Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu
Opinie

‘Nieuwkomers zoals u’: hoe migratie een schuldrelatie wordt

Advocaat Benoit Dhondt verzorgde de slottoespraak op de Orbitateliers. "‘Integratie is een schuld voldoen aan de samenleving, een schuld die je blijkbaar niet in één leven afbetaald krijgt maar overdraagt naar een tweede en derde generatie. Het is een schuld die voldaan moet worden met interest."
vrijdag 29 september 2017

In een recent opiniestuk in Knack heb ik aangekaart hoe enerzijds Belgen wel in een moderne democratie leven als burgers, maar anderzijds de vreemdelingen op ons grondgebied bestuurd worden alsof ze onder het Ancien Regime leefden. Zonder inspraak, zonder onderhandelingsmogelijkheden, in een constante angst voor politie en overheidsdiensten, ziet hun leven er volledig anders uit hoewel we één en dezelfde ruimte delen.

Vandaag zou ik het over de andere zijde van dit bestuur willen hebben, met name over welk soort onderdaan een despotisch bestuur genereert, welk soort subject de wetgever voor de Dienst Vreemdelingenzaken schept.

Een belangrijk document daarbij, waar de titel van deze voordracht ook naar refereert, is de zogenaamde nieuwkomersverklaring. Hoewel vandaag nog niet bindend, is het een soort geloofsbelijdenis voor vreemdelingen. Ik zal niet heel de verklaring voorlezen, je kan die hier achter mij geprojecteerd zien.

Nieuwkomers, zoals u” opent het, en die formulering komt keer op keer terug. Het is niet elke dag dat je rechtstreeks wordt aangesproken door de overheid.

Er wordt op gewezen dat om in vrede en veiligheid samen te leven je, als vreemdeling, je bereid moet verklaren te integreren en actief deel te nemen aan de samenleving. Je moet verklaren grondrechten, vrijheden en gelijkheid te respecteren. De tekst luidt daarna: “Ik begrijp en aanvaard”, en dan volgt telkens de plicht die je op je neemt door de verklaring: de vrijheid van eenieder, gendergelijkheid, de onderhoudsplicht van ouders, de plicht je kinderen actieve burgers te maken via de best mogelijke opleiding en opvoeding, het feit dat huiselijk geweld strafbaar is, dat je moet meewerken om terreur te bestrijden, dat integratie fundamenteel is om een verblijfsrecht te houden, dat om een verlenging te verkrijgen van je verblijf de redenen die geleid hebben tot dit verblijf nog moeten gelden, dat elke betrokkenheid bij een misdrijf de toekenning en het behoud van de verblijfstitel ernstig in gevaar kan brengen, dat de kennis van de taal essentieel is om actief te participeren, dat je jezelf wegwijs zal maken in de samenleving, en om af te sluiten nog de neoliberale principekwestie bij uitstek, de heilige graal der zelfvoorziening: “Ik begrijp en aanvaard dat, in dit land, burgers en gezinnen zélf verantwoordelijk zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Ik zal daartoe de nodige inspanningen leveren. Ik begrijp en aanvaard dat het volgen van de inburgeringstrajecten waarin de deelstaten voorzien, goede kansen biedt om zelfvoorzienend te worden.”

Laten we er voor het gemak van uitgaan dat de tekst goedbedoeld is, de functie ervan is niettemin tekenend. De tekst stelt je buiten de samenleving. Je kan immers enkel door middel van de tekst toegang tot die samenleving krijgen. De tekst houdt in dat jij die rechten en vrijheden niet hebt, noch de mindset ertoe, toch nu nog niet, dat je tekortschiet, en dit omdat je een vreemdeling bent.

Maar de tekst is vooral een knieval. Het is een overgave, een schuldbekentenis. Je wordt verondersteld zonder deze tekst niet tegemoet te komen aan het verwachtingspatroon en de tekst zelf maakt dit tot een contract, eentje met herstelbetalingen. Je hoogstpersoonlijke Verdrag van Versailles.

Integratie is een schuld voldoen aan de samenleving, een schuld die je blijkbaar niet in één leven afbetaald krijgt maar overdraagt naar een tweede en derde generatie. Het is een schuld die voldaan moet worden met interest. Je kan het je niet veroorloven een gewone burger te zijn. Je moet beter zijn dan middelmatig. Je moet sprankelen, dansen, ondernemen, kampioen zwemmen worden, … .Als vreemdeling wordt je niet zozeer gecriminaliseerd, het is veel breder dan dat, je wordt geculpabiliseerd.

De Italiaanse socioloog, Maurizio Lazzarato, benadert in zijn werk, ‘The making of the indebted man’, de mens in tijden van neoliberalisme niet als een burger maar als een schuldenaar en bouwt daarbij in eerste instantie voort op de filosofie van Friedrich Nietzsche.

Nietzsche wees er op dat schuld is wat ontstaat als de ene persoon zich meet met een andere persoon. Het is een verhouding, en houdt dus per definitie een ongelijkheid in. Als burger ben je gelijk voor de wet, maar als schuldenaar wordt er een bres geslagen. Je bent slechts burger op krediet.

Schuld lijkt los te staan van geweld of ideologie, maar dat is schijn. De schuldenaar lijkt ‘vrij’, maar zijn handelingen zijn beperkt tot de limieten van de schuld die hij is aangegaan. Je bent vrij in zoverre je de manier van leven aanneemt die compatibel is met de inlossing van je schuld. De schuldrelatie schept een specifiek type mens, de mens als debiteur. De schuldenaar is een mens die iets goed te maken heeft. Schuld produceert daarmee ook een specifieke moraliteit, die van de fout (de fout de schuld aangegaan te hebben), en die van de belofte (de belofte zijn schuld na te komen).

Die belofte van betaling is de belofte van toekomstige waarde. De toekomst zelf wordt daarmee hetgeen verschuldigd is en de inzet van controle. De taak van de gemeenschap is dan volgens Nietzsche een persoon te creëren die in staat is te beloven, iets in te zetten, om garant te staan voor zichzelf, wat wilt zeggen dat je die persoon een geheugen en een geweten inprent. De schuldenaar wordt daarmee berekenbaar. Er wordt een soort vertrouwen gecreëerd, fiducie, waar onze geldeconomie ook om draait. De keerzijde van dit vertrouwen is de plicht die ermee gepaard gaat. Schuld is immers datgene waartoe je gehouden bent. Dat is de ware betekenis van het ‘rechten, maar ook plichten’ mantra, en transformeert onze perceptie van grondrechten van iets fundamenteels naar iets voorwaardelijks.

De link met migratie is niet ver te zoeken. Het loutere feit te migreren wordt vandaag de dag gezien als een fout. Hoewel het een grondrecht is je land te verlaten wordt het momenteel in eerste instantie als een overtreding gezien. Mensen vluchten om de verkeerde redenen, hun motieven zijn vreemd aan de Conventie van Genève, ze blijven niet om te vechten tegen terroristen of tegen een dictator, ze blijven niet om hun land te ontwikkelen, ze vluchten op de verkeerde manier, blijven niet in het eerste veilige land, of doen het met behulp van een smokkelaar en kopen, dixit onze staatssecretaris, een ticket voor Europa. Ze frauderen, bedienen zich van valse paspoorten, blijven niet in het eerste Europese land dat ze doorkruisen, et cetera. Elk deel van de keuze te migreren op zich tot de aankomst hier wordt gezien als een inbreuk, en de hedendaagse visie op migratie laat niet na hen in gebreke te stellen.

Hoewel je doet wat elkeen doet bij tegenspoed en betere oorden opzoekt, hoewel je jaren hebt zitten wegkwijnen in een structureel ondergefinancierd vluchtelingenkamp, hoewel je geen visum kreeg om op een veilige legale weg te vluchten omdat het risico te groot is dat je asiel zou aanvragen, hoewel je door andere lidstaten bent getrokken waar je door honden gebeten werd, in kooien werd geplaatst, waar je voedsel werd toegeworpen, waar je werd beschoten aan de grens, … heb je een fout begaan. Je hebt een rekening geopend bij Europa en staat vanaf je vertrek in het rood.

Je betaalt borg als je hier aankomt. Iemand staat garant voor je. Je kan vastgezet worden, de kosten voor je repatriëring dienen terugbetaald, je bent boetes verschuldigd voor illegale grensoverschrijding en voor je verblijf op zich. Je schuld wordt vermoed. Je bent hier, wat wilt zeggen dat je in het krijt staat. Je leeft op geleende tijd. Elke dag dat je wacht om die tijd terug te betalen tikt de rekening aan en in ruil eist de Staat van jou onberispelijk gedrag, in functie van je kredietwaardigheid, je vermogen terug te betalen. Je moet ronkende integratieverklaringen ondertekenen, voldoende inkomen hebben en je verblijfsrecht wordt enkel verlengd als je je gedraagt en werkt of studeert.

Het verblijfsrecht zelf, en daarmee ook het verblijf op zich, is in de laatste jaren steeds meer voorwaardelijk geworden, en steeds meer precair. Het is onderhand zowat onmogelijk geworden om nog een onbeperkt verblijfsrecht uit de brand te slepen, en de verblijfsrechtelijke titels waar geen voorwaarden aan kleven zijn mythisch in hun dunbezaaidheid geworden. Het gevolg is een paradox. De voorwaardelijkheid van het verblijfsrecht maakt de geëiste integratie zo goed als onmogelijk. Ik geef u enkele korte voorbeelden. Voorheen kreeg je bij gezinshereniging na 3 jaar een onvoorwaardelijk verblijfsrecht. Deze vagevuurperiode werd deze legislatuur opgetrokken naar de volle vijf jaar.

De Belgische nationaliteit verwerven is een pak moeilijker geworden dan vroeger. Je moet hier voldoende dagen gewerkt hebben en voldoende geïntegreerd zijn. Een naturalisatie kan enkel nog indien je bijdraagt aan de internationale uitstraling van ons land. Het is een gunst, geen recht. Je wordt aan het lijntje gehouden, en als je genoeg in de schaal legt wordt je binnengehaald.

Het meest dramatische voorbeeld is misschien de beperking in de tijd van het vluchtelingenstatuut, wat in volle vluchtelingencrisis een prioriteit bleek. Voorheen had je als erkende vluchteling een onbeperkt verblijfsrecht en kon je eindelijk de draad weer oppikken. Sinds 8 juli vorig jaar is dit een voorwaardelijk verblijfsrecht van 5 jaar geworden, wat wilt zeggen dat ook eens je erkend bent je toch nog steeds niet thuis bent, maar veroordeeld blijft tot de gastenkamer.

Sinds april 2017, sinds de zogenaamde deportatiewet kan je verblijfsrecht, zodra je een bedreiging vormt voor de openbare orde, of er misschien alleen maar van beticht wordt, zonder grondige toetsing, zonder schorsend beroep, zonder meer beëindigd worden. Je kan hier geboren en getogen zijn, en van dag op dag de facto verbannen worden.

Over enkele dagen wordt hier een zoveelste ophefmakende wetswijziging aan toegevoegd die asielzoekers dieper in het rood duwt ten opzichte van een steeds almachtiger migratiebestuur. Het nieuwe wetsvoorstel noemt meervoudige asielaanvragen op zich aanvragen met een 'hoogstwaarschijnlijk misleidend karakter'. Het beperkt de mogelijkheden om beroep aan te tekenen en geeft zowel de asielinstantie, de advocaat, als de rechter minder tijd het dossier te bestuderen.

De samenwerkingsplicht die gold voor asielzoekers ten opzichte van het CGVS wordt uitgebreid naar de DVZ, geen onafhankelijke asielinstantie maar de overheidsdienst die instaat voor hun verwijdering na afwijzing. Nu zal de asielzoeker zijn paspoort en identiteitsbewijzen moeten afgeven aan de DVZ. Hij zal de asielinstanties toelating moeten verschaffen te neuzen in zijn telefoon, laptop en rugzak. Elk stuk, elk voorwerp, elke communicatietoestel (gsm, tablet, draagbare computer, …), elke toegang tot een sociaal netwerksite op internet (Facebook, …), elke uitwisseling van briefwisseling (inclusief elektronische), elke elektronische informatiedrager (Usb-sleutel, cd(rom), geheugenkaartje, …) kan worden opgeëist door de asielinstanties. De asielzoeker mag weigeren, maar niet zonder gevolg voor zijn asielprocedure.

Wat wordt geëist, is niet minder dan onderwerping. Je kan en mag niets meer voorwenden. De samenwerkingsplicht die geldt in asielrecht en inhoudt dat op vlak van feitengaring de asielzoeker en asielinstanties moeten samenwerken wordt omgezet in een totalitaire eis tot transparantie van de asielzoekers. Alle verdedigingsmechanismen moet je laten varen. Onvoorwaardelijke overgave wordt er geëist ondanks alles wat je tot op dat punt hebt moeten lijden onder Staten, ook Europese en ondanks het feit dat fraude je zowat in leven gehouden heeft.

Asielzoekers die bijzonder kwetsbaar zijn dienen als dusdanig geïdentificeerd te worden door de staat. Er dient daar moeite voor gedaan te worden, en dat vergt tijd, middelen en expertise. Die Europese verplichting wordt door het nieuwe voorstel omgezet in een verantwoordelijkheid van de asielzoeker. Die moet zijn kwetsbaarheid zelf op tafel leggen, zijn schroom, zijn littekens, zijn kapotte ledematen…. Van een asielzoeker, zo stelt het wetsvoorstel, kan je immers verwachten dat hij de kansen die hij krijgt aangrijpt. Een gebrek aan medewerking in de ruimste zin van het woord en de vermeende intentie tot misleiden, kan tot slot zelfs een grond zijn om vastgehouden te worden.

Welk soort schuld levert dit alles dan op? Een onmogelijke, niet in te lossen schuld. Een onbestemd soort oordeel, vaker onuitgesproken dan expliciet. Vrij word je nooit echt, hoogstens tijdelijk. Een schuld die het best te vatten valt door terug te vallen op twee schrijvers, met name Stefan Zweig en Franz Kafka.

Zweig schrijft in ‘De wereld van gisteren’ over hoe vermoeid zijn staatloosheid hem eind de jaren ’30 gemaakt heeft en hoe graag hij grond onder de voeten wilt:

Elke vorm van emigratie veroorzaakt op zichzelf onvermijdelijk al een soort evenwichtsstoornis. Je verliest (…) iets van je evenwicht als je niet meer je eigen grond onder de voeten hebt, je wordt onzekerder, wantrouwiger tegenover jezelf. En ik moet bekennen dat ik sinds het ogenblik waarop ik door het leven moest met vreemde papieren en passen, mijzelf nooit meer helemaal als een geheel met mijzelf heb gevoeld. (…) Ik ben terughoudender geworden dan eigenlijk bij mijn aard past en heb – ik, de voormalige kosmopoliet – tegenwoordig voortdurend het gevoel dat ik voor elke ademtocht die ik een ander volk ontneem afzonderlijk dankbaar moet zijn. (…)”

-Stefan Zweig, ‘De wereld van gisteren’, pg.396-397-

Kafka in zijn meesterwerk, ‘Het proces’, laat K., de protagonist die beschuldigd werd van iets waar hij nooit vat op krijgt, een gesprek voeren over hoe relatief de vrijheid is waar hij op kan hopen:

“‘Dan ben ik dus vrij’, zei K. aarzelend. ‘Ja’, zei de schilder, ‘maar alleen schijnbaar vrij of beter gezegd tijdelijk vrij. De laagste rechters namelijk, waartoe mijn kennissen behoren, hebben niet het recht definitief vrij te spreken, dit recht heeft alleen de hoogste, voor u voor mij en voor ons allen volkomen onbereikbare rechtbank. (…) Het grote recht iemand van een aanklacht te bevrijden, hebben onze rechters dus niet, maar wel hebben zij het recht iemand van een aanklacht los te maken. Dat wilt zeggen, als u op deze wijze wordt vrijgesproken, dan bent u voor het ogenblik aan de aandacht onttrokken, maar zij blijft u boven het hoofd hangen en kan, zodra het hogere bevel komt, onmiddellijk in werking treden.”.

-Franz Kafka, ‘Het Proces’, pg.125-

Deze twee schrijvers vatten voor mij erg specifiek wat die schuld als vreemdeling precies uitmaakt, en dit niet toevallig omdat ze geleefd hebben als joden in het vooroorlogse Europa, het Europa waarin ze zowel moesten inburgeren als dat niet mochten. Ze moesten assimileren maar zodra hun zichtbaarheid verdween laaide maatschappelijke onrust op. Wie meent in andere tijden te leven weze eraan herinnerd dat er nooit een oplossing is gekomen voor wat toen het ‘joodse vraagstuk’ werd genoemd. De versnipperde pogroms werden een shoah. We trokken een boetekleed aan dat slechts één seizoen zou meegaan. De shoah maakte de nakba mee mogelijk, de stichting van de staat Israël, en sindsdien is het zo ver gekomen dat we menen dat antisemitisme, een Europese specialiteit sinds jaar en dag, plotsklaps een Arabisch of islamitisch fenomeen zou geworden zijn. Maar een oplossing hebben we nooit gevonden. Vandaag de dag kunnen we nog steeds niet om met een ‘vreemde’ bevolking. We blijven het zien in termen van vreemdheid, van een vraagstuk dat opgelost moet worden. Opnieuw ligt het niet aan ons, ondanks onze eeuwenlange staat van dienst, maar ligt het aan hen. Opnieuw staan zij voor een onmogelijke integratie, en dient er een schuld ingelost te worden die nooit werd aangegaan.

Afsluiten doe ik graag met twee anekdotes. Eentje uit mijn praktijk, en de ander is het slot van ‘Het proces’.



1. “Een jongen van 17 komt hier toe met zijn ouders. De jongen is geboren in Iran, en heeft daar altijd gewoond tot ze gedeporteerd werden naar Afghanistan. Ze krijgen allen negatief, er wordt niet getwijfeld aan het feit dat ze Afghaanse vluchtelingen in Iran waren. De jongen wordt 18 en vraagt opnieuw asiel aan, doet zijn verhaal van A tot Z in het Nederlands met een sappig Limburgs accent en wordt zonder meer erkend als vluchteling. Hij integreert, zijn schuld wordt afbetaald, met diploma’s, beroepsopleidingen, stages, werk en vrijwilligerswerk. Zijn ouders kwijnen weg. De vader heeft gehoorproblemen, en ernstige psychische problemen. De ouders dienen een nieuwe asielaanvraag in. Tot hun ongeloof wordt hen echter tegengeworpen dat er geen geloof wordt gehecht aan hun verblijf in Iran als Afghaanse vluchtelingen. De zoon zijn erkenning wordt vier jaar na datum ingetrokken. Zijn ouders krijgen negatief. Ze dienen een nieuwe asielaanvraag in met bewijs van hun eigen ambassade, bewijs van de Iraanse ambassade, maar ook die wordt verworpen. De zoon verliest zijn verblijfsrecht en geraakt alles kwijt. Niet lang daarna verhangt de vader zich. De zoon vindt hem en gaat na een wanhopige nacht in het ziekenhuis aangifte doen bij de politie. Hij en zijn moeder krijgen er geen gehoor, maar wel een administratieve boete wegens onwettig verblijf en een bevel om het grondgebied te verlaten.”



2. “Weer begonnen de walgelijke beleefdheden. De een overhandigde over K. heen de ander het mes, deze reikte het weer over K. heen terug.

K. wist nu heel precies, dat het zijn plicht geweest was het mes, toen het van hand tot hand boven hem zweefde, zelf te grijpen en in het in zijn lichaam te boren.

Hij deed het echter niet, maar draaide zijn nog vrije hals heen en weer en keek rond. Hij kon niet aan alles voldoen, hij kon de autoriteiten niet al het werk uit handen nemen, de verantwoordelijkheid voor deze laatste fout droeg hij, die hem het restant van de daartoe nodige kracht onthouden had.

Zijn blikken vielen op de laatste verdieping van het aan de steengroeve grenzende huis. Zoals een licht opflitst, zo vlogen de vleugels van een venster daar opeens open, een mens, zwak en slank in de verte en hoogte, boog zich met een ruk ver naar buiten en strekte de armen nog verder uit. Wie was het? Een vriend? Een goed mens? Iemand die medelijden had? Iemand die helpen wilde? Was het een enkeling? Waren het allen? Was er nog hulp mogelijk? Waren er tegenargumenten die men vergeten had. (…) Waar was de rechter die hij nooit gezien had? Waar was het hoge gerecht dat hij nooit bereikt had?

Hij hief zijn handen omhoog en spreidde al zijn vingers. Maar tegen K.’s keel legden zich de handen van de ene heer, terwijl de ander hem het mes in zijn hart stootte en daar twee keer omdraaide. Met brekende ogen zag K. nog hoe de heren vlak voor zijn gezicht, wang aan wang tegen elkaar aangeleund, het einde gadesloegen. ‘Als een hond!’ zei hij, het was alsof de schaamte hem zou overleven”.

Maar ik wil u niet met deze boodschap de herfst insturen. Kafka en Zweig laten ons weliswaar weinig illusies over de bescherming die de zogenaamd joods-christelijke beschaving biedt, maar schreven in de eerste helft van de twintigste eeuw. De normen en waarden waar we ons vandaag op beroepen zijn niet op een vermeende identiteit gebaseerd, maar veeleer op een gebeurtenis. Ze werden in mensenrechtenverdragen en vluchtelingenconventies gegoten in de nasleep van de holocaust en de verschrikkingen van het NSDAP bewind. Die verdragen vieren niet wat we al zijn, maar wapenen ons er net tegen. Ze zijn niet gebaseerd op identiteit, maar zetten basiswaarden uit waar onze overheden zich aan te houden hebben. Als getuige van ons falen zijn ze een les in nederigheid, en bieden ze ons een houvast om te vermijden dat menselijke waardigheid ten prooi zou vallen aan de schuldeisers van deze wereld. Vandaag komt het er dan ook op aan toe te zien dat onze regeringen geen rechterlijke beslissingen naast zich neerleggen, en er op toe te zien dat er gehoor wordt gegeven aan de bezwaren van mensenrechtenorganisaties of het nu gaat om anti-terreurwetgeving, ethnic profiling, de Turkije deal of het uitnodigen van de Soedanese geheime dienst. We moeten kortom de overheid responsabiliseren in plaats van mensen in beschermingsnood, en de cultuur van wantrouwen tegengaan.

K. heeft vandaag de dag immers wel degelijk toeschouwers. Misschien een enkeling, misschien wel allen, maar in elk geval mensen die hulp willen bieden. Of we hulp bieden hangt van ons af.


Bedankt voor jullie aandacht.

 

Benoit Dhondt is advocaat bij Antigone Advocaten en praktijkassistent Migration Law Clinic, Ugent

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.