about
Toon menu
Analyse

'Unia is een lege doos'. Klopt die kritiek?

'Unia is een lege doos.' Onder die slogan wordt dinsdag actiegevoerd voor de deur van Unia in Brussel. Waarom is er aan beide zijden van het politieke spectrum zoveel onvrede over Unia? Een blik in het verleden maakt veel duidelijk.
maandag 10 april 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Het ontslag van Rachida Lamrabet legt een al lang sluimerende vertrouwensbreuk bloot tussen Unia en slachtoffers van racisme. N-VA beukt al jaren op Unia in, maar aan de andere kant van het politieke spectrum lijkt er weinig animo om in de bres te springen voor het Interfederaal Gelijkekansencentrum. Voor een stuk valt die negatieve houding tegenover Unia te verklaren door een reeks negatieve ervaringen met eerdere klachten over racisme. Maar de onvrede zit dieper.

Laten we dit stuk beginnen met een anekdote. In september vorig jaar dienden verschillende mensen (waaronder de schrijver van dit stuk, disclosure) een klacht in naar aanleiding van een column in De Tijd. Daarin had Louis Verbeke, ere-voorzitter van de Vlerick Business School, expliciet opgeroepen om vrouwen die een hoofddoek dragen te discrimineren. “Niets verbiedt ons de door hen geuite weerzin mee te nemen in onze beoordeling van hun gedrag bij aanwerving, promotie, verhuring enzovoort”, schreef Verbeke.

Twee maanden later kwam het antwoord van Unia. “Unia is van mening dat de volgende passage (die we hierboven citeerden, nvdr) uit het opiniestuk op gespannen voet staat met de Anti-discriminatiewet”, stond er te lezen. Maar Unia voegde er meteen aan toe dat Verbeke geen juridische gevolgen moest vrezen. “Unia gelooft in een proces van dialoog en samenwerking. Uw melding zal daarom zorgvuldig worden geregistreerd en gebruikt in structureel overleg met De Tijd.”

Nog eens drie maanden later waagde Verbeke zich weer aan hetzelfde onderwerp. Hij schreef eind maart dat “geen enkele religie of ideologie in deze tijden meer agressie uitdraagt dan de islam en dat dat ook het geval is waar de islam de godsdienst is van de meerderheid, de staatsgodsdienst zelfs”. Verbeke riep opnieuw op om ten strijde te trekken tegen alle moslims én de niet-moslims die voor hun rechten opkomen. “Het is tijd om te zeggen dat we ons hebben vergist over hoe samen te leven met de islam. Sommige westerse politici hebben bewust gelogen op basis van ‘hogere’ belangen of wegens electorale redenen. We zullen de vrijheid die we gewend waren, moeten heroveren op de theocraten, hun volgelingen en hun bondgenoten.” Veel resultaten lijken de ‘dialoog’ en het ‘structureel overleg’ niet te hebben opgeleverd.

Dat kon ook niet want de belofte om het via dialoog op te lossen, was een zoethoudertje. Dat blijkt toch uit het opiniestuk waarin een voormalig medewerkster van Unia uit de biecht klapte. “Mediafiguren die tot haat opriepen jegens bepaalde religieuze groepen … ‘een standaardmail om te informeren dat we ons daarmee niet kunnen bezighouden’”, zo beschreef zij de typische interne reactie op dergelijke klachten.

Profetisch

Maar hoe komt het dat Unia zo braaf reageert op racisme? Een blik in het verleden leert dat die makke houding ingebakken zit in het DNA van Unia. In 1994 schreven Jan Blommaert en Jef Verschueren het boek Antiracisme. In dat boek leggen zij onder meer het toen pas opgerichte Centrum voor de Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding op de rooster.

Dat hoofdstuk bevat enkele profetische passages. "Het CGKR (voorganger Unia) manifesteert zich als 'smeltzekering': het zwakste punt in de schakel, dat met te veel factoren rekening moet houden, en dat steeds dreigt te springen van zodra de belasting te groot wordt. En dat gebeurt onvermijdelijk wanneer een niet-machtsgebonden definitie van racisme gehanteerd wordt. Het Centrum is geen politiek instituut. Wanneer er koppen moeten rollen, zal het daar zijn. Het gevolg is dat het Centrum wellicht uit lijfsbehoud kiest voor een voorzichtige middenkoers waarbij zo weinig mogelijk (belangrijke) mensen tegen de haren in worden gestreken", schrijven Blommaert en Verschueren. Die zinnen hadden geschreven kunnen zijn na het ontslag van Lamrabet.

Het CGKR werd in een heel specifieke context opgericht. Het was de opvolger van het Koninklijk Commissariaat voor de Migranten dat in 1989 in het leven werd geroepen. Het toenmalige Vlaams Blok was aan een gestage opmars begonnen in de verkiezingen en het politieke establishment stelde in die periode vast dat de arbeidsmigranten en hun kinderen zouden blijven in België.

