Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

Quinsy Gario en Rachida Aziz over de verblindende witheid van de podia in Vlaanderen en Nederland

Door een opiniestuk van Tunde Adefioye, stadsdramaturg bij de KVS staat de discussie weer op scherp. De kunstwereld is te wit. Tunde Adefioye is de drijvende kracht achter de SLOW-sessies in de KVS, die de artistieke onderstroom van de straat naar het podium moeten brengen. Voor SLOW 2 haalde hij kunstenaar Quinsy Gario van Amsterdam naar Brussel. De teksten werden geproduceerd in Le Space, de artistieke ruimte van Rachida Aziz. Dit is de weergave van een gesprek tussen Rachida Aziz en Quinsy Gario.
zaterdag 12 augustus 2017

Quinsy Gario blaast tussen twee repetities even uit op het terras van de KVS. Na twee weken intens werken heeft hij een stukje gezien van de culturele werkelijkheid van Brussel. Het vormt de basis voor dit gesprek.

Quinsy Gario: “Ik vind het altijd heel fascinerend om witte mensen te bestuderen die actief zijn binnen de culturele sector maar die nooit mensen met een andere afkomst hebben gesproken of ontmoet. Tegelijkertijd zitten zij wel op posities waar ze macht uitoefenen, ook over kwesties van culturele diversiteit. En blijkbaar kunnen ze dat blijven doen omdat de goegemeente dat best fijn vindt. Maar van mijn bestuderende blik schrikken witte mensen. ‘Wij hoeven toch niet het object van studie te zijn’, zeggen ze dan.”

Rachida Aziz: Als je wit bent, heb je autoriteit over anderen. Dat wordt als heel vanzelfsprekend beschouwd.

“Zij beslissen niet alleen. Er wordt ook nog eens verwacht dat je dankbaar bent wanneer je een kans krijgt. Ik heb het altijd heel moeilijk om daarmee om te gaan. In Nederland heb ik geweldige kansen gekregen om dingen te doen. Maar ik voel het ook altijd schuren. Omdat je toch altijd ook voelt dat sommigen vinden dat je daar niet hoort. Ik veeg daar mijn voeten aan en blijft altijd gewoon doen wat ik doe. Maar ik weet wel dat ik op een mijnenveld loop.”

Als ik in zo’n witte ruimte zit, heb ik de neiging om heel scherp uit de hoek te komen. I kick ass en dan denk ik altijd: die gaan me nooit meer uitnodigen, maar ze blijven dat wel doen.

“We hebben die ongemakkelijke gesprekken nodig. Alleen zo kunnen we duidelijk maken dat er verschillende realiteiten bestaan. Zij doen dan alsof jouw realiteit niet bestaat, alsof je een zeikerd bent, alsof wat jij meemaakt een gevoel is en niet gebaseerd op feiten.”

“Een vriendin wees me er op dat witte mensen aan tafel willen zitten om te onderhandelen. Maar hoe kan je onderhandelen over je menselijkheid? Ik weet nog dat ik ooit met burgemeester Eberhard van der Laan aan tafel zat om te praten over de sinterklaasintocht in Amsterdam (Quinsy Gario gaf in 2011 het zogenaamde zwarte piet-debat een stroomstoot met zijn artistieke interventie ‘zwarte piet is racisme’, nvdr). Toen kwamen ze met een belachelijk plan op de proppen. Iedereen rond de tafel zei ja en ik, die als laatste aan de beurt kwam, zei nee. Het was zo fascinerend om te zien wat er toen gebeurde. ‘Wat doe je nu? We waren het toch eens? Ja, maar als het misloopt is het nu wel allemaal jouw schuld.’ Alsof ik ook maar enigszins de macht had om iets te verprutsen.”

Het is interessant om te zien hoe sommige mensen niet willen inzien dat ze macht hebben. Niet willen weten dat er bepaalde systemen gecreëerd zijn om hen voordelen te geven. Op het moment dat je daar tegen reageert ben jij de enige die verkeerd is, die het helemaal fout ziet. Nee hoor, niet wij, de boodschappers hebben het verkeerd. Het systeem zit verkeerd. Maar de discussie is eindelijk losgebarsten. Het gaat eindelijk over witte structuren en over witte privileges, ook bij progressieven. Maar het leidt tot heel heftige reacties. Sommigen beschouwen ons als verraders. Dat begrijp ik ook, zij hebben heel hun leven gestreden en wij zijn daar niet dankbaar voor. Wij zeggen: sorry, je strategie werkt niet, nu is het aan de slachtoffers om de strijd in handen te nemen.

