hervormingen moesten elkaar aanvullen en versterken; ze moesten ten tweede doorgevoerd worden in een welbepaald tempo (het ‘moment’ mocht niet gemist worden) en in een welbepaalde vorm (de volksmacht moest versterkt worden); ten derde moesten de bressen geslagen door de eerste hervormingen door de daarop volgende verbreed en uitgediept worden.’[i]

In het hoofdstuk ‘System change, not climate change’ argumenteert De Witte dat ‘Marx’ baard niet moet worden bijgeknipt’ en dat hij, hoewel geen ecosocialist zijnde, toch al besefte dat ‘met het kapitalisme een scheur in de stofwisseling tussen mens en natuur ontstond’ (p.125) Dat kan best zijn, maar Marx noch Engels waren echt bezig met de strategievraag - daarvoor moesten we wachten op figuren als Lenin - en daarom verbaast het me dat De Witte, naast André Gorz, ook niet meer verwijst naar een neomarxist als Antonio Gramsci die zich in zijn werk wél gewaagd heeft aan de moeilijke strategievraag van hoe een politieke tegenmacht tot stand kan komen die weegt op het beleid. Gramsci gaat er immers vanuit dat politieke verandering een strijd van jaren is. Het gaat dan voor hem niet over een snelle bewegingsoorlog maar over een langzame stellingenoorlog. In tegenstelling tot wat Mao ooit zei, komt politieke macht niet uit de loop van een geweer. De belangrijkste pijler waarop politieke macht steunt, is de actieve instemming van de bevolking met de heersende orde. Die instemming duidt Gramsci aan met het begrip hegemonie. ‘Elke revolutie is voorafgegaan door een lang proces van intense kritische activiteit, van nieuwe culturele inzichten en de verspreiding van ideeën door groepen mensen die deze ideeën in eerste instantie afwezen.’ [ii]

Ecosocialisme

In een laatste hoofdstuk ‘Ecosocialisme’ schrijft De Wittte, Marx parafraserend, zijn maatschappelijk credo neer voor ‘een samenleving waarin de “geassocieerde producenten” verenigd worden met de aarde en hem koesteren om hem in een verbeterde staat aan volgende generaties door te geven’. En hij voegt eraan toe: ‘Met een planeconomie die in niets gelijkt op de stalinistische commando-economie van de vorige eeuw, maar mede dank zij de consultatietechnieken die het internet mogelijk maakt, soepel en democratisch is. Met commons waarin lokale groepen en overheden het heft in handen nemen, maar door de centrale overheid worden ondersteund.’ (p. 213)

In die benadering kan ik mij volkomen vinden en ook in zijn zoektocht naar bondgenoten in de strijd voor die andere maatschappij, die hij ziet in een samenspel van milieuorganisaties, burgerinitiatieven, vakbonden en progressieve partijen. De auteur verwijst o.m. naar La France Insoumise van Jean-Luc Mélenchon, maar ook naar de politieke successen van Podemos en het optreden van Bernie Sanders en Jeremy Corbyn. De Witte is ook enthousiast over het Leap Manifesto dat Naomi Klein promoot; het is een soort overgangsprogramma dat als een grote sprong voorwaarts kan worden beschouwd, want kleine stapjes zullen niet zorgen voor een transformatie. Het zijn eisen die, zoals de Frans-Braziliaanse marxist Michael Löwy schrijft, steun verdienen van alle kleuren van de regenboog: rood en groen, maar ook van het paars van de vrouwenbewegingen, het wit van de vredesbewegingen en het zwart van de anti-autoritaire stromingen.