De aanwezigheid van die groep werd geproblematiseerd. Er was plots sprake van een ‘migrantenprobleem’. Een groep in de samenleving die tot dan genegeerd en gemarginaliseerd werd, kwam plots in het centrum van de politieke belangstelling te staan. De arbeidsmigranten en hun kinderen moesten ‘geïntegreerd’ worden, zo luidde het dominante discours. In principe zou je integratie kunnen beschouwen als de evenwaardige vertegenwoordiging in alle instellingen en sectoren en het bestrijden van de mechanismes die dat proces tegenhouden. Die mechanismes hebben een naam: racisme. En dat racisme is structureel en ideologisch diep verankerd in de hele maatschappij.

Het Koninklijk Commissariaat voor de Migranten volgde een andere piste. De ‘migranten’ werden als probleem geconstrueerd. Het was hun cultuur, hun religie en hun taalachterstand die zogezegd aan de basis lagen van de achterstelling. Het racisme verdween uit beeld. Uit het feit dat in vele statistieken mensen van kleur onderaan bengelen, werd niet besloten dat de Belgische maatschappij structureel racistisch is. De klemtoon kwam te liggen op het gedrag van mensen van kleur.

Voormalig Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid Paula D’Hondt legde dat enkele jaren geleden mooi uit in een interview met De Standaard: “Critici beweerden wel dat ik de hand boven het hoofd van de migranten hield. Maar dat is niet waar. Ik heb ze gewezen op hun plichten en op wat ze verkeerd deden.”

De ‘migranten’ waren in haar ogen dus geen slachtoffers van structureel racisme, maar waren zelf mee schuldig aan hun achterstelling. Daar moest het beleid zich op concentreren. En ja, natuurlijk was er ook racisme. Dat bewees de steile klim van het Vlaams Blok, maar daar zou het CGKR iets aan doen. Zo klonk de redenering.

Racisme kreeg binnen die logica een heel specifieke invulling. Philomena Essed had begin jaren 80 al een analyse gemaakt van een gelijkaardige evolutie in Nederland. In haar boek Alledaags racisme schreef ze: “Het is duidelijk dat deze collectieve ‘achterstelling’ van mensen van kleur niet het werk kan zijn van een kleine extreme groep of een aanwijsbare politieke splinterpartij. Een zinnige bespreking van het probleem racisme is daarom alleen mogelijk vanuit de onderkenning dat de samenleving als geheel racistisch van aard is. Nederland is een racistische samenleving. Dat betekent dat racisme niet een eigenschap is van een specifiek soort individuen, bijvoorbeeld autoriteitsgevoelige mensen, of een specifieke groep, bijvoorbeeld mensen in arbeiderswijken.”

Structureel

Het CGKR behandelde racisme niet als een structureel maatschappelijk fenomeen, maar als een apart probleem, een beetje zoals sluikstorten of vandalisme. Een probleem dat je kan oplossen met wat wetgeving en een beetje controle. In Antiracisme van Blommaert en Verschueren staat een fragment uit een interview dat de toenmalige directeur van het CGKR, Johan Leman, gaf aan de Gazet van Antwerpen dat die logica heel helder beschrijft.

“GvA: Concreet. Ik wil mijn huis niet verhuren aan een Turkse familie met zes kinderen. Ben ik een racist?

Johan Leman: Niet per se. Als die Turk u aanklaagt wegens racisme, gaat hij niet per se door ons gevolgd worden. Alles hangt af van de manier waarop hij zich presenteert. Ik kan me voorstellen dat Belgen die zich op dezelfde manier presenteren, ook geweigerd worden door een bzorgde huiseigenaar. Als het om een bonafide migrant gaat die geweigerd wordt omwille van zijn huidskleur, gaan we wel optreden. Maar het zal niet eenvoudig zijn om de bewijslast aan te voeren. Daarom zullen we in eerste instantie bemiddelen tussen de huiseigenaar en de kandidaat-huurder. We gaan niet dadelijk het grote kanon in stelling brengen, omdat je racisme niet meteen repressief moet aanpakken.

GvA: Ik ben bakker en zoek een winkeljuffrouw. Er biedt zich een keurige dame aan, maar zij draagt een (islamitische) hoofddoek. Ik weiger haar in dienst te nemen, omdat ik vrees dat ik anders klanten verlies. Ben ik een racist?

JL: Nee. Dat is een professioneel oordeel. Die man kan perfect verantwoorden waarom hij zo handelt. Voor het onthaal en de bediening van klanten mogen bepaalde eisen worden gesteld. Sorry dat ik het moet zeggen, maar dit speelt bijvoorbeeld ook voor punkers, en dat is dan geen kwestie van huidskleur.

GvA: Een andere, keurig uitziende dame die perfect Nederlands spreekt, wordt geweigerd omdat ze zwart is en ik bang ben van klanten te verliezen. Ben ik een racist?

JL: Dit zou racistisch zijn, ja. Ik weet dat dit zeer delicaat is, en dit moet dan ook bepraat worden, maar hier raak je aan racisme. Al begrijp ik wel dat die winkelier wellicht handelt onder druk van zijn klanten.” (Gazet van Antwerpen, 8 februari 1994)

In dit interview zie je hoe racisme geminimaliseerd en goedgepraat werd. Iemand beschuldigen van racisme wordt "zeer delicaat" genoemd. Racisme werd gereduceerd tot heel flagrante feiten die vrijwel zeker tot een veroordeling zullen leiden en zelfs voor die feiten worden excuses en verzachtende omstandigheden gezocht en wordt in de eerste plaats gekozen om te bemiddelen.