“Wit superioriteitsdenken is niet alleen een conservatief ding. Je ziet het niet alleen bij rechts, maar ook bij links, en zelfs bij mensen van kleur. Hoe vaak hoor je niet: met je acties maak je het voor ons erger, dus hou maar je mond. Bij de Nederlandse anti-discriminatiebureaus is zo goed als iedereen wit. Toen ik begon te onderzoeken hoe ik zwarte piet kon aanpakken in Nederland, ben ik daar gaan aankloppen. Nee, daar doen we niets mee, zeiden ze. Later hoorde ik dat op verschillende anti-discriminatiebureaus zwarte piet gewoon gevierd wordt. Hoe moet je daar dan een aanklacht gaan indienen tegen de politie of tegen een werkgever die iets mispeuterd heeft?”

“Er gebeuren zo’n vreemde dingen. De partij SP gaat te keer tegen Oost-Europeanen waardoor die mensen plots ook niet meer wit zijn, wat voor hen een heel vreemde gewaarwording is. Dan krijg je Hongaren, Roemenen en Polen die er plots niet meer bij horen, want zij zijn zo’n beetje de zijkant van Europa. Of wat er in Nederland allemaal over Grieken werd geschreven en hoe zij geracialiseerd werden. Het is zo duidelijk dat witheid niet slechts om huidskleur gaat, maar om een mentaliteit van superioriteit. Dat besef komt er langzaam.”

Denk je dat?

“Bij sommige mensen begint het langzaam door te dringen. Er is natuurlijk heel veel verwarring, maar die verwarring is ook goed. Want daardoor kunnen mensen ook beginnen nadenken: alles wat we tot nu toe dachten, blijkt niet te kloppen. Alle zekerheden worden ondergraven en ik sta er naar te kijken en ik denk: goed zo. Laat alle vanzelfsprekendheden nu ontmaskerd worden als keuzes die gemaakt worden door de dominante groep in de maatschappij. En dat die keuzes altijd in hun voordeel uitvallen.”

Vaak wordt de bal dan teruggekaatst naar ons. Wij vinden geen mensen van kleur, krijgen we te horen. Maar eigenlijk wordt bedoeld: we vinden geen mensen die het instituut, zoals we het gewoon zijn, niet gaan veranderen. Die niet de hele manier van werken radicaal in vraag gaan stellen.

“Ja, krantenredacties bedenken een traject voor potentiële medewerkers met een migratie-achtergrond. Maar de deelnemers hebben de indruk dat redacties op zoek zijn naar mensen die precies zoals zijzelf denken. Mensen van kleur mogen wel een ander laagje aan de buitenkant hebben maar binnenin moeten ze de dominante lijn volgen. Zolang je die niet volgt, werkt het niet. Mediaconglomeraten willen bepaalde ideologische structuren in standhouden. Als ze daar gaan twijfelen aan de manier waarop ze kijken naar de wereld, dan moeten ze heel veel dingen gaan veranderen en dat wil niemand. Het gaat te weinig over het herverdelen van macht. Daar zijn mensen bang voor.”

“Verandering gaat met horten en stoten. Eenmaal een instelling een bepaalde reputatie heeft, dan ga je daar niet naar toe. Als je merkt dat er dingen veranderen, dan geef je het een kans. In Nederland hadden wij een drietal avonden met Patrisse Cullors, een van de bedenkers van Black Lives Matters. In de Amsterdamse debatcentrum De Balie was de zaal 80 procent wit. In het Hugo Olijfveldhuis bijna compleet zwart. En dat is in dezelfde stad, hé. Hoe werkt dat? In Nederland is er een boycot gegroeid tegen De Balie omdat ze constant islamofoben legitimeren en op het podium zetten en voortdurend discussies organiseren waar velen zich niet veilig bij voelen. Waarom zou je naar een instituut gaan waar men discussies toelaat over een quotum voor moslims en de deportatie van moslims? Een instituut dat geleid wordt door iemand die constant op Twitter moslims zit te bashen? Als je een nieuw publiek wil bereiken, moet je bewijzen dat je het anders gaat aanpakken. De KVS toont met de stadsdramaturgen dat er minstens een poging wordt ondernomen: we gaan op zoek naar dat publiek. Om hen institutioneel in de zaal te krijgen.”

