about
Toon menu
Opinie

De markt versus de samenleving: pleidooi voor overheidsbedrijven

"De toekomst van onze openbare diensten en overheidsbedrijven is te belangrijk om over te laten aan donkere achterkamertjespolitiek", zo schrijft Chris Reniers in Samenleving en Politiek.
maandag 25 september 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Sinds het zomerakkoord kan CD&V niet langer pretenderen voorstander - laat staan verdediger - te zijn van sterke openbare diensten. De maskers vallen af. Zeker dat van Kris Peeters, het zogenaamde ‘sociale gelaat’ van de regering-Michel, toen hij aankondigde het privatiseringsdebat van de overheidsbedrijven na de zomer binnen zijn partij te willen aanzwengelen.1CD&V maakt nu volledig deel uit van de neoliberale unie van Open Vld en N-VA, dit zowel op sociaaleconomisch vlak als wat de organisatie van de overheid betreft. In deze bijdrage tonen we aan waarom inzetten op overheidsbedrijven wel degelijk loont en op welke manier vermarkten leidt tot verliezen.

 

Tijd van de collega's is voorbij

Het mag weinig verbazen dat in de neoliberale logica onze overheidsbedrijven als eersten onder vuur komen te liggen. De kritiek uit de hoek van aandeelhouders en topmanagers van grote en mondiaal actieve financiële en industriële groepen, daarbij gesteund door een aantal liberale politici, op de overheidsbedrijven is gekend. Overheidsbedrijven zijn ‘niet efficiënt’, want ‘bureaucratisch en gepolitiseerd’ en geven ‘geen goede prijs-kwaliteitverhouding’ aan ‘de klanten’. Onzin. Maak de analyse van de overheidsbedrijven en merk meteen dat ze van zeer goed tot nog altijd beter presteren dan de privébedrijven - vanzelfsprekend rekening houdend met de doelstelling en de context waarbinnen ze werken.

Dat de private sector altijd efficiënt en performant werkt en dat de openbare sector nog altijd de fase van De Collega’s niet ontgroeit, is een stelling die naar het rijk van de fabeltjes kan worden verwezen. De bankensector, toch bij uitstek zeer geprivatiseerd, heeft onze samenleving onwaarschijnlijk veel geld gekost. Toch blijft in die sector, met name bij Belfius, ook het privatiseringsspook rondwaren. Bewijs dat het meer om de verwezenlijkingen van een ideologisch model gaat dan over efficiënt werken. Wetenschappelijk onderzoek toont ook aan dat de privésector niet intrinsiek efficiënter is dan de publieke sector. Het PIQUE-project, bijvoorbeeld, onderzocht de impact van de privatisering op de productiviteit, de tewerkstelling en de dienstverlening van de post, de elektriciteit- en gassectoren en de telecommunicatiesectoren van Oostenrijk, Duitsland, Polen, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en België.2 Wat blijkt? De kostenbesparingen door verhoogde productiviteit zouden in deze sectoren en landen vooral een gevolg zijn van technologische vernieuwing, en niet van liberalisering of privatisering. Ook in de watersector en de afvalverwerkende sector had privatisering géén drukkend effect op de productiekosten.

Hernationaliseren is de trend

Wetenschappelijke studies zeggen natuurlijk niet alles. Veel illustratiever voor het falen van de markt zijn de geprivatiseerde diensten die opnieuw in publieke eigendom en beheer worden genomen. Het zijn vooral de slechte ervaringen met privatisering die doen verlangen naar betere oplossingen voor zowel de werknemers als de gebruikers van de openbare diensten. Die slechte ervaringen hadden alles te maken met de toename van de kosten (bijvoorbeeld hoge juridische kosten verbonden aan het afsluiten van een contract), met de verloedering van de infrastructuur door een gebrek aan investeringen en onderhoud (zeg maar schuldig verzuim), met de kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening (onder andere door de besparingen op personeel) en de gestegen tarieven voor de gebruikers.

Volgens een recent rapport zijn er wereldwijd zeker 1.600 steden die om deze redenen besloten om nutsvoorzieningen zoals water, gas en elektriciteit opnieuw in eigen huis te nemen.3 In Argentinië wist de regering-Kirchner van het verlieslatende geprivatiseerde postbedrijf een performant, winstgevend overheidsbedrijf te maken dat een goedkopere maar wel kwalitatievere en universelere (afgelegen, landelijke regio’s werden opnieuw bediend) dienstverlening aanbood. Ook in het geprivatiseerd personenvervoer, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, werden een aantal spoorlijnen waaronder ook de East Coast Line opnieuw ‘gehernationaliseerd’. Niet alleen bleek de overheid na de privatisering als sponsor te moeten optreden (het was dat of geen reizigersvervoer), ook investeringen in de infrastructuur bleven achterwege en de dienstverlening (zowel qua tarief als kwaliteit) was ronduit abominabel. Bewijs van de stelling dat men met privatisering wel de deur openzette voor snelle en zekere winsten (gespekt door subsidies), maar niet voor een continuïteit van de dienstverlening.

Na de nationalisering van de East Coast Line klom de gebruikerstevredenheid op tot 91%. Het publieke spoorbedrijf kon de beste efficiëntiecijfers voorleggen in de sector en liet de private uitbaters ver achter zich. Het wist zelfs 1 miljard pond terug te betalen aan de schatkist. In 2015 werd de East Coast Line opnieuw, tegen elke logica in, geprivatiseerd door de regering-Cameron.4

De noodzaak van overheidsinvesteringen

Overheidsbedrijven - zowel op lokaal als regionaal en nationaal niveau - slagen erin om zowel kosten en tarieven naar omlaag te halen, als om de werkomstandigheden en de dienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd leggen zij meer transparantie aan de dag wat betreft hun boekhouding (fraude is een gekend probleem bij PPS). Bovendien hebben overheidsbedrijven in de eerste plaats een publieke verantwoording af te leggen aan de burgers die samen de openbare diensten creëren, financieren en doen leven. Aandeelhouders, daarentegen, doen maar wat hun best om te ontsnappen aan die publieke verantwoording. Want hoe je het ook draait of keert: aandeelhouders van private bedrijven zijn gefocust op winstbejag, iets wat vaak niet spoort met het algemeen belang van de burgers. Aandeelhouders stellen het algemeen belang gelijk aan de beurskoers van hun aandelen, de winstprojecties van hun bedrijven en de groei van hun dividendenuitkering. Voor hen zijn de openbare diensten en de overheidsbedrijven slechts economische activa die zoveel mogelijk moeten opbrengen en na verkoop op de aandelenmarkten ook nog een mooie meerwaarde moeten opleveren. Belastingvrij, uiteraard.

Dat dit nefast is voor de continuïteit van de openbare dienstverlening én het groeipotentieel van de productieve economie is duidelijk.5 Dienstverlening aan de burgers van een land, dé publieke waarde bij uitstek, verdwijnt zo stelselmatig van de radar. Nog meer zou dat het geval zijn wanneer de regering zou beslissen om het meerderheidsaandeel in Proximus en Bpost te verkopen. Want laat ons eerlijk zijn. Er zijn bepaalde economische sectoren die cruciaal zijn voor het functioneren van een moderne economie, en die het puur lokale en zelfs nationale overstijgen. Bpost bijvoorbeeld heeft een uitgebreid, nationaal geïntegreerd netwerk aan postkantoren en afhaalpunten, wat een significante troef is in de snel evoluerende en uiterst competitieve markt van post- en pakjesbedeling. Een troef om aan vast te houden als overheid, in plaats van af te bouwen of te verkopen.

De privatisering van overheidsbedrijven is dus zeker ook niet de beste manier om de staatsschuld weg te werken. Zo leveren Proximus en Bpost de staat jaarlijks flink wat dividend op. Verkoop de overheidsbedrijven in een one-shot-operation en je verliest de daaropvolgende jaren flink wat inkomsten. Zo duikt de begroting op termijn nog verder in het rood en moet de overheid nog meer schulden aangaan om de uitgaven te financieren. De lange geschiedenis van privatisering toont bovendien aan dat de overheidsaandelen vaak onder hun echte marktwaarde worden verkocht. Een recent voorbeeld daarvan was de privatisering van het Engelse Royal Mail. Het bedrijf was zeker 10 miljard pond waard, maar de regering verkocht het voor een schamele 3,3 miljard pond.6

Alleen een overheid met een meerderheidsaandeel kan de cruciale publieke investeringen van overheidsbedrijven in de nationale infrastructuur - van postnetwerken tot spoorwegen en internet, energie en telecommunicatie - daadwerkelijk garanderen. Waarom? Omdat het gaat om grote kapitaalinvesteringen met een lange levensduur die niet onmiddellijk winsten opleveren en daarom minder interessant zijn voor aandeelhouders en private investeerders. Subsidies geven om private eigenaars aan te sporen tot nieuwe investeringen (zoals in de Engelse energiesector) is zeer inefficiënt, omslachtig en kost de belastingbetaler uiteindelijk ook veel meer geld. Het is namelijk zo dat de overheid goedkoper kan lenen voor grootschalige investeringen dan privébedrijven. Door de hogere rentekosten belandt een deel van de publieke subsidies aan de private investeerders gewoon in de handen van dezelfde banken en financiële instellingen, die met hun roekeloze gedrag de openbare financiën in het rood hebben geduwd.7

Kortom, het is beter om als overheid zelf in te staan voor publieke investeringen en de overheidsbedrijven daarvoor in te schakelen. Overheidsinvesteringen kunnen leiden tot een herstel van de vraag. Ze kunnen bijgevolg ook een positief effect hebben op de private investeringen, de economische groei en de uitzuivering van de publieke financiën. Recent nog baseerde de hoofdeconoom van Belfius-bank zich op een IMF-studie om deze stelling kracht bij te zetten.8 Volgens het IMF kan een publieke investeringstoename van 1% na één jaar al een bbp-toename van 0,4% realiseren. Na vier jaar zou dit al kunnen oplopen tot een bbp-toename van 1,5%. Het is daarom intriest dat Kris Peeters & co nu het plan hebben opgevat om Belfius te privatiseren. Deze openbare bank zou een voortrekkersrol kunnen spelen in een sociaal-ecologische omslag van onze economie door te investeren in groene energie en goed geïsoleerde sociale woningen.9

Publieke investeringen zwengelen ook private jobcreatie aan

Ook de positieve tewerkstellingseffecten van publieke investeringen zijn navenant. Volgens de OESO voorziet de overheid in ongeveer 50% van alle jobs dankzij tewerkstelling, investeringen, aanbestedingen en multiplicatoreffecten. Bij het uitbarsten van de financiële crisis deden onze overheidsbedrijven ook dienst als economische stabilisator door vast te houden aan de tewerkstelling. Zonder die stabilisatoren zou de binnenlandse vraag in elkaar storten en de economische dip veel dieper uitvallen. Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie hangt dit stabilisatoreffect samen met de vele middenklassejobs die zich situeren in de overheidsbedrijven en de publieke sector.10 Privatisering zou nefast zijn voor de loon- en arbeidsvoorwaarden van de werknemers uit de publieke sector. Het zou verder bijdragen tot de krimp van de middenklasse, de toename van de sociale ongelijkheid en, ultiem, tot minder economische welvaart.

Daarom ijveren we ook voor het behoud van overheidsbedrijven, de publieke tewerkstelling én het ambtenarenstatuut. De discussies over eigendomsvormen en werknemersstatuten zijn nauw met elkaar verbonden. De regering zet hard in op flexwerk in de privésector en nu doet ook uitzendarbeid haar intrede in de openbare diensten. Stabiele jobs in de publieke sector inruilen voor een veelvoud aan lager betaalde, precaire jobs is alleen goed nieuws voor de uitzendsector en werkgeversorganisatie Federgon. Net zoals privatiseringen en de inschakeling van PPS-constructies, dient de invoering van uitzendarbeid in de openbare diensten hetzelfde enge doel: aan private investeerders, financiers en dienstverleners nieuwe mogelijkheden geven om snel en gegarandeerd winsten te maken op kosten van de belastingbetaler.

Is dat ook wat onze overheidsbedrijven te wachten staat? De intentie van Kris Peeters om dit najaar de privatisering voor te bereiden in een ‘discrete werkgroep’ voorspelt weinig goeds. Ook dit is een beproefde tactiek bij privatiseringen. Het gebrek aan transparantie en de onwil tot publieke verantwoording en debat speelt in het voordeel van de economisch machtigen. De toekomst van onze openbare diensten en overheidsbedrijven is echter te belangrijk om over te laten aan donkere achterkamertjespolitiek.


Chris Reniers

Voorzitter ACOD


Deze tekst verscheen eerder in Samenleving en Politiek


1 http://www.standaard.be/cnt/dmf20170728_02992377

2 Christoph Hermann, Jörg Flecker (red.), Privatisation of Public Services and the Impact on Quality, Employment and Productivity (PIQUE) – Final Report, 2009.

3 Satoko Kishimoto, Olivier Petitjean (red.), Reclaiming Public Services. How cities and citizens are turning back Privatisation, 2017.

4 Zie hierover het rapport van de Britse sociale beweging We Own It, Manifesto 2017: How public ownership can give us real control, 2017.

5 Verschillende economen wijzen op de negatieve gevolgen van “financialisering” voor de prestaties van de reële economie. Zie o.a. Gérard Duménil and Dominique Lévy, The Crisis of Neoliberalism, 2011 en J. Stiglitz, The Price of Inequality. How Today’s Divided Society Endangers our Future, 2012.

6 https://weownit.org.uk/public-ownership/royal-mail.

7 David Hall (PSIRU),Why Public-Private Partnerships don’t work. The many advantages of the public alternative, februari 2015.

8Geert Gielens, Arnaud Dessoy (Belfius), Is een black-out van de overheidsinvesteringen onvermijdelijk? 2014; Belfius-Research, Het belang van overheidsinvesteringen voor de economie, maart 2015.

9 Sacha Dierckx (Denktank Minerva), Waarom de privatisering van Belfius een slecht idee is (en een publieke bank veel voordelen biedt), juli 2017.

10 IAO, Trends in the world of work: What effects on inequalities and middle-income groups?, 29 February 2016