about
Toon menu
Opinie

Is de val van de sociaaldemocratie onvermijdelijk?

De voorbije verkiezingen in Duitsland bevestigen de blijkbaar niet te stoppen neerwaartse trend die de sociaaldemocratie in heel Europa teistert. Is die terugval onvermijdelijk en wat kan een mogelijk antwoord daarop zijn?
donderdag 28 september 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

In zowat alle landen, ongeacht het kiesstelsel of al dan niet regeringsdeelname, verloren de sociaaldemocratische partijen de laatste jaren een aanzienlijk deel van hun electoraat. De teruggang is al langer bezig maar zette zich vooral door na de financiële crisis van 2008. In sommige landen is de achteruitgang catastrofaal zoals in Frankrijk, Nederland en Griekenland waar ze bij de laatste verkiezingen nog maar op 6 procent van het electoraat konden rekenen. Labour in het Verenigd Koninkrijk is hier de uitzondering die de regel bevestigt en dat heeft alles te maken met zijn radicaal verhaal, maar daarover straks meer.

De neergang van de sociaaldemocratie gaat gepaard met de opkomst van anti-establishment partijen, zowel radicaal linkse als radiaal rechtse. Dat roept direct de vraag op waarom deze partijen en niet de sociaaldemocraten goed scoren in de huidige context van economische recessie en van brutale besparingspolitiek. Waarom slaat hun boodschap niet meer aan, waarom weten ze de kiezer niet meer te bekoren? Om die vragen te beantwoorden draaien we de klok eventjes terug.

De hoogdagen

De hoogdagen van de sociaaldemocratie lagen in de periode na de tweede wereldoorlog. Het fascisme was verslagen, (extreem-) rechts was zwaar gediscrediteerd en de arbeidersbeweging stond sterker dan ooit. Uit schrik voor het communisme waren de elites bereid om heel wat toegevingen te doen. In de woorden van Philippe Mouraux, PS-politicus en minister van staat: “Waarom hebben we in de naoorlogse periode zo'n grote sociale vooruitgang geboekt? Omdat de communisten de bourgeoisie met doodsangst vervulden.”[1] En er konden ook heel wat toegevingen gedaan worden omdat de economie heel sterk aantrok.

In die omstandigheden werd de sociale welvaartsstaat uitgebouwd. Als medebeheerder van die sociale vooruitgang konden de sociaaldemocraten rekenen op veel goodwill bij een groot deel van de bevolking. Het woord medebeheerder is juist gekozen om dat de sociaaldemocraten niet aanstuurden op grondige wijzigingen van het kapitalistisch systeem maar zich beperkten tot een verdeling van de ‘buit’.

De naoorlogse sociale herverdeling en uitbouw van de welvaartsstaat waren echter niet naar de zin van de elites. Zij zagen hun aandeel in de rijkdom gevoelig zakken en dat was uiteraard niet naar hun zin (zie grafiek).[2] Ze deden er alles aan om het tij te doen keren.

Ze stopten tientallen miljoenen dollars in rechtse denktanks, die een overtuigende ideologie moesten uitbouwen als alternatief voor de welvaartsstaat. De ideologie zou later omgedoopt worden tot neoliberalisme. Het ging om een sociaaleconomisch beleid gekenmerkt door minder belasting op kapitaal, bezuinigingen op sociale uitkeringen, verminderen van overheidsuitgaven, privatiseren, dereguleren en vrijhandel. Voorwaarde voor zo’n neoliberaal beleid was het neutraliseren van de bewaker van de welvaartsstaat: de vakbonden.

Het was een krachtige ideologie, maar in de naoorlogse jaren waren de krachtsverhoudingen niet gunstig genoeg om wortel te kunnen schieten. Daar kwam verandering in met de zware economische crisis van 1973. Grote, langdurige werkloosheid betekende een flinke verzwakking van de vakbonden. Het neoliberaal gedachtengoed, dat na WOII marginaal was, werd nu volop gelanceerd, deze keer met succes. De val van de Berlijnse Muur in 1989 gaf dat ideologisch offensief een extra boost. Stilaan kreeg het asociaal neoliberaal gedachtengoed overwicht bij de publieke opinie. Tezelfdertijd geraakte de arbeidersbeweging meer en meer in het defensief.

De capitulatie

In plaats van zich schrap te zetten en ideologisch te herbronnen capituleerde de sociaaldemocratie. Na aanvankelijk wat gemor omarmde ze uiteindelijk de TINA-doctrine: er is geen alternatief voor het neoliberalisme. Dat betekende deregulering, financiële liberalisering, privatisering, lagere belasting op kapitaal, aantasting van de koopkracht, slechtere arbeidsvoorwaarden en bezuinigingen op sociale zekerheid en gezondheidszorg. Blair dweepte met de ‘Derde Weg’, Schröder koos resoluut voor een lageloonmodel en in Scandinavië trokken de sociaaldemocraten de kaart van flexibele jobs.

Het was geen verzet tegen het neoliberaal offensief maar een medebeheer ervan, een soort ‘neoliberalisme light’. De sociaaldemocraten kozen er niet voor om de achterban massaal te mobiliseren tegen het asociaal beleid maar wel om zoveel mogelijk mee aan de regeringstafel te zitten. “In plaats van het systeem uit te dagen, werden ze een actief onderdeel ervan”, aldus Chantal Mouffe.[3] Principes en de strijd voor verworven sociale rechten moesten wijken voor ministerpostjes.

De partijprogramma’s verschilden nauwelijks nog van hun politieke concurrenten. Ze hadden in wezen niets origineels meer in te brengen in het politiek debat. Parallel daarmee gingen ze er van uit dat om de verkiezingen te winnen er moest gemikt worden op het centrum en niet op de traditionele achterban of op achtergebleven bevolkingslagen. Ze gingen er verkeerdelijk van uit dat de traditionele achterban electoraal nergens elders naar toe kon. Hoe dan ook, met de centrumkoers was de ideologische ontwapening compleet. Margaret Thatcher beschouwde de capitulatie en ideologische ontwapening van de sociaaldemocraten, belichaamd in de ‘New Labour’ van Tony Blair, als “haar grootste verwezenlijking”.[4]

En dan is er ook nog de Europese Unie. Daar werd en wordt de gestage afbouw van de sociale welvaartsstaat institutioneel verankerd met de zogenaamde convergentienormen, het Stabiliteits- en Groeipact, het Euro Plus Pact, enz. Nationale staten speelden daarmee een groot deel van hun soevereiniteit kwijt en dragen hun sociaaleconomisch beleid ten dele over aan een niet-verkozen technocraten. Sociaaldemocraten, maar ook Groenen stemden telkens opnieuw vrolijk mee met die machtsoverdracht en neoliberale curatele.

De prijs

Het neoliberaal beleid, al dan niet in light-versie, heeft geleid tot financiële chaos en tot bijna 10 jaar economische stagnatie in Europa. Opvallend daarbij is dat Portugal, dat precies gebroken heeft met het neoliberaal recept, opvallende goede macro-economische cijfers laat optekenen.[5] (Zie Waarom regering Portugal geen frontpaginanieuws is).

Op economisch vlak is de neoliberale aanpak uitgelopen op een puinhoop. Maar de gevolgen lieten zich vooral voelen op sociaal vlak. De afgelopen tien jaar heeft twee derde van de bevolking in de rijke landen zijn inkomen zien dalen of stagneren. In het slechtste geval zou dat voor drie kwart van die bevolking de volgende tien jaar nog eens het geval kunnen zijn.[6] De laagste inkomen werden het hardst getroffen.[7] De kloof tussen rijk en arm is sterk toegenomen. Vandaag loopt bijna een kwart van de Europese bevolking het risico om in armoede te leven, terwijl de 1 procent rijkste Europeanen een derde van alle rijkdom bezit.[8]

De sociale achteruitgang is niet te wijten aan gebrek aan middelen of rijkdom, maar aan politieke wil. En dat beginnen meer en meer mensen te beseffen. Zij voelen zich niet meer vertegenwoordigd door de traditionele politieke partijen en gaan op zoek naar alternatieven. Logischerwijze is dat meest het geval bij de aanhangers van de sociaaldemocratie, omdat daar de kloof tussen partijprogramma en de praktijk het grootst is. Zij worden in toenemende mate gezien als behorend tot het establishment dat verantwoordelijke wordt geacht voor hun sociale achteruitgang. Daardoor spelen die partijen het vertrouwen kwijt. Zo bijvoorbeeld denkt nog maar een derde van Duitsers dat de SPD sociale gerechtigheid nastreeft.[9] Geen wonder dat ze het elders gaan zoeken.

Het eerste antwoord op de verzwakking van de arbeidersbeweging en de capitulatie van de sociaaldemocratie kwam er al in de jaren tachtig met Margaret Thatcher. Haar aanpak omschreef Stuart Hall als ‘autoritair populisme’.[10] Thatcher was haar tijd al bij al ver vooruit. Het was wachten op de financiële crisis voor een echte doorbraak van het autoritaire populisme in Europa, met figuren als De Wever in België, Marine Le Pen in Frankrijk, Geert Wilders in Nederland, Beppe Grillo in Italië, Viktor Orban in Hongarije, Jaroslaw Kaczynski in Polen, en nu ook Alexander Gauland in Duitsland.

Er zijn gelukkig ook antwoorden aan de andere kant van het politieke spectrum: Mélenchon in Frankrijk, Corbyn in Groot-Brittannië, Syriza in Griekenland, Podemos in Spanje, de SP in Nederland, die Linke in Duitsland, de PVDA in ons land. In mindere of meerdere mate slagen zij erin om de linkerflank overeind te houden.   

Onvermijdelijk?

Is de neergang van de sociaaldemocratie onvermijdelijk? Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië toont alvast dat dit niet het geval is. Zijn boodschap is radicaal, breekt met de Derde Weg en vertrekt van de reële problemen van de mensen. Zijn voorbeeld laat wel zien dat de meeste sociaaldemocratische partijen op zowel organisatorisch als politiek-ideologisch vlak momenteel slecht uitgerust zijn om een antwoord te bieden op de misnoegde kiezer. Elke partij moet uiteraard voor zichzelf uitmaken hoe de actuele uitdagingen dienen aan te pakken. Ik schets hieronder, op basis van de diagnose hierboven, enkele mogelijke elementen van antwoord.

  1. Investeren in de toekomst.
    De austeriteitspolitiek moet op zijn kop gezet worden. Dat houdt onder meer een grootschalig investeringsprogramma in en ook de verhoging van de koopkracht. Daar is helemaal niets radicaals aan, maar het is wel een breuk met bijna veertig jaar neoliberaal beleid en het staak haaks op de orthodoxie van de EU. Maar niet getreurd, zelfs de zeer blauwe minister Reynders pleit dezer dagen voor zo’n relanceplan.[11] Aan geld voor zo’n plan is er geen gebrek. Het voorbije jaar werd voor liefst 221 miljard euro aan ‘geldoverschot’ versluisd naar Panama, de Kaaimaneilanden, Bermuda en andere exotische oorden.[12] Met een tiende daarvan zou al heel veel kunnen gerealiseerd worden.
  2. Een positief en offensief tegenverhaal.
    Uit recent onderzoek blijkt dat millennials de politiek de rug toekeren omdat politieke partijen geen inspirerend project bieden dat hoop geeft en dat de moeite waard is om in te investeren.[13] Een defensieve opstelling bekoort niet, durven dromen of buiten de lijntjes kleuren wel. Aan ideeën alvast geen gebrek: 30-urenweek, miljonairstaks, gratis gezondheidszorg, optrekken van alle uitkeringen boven de armoedegrens, klimaatneutrale steden, praktijktesten, nationaliseren van sleutelsectoren zoals energie en banken, …[14]
  3. Mobilisatie en organisatie van de achterban.
    De geschiedenis leert dat de belangrijkste sociale verwezenlijkingen (stemrecht, afschaffen kinderarbeid, achturendag, betaalde pensioenen, …) er gekomen zijn door de straat en vaak tegen het parlement in. Vandaag zijn partijen teveel electorale machines geworden die de burger beschouwt als passieve stemmers die men vooral via veel publiciteit en via de media probeert te bereiken. De kerntaak van een partij die een brede sociale achterban wil bereiken, moet niet bij de verkozenen liggen, maar in de sociale strijd, op de werkvloer en in de wijken en meer bepaald in het organiseren van de mensen. Mélenchon, Corbyn en Sanders geven hier het goede voorbeeld. Daarmee onderscheiden ze zich ook van het populisme. Populisme is het mobiliseren of sensibiliseren van de achterban zonder die te organiseren en te vormen.
  4. Anti-establishment.
    Een van de erfzonden van de sociaaldemocratie is dat er zich aan de top van de partij een elite van beroepspolitici vestigt die privileges verwerft en zich integreert in het establishment. Dat is het best mogelijke recept om de principes te laten verwateren en zich te vervreemden van de achterban. Wie niet leeft zoals hij denkt zal snel denken zoals hij leeft, het is een ijzeren wet. De zelfbedieningscultuur die de laatste maanden naar boven is gekomen, toont hoe hardnekkig en noodlottig deze constructiefout is.
  5. Mede beheren of systeem veranderen?
    In hun beginperiode streefden de sociaaldemocraten fundamentele wijzigingen na van de maatschappij. Maar vrij snel borgen ze die ambitie op en beperkten ze zich tot het medebeheren van het maatschappelijk bestel. Ze deden dat zowel tijdens de Keynesiaanse periode (jaren 50-70) als nadien tijdens de neoliberaal tijdperk. Ze verzaakten daarmee aan hun oorspronkelijke zending en maakten zichzelf daarmee in wezen zo goed als overbodig. Vandaag staan we voor reusachtige uitdagingen zoals het kwalitatief verbeteren van de welvaartsstaat en de klimaatopwarming. Realpolitik zal hier niet volstaan. Er is een paradigmawissel nodig en dat zal enkel lukken door structurele wijzigingen van het sociaal, economisch en politiek bestel. Het socialisme moet terug op de agenda. 

Bronnen

Beschorner T., ‘Linke Heldengeschichte dringend gesucht’. 
Jerez A. & Monedero J., ‘La crisis de la socialdemocracia’.
Johnson A., ‘What’s Left?: Social Democrats in Disarray’. 
Lévesque B., ‘The crisis in European social democracy: a crisis like no other’.
Maillard S., ‘Une social-démocratie européenne en crise’. 
Mouffe C., ‘Entretien par Gildas Le Dem’. 
Münchau W., ‘How to quell the politics of insurrection’, Financial Times 7 november 2016, p. 11.
Münchau W., ‘The left in Europe needs to change political course’, Financial Times 3 oktober 2016.
Münchau W., ‘Perplexing failure of Europe’s centre-left’, Financial Times 21 September 2015, p. 11.
Navarro V., ‘Matteo Renzi: ¿la alternativa socialdemócrata en Europa?’. 
Navarro V., ‘Social Democracy’s Great Error: Similarities Between the Schröder and Zapatero Administrations’.
Owen J., ‘No alternative to austerity? That lie has now been nailed’.
Owen J., ‘Labour’s manifesto is a template for the struggling left worldwide’.
Owen J., ‘A strategy for Jeremy Corbyn’s leadership to succeed’. 
Schlamp H., ‘Faymann, Gabriel, Hollande - der Niedergang der Genossen’.
Urban M., ‘Crépuscule de l’ “extrême centre”’, Le Monde Diplomatique November 2016, p. 3.
Vittori D., ‘Is social democracy facing extinction in Europe?’.
Rose thou art sick’, The Economist 2 april 2016. 

Voetnoten

[1] Knack 17 oktober 2007, p. 48.
[2] Piketty T., Capital in the Twenty-First Century, Londen 2014, p. 324.
[3] Geciteerd in Beschorner T., ‘Linke Heldengeschichte dringend gesucht’.
[4] McSmith A., Chu B., Garner R., ‘Margaret Thatcher's legacy: Spilt milk, New Labour, and the Big Bang - she changed everything’, The Independent 8 april 2013.
[5] Dewitte D., ‘Portugal: einde van besparingspolitiek leidde tot economisch mirakel’; Wise P., ‘Costa confounds critics as Portuguese economy holds course’, Financial Times, 3 januari 2017, p. 2; Owen J., ‘No alternative to austerity? That lie has now been nailed’.
[6] McKinsey Global Institute, ‘Poorer than their parents? Flat or falling incomes in Advanced economies’, juli 2016, p. ix.
[7] Financial Times, Special Report, The World 2017, 17 januari 2017, p. 3; .
[8] Oxfam, ‘Increasing inequality plunging millions more Europeans into poverty’, 9 september 2015.
[9] Schlamp H., ‘Faymann, Gabriel, Hollande - der Niedergang der Genossen’, .
[10] Coatesy T., ‘Stuart Hall, Thatcherism and Marxism Today’.
[11] In het radiojournaal van één had zei hij dat er “dringend hervormingen nodig waren” omwille van “de vele arme mensen in Europa”. Volgens hem is een “relance beleid nodig” en “meer investeringen”. Radio één, 25 september 2017, 9u.
[12] De Standaard 14 juli 2017.
[13] Vermeersch W., ‘Hoe kijken jongeren vandaag naar politiek?’.
[14] Zie bvb. Mertens P. (ed.), ‘De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen’, Berchem 2015; Decreus T. en Callewaert C., ‘Dit is morgen’, Berchem 2016.