In die heel beperkte definitie van racisme wordt enkel gefocust op ‘rassenhaat’. Een vrouw discrimineren omdat ze een hoofddoek draagt, is geen racisme, volgens die definitie. Cultureel en ideologisch racisme worden genegeerd en alleen heel expliciet biologisch racisme wordt erkend.

Door de oprichting van het CGKR werd die enge visie op racisme geïnstitutionaliseerd. Blommaert en Verschueren schrijven: “Het CGKR is een overheidsinstelling met een technocratisch imago, die zich opwerpt als het onbetwistbare gezag in het domein van de racismebestrijding. De directeur van het CGKR, Johan Leman, werpt zich ook op als autoriteit inzake de definitie van racisme. Het Centrum neemt dus een centrale plaats in in het racismedebat en kan zo de acties van andere individuen, organisaties of instellingen met gezag beoordelen en desgewenst legitimeren of discrediteren.”

Het zijn niet langer de slachtoffers van racisme die de definitie van racisme en de strijd bepalen. Die macht werd in de handen gelegd van een technocratisch en officieel overheidsinstituut. Een vehikel dat bovendien perfect ingebed is in het dominante politieke bestel met bestuursleden die aangesteld worden op basis van de heersende partijpolitieke verhoudingen.

Excuus

Besluit van Blommaert en Verschueren: “Het Centrum is een excuus voor de overheid om zich niet rechtsstreeks met de strijd tegen het racisme bezig te moeten houden. Het belichaamt alle delicate verhoudingen en gevoeligheden van de Belgische politieke wereld, en kan dus maar doen wat aanvaardbaar en opportuun is. Een verwijtende vinger uitsteken naar het Vlaams Blok mag, want het Vlaams Blok is de officiële politieke slechterik. Diezelfde vinger uitsteken naar gezagsfiguren, de ordediensten of diensten die zich met het asielbeleid bezighouden, ligt gevoeliger en wordt dus zoveel mogelijk vermeden.”

Als het CGKR (en de opvolger Unia) zo’n tandeloos instituut is, waarom beukt N-VA er dan zo hard op in? Dat hoort net bij dat politieke spel. Hoewel het CGKR van bij de oorsprong de dominante minimaliserende visie op racisme incorporeerde, werd het door tegenstanders toch afgeschilderd als een "links bastion". Iets gelijkaardigs zie je ook gebeuren met de nieuwsdienst van de VRT. Rechtse politici kunnen zich profileren door hun pijlen te richten op Unia en de VRT en tegelijk zorgt dat binnen die instellingen voor nog meer zelfcensuur en disciplinering. Met als triestige resultaat het ontslag van een juriste die niet meer deed dan een mensenrechtenstandpunt verdedigen. Een mening die eigenlijk het standpunt van Unia had moeten zijn. Of beter: had moeten zijn, mocht Unia echt een onafhankelijk instituut zijn dat de strijd aangaat tegen het structurele en ideologische racisme in onze maatschappij. Maar dat is dus nooit de bedoeling geweest.

Meer info over de actie:
https://www.facebook.com/events/430229647318254/

reacties

2 reacties

  • door Frank Roels op maandag 10 april 2017

    Nu is er tenminste een linkse reactie op UNIA. Zullen we dat instituut dan maar afschaffen? Even Zuhal bellen.

  • door ThomasP op dinsdag 11 april 2017

    UNIA kan zeker beter functioneren. Tegelijk dienen we onze verwachtingen tegenover zo'n instelling af te stemmen op de realiteit: racisme is een bijzonder moeilijk aan te pakken maatschappelijk probleem, waar geen gemakkelijke oplossing voor is.

    Er is ontegensprekelijk sprake van een vertrouwenscrisis tussen slachtoffers en UNIA. Slachtoffers en getuigen van racisme verwachten terecht dat UNIA iets met hun situatie doet, en alles in zijn werk stelt om racisme en andere vormen van discriminatie terug te dringen.

    Tegelijk vermijden we best om van UNIA een zondebok te maken voor het falend maatschappelijk racisme-keren-beleid. UNIA is maar één van de vele actoren die samen aan een racismevrije samenleving kunnen werken. Dit komt ook deels door de bijzonder ingewikkelde rol van instellingen zoals UNIA:

    1) er is onvoldoende personeel en middelen om meldingen goed op te volgen

    2) het is zeer moeilijk (en kostelijk) om racisme-rechtszaken te winnen; verloren rechtszaken verhogen het gevoel van straffeloosheid.

    3) rechtszaken over raciale uitingsdelicten hebben meestal een negatieve impact, zowel op vlak van mentaliteitswijziging van daders als voor de slachtoffers (zie J. Vrielink)

    4) bemiddeling kan tot interessante resultaten leiden, maar is in vele gevallen niet mogelijk; het vraagt een grote (gepercipieerde) onpartijdigheid om succesvol te zijn.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties