about
Toon menu
Boekrecensie

Geschiedenis van het Amerikaanse volk, van onderuit

Om je als lezer het levenswerk van Howard Zinn eigen te maken heb je weken van intense lectuur nodig. Een boekwerk van 887 bladzijden en – op mijn weegschaal – 1,2 kilogram lezen, vraagt veel tijd, maar je kunt er als lezer alleen maar rijker van worden, want zoals Geert Mak terecht schrijft "Wie Howard Zinn niet kent, kent Amerika maar half". 'A People’s History of the United States' is een (h)eerlijk tendentieus boek dat alvast een ereplaats als naslagwerk in mijn bibliotheek zal krijgen.
dinsdag 13 juni 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Het is een goed idee van uitgeverij EPO om in deze Trumpiaanse tijd nog eens een heruitgave te brengen van A People’s History of the United States, in het Nederlands minder geslaagd vertaald als ‘Geschiedenis van het Amerikaanse volk’. De eerste versie van dit boek verscheen al in 1980, en werd door de auteur geactualiseerd in 1995 en 2003. Deze kanjer van een uitgave in paperback telt zo maar eventjes 887 bladzijden en is een ongewijzigde herdruk van de eerste vertaling in het Nederlands die verscheen in 2007 en waarvoor Zinn het laatste hoofdstuk herschreef.  

De historicus Howard Zinn die in 2010 overleed, was een geëngageerde intellectueel die, zoals Noam Chomsky, als academicus niet alleen radicale standpunten innam maar die daarvoor ook militeerde. In zijn inleiding vermeldt ex-VRT-journalist Johan Depoortere dat Howard Zinn een niet geringe rol speelde in de burgerrechtenbeweging toen hij als professor geschiedenis aan de Spelman Universiteit in Atlanta zijn zwarte studenten mondig hielp maken. Hij stond ook voorop in de vredesbeweging tegen de oorlog in Vietnam (en publiceerde daarover) en stapte mee in betogingen tegen de oorlog in Irak.

Schrijver Howard Zinn

Zinns werk is zeer controversieel: afgekraakt door het conservatieve deel van de VS – in Arkansas werd nog dit jaar een wetsvoorstel ingediend om het boek te verbieden – maar ook verheerlijkt door veel bekenden zoals Noam Chomsky, Oliver Stone, Ben Affleck en Bruce Springsteen, wiens album Nebraska geïnspireerd is op een hoofdstuk uit het boek. Bewonderaar Matt Damon gaf A people’s history een plaats in de film Good Will Hunting.

Visie van onderuit

Ook Zinn zelf is niet erg tevreden over de titel van zijn boek A People’s History of the United States omdat hij zich er van bewust is dat de geschiedenis van ‘het volk’ moeilijk te achterhalen is. ‘Toch,’ schrijft hij, ‘heb ik het boek die titel gegeven omdat het, ondanks al zijn beperkingen, een geschiedenis is geworden die weinig respect heeft voor de regeringen maar veel eerbied toont voor het verzet van de gewone mens’. Hij heeft het dan niet over dat ene procentje van de VS-elite dat een derde van de bestaansmiddelen monopoliseert, maar over de 99 procent andere bewoners van de VS.

De iconische coverfoto van die schaftende arbeiders op de arm van een kraan, hoog boven de grond, geeft duidelijk aan wie de hoofdpersonen zijn in dit boek. Zinn kiest zeer bewust voor een visie van onderuit, die niet alleen het verhaal kleurt maar ook stuurt. In die sturing trekt hij veel plaats uit voor uitspraken en getuigenissen van de onderdrukten. De zogenaamde ontdekking van Amerika wordt bekeken vanuit het standpunt van de Arawaks, over de grondwet laat hij de slaven aan het woord, over de burgeroorlog de Ieren uit New York, over de Mexicaanse oorlog de deserteurs van Scotts leger, over de industrialisatie jonge vrouwelijke arbeidsters uit de textielfabrieken van Lowell, over de Spaans-Amerikaanse oorlog de Cubanen, over de Eerste Wereldoorlog de socialisten, over de Tweede Wereldoorlog de pacifisten, over de New Deal de zwarten uit Harlem, over de Vietnamoorlog de deserteurs en veteranen en over het naoorlogs Amerikaanse imperium de dagloners uit Latijns-Amerika.

De doorsnee inwoner van de VS zal de geschiedenis van zijn land die hij altijd opgelepeld heeft gekregen zeker niet herkennen in dit boek. Wie kent trouwens ‘Coxey’s Army’, het legertje van protesterende mijnwerkers die in 1894 onder leiding van Jacob Coxey naar Washington D.C. marcheerde? Of het bloedbad van Lattimer in 1897 tijdens een mijnstaking in Pennsylvania waarbij negentien mijnwerkers om het leven kwamen? Of de Green Corn Rebellion in 1917 van dienstweigeraars tegen de (Eerste Wereld-) oorlog die onderweg groene maïs aten? Ik alvast niet.

Ontluisterende voorbeelden

Het boek krioelt niet alleen van de voorbeelden van ‘verzwegen verzet’, maar bevat haast evenveel ontluisterende voorbeelden over de zogenaamd grote figuren uit de geschiedenis van de VS. Zo krijgt Thomas Jefferson een flinke veeg uit de pan omdat hij, ondanks het feit dat hij een verlicht en diepzinnig mens zou geweest zijn, toch tot aan zijn dood een slavenhouder is gebleven. Ook de 19de-eeuwse president Andrew Jackson wordt niet gespaard. ‘In de middelbare schoolboeken in de VS wordt Jackson afgeschilderd als pionier, soldaat, democraat, een man van het volk. Het lijkt wel alsof Jackson de slavenhouder, de grondspeculant, de beul van zovele dissidente soldaten en de moordenaar van massa’s indianen niet heeft bestaan.’ (p. 165)

Ook de mythologie rond de founding fathers wordt doorprikt. ‘Waren de stichters van de staat wijze en rechtvaardige mannen die op zoek gingen naar een goed evenwicht? De waarheid is dat ze helemaal geen evenwicht wilden, tenzij misschien één: een evenwicht dat alles bij het oude liet, een evenwicht waarbij de dominante klasse bleef doorwegen. Ze wilden in geen geval een rechtvaardig evenwicht tussen slaven en meesters, tussen grootgrondbezitters en landloze boeren, tussen indianen en blanken.’ (p. 130)

Bij lectuur krijg je ook vaak een l’histoire se répète - gevoel. Zo beweerde de Atomic Energy Commission in 1955 bij hoog en bij laag dat de dodelijke effecten van de atoomproeven schromelijk overdreven waren. Met het presenteren van dergelijke ‘alternatieve feiten’ zitten we volop in de Trump-sfeer van vandaag.

Militair-industrieel complex

In zijn The Power Elite van 1956 waarschuwde de socioloog Charles Wright Mills voor een vervlechting van de belangen en de invloed van wat hij toen het militair-industrieel complex noemde en waarmee hij onder meer verwees naar het lobbywerk van vertegenwoordigers van de militaire industrie in de hoogste politieke regionen, zowel bij republikeinen als bij democraten. Het zichtbaar maken van die voortdurende vervlechting maakt A People’s History of the United States tot een sterk, en voor de machthebbers, tevens een subversief boek. Ook de ‘sympathieke’ presidenten van het kaliber Kennedy, Carter en Clinton ontsnappen niet aan de kritiek van Zinn dat zij evenzeer de belangen van de één procent als nationale belangen hebben vooropgesteld. America (and the rich ones) first. Er is niets nieuws onder de zon.

In 25 kloeke hoofdstukken schetst Zinn vanuit een historisch-materialistisch perspectief het ontstaan en de groei van de VS. Het is geen boek om vrolijk van te worden en toch is er hoop aanwezig: de underdog lijdt, maar verzet zich ook. In die zin is het boek niet alleen een verhaal van onderdrukking, maar ook een van verzet en van solidariteit die van onderuit groeit. Steeds is er sprake van een tegencultuur, van mensen die het niet langer pikken. In het hoofdstuk ‘Opstand van de bewakers’ schrijft hij: ‘Ondanks de geslepen mechanismen om de macht in handen te houden, ondanks de repressie, de verlokkingen en de toegevingen, ondanks het zaaien van verdeeldheid en het spannen van valstrikken is het establishment er niet in geslaagd alle revoltes in de loop van de geschiedenis van de VS in de kiem te smoren.’ (p. 829)

Onderstroom

Deze kanjer van een boek is (h)eerlijk tendentieus en bijzonder kritisch voor de manier waarop regeringen via politiek en cultuur de kleine man proberen in slaap te wiegen met een ‘nationaal bewustzijn’ en door de indruk te wekken dat er zoiets bestaat als een ‘algemeen belang’. Deze publicatie ligt in de lijn van literaire ‘dwarsliggers ‘zoals ‘De aderlating van een continent’ van Eduardo Galeano of, dichter bij ons, ‘Het geuzenboek’ van Louis Paul Boon, maar ook van een ‘andere geschiedschrijving’ zoals ‘Wat zoudt ge zonder ‘t werkvolk zijn’ van Jaak Brepoels, ‘België, een geschiedenis van onderuit’ van Jan Dumolyn en Tjen Mampaey en de reader ‘Rebellen, van de Galliërs tot de indignados’ van Anne Morelli.

Om je als lezer het levenswerk van Howard Zinn eigen te maken heb je weken van intense lectuur nodig. Een boekwerk van 887 bladzijden en – op mijn weegschaal – 1,2 kilogram lezen, vraagt veel tijd, maar je kunt er als lezer alleen maar rijker van worden, want zoals Geert Mak terecht schrijft ‘Wie Howard Zinn niet kent, kent Amerika maar half’.

Er werden ondertussen al ettelijke miljoenen exemplaren verspreid. Ondanks de kritiek wordt Zinns People’s History vandaag gebruikt als studieboek in tal van Amerikaanse scholen en universiteiten. Ook dat is hoopvol, maar de hoofdstroom in de VS blijft toch afwijzend. ‘Binnenkort verboden in Amerika?’ heeft de uitgever ergens in een hoekje van de cover vermeld. Ja, dat gevaar bestaat zoals in Arkansas, maar dat kan dan alleen maar de verkoop ten goede komen en dat is goed voor die beweging van onderuit, voor die onderstroom in de VS-samenleving die still alive and kicking is. Want, om met de wijze woorden van Howard Zinn te eindigen: ‘De geschiedenis leert ons dat, als de democratie haar ware betekenis moet krijgen, als we de beperkingen van het kapitalisme en van het nationalisme willen overstijgen, dat niet aan de top begint. Ware democratie ontstaat in en door acties van gewone mensen’ (p. 804).

Howard Zinn, Geschiedenis van het Amerikaanse volk, EPO, Berchem, 2017, 887 blz. ISBN 9769462671133, prijs: 24,95 euro