“Als je werkt aan een performance met poëzie en slam poets denken mensen: je komt binnen, stapt een podium op en je hebt verder niets nodig. Ik heb het hier net wat anders aangepakt. Ik dacht: ik zit hier nu in de KVS, een groot instituut, alle materiaal is er, waarom zou ik daar geen gebruik van maken. Ik wil een scavenger zijn, in de loods met oude rekwisieten rondlopen en daar van alles uitpikken. Ik zei: laten we in jullie geschiedenis duiken. Toen gingen er wenkbrauwen de hoogte in. Ik mocht er zelf niet in rondsnuffelen, maar heb foto’s ontvangen van wat er in de stockruimte zit en daar mocht ik dan dingen uitkiezen. Uiteindelijk kreeg ik toch toegang tot een kleinere opslag in de KVS zelf.”

“In de KVS hebben we in drie weken iets uit de grond gestampt. Ik hou van een challenge. Maar ook binnen de kunstensector speelt het idee dat bepaalde dingen geen grote budgetten verdienen omdat er getwijfeld wordt aan de kwaliteit. Als het makers zijn buiten de gevestigde orde die stedelijke vraagstukken op tafel leggen en vanuit hun geleefde ervaring wat proberen te doen moeten wij constant opboksen tegen de grootte van het budget. Daar zit het probleem. Hoe kunnen wij aanspraak maken op die publieke gelden? Dat is een vraag voor binnen de kunstensector maar ook daar buiten. Het zijn politici, beleidsmakers en fondsenbeheerders die bepalen wat belangrijk is en dus bekostigd moet worden. Het is ook niet alleen een kwestie van een politieke partij op te richten, we moeten ook sterkere lobbyisten worden. Er moet een besef komen dat wij een blok zijn waar ze rekening mee moeten houden.”

Ik geloof niet dat zelf een partij oprichten veel zal veranderen. De beperkte energie van de weinige activisten die er zijn moet geïnvesteerd worden in onze eigen projecten en in onszelf. We verloren dertig jaar door dat niet te doen. Door als eigen instituut te bestaan werken we aan de machtsverhoudingen en kunnen we de grote instituten beïnvloeden. Door zelf de concurrentie aan te gaan met hen.

“Ja, maar ik zou willen dat jij evenveel recht hebt op subsidies. Als iemand nog de energie heeft om daarover te lobbyen met de politieke en binnen de instituten, moet die dat zeker doen. Go ahead. Ik kan wel zeggen dat dat moet gebeuren, maar ik weet dat ik zelf daarin niet de beste ben. Wanneer het duidelijk wordt dat het voor hen alleen een kwestie is om naar mij te luisteren maar verder niets te doen, zeg ik ‘fuck it’ en ben ik weg. Maar iemand die wel dat geduld heeft, die steun ik ten volle. Op die manier draag ik dan bij.”

“Ik wou een politieke partij opstarten als kunstproject maar uiteindelijk heb ik het niet gedaan mede omdat mijn moeder het niet wilde. Je wordt al bedreigd en dan gaat het tien keer erger worden, zei ze. En uiteindelijk had ze gelijk want we hebben gezien hoe Sylvana Simons is bedreigd. Gelukkig zijn een aantal van haar bedreigers ook veroordeeld, maar het gros loopt nog rond en wordt niet aangepakt. Dat maakt deelname aan de politiek ook zo moeilijk voor velen. Veel partijen hebben zelf zoveel blinde vlekken over racisme, witte superioriteitsdenken en de erfenis van ons koloniaal verleden. Zo zie je dat veel mensen van kleur dan ook of snel verdwijnen binnen zo’n partij of afhaken.”

Zie je een gelijkenis tussen wat er gebeurt met slam poetry en het ontstaan van hiphop? Binnen de brede verzetscultuur is slam poetry de nieuwe manier van expressie en er wordt op dezelfde meewarige manier naar gekeken door de mainstream. Het wordt niet serieus genomen maar het is wel de kunstvorm die het verzet heeft gekozen.

“Er is wel een interessante echo. De manier waarop er vanuit de instituten gekeken wordt naar kunstvormen die nog niet kunnen worden ingekapseld, die stekelig zijn, is inderdaad vergelijkbaar. Slam poetry is een storend element als het in een instituut op het podium terechtkomt.”

“Je zit de hele tijd tegen grenzen op te boksen die jij niet erkent. Die grenzen boeien mij niet, ik doe wat ik wil en je doet mee of ik zoek een andere manier om het op te lossen. Ik zie dat veel instellingen dat wel interessant vinden omdat ze dan, getrouw aan hun diversiteitsrichtlijnen, een ander doelpubliek bereiken maar intern is er helemaal niets veranderd aan de manier waarop ze kijken naar die doelgroep. Die doelgroep is voor veel instellingen een manier om nieuwe subsidies binnen te krijgen maar niet om de doelgroep waar die subsidie voor is opgesteld eigenaarschap te geven van het podium. Als je dat begint te eisen zie je de muren weer rijzen.”

Dat was het dubbelzinnige gevoel dat ik overhield aan jouw stuk. Zoiets zien we nooit op de podia. Yes, dit hebben we nodig. Maar tegelijk bekruipt mij het gevoel: waarom wordt hier zo lichtzinnig mee omgegaan? Waarom moet dat met zo weinig middelen? Je vraagt aan stadsdramaturgen om voor aansluiting met de stad te zorgen, maar je verandert weinig aan de interne structuur en voorziet veel te weinig middelen.

“Het was een eer om met stadsdramaturg Tunde Adefioye te werken maar tegelijk dacht ik telkens: hoe houdt hij dit vol? Ik denk dat de KVS hem nog steeds niet precies weet te plaatsen. Ik denk dat hij meer ruimte zou krijgen, mocht de KVS echt begrijpen wat hij probeert te doen. Ik kreeg de kans om in drie weken iets te maken. Uit die druk kan iets moois voortkomen. Maar als er één iets mis was gelopen, viel het hele stuk in duigen. Ik had het geluk dat de spelers er met volle moed hun schouders hebben onder gezet. Dat de schrijvers ook voldoende veiligheid voelden om hun verhalen met mij te delen. Maar toch dacht ik: als we een beetje extra tijd hadden gehad, zat er zoveel meer in. Ik had het liefst ook drie keer gespeeld. Begrijp me niet verkeerd, er zit een rauwheid in het stuk en dat werkt wel.”

“Tijdens het maakproces werd ik een schild voor mijn spelers en schrijvers ten opzichte van dat instituut. Zij hoeven niets te weten van de conditional welcome die je krijgt bij het maken van zo’n stuk. En volgens mij heeft Tunde mij ook behoedt voor veel dingen waar hij mee te maken kreeg door de ruimte die ik innam met het stuk. Het moet een safe podium zijn, zeker als we het over racisme gaan hebben, zeker als we het over activisme gaan hebben. Activisme in handen van mensen die niet weten wat het betekent om activist te zijn is heel onveilig. Dan riskeer je dat je verhalen uit de context worden gerukt en dat je voelt: hier wordt mij geweld aangedaan. En dat is het laatste wat ik wilde met deze jonge schrijvers en spelers. Daniel Dji – die een nieuwkomer is en maar een paar jaar Nederlands spreekt – heeft in een week tijd een nieuwe melody bedacht voor de Nederlandstalige libretto van de Stomme van Portici die ik voor hem samenstelde en hij heeft het ook gezongen. De 17-jarige acteur Shaka Jean-David die het trauma van gearresteerd worden heeft verwerkt tot een kunstwerk. Miss Elli die vertelt over hoe racisme en onderdrukking via littekens door je huid dringen en krassen op botten worden. Danseres FayB die het vertrouwen voelt om haar choreografie te ontwikkelen met mijn broertje Jörgen die ter plekke een compleet orkest moest voorstellen en iedereen verplettert met zijn muzikale veelzijdigheid.”

“In dit verband geniet ik een grote onafhankelijkheid. Ik kom binnen en heb helemaal geen banden met het instituut. Ik hoef niet bang te zijn dat ik op iemands tenen trap en vervolgens mijn baan kwijtraak. Ik heb het contract al, ze hebben mijn naam al overal rondgebazuind. Ze kunnen nu niet meer plots zeggen dat het niet meer doorgaat.”

Ik stel dan nog eens die cruciale vraag. Hoe veroveren wij macht binnen die wereld?

“Het is niet alleen een kwestie van geld. Binnen de instellingen moet er ook het vertrouwen zijn dat wat wij maken kwalitatief hoogstaand is. Er werd getwijfeld of het stuk gefilmd moest worden, of er foto’s genomen moesten worden. Aan het eind van het stuk hadden wij bloemen moeten ontvangen. De productie was het vergeten. Het zijn van die kleine dingetjes waarbij je jezelf afvraagt of ze dit eigenlijk wel echt willen. Bij de technische doorloop kwamen een handjevol werknemers opdagen. Hoeveel mensen lopen daar rond elke dag? Misschien waren mijn verwachtingen ook te hoog en dacht ik na het zien van het enorme aantal mensen bij de zomerbarbecue dat velen zouden komen. Goed, denk ik dan. Ik maakte het voor de schrijvers, de mensen die naar de workshops kwamen, voor de tante en de moeder van Shaka, voor mijn moeder. Of voor Elli die daar dan staat en tijdens het maakproces ontpopte tot de tweede regisseur.”

“De documentatie is er nu. We hebben de foto’s en de opname. Nu moet er gewoon gezorgd worden dat die beelden terechtkomen bij boekers in heel Europa, op theaterfestivals. Er zit potentie in. Ik heb in 2011 met deze vorm – waarbij ik gedichten aan elkaar plak tot een tandenknarsend geheel – prijzen gewonnen. Dit is een bewezen formule. Dan nog met die dans en de opera er bij. Een choreografie die in vier dagen gemaakt is. En dan zo’n danseres die de ruimte krijgt om in zo’n instelling haar ding te doen. Dit moet een kans krijgen om ook elders getoond te worden.”

Is dat heel nieuw? Of gebeurt het ook in Nederland?

“In Amsterdam heb je iets als Urban Myth, een soort van ‘exploding theatre’, waarbij bijvoorbeeld een band toegevoegd wordt aan spelers of een speech. Maar ook daar is de investering minimaal. Ook daar weet je dat er een spanning is met de makers die zeggen dat er te weinig middelen zijn. Dan besef je dat het hele circuit zo klein mogelijk gehouden wordt. Als je vraagt om meer krijg je net minder. Dat is die spiraal waarin we zitten. Het is te weinig voor de nieuwe publiekssamenstellingen die mogelijk zijn. Ze willen hun publiek wel diversifiëren maar willen tegelijk dat dat nieuwe publiek naar dezelfde Shakespeare-been-there-done-that komt kijken.”

Zijn we echt op de goede weg? Ik stel me vaak vragen bij onze strategie. Draaien we niet in rondjes?

“Ja en nee. Ik zie toffe mensen hele goede projecten doen. Maar er zijn er te weinig die op structurele basis geld krijgen. Je hebt enkele sterke onafhankelijke makers. Samora Bergtop maakte Raisin in the sun ((in 1959 het eerste stuk ooit op Broadway dat geschreven werd door een zwarte theaterschrijfster, nvdr) met alleen maar zwarte acteurs zodat je in de zaal denkt: hé, wat gebeurt hier nu. Maar die onafhankelijke makers in de marge had je ook al in de jaren 80. Het kan toch niet zo zijn dat we zijn blijven haken in dat tijdperk? De ontwikkeling blijft steken. Er moet geld vrijgemaakt worden om een stap verder te zetten. De theaterscholen spelen daar ook een rol in. Niet alleen in het toelaten van talenten van diverse etnische, raciale en culturele achtergrond, maar ook in het materiaal dat behandeld wordt in de les. De West-Europese canon centreert nog steeds een publiek dat wit en van middenklasse afkomst is. En wanneer andere onderwerpen aangesneden worden, worden wij meestal als object neergezet om bestudeerd te worden. Wij worden uitgelegd aan een publiek, maar sommigen nuances en inside knowledge wil je niet uitleggen. Niet iedereen in het publiek hoeft alles te snappen van wat er gaande is.”

Wat zou een andere strategie kunnen zijn? Moeten we ons terugtrekken in onze eigen ruimtes?

“Ook hier weer ja en nee. Eigen ruimtes zijn goed. Ik ben zelf bij het Hugo Olijfveldhuis in Amsterdam van de Vereniging Ons Suriname heel veel in eigen ruimtes aan het produceren. In 2015 heb ik de Amsterdam Fringe Festival Silver Award ontvangen voor een stuk over aangifte doen tegen racisme die ik in het Hugo Olijfveldhuis heb geproduceerd. Het is belangrijk dat er een ruimte is waar je dat soort stukken kan neerzetten zonder dat je er moet voor vechten om duidelijk te maken dat dit belangrijke verhalen zijn.”

“Maar ook daar geldt: zij hebben net zoveel recht op publieke middelen als de gevestigde namen. De instituten die enkel met witte makers en een wit publiek werken, hebben een verantwoordelijkheid voor de hele samenleving en niet alleen voor de witte mensen. Ik denk dat meer instituten het voorbeeld moeten volgen van Charles Esche, de directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Vorig jaar zei die: “wij moeten irrelevant worden voor het publiek dat we nu binnenkrijgen”. Hij bedoelde witte mensen van middelbare leeftijd uit een bepaalde klasse die nu zijn grootste publieksgroep vormen. Dat is niet de toekomst. Dat is zelfs niet het heden. De instituten moeten dus aan zelfsabotage doen. Zorg dat nieuwe mensen zich aangesproken voelen door wat er gebeurt. Dat kan door een totaal andere manier van werken: wie staat er op het podium, welk publiek wordt aangesproken, wie doet de techniek of de ondertiteling.”

Is het probleem niet dat veel makers van kleur verzetskunst maken? Dat kunst de vorm is die zij kozen voor hun strijd tegen het systeem? In instituten is kunst entertainment geworden. Is dat ook niet de oorzaak van de spanningen tussen de makers en de instituten?

“Het is het resultaat van historische processen. Ik heb het daar ooit met een vriend over gehad. Waarom proberen wij onze strijd rond diversiteitsvraagstukken te organiseren rond kunst en cultuur? Hij antwoordde: omdat er binnen de politiek geen ruimte was. Binnen kunst en cultuur wel. Daar kreeg je wel een ruimte om verzet te plegen tegen de dominante cultuur. Daardoor is cultuur een plek geworden waar verzet plaats vindt en weliswaar schoorvoetend gehoor krijgt. Mochten wij vanaf het begin succesvolle politieke partijen, media, columnisten etcetera gehad hebben die onze visie uitdroegen dan was er minder die nood geweest om het via cultuur te doen. Dan zouden we ook minder tegen deze instellingen schoppen.”

Zijn we nu al sterk genoeg om de machtsstrijd aan te gaan binnen de instituten? Daar worstel ik mee. Ik denk dat we nog veel meer die krachtsverhouding moeten opbouwen voor we die stap zetten.

“Ik denk dat je moet tonen hoe relevant je bent. Als je bewijst hoe waardevol de gesprekken zijn die hier in Le Space gevoerd worden, dan word je opgezocht. En als je opgezocht wordt, dan kan jij de grenzen bepalen. Ik zeg heel vaak nee. Als iets niet bijdraagt aan wat ik voor ogen heb, dan doe ik het niet. Ik werd gevraagd om een speech te geven in de rand van een voorstelling en tijdens het kennismakingsgesprek zei iemand: we gaan enkele mensen in blackface in de zaal zetten met daar een agent bij, dan wordt het echt spannend en toen dacht ik: dude, nee, toch maar niet.”

“Er zijn wel mensen met goede intenties maar ze snappen niet dat wat ze maken het huidige denken alleen maar versterkt. Het is niet alleen een kwestie van zwarte lichamen op het podium te zetten, maar ook van: wat laat je ze doen? Hoe betrek je de kritiek op je instituut in het werk dat je mogelijk maakt? Hoe reageer je als er dingen worden gedaan die gevaarlijk zijn voor de instelling? Ik vind het heel belangrijk om te zien dat wat ik doe niet alleen een onmiddellijk effect heeft op het podium maar ook als ik weg ben. Er moet een trilling overblijven. Handelingen moeten leiden tot verandering. Het wapperen van onze vleugels moet elders stormen laten ontstaan. Welk effect heeft mijn omgang met journalisten, met de vertalers en de technici op de volgende edities van SLOW?

Je zegt dat je in die drie weken aan de oppervlakte van Brussel gekrast hebt. Wat heb je gezien onder die krassen?

“Ik heb gescheiden werelden gezien, ik heb families gezien, ik heb de mogelijkheid tot verbinding gezien. Eén van de dingen die ik zo mooi vond in de voorstelling en waar ik trots op ben: ik heb het publiek in drie vlakken gezet. Voor mij was het belangrijk dat het publiek elkaar kon zien. Dat ze elkaar konden begluren en denken: hoe reageert de ander? Zo kunnen we elkaars zichtbaarheid verstevigen.”

“Er is heel veel potentie voor meer solidariteit tussen de verschillende families. Maar dat is alweer de pretentie van de toerist die even voorbijkomt. In Amsterdam hebben we net hetzelfde probleem. Er moet een amplificatie zijn van elkaars stemmen en dat gebeurt te weinig. Er zijn zoveel families. Er is zo’n rijkdom, zo’n liefde en tederheid. Denk aan Elli, die de broodjes die overbleven gaat delen met mensen uit het publiek die de vasten verbraken. Dat is zo mooi.”

Le Space wil die families samenbrengen in een poging om één grote familie te creëren. Het gaat heel snel. Er worden verbanden gelegd. Het potentieel is er. We hadden alleen een fysieke plaats nodig om samen te vloeien. En: magic happens! Mensen stonden te springen om bij elkaar te komen maar vonden elkaar niet. Hier lukt dat wel. Het legt ook problemen bloot. Er ontstaan fricties. Vaak komt dat door een gebrek aan kennis over onze geschiedenis. Ja, er is anti-zwart racisme bij mensen met een Arabische achtergrond, net zoals er islamofobie is bij zwarte mensen. Laten we daar iets aan doen in plaats van oorlogen uit te vechten op sociale media. Gun het de mainstreammedia niet om zich daar aan te verlekkeren. De meeste vragen die ik krijg van media gaan daarover: hé, wil je eens scherp reageren op dat grote debat dat wij van de mainstream willen oppoken. Ik doe niet meer mee aan die spektakels. Ik heb het ooit wel gedaan, maar ik besefte: ik ben hier gewoon het monster aan het voeden. Ik word opgevoerd als een exotisch object. Hier hebben we zelf niets aan en er wordt geen enkele stap vooruit gezet.

“Ik probeer dat ook te doen binnen het Hugo Olijfveldhuis maar ik heb nog steeds niet de goede strategie gevonden. Ik heb zoveel geleerd hier. Het is bijvoorbeeld noodzakelijk om de lijnen kort te houden. We zijn niet zo’n groot land. Hier moet het makkelijk zijn om iemand gewoon op te bellen. Als je niet onmiddellijk kan, dan proberen we volgende week wel eens samen te zitten. Want die spanning tussen ons is niet voor public consumption. Laten we dit gewoon fiksen. Er moet inderdaad een manier zijn om kritisch met elkaar om te gaan zonder dat er meteen een spektakelstuk van gemaakt wordt. Onze strijd tegen interne groepsdynamieken moet niet tegen elkaar gebruikt worden. Ik zie vaak ongelukkige dingen online passeren, maar ik ga niet meer meteen publiek aanvallen. De mainstream kickt op sensatie, op die conflicten. Het gaat mij om die gezamenlijke overwinningen. De media willen clicks en views. Waarom moet ik mij daartoe lenen? Op een gegeven moment krijg je daar wel een adrenalinerush van: ze noemen mij, ik word gehoord. Maar eigenlijk worden we gewoon uit elkaar gespeeld en voor de media levert dat lezers op. Voor ons niets.”

Doordat ik daar consequent nee op zeg, krijg ik net interessante voorstellen. Zo verander ik de krachtsverhoudingen.

“Veel mensen snappen niet dat ze die macht hebben. Ik heb veel opgestoken van Maria Hlavajova van BAK (Basis voor Actuele Kunst) in Utrecht. Zij pleit voor from critique to proposition. Er moet zo veel afgebroken worden qua mentale gedachtegoed. Maar juist door die andere wereld te construeren, uit je ook kritiek. Het idee is dat je niet alleen afbreekt maar in je deconstructie een glimp presenteert van iets nieuws, van iets dat mogelijk is. Dat doe jij in Le Space. Dat zou SLOW ook moeten zijn. Maar dan moet het wel de ruimte krijgen om het te worden. In plaats van tegengewerkt te worden.”

(dit is de vrij letterlijke weergave van het gesprek, opgenomen en uitgeschreven door Christophe Callewaert)

(Foto's: Eslem Akdag)

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.