Aan het roodgroene van het ecosocialisme voegen Löwy en Klein ook het zwartrode van het anarchisme toe en dat is blijkbaar een brug te ver voor Ludo De Witte. Hij noemt de horizontale, anti-etatistische aanpak van transitiedenkers de beste strategie naar een nieuw Utopia. Ook deze uitspraak lijkt mij kort door de bocht. Natuurlijk heeft De Witte gelijk wanneer hij verwijst naar het naïeve geloof dat ‘klein verzet’ ons vrijwel geruis- en pijnloos naar een wereld voorbij het kapitalisme zou voeren, maar dat betekent nog niet dat ‘klein verzet’ als een uitvloeisel van de concrete utopie zoals Ernst Bloch dat bedoelde, zinloos zou zijn. Het ‘beginsel hoop’ noemt Bloch trouwens de ‘warme golfstroom’ op een mogelijke menselijke bevrijding. Het is die onderstroom van het streven naar ‘het nog niet zijnde’. Het ‘nog niet’ houdt de hoop levend en maakt de kern uit van een utopisch bewustzijn. Václav Havel beschrijft die drijvende kracht van de hoop zeer mooi: ‘Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme, evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen, wel de zekerheid dat iets zinvol is ongeacht het resultaat.’

Zapatisten

In de woorden van Ernst Bloch: ‘De werking van de hoop vereist mensen die zich actief storten op het wordende, waartoe ze zelf behoren. Hopen is jezelf aan de toekomst geven, en dat engagement met de toekomst maakt het heden leefbaar.’

Dat is wat er onder meer al 23 jaar in het Lacandonawoud gebeurt, waar de overgang heeft plaatsgevonden van een hiërarchisch denken van ‘hoog’ naar ‘laag’, eigen aan de rigide leninistische voorhoedeprincipes, naar een anarcho-syndicalistisch en libertair geïnspireerd denken met de nadruk op horizontale interne verhoudingen in plaats van vertegenwoordiging en delegatie van de politieke macht. Met vallen en opstaan en met kleine projecten proberen de Zapatisten in een laboratoriumsituatie te werken aan een nieuw samenlevingsverband dat past in de zoektocht naar een nieuwe grammatica voor een libertair en ecologisch links.

Preguntando caminamos, zeggen de Zapatistas: al vragend komen we vooruit. Soms in stilte, soms zeer spectaculair. Op 21 december 2012 bijvoorbeeld werd, zonder enige aankondiging, een stille mars georganiseerd van 40.000 mensen, gewoon om te tonen dat ‘we nog bestaan’. Dat gebeurde op de dag dat de Maya-kalender afliep en in het Westen over ‘het eind van de wereld’ werd gesproken. 

Op 1 januari 2016 verscheen een manifest van het EZLN, ondertekend door subcomandante Galeano (de overleden opvolger van Marcos): ‘Gedurende die 22 jaar van weerstand en rebellie hebben wij verder gebouwd aan een andere levenswijze, ons zelf besturend volgens de zeven principes van governar obedeciendo (al gehoorzamend besturen). Op dat congres besloot het EZLN ook, totaal onverwachts, om deel te nemen aan de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2018: ‘Om van onderuit de macht die men ons van bovenuit oplegt te ontmantelen. Er zullen raadplegingen gehouden worden in de verschillende gemeenschappen voor de vorming van een inheemse Raad van Bestuur. Het woord zal zich materialiseren in een inheemse vrouw die zich kandidaat voor het presidentschap zal stellen in 2018. Deze kandidatuur streeft niet de macht na, maar wil wel de realiteit van de volkeren te kennen geven, de inheemse Mexicanen zichtbaar maken, een inheemse en populaire macht vormen die de opgang van het kapitalisme in onze grondgebieden wil afremmen en bestrijden.’

Op 16 juni 2017 was het dan zo ver: het CNI, het Nationaal Inheems Congres, maakte bekend dat María de Jesús Patricio Martínez de presidentskandidate zou worden. Inheems en vrouw: Dat is een volstrekte primeur in de Mexicaanse geschiedenis.

Ook Naomi Klein kijkt met veel respect naar wat er in het Lacandonawoud gebeurt. In de epiloog ‘Vaarwel aan de geschiedenis’ van haar boek ‘No logo’ benadrukt Naomi Klein dat er bij de Zapatisten geen sprake is van klassieke leiders. De gestalte die een bonafide leider het best benadert, is volgens haar dan ook die van subcomandante Marcos. Hij is het voorbeeld van de anti-leider en hij zegt met nadruk dat zijn zwarte masker een spiegel is: ‘Marcos is homoseksueel in San Francisco, zwart in Zuid-Afrika, een Aziaat in Europa, een Amerikaan van Mexicaanse afkomst in San Ysidro, een anarchist in Zuid-Spanje, een Palestijn in Israël, een Maya-indiaan in de straten van San Cristóbal, een dissident tegen het neoliberalisme, ... met andere woorden: Marcos is elke verworpen, onderdrukte uitgebuite minderheid die in opstand komt en zegt ya basta, somos aqui. [iii]

Ik weet niet of de gemaskerde Marcos het werk van de Duitse filosoof Ernst Bloch gelezen heeft - het zou me trouwens niet verbazen -, want dat streven naar de concrete utopie, zoals geformuleerd door de Duitse filosoof van de hoop is zeker een van de vele ingrediënten van de Zapatisten-cocktail. Die cocktail verklaart waarschijnlijk ook de brede aantrekkingskracht van het EZLN-verhaal. Indignados, anarchisten, progressieve katholieken, indianisten, autonomen, socialisten, culturalisten, feministen, communisten en ecologisten konden er zich en hun thema in herkennen.

Rojava

Niet alleen de Zapatistas in Mexico ondernemen op dit ogenblik pogingen om op kleine schaal een alternatieve samenlevingsvorm te ontwikkelen die het kapitalisme en de natiestaat achter zich laat. Op tal van manieren en op verschillende plaatsen in de wereld ontstaan er, met vallen en opstaan, alternatieve sociale weefsels. Dat is de hoopvolle boodschap die op twee conferenties onder de titel Challenging Capitalist Modernity: Alternative Concepts and the Kurdish Quest in Hamburg werd meegedeeld. Op deze bijeenkomsten in 2012 en 2015 spraken zowel Koerdische als internationale activisten en academici. Een ervan was John Holloway, kenner van het zapatisme, die vanuit Mexico naar Hamburg was afgezakt. Hij zei: ‘Deze weefsels worden overal ter wereld gemaakt, en ze worden voortdurend bedreigd door het kapitaal, en voortdurend opnieuw aangevat door ons.’[iv] Volgens hem is de strijd van de Zapatistas zo’n weefsel, maar ook de Koerdische strijd in de Syrische oorlog vertoont veel verwantschap met wat er in het Lacandonawoud gebeurt.

De Syrische Koerden en hun medestanders hebben tijdens het oorlogsgeweld van de voorbije jaren een eigen autonome federatie opgericht in het noorden van het land. Ze noemden het Rojava, wat West-Koerdistan betekent in het Koerdisch. De Democratische Unie Partij (PYD), de grootste partij in de Koerdische regio’s, maakte van het ontstane machtsvacuüm gebruik om daar een nieuw maatschappijmodel te introduceren, dat gebaseerd is op het gedachtegoed van Abdullah Öcalan, de door de Turken gevangen genomen leider van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). Rojava kon zo uitgroeien tot een basisdemocratisch alternatief in de Syrische oorlog.

Öcalan spreekt over het ‘democratisch confederalisme’ als alternatief op de kapitalistische natiestaat. ‘Öcalan stelt niet langer te streven naar de creatie van een afzonderlijke Koerdische natiestaat, maar naar autonome en geconfedereerde, basisdemocratische gemeenschappen,’ schrijft Kristel Cuvelier van het Koerdisch instituut in Brussel. [v]

De parallellie in politieke evolutie tussen het zapatistische EZLN en de Koerdische PYD is opmerkelijk: beide bewegingen ondergingen een paradigmashift van marxistisch-leninistische guerrillastrijd naar een vorm van democratisch confederalisme.

In Rojava werden talloze basisdemocratische ‘communes’ opgericht die geconfedereerd samenwerken voor gemeenschappelijke besluitvorming. Zo’n commune, min of meer te vergelijken met de caracoles bij de Zapatistas, kan bestaan uit een heel dorp tot een straat of een wijk in een grotere stad met 40 tot soms wel 350 gezinnen. [vi] Vertegenwoordigers van de verschillende communes in een bepaalde regio komen vervolgens samen in een lokale volksraad, die op haar beurt weer vertegenwoordigers levert aan een grote, stedelijke assemblee. Belangrijk hierbij is dat elke raad wordt voorgezeten door twee co-voorzitters, één man en één vrouw. In Rojava wordt dus niet alleen de positie van de vrouw versterkt, maar neemt men ook afstand van het staatsdenken en van een eng Koerdisch nationalisme.

Zoals ook in de Zapatistenregio sijpelen in Rojava anarchistisch geïnspireerde ideeën binnen. Kristel Cuvelier benadrukt dat Öcalan zich liet inspireren door onder meer het ‘libertair municipalisme’ van de Amerikaanse sociaal-anarchist en ecologist Murray Bookchin. John Holloway noemt de Zapatistas en Rojava schitterende voorbeelden ‘die de donkere, deprimerende hemel laten oplichten’ maar die kunnen inspireren door hun kracht en hun schoonheid. 

Opborrelen van de rebellie

Het ‘opborrelen van de rebellie’ van onderuit (een term bij Naomi Klein ontleend aan Luis Hernández Navarro) in het hic et nunc is volop aan de gang.

Zowel in het Zuiden als het Noorden van deze planeet ontstaan er initiatieven van onderuit die gebaseerd zijn op solidariteit en wederkerigheid. Dat maakt mensen sterker, weerbaarder en ook creatiever, want: ‘verzet is een creatieve daad’. De Franse filosoof Gilles Deleuze schreef het en heel wat activisten zijn op vele plaatsen in de wereld bezig ‘met het scheppen en ontwikkelen van non-kapitalistische zones en tendensen, waarin het er niet langer om gaat macro-economische bevrijdingsplannen te ontwerpen, maar om onszelf te bevrijden van die kapitalistische economie.’[vii] Van onderuit, elke dag opnieuw.

‘Breken met het isolement, solidariteitsbanden creëren, is het begin van een engagement, van een activiteit die niet langer functioneert ‘tegen’ maar ‘voor’ het leven en de vreugde, via de bevrijding van onze vermogens.’[viii] Dat maakt de Zapatista in ons wakker.

Het mutualiseren van de commons is de grondtoon die je kunt opvangen in het Noorden en het Zuiden: zowel bij inheemse volken en arme boeren die hun grondenrechten en vrije toegang tot water opeisen, als bij coöperanten allerhande, stadstuiniers, window farmers, coachsurfers, hackers, co-housing’ers, zaden- en tijdbankierders, LETS’ers en beoefenaars van andere vormen van social sharing. In Italië mutualiseert men niet alleen kennis, maar ook tijd. Luister maar naar het recept voor een tijdsbank zoals de Italiaanse journaliste Geraldina Colotti het optekende van initiatiefneemster Roi D’Amico: ‘Meng in een bank een kilogram van uitwisselingen met driehonderd gram van reciprociteit en socialisatie. Voeg er een kopje vriendschap bij, twee eierdooiers vertrouwen en verrijk nog met een lepeltje vreugde. Het geheel goed mengen met een snuifje gekte, magie en mysterie. Besprenkel met een beetje kleurstof. Vervolgens opwarmen in de oven en bestrooien met sympathie. Versieren met cultuur en kunst en zachtjes opdienen.’[ix]

Er is sprake van een fameuze opbloei van breed verspreide, vaak spontane en zeer diverse bottom up-initiatieven die zich mee in een nieuw maatschappelijk middenveld installeren. 

