Ondubbelzinnig over borstvoeding
Joyce David

Ondubbelzinnig over borstvoeding

woensdag 2 augustus 2017 15:07

Onlangs kreeg ik de kans om een vorming te geven aan een groep jonge mama’s. Enkelen van hen hadden hun baby’s meegebracht, die zorgden voor heel wat entertainment in het publiek. Graaiende handjes, kroelende geluidjes en lachende gezichtjes. Op een gegeven moment nam er een mama haar baby op haar schoot en gaf ze hem borstvoeding. De mama’s bleven geïnteresseerd luisteren en de kleintjes bleven verder kroelen. De vorming verliep naadloos en we gingen met een tevreden gevoel naar huis.

Wat een contrast met een mail van een mama die enkele weken later in mijn mailbox belandde: ‘Enkele weken geleden ben ik bevallen van mijn zoontje. Gisteren ben ik voor de eerste keer samen met mijn man in het weekend naar het park geweest en heb ik daar borstvoeding gegeven. Het ging niet goed. Mensen staarden ons aan, liepen rond ons heen. Mijn zoontje was onrustig en heeft niet veel kunnen drinken… Ook ’s avonds, thuis, ging het nog moeilijk.’

Het eerste wat mensen vertellen als ik deze situatie schets: ‘Ja, maar jouw vorming, die was gegeven in een groep met alleen mama’s!’. Blijkbaar hield de context van het park in dat het verantwoord was om de ouders aan te staren – of in een wijde boog om hen heen te lopen – wanneer er borstvoeding werd gegeven.

Wat weten we over borstvoeding? Borstvoeding heeft een gezondheidsbevorderend effect voor mama en baby. Hierdoor raadt de World Health Organisation aan om de baby gedurende de eerste zes levensmaanden (24 à 25 weken) exclusief de borst te geven. Ze raden ook aan om de baby gedurende twee jaar aanvullend borstvoeding te blijven geven.

Echter, in de praktijk zien we iets anders. Voornamelijk om het borstvoeden vol te houden blijken er barrières te bestaan. Cijfers van Kind & Gezin (2016) zijn hier vrij duidelijk: waar bijna 8 op de 10 kinderen in Vlaanderen op hun eerste levensdag borstvoeding krijgen, zien we dat bij de zesde levensdag dit cijfer terugvalt naar 6,5 op 10. Dit cijfer blijft zakken naarmate de baby ouder wordt: bij 6 weken krijgt nog bijna 5 op 10 van de Vlaamse baby’s exclusief borstvoeding, op 12 weken nog 3 op 10. Het cijfer zakt verder naar minder dan 1 op 10 (0,8 op 10) van de baby’s bij 26 weken. Weinig ouders halen dus de aanbevolen marge van 6 maanden.

Als we op zoek gaan naar de redenen van deze daling, haalt de literatuur verschillende succesfactoren aan om langer borstvoeding te geven: sociale normen, ondersteuning van de partner krijgen, omstandigheden van tewerkstelling, zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof.

Qua borstvoedingsvriendelijk klimaat kan dit wel tellen. Laat ons net op al die vlakken in Vlaanderen nu niet bijster hoog scoren.

Want, in een samenleving waar de sociale norm geldt dat mama’s in het park (of op restaurant, café …) beter geen borstvoeding geven, lijkt het logisch dat mama’s op zoek gaan naar andere oplossingen. Niemand heeft zin om tijdens een gezinsuitje aangestaard te worden. Of om gevraagd te worden borstvoeding op het toilet te geven. Je volledig van gezinsuitjes ontzeggen voor de eerste 6 maanden met je baby, lijkt ook niet interessant.

Net zoals we, in een samenleving waar vaders amper tien dagen vaderschapsverlof krijgen, we opnieuw niet moeten opkijken bij de cijfers van Kind & Gezin. De steun van de partner tijdens het geven van borstvoeding blijkt immers enorm belangrijk te zijn. Of, we niet moeten verrast zijn aangezien we leven in een samenleving waar vrouwen na 12 – 14 weken zwangerschapsrust terug moeten werken. In een klimaat waar werkgevers niet altijd even hard staan te springen om borstvoedingspauzes te geven.

Zo is het bij wet verplicht dat de werkgever een ruimte voorziet waar vrouwen kunnen afkolven. In de realiteit blijkt dit vaak een veredeld archief te zijn, een toilet of een kelderruimte. Ook het bewaren van de moedermelk kan heel wat voeten in de aarde hebben. Ik kan me voorstellen dat niet iedere collega even gelukkig is bij het aantreffen van een flesje moedermelk in de koelkast op het werk.

Terwijl onderzoek net aantoont dat… mama’s langer borstvoeding willen geven, als ze zich over opslagmogelijkheden van hun moedermelk geen zorgen moeten maken. Als ze zich verzekerd voelen dat afkolven mag. Als hun partner aanwezig is om hen te steunen bij het geven van borstvoeding. Als ze niet het gevoel hebben dat ze voor hun huishoudelijke taken of voor de verzorging van de baby (want zo’n baby doet meer dan enkel moedermelk drinken) alleen ervoor staan. Wanneer vrienden en familie de beslissing om buitenshuis borstvoeding te geven ondersteunen. Wanneer mama’s zich vrij voelen om in een natuurrijke, groene, omgeving borstvoeding te geven.

De WHO en Unicef komen tussen 1 en 8 augustus naar buiten met een duidelijke boodschap: ‘Borstvoeding moet kunnen, altijd en overal’. Laten we samen borstvoeding terug in het straatbeeld introduceren en de dubbelzinnigheid over borstvoeding wegnemen. Laat ons samen aankloppen bij het beleid en stellen dat tien dagen vaderschapsverlof echt wel té weinig is. Dat een veredeld archief geen plaats is om comfortabel borstvoeding te geven. Dat een vriesvak om moedermelk op te slaan echt geen overbodige luxe is.

En laat ons vooral in eigen boezem kijken. Laten we beginnen met moeders die borstvoeding geven, in het openbaar, of die afkolven op het werk, te ondersteunen en te vertellen dat ze goed bezig zijn.

Want borstvoeding geven? Dat is perfect natuurlijk en normaal.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!