‘Beheerst ongeduld’

Al die energie moet gehonoreerd, maar ook gekanaliseerd worden, want om de leap, de sprong in het diepe te wagen, is er meer nodig dan spontaan enthousiasme. Natuurlijk. Daarin treedt ik De Witte ten volle bij. ‘We moeten nu al ageren, met wat Daniël Bensaïd omschrijft als beheerst ongeduld. Tegen de stroom in moeten we de grote gevechten van morgen voorbereiden door vandaag al de kleine gevechten te voeren. (p. 218) Voorbeelden hiervan worden uitvoerig gegeven door Naomi Klein, maar ook door journalist en activist Nick Meynen in ‘Frontlijnen’ die in zijn reis naar de achterkant van de wereldeconomie niet alleen de toenemende macht van multinationals schetst, maar ook het toenemend georganiseerd en multinationaal verzet tegen milieuverloedering, waanzinnige ongerijmdheden (‘Waarom gaat men zand halen in Australië om de hoogste toren ter wereld in Dubai te bouwen?’) en tegen het arrogante neoliberalisme in beeld brengt.

‘Beheerst ongeduld’ zal ook nodig zijn om de syndicale vuist verder roodgroen te laten kleuren. Dat is trouwens al een zeer oud zeer. In mijn boek ‘Elcker-Ik, 45 jaar sociale strijd’ beschrijf ik dat al in het begin van de jaren 1980 in de schoot van Elcker-Ik een werkgroep ‘Arbeid en milieu’ werd opgericht, geïnspireerd door de ideeën van Rudolf Bahro en Rudolf Boehm, die al snel ondervond dat ‘arbeid’ en ‘milieu’ moeilijke huwelijkspartners waren. Elcker-Ik-verantwoordelijke van toen Guy Quintelier zei me daarover: ‘Het was onze overtuiging dat een ecologisch verantwoorde productiewijze ook tewerkstelling zou opleveren. Maar veel arbeiders stonden wantrouwig tegenover al die milieu-eisen, omdat ze vreesden voor hun werkgelegenheid. Dat wantrouwen ging soms zeer ver. Wij hebben ooit zelfs telefoontjes gekregen met bedreigingen.’

Staan we bijna veertig jaar later al zoveel verder?

Internationale netwerken

Ik zei het al: over de strategievraag schreef Marx weinig. Het waren vooral de negentiende-eeuwse anarchisten à la Proudhon die associatieve en (con)federatieve verbanden promootten. Deze bewegingen van onderuit worden nu nieuw leven ingeblazen; ze willen zich versterken met nationale en internationale netwerken en platformen, zoals de vakbonden zich ooit internationaal hebben weten te vinden.

Het Canadese Leap Manifesto is er daar maar een van, want overal ter wereld ontstaan er allianties en internationale netwerken zoals de MST, de Braziliaanse landloze boeren, de Via Campesina, the Movement for Black Lives, Fearless Cities, CIP (Coördination des Intermittents et Précaires), Global Social Justice, ATTAC, het Forum voor Alternatieven, Netwerk voor de Verdediging van de Mensheid, Rescoop (Europese energiecoöperaties), DiEM25 van Yanis Varoufakis, CORIDUP (Coordinodora en Defensa de la Cuenca del Río Desaguadero Lagos Uru Uru y Poopó), CONAIE (Confederación de Nacionalidades Indígenas del Ecuador), CONFENIAE (Confederatie van inheemse nationaliteiten van de Ecuadoraanse Amazone), RAESS (réseau africain d’économie solidaire et sociale), ACOSC (association des cooperatives d’épargne d’Afrique), Asec (conseil asiatique d’économie solidaire), Netwerk Culturen en Ontwikkeling, CCD ( Caribbean Confederation of Credit Unions), CSUTCB (syndicale eenheidsconfederatie van Boliviaanse landarbeiders), CONISUR (Consejo Indígena del Sur in Bolivia), CIDOB ( Confederación de Pueblos Indígenas de Bolivia), COLACOT (Confederación Latinamericana de Cooperativas y Mutuales de Trabajadores), FEDURIC (Cotopaxi waterfederatie Ecuador), ECUARUNARI ( Confederatie van Kichwa nationaliteiten van Ecuador), Dignité (Confederatie van Vrije Vakbonden van Ivoorkust),de federatie van fábricas recuperadas in Buenos Aires, ICA (International Co-operative Alliance), Working Women’s Forum India, internetofownership.net, de Gemene-Goed-Economie-Beweging, maar ook, en dichter bij ons Hart boven Hard, Tout Autre Chose, de Verenigde Verenigingen, vzw Klimaatzaak, Movement X, Climate Express, Climaxi, Wervel, … De lijst is ellenlang en niet in beeld te brengen.

Die platforms en netwerken zijn ten dele het resultaat van wat Nick Meynen het multinationaal verzet noemt. Dat soort gebundelde initiatieven van onderuit moeten meer bekend gemaakt worden, en de link Noord-Zuid die vaak ontbreekt moet meer gelegd worden. Beheerst ongeduldig. In haar ‘No logo’ vergelijkt Naomi Klein die beweging als een netwerk van naven en spaken. De naven zijn de centra van activiteit; de spaken de koppelingen naar andere centra, die autonoom maar wel onderling verbonden zijn. Die wereldwijde verbindingen zullen we meer dan ooit nodig hebben om, samen met syndicalisten, milieuactivisten, inheemse bewegingen, burgers en radicaal linkse partijen, een roodgroene vuist te kunnen maken.

De ‘grote gevechten’

Maar laten we nuchter blijven: we zullen meer dan ‘naven’ en ‘spaken’ nodig hebben: de ‘grote gevechten’ zullen natuurlijk ook moeten worden geleverd. Ik verwijs daarvoor ook naar de uitstekende artikelenreeks van Stephen Bouquin ‘De stand van het land’ (zie www.apache.be), dat een verslag is van zijn grootschalig onderzoek over de stand van het land inzake opvattingen en opinies. In zijn slot ‘Kan het tij nog gekeerd worden?’ schetst hij enkele toekomstscenario’s waarin hij pleit voor de combinatie van ‘groene’ en ‘rode’ ideologische betekenaars, maar waarin hij ook waarschuwt: ‘Het vergt wél dat men de horizon van de te nemen maatregelen niet beperkt tot hetgeen dat bespreekbaar is voor het VBO of de Europese centrale Bank.

Het is net deze ‘begrenzing’ die in vraag moet gesteld worden. Het tij keren is bijgevolg niet enkel een strijd voor herverdeling en heropbouw van bescherming en regulering maar ook een democratische strijd tegen de ‘onverkozen machten’ die besparingen en afbouw van bescherming en regulering dicteren. Het is tot op zekere hoogte een strijd voor volkssoevereiniteit tegen de sluipende dictatuur van het grote geldwezen.’

‘Beheerst ongeduld’ lijkt mij een houding die ook voor de strategievraag van belang is. De gepolitiseerde neus ophalen voor andermans strijd is geen optie want ‘grote’ en ‘kleine’ strijd moeten complementair gevoerd worden.

 

[i] Roger Jacobs, Het ecosocialisme van André Gorz, in. VMT jaargang 46, nummer 2, p. 87

[ii] Robrecht Vanderbeeken, Buy buy art, de vermarkting van kunst en cultuur, EPO Berchem, 2015, p. 255

[iii] Marcos, Our World is our weapon, New York, 2001. In: David Dessers e.a. Ya Basta! Globalisering van onderop, Gent, 2003.

[iv][iv] Bart Peeters-Akkermans (red.), De staat voorbij, bijdrage van de Koerdische bevrijdingsbeweging, Critica, 2016, p. 33

[v] Kristel Cuvelier, Rojava: een basisdemocratisch alternatief in de Syrische oorlog. In: Bart Peeters-Akkermans (red), op. cit, p. 175

[vi] ‘caracoles’, autonome gebieden met ‘juntos de buen gobierno’ (raden van goed bestuur).

[vii] Florence Aubenas en Miguel Benasayag (2003). Verzet als scheppende kracht. Gent: Academia Press, p. 132

[viii] Florence Aubenas en Miguel Benasayag (2003). Verzet als scheppende kracht. Gent: Academia Press, p. 135

[ix] Colotti, G. In: Le Monde Diplomatique van oktober 2012, dossier: ‘La gratuité, un projet